regelbalk


 

Canto 5

Arunodaya-kîrt./Jiv Jâgo

 

Hoofdstuk 17: Hoe de Ganges naar beneden komt

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de incarnatie van Heer Vishnu, die rechtstreeks de genieter van alle offers is, Zijn tweede stap nam [als Heer Vâmana, zie 2.7: 17 ], stootte Hij met de nagel van de grote teen van Zijn linker voet door het hemeldak van het universum. De stroom water die van buiten door het gat naar binnen kwam vernietigt, roze gekleurd door het wegwassen van het rode poeder van Zijn lotusvoeten, de zonden van de hele wereld die er mee in aanraking komt; omdat het rechtstreeks van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer komt, wordt het omschreven als volkomen zuiver en krijgt het aldus die naam [de Ganges als de Vishnupadî], na een lange tijd, uit de hemel te zijn neergedaald op het hoofd van dat wat ze de toevlucht van Vishnu noemen. (2) Daar, op dat punt, baadt zowaar onze meest verheven, vast overtuigde toegewijde, de beroemde zoon [Dhruva, zie 4: 8] van Uttânapâda, zich in het water van de lotusvoeten van de familie-godheid, waarbij de beide bloemgelijke geloken ogen tranen vertonen als teken van de extase in zijn lichaam. Met de grote angst in zijn hart goeddeels verzacht en zijn spontane toegewijde dienst aan de Heer steeds meer toenemend, draagt hij met het water vrij van smetten dat vrijkomt, het zelfs nu nog met grote eerbied op zijn hoofd. (3) Daarna dragen ook de zeven wijzen [Marîci, Vasishthha, Atri en zo verder, zie 3.12: 22], wel bekend met de zegening, het zelfs op dit moment met de grootste eer op hun samengeklitte haar; ze beschouwen inderdaad, van alle boetedoeningen, het als de allerhoogste vervolmaking om dermate van een ononderbroken toegewijde dienst te zijn in de bhakti-yoga met de Allerhoogste Heer, de alles doorvarende Vâsudeva. Door eenvoudig het tot deze hoogte te brengen waren ze zeer zeker zonder enige interesse voor welke andere vorm van realisatie van de perfectie ook, zoals een [nirvis'esha-vâdi, of onpersoonlijke] bevrijding, of voor dat wat door personen wordt verkregen door andere manieren om de bevrijding te vinden [zoals economische ontwikkeling, zinsbevrediging of religie]. (4) Daarna valt het neer op de verblijfplaats van Brahmâ, in haar nederdalen de sfeer van de maan overspoelend waar de duizenden en miljoenen van de soorten van goddelijke paleizen [vimâna's, of 'vliegtuigen' genaamd] van de goden in hun verheven leven zich samenpakken. (5) Daar wordt het verdeeld in vier takken die ieder overvloedig in de vier windrichtingen stromen op weg naar hun grote vergaarbekken de oceaan, daarin uitkomend met de namen Sîtâ en Alakanandâ, Cakshu en Bhadrâ. (6) De Sîtâ die haar oorsprong vindt in de stad van Brahmâ, stroomt van de toppen van de Kesarâcala en van andere grote bergen naar beneden. Gevallen op de top van de berg Gandhamâdana mondt ze in de provincie Bhadrâs'va in westelijke richting bewegend uit in de zoute oceaan. (7) Ook op deze manier naar beneden vallend van de top van de Mâlyavân stroomt het water daarna ongehinderd in de westelijke richting door het land van Ketumâla om aldaar in de oceaan uit te komen. (8) De Bhadrâ, die van de berg Meru naar beneden komt vanaf de top van de berg Kumuda, stroomt in het noorden door de bergen Nîla en S'ringavân om van die pieken in noordelijke richting naar beneden te stromen door het gehele gebied van Kuru om zo de oceaan in het noorden binnen te gaan. (9) Dienovereenkomstig gaat de Alakanandâ vanaf de zuidelijke kant van de Brahmâpuri over vele bergtoppen en stroomt de Ganges met een groter, heftiger geweld, van de Hemakûtha en de Himakûtha naar beneden om Bhârata-varsha van alle kanten te doorsnijden, het zich zuidwaarts bewegen naar de oceaan. Voor degene die in haar stapte om zich te baden is zo het resultaat van grote offers als de As'vamedha en de Râjasûya, bij iedere stap niet moeilijk te verkrijgen.  (10) Vele soorten van andere rivieren en stromen bewegen zich door iedere landstreek en de vele honderden van hen behoort men allen te beschouwen als dochters van de berg Meru. 

(11) Van al deze varsha's is voorzeker het land bekend als Bhârata-varsha [India] het veld waar men aan zijn karma werkt, terwijl de overige andere acht varsha's voor de verdienstelijke lieden van goede daden aangewezen zijn als de hemelse oorden op aarde om van de geneugten des levens te genieten. (12) Daar genieten allen voor duizend jaren hun levens, allen die, net als de goden, zo sterk zijn als duizend olifanten met lichamen als bliksemstralen. Jeugdig en in opwinding over een grote mate aan seksueel genoegen, gaan ze als man en vrouw verbintenissen aan, aan het eind van hun periode van liefde bedrijven een kind verwekkend; ze kennen daar tijden van harmonieus leven, die gelijk zijn aan die men had in Tretâ-Yuga [de periode waarin de mensen vroom leefden]. (13) In ieder van die landen schort het de godgelijke leiders naar hun eigen deugd van dienst nimmer aan kostbaarheden en hebben ze gedurende alle seizoenen bossen bloemen zowel als vruchten waarvan de takken zwaar doorbuigen. De tuinen bij hun vele goddelijke verblijven staan vol met de prachtigste bomen en klimplanten met vele meren van kristalhelder water in de dalen van de berggebieden die hun landen afbakenen. In die meren treft men allerhande geurige, frisse lelies aan met zoemende hommels, gretige grote zwanen, eenden, kraanvogels, en andere watervogels. Ze genieten daar van allerlei watersporten, lustig glimlachend met hun speelse blikken de aantrekkelijke godgelijke vrouwen het hof makend, die zich vrijelijk vermaken met de grootste vreugde, een gretig oog en een bekoorde geest.  (14) Zeker toont de Allerhoogste Heer Narâyâna, de grote persoonlijkheid, genade voor Zijn toegewijden in al deze negen varsha's, door persoonlijk de werkelijkheid van de ziel op te wekken [middels zijn viervoudige gedaante van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zie 4.24: 35-36]; tot op de dag van vandaag verblijft Hij aldus in de nabijheid van Zijn toegewijden om hun dienst te aanvaarden (*). 

(15) In Ilâvrita-varsha is zeker Heer S'iva de enige opperheer; zeker zal iedere andere man behalve Hij, die daar met geweld binnendringt, te weten komen wat tot de vloek van Bhavânî [Zijn echtgenote] leidt, en in een vrouw veranderen; daarover zal ik later uitweiden [zie 9.1]. (16) In het gezelschap van Bhavânî bevinden zich tien biljoen vrouwen door wie de in vieren geëxpandeerde Opperheer altijd wordt gediend. De vierde expansie van de Allerhoogste Heer, die bekend staat als Sankarshana, is voor de gedaante van Zichzelf in de geaardheid duisternis de bron; hij, Heer S'iva, in trance mediterend op Hem, brengt Hem nabij in aanbidding duidelijk het volgende chantend. (17) Het machtige Heerschap zegt: 'Ik buig me voor U o Allerhoogste Heer, o grootste Oorspronkelijke Persoonlijkheid en reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten; U bent de onbegrensde en ongeziene Ene binnen deze wereld die ik aanbid. (18) O aanbiddelijke wiens voeten alle gevaar afwenden; U van wie we al de verschillende vormen van weelde hebben, bent de beste, de uiteindelijke toevlucht onschatbaar voor de toegewijden tot wiens tevredenheid U zich manifesteert in verschillende gedaanten; ik bezing Uw heerlijkheid, U die een einde maakt aan de herhaling van geboorte en dood, U, de Allerhoogste Beheerser, die de oorsprong van de schepping zijt.  (19) Wie van ons die niet de beheersing heeft over het geweld van de woede, maar de ambitie heeft de zinnen te beheersen en controle uit te oefenen, zou niet van aanbidding zijn voor U, wiens visie, Uw blik werpend, nimmer, niet in de geringste mate, is aangedaan door de rusteloze geest naar de kwaliteiten van mâyâ?  (20) Voor iemand met een oog voor het onware doet U zich voor als hebbende koperrode ogen, alsof U beschonken zou zijn onder de invloed van mâyâ, met het gedronken hebben van de honingzoete likeur; het was echter niet vanwege hun verlegenheid dat zij die in de echt verbonden zijn met de duivel van de slang niet in staat waren om door te gaan met het beroeren van Uw voeten - dat was omdat hun zinnen van streek waren. (21) Door U, zo zeggen al de wijzen, wordt de wereld in stand gehouden, geschapen en vernietigd, terwijl U Zelve bestaat zonder deze drie; als de Onbegrensde, tilt U niet zwaarder aan de universa, die zich bevinden op de honderden en duizenden van Uw kragen, dan aan een mosterdzaadje. (22-23) Uit U, van wie er de meest machtige Heer Brahmâ, het begin, de totale energie van de incarnatie van de materiële kwaliteiten is, werd ik geboren die, uitgerust met het drievoudige, vanuit mijn materiële vermogen de zaak kon regelen van al de zinnen, het godgelijke en de materiële elementen. Van U, die grotere werkelijkheid, onder wiens controle alles en wij, de grote persoonlijkheden, staan in een positie als die van een gier die aan een touw vastzit, roepen ik en de verlosten, wij allen, bij Uw genade, de orde uit over de materie en de zinnen in deze materiële wereld. (24) Door de begoochelende energie door U teweeg gebracht, die op ieder gegeven moment de knopen van het karma legt, weet een persoon, verbijsterd door de kwaliteiten van de schepping, niet hoe te ontkomen aan de gevangenschap erin; aan die Allerhoogste [waar wij aldus niet buiten kunnen], aan U in wie alles zijn einde en zijn aanvang vindt, mijn respectvolle eerbetoon.'

  

next                   

 
Tweede editie, geladen 24 februari, 2007.
 

 

 

Bronteksten:

Hoe de Ganges naar beneden komt

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Toen de incarnatie van Heer Vishnu, die rechtstreeks de genieter van alle offers is, Zijn tweede stap nam [als Heer Vâmana, zie 2.7: 17 ], stootte Hij met de nagel van de grote teen van Zijn linker voet door het hemeldak van het universum. De stroom water die van buiten door het gat naar binnen kwam vernietigt, roze gekleurd door het wegwassen van het rode poeder van Zijn lotusvoeten, de zonden van de hele wereld die er mee in aanraking komt; omdat het rechtstreeks van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer komt, wordt het omschreven als volkomen zuiver en krijgt het aldus die naam [de Ganges als de Vishnupadî], na een lange tijd, uit de hemel te zijn neergedaald op het hoofd van dat wat ze de toevlucht van Vishnu noemen.

S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, Heer Vishnu, de begunstigde van alle offers, verscheen in het offerperk van Bali Mahârâja als Vâmanadeva. Toen stak Hij Zijn linkervoet uit en boorde met de nagel van Zijn grote teen een gat in de schil van het universum. Door dit gat kwam het zuivere water van de Oceaan der Oorzaken als de Ganges het universum binnen. Omdat het water van de Ganges de lotusvoeten van de Heer gewassen heeft, die bedekt zijn met een roodachtig poeder, heeft het een prachtige roze kleur. Elk levend wezen kan zijn geest onmiddellijk zuiveren van alle materiële besmetting door dit transcendentale water van de Ganges aan te raken, maar toch blijft het water eeuwig rein. Omdat de Ganges voordat ze dit universum binnenstroomt rechtstreeks in contact staat met de lotusvoeten van de Heer, staat ze als Vishnupadî bekend. Later kreeg ze ook andere namen zoals Jâhnavî en Bhâgîrathî. Na duizend millennia stortte het water van de Ganges neer op Dhruvaloka, de hoogste planeet in dit universum. Daarom spreken alle grote wijzen en geleerden over Dhruvaloka als Vishnupada ["gelegen op de lotusvoeten van Heer Vishnu"]. (Vedabase)

 

Tekst 2 :

Daar, op dat punt, baadt zowaar onze meest verheven, vast overtuigde toegewijde, de beroemde zoon [Dhruva, zie 4: 8] van Uttânapâda, zich in het water van de lotusvoeten van de familie-godheid, waarbij de beide bloemgelijke geloken ogen tranen vertonen als teken van de extase in zijn lichaam. Met de grote angst in zijn hart goeddeels verzacht en zijn spontane toegewijde dienst aan de Heer steeds meer toenemend, draagt hij met het water vrij van smetten dat vrijkomt, het zelfs nu nog met grote eerbied op zijn hoofd. 

Dhruva Mahârâja, de beroemde zoon van Mahârâja Uttânapâda, staat bekend als de meest verheven toegewijde van de Allerhoogste Heer vanwege zijn grote vastberadenheid in het verrichten van toegewijde dienst. Omdat hij weet dat het heilige Ganges-water de lotusvoeten van Heer Vishnu wast, ontvangt Dhruva Mahârâja, die zijn eigen planeet heeft, tot op de dag van vandaag dat water met grote liefde op zijn hoofd. Daar hij in het diepst van zijn hart voortdurend met grote toewijding aan Krishna denkt, is hij overweldigd door extase. Tranen stromen uit zijn halfopen ogen en al zijn lichaamshaar staat overeind. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Daarna dragen ook de zeven wijzen [Marîci, Vasishthha, Atri en zo verder, zie 3.12: 22], wel bekend met de zegening, het zelfs op dit moment met de grootste eer op hun samengeklitte haar; ze beschouwen inderdaad, van alle boetedoeningen, het als de allerhoogste vervolmaking om dermate van een ononderbroken toegewijde dienst te zijn in de bhakti-yoga met de Allerhoogste Heer, de alles doorvarende Vâsudeva. Door eenvoudig het tot deze hoogte te brengen waren ze zeer zeker zonder enige interesse voor welke andere vorm van realisatie van de perfectie ook, zoals een [nirvis'esha-vâdi, of onpersoonlijke] bevrijding, of voor dat wat door personen wordt verkregen door andere manieren om de bevrijding te vinden [zoals economische ontwikkeling, zinsbevrediging of religie].

De zeven grote wijzen [Marîci, Vasishtha, Atri enzovoort] wonen op de planeten onder Dhruvaloka. Omdat ze zeer goed beseffen welke kracht het water van de Ganges heeft, dragen ze dit water tot op de dag van vandaag in de haarbundel op hun hoofd. Ze zijn tot de conclusie gekomen dat dit de allerhoogste rijkdom is, de vervolmaking van alle ascese, en de beste manier om een transcendentaal leven te leiden. Omdat ze de Allerhoogste Godspersoon onafgebroken toegewijde dienst bewijzen, verwaarlozen ze alle andere heilzame methoden zoals wereldse religie, materiële vooruitgang, zinsbevrediging en zelfs het opgaan in de Allerhoogste, Zoals voor de jñânî's het opgaan in de existentie van de Heer de hoogste waarheid is, hebben deze zeven verheven persoonlijkheden toegewijde dienst aanvaard als de vervolmaking van het leven. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Daarna valt het neer op de verblijfplaats van Brahmâ, in haar nederdalen de sfeer van de maan overspoelend waar de duizenden en miljoenen van de soorten van goddelijke paleizen [vimâna's, of 'vliegtuigen' genaamd] van de goden in hun verheven leven zich samenpakken.

Na de zeven planeten bij Dhruvaloka [de poolster] gezuiverd te hebben, wordt het Ganges-water aan boord van miljarden hemelse vliegtuigen via de luchtwegen der halfgoden verder vervoerd. Dan overspoelt het de maan [Candraloka] om tenslotte Heer Brahmâ's woonplaats bovenop de berg Meru te bereiken. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Daar wordt het verdeeld in vier takken die ieder overvloedig in de vier windrichtingen stromen op weg naar hun grote vergaarbekken de oceaan, daarin uitkomend met de namen Sîtâ en Alakanandâ, Cakshu en Bhadrâ.

Bovenop de berg Meru splitst de Ganges zich in vier takken, die elk een andere richting uitgaan [naar het oosten, westen, noorden en zuiden]. Deze rivieren, die we kennen als de Sîtâ, de Alakanandâ, de Cakshu en de Bhadrâ, stromen naar de oceaan. (Vedabase)

 

Tekst 6:

De Sîtâ die haar oorsprong vindt in de stad van Brahmâ, stroomt van de toppen van de Kesarâcala en van andere grote bergen naar beneden. Gevallen op de top van de berg Gandhamâdana mondt ze in de provincie Bhadrâs'va in westelijke richting bewegend uit in de zoute oceaan.

De tak van de Ganges die we als de Sîtâ kennen, loopt in Brahmapurî over de berg Meru heen, en stroomt vervolgens naar beneden naar de toppen van het naburige Kesarâcala-gebergte, dat bijna even hoog is als de Meru zelf. Deze bergen staan als meeldraden om de Meru heen. Vanaf het Kesarâcala-gebergte valt de Ganges op de top van de Gandhamâdana en stroomt dan het land Bhadrâs'va-varsha in. Uiteindelijk mondt ze in het westen in de oceaan van zout water uit. (Vedabase)

  

Tekst 7:

Ook op deze manier naar beneden vallend van de top van de Mâlyavân stroomt het water daarna ongehinderd in de westelijke richting door het land van Ketumâla om aldaar in de oceaan uit te komen. 

De tak van de Ganges die we kennen als de Cakshu valt op de top van de berg Mâlyavân en stort zich van daar in watervallen naar beneden, het land Ketumâla-varsha in. De Ganges stroomt dan zonder enige onderbreking door Ketumâla-varsha en mondt eveneens in het westen in de oceaan van zout water uit. (Vedabase)

 

Tekst 8:

De Bhadrâ, die van de berg Meru naar beneden komt vanaf de top van de berg Kumuda, stroomt in het noorden door de bergen Nîla en S'ringavân om van die pieken in noordelijke richting naar beneden te stromen door het gehele gebied van Kuru om zo de oceaan in het noorden binnen te gaan.

De tak van de Ganges die als de Bhadrâ bekendstaat, stroomt van de noordkant van de berg Meru naar beneden. Het water van deze rivier valt op de pieken van achtereenvolgens de berg Kumuda, de Nîla, de S'veta en de S'ringavân. Dan loopt het naar beneden, de provincie Kuru in, stroomt daar dwars doorheen en mondt in het noorden in de zout-water-oceaan uit. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Dienovereenkomstig gaat de Alakanandâ vanaf de zuidelijke kant van de Brahmâpuri over vele bergtoppen en stroomt de Ganges met een groter, heftiger geweld, van de Hemakûtha en de Himakûtha naar beneden om Bhârata-varsha van alle kanten te doorsnijden, het zich zuidwaarts bewegen naar de oceaan. Voor degene die in haar stapte om zich te baden is zo het resultaat van grote offers als de As'vamedha en de Râjasûya, bij iedere stap niet moeilijk te verkrijgen.

Zo gaat het ook met de tak van de Ganges die bekendstaat als de Alakanandâ en die van de zuidkant van Brahmapurî [Brahma-sadana] naar beneden stroomt. Nadat deze rivier de toppen van verschillende bergen in verschillende landen gepasseerd is, valt ze met woeste kracht op de pieken van de Hemakûtha en de Himakûtha. Nadat ze de toppen van die bergen bevloeid heeft, stort de Ganges naar beneden op de landstreek die we kennen als Bhârata-varsha, die ze eveneens bewatert. Dan stroomt ze in het zuiden de oceaan van zout water in. Mensen die in deze rivier komen baden, mogen zich gelukkig prijzen. Met elke stap door het water kunnen ze gemakkelijk dezelfde resultaten krijgen als ze zouden bereiken met het brengen van grote offers als het Râjasûya- en As'vamedha-yajña. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Vele soorten van andere rivieren en stromen bewegen zich door iedere landstreek en de vele honderden van hen behoort men allen te beschouwen als dochters van de berg Meru. 

Van de top van de Meru komen nog vele andere rivieren, grote en kleine, naar beneden. Deze rivieren zijn als de dochters van de berg, en ze stromen in honderden aftakkingen naar de verschillende landstreken. (Vedabase)

 

Tekst 11

Van al deze varsha's is voorzeker het land bekend als Bhârata-varsha [India] het veld waar men aan zijn karma werkt, terwijl de overige andere acht varsha's voor de verdienstelijke lieden van goede daden aangewezen zijn als de hemelse oorden op aarde om van de geneugten des levens te genieten.

Onder de negen varsha's geldt het land dat bekendstaat als Bhârata-varsha als het veld van baatzuchtige activiteiten. Grote geleerden en sâdhu's [heiligen] verklaren dat de andere acht varsha's voor zeer verheven vrome mensen bestemd zijn die, nadat ze van de hemelse planeten zijn teruggekeerd, in deze acht aardse varsha's van het resterende resultaat van hun vrome activiteiten genieten. (Vedabase)

 

Tekst 12

Daar genieten allen voor duizend jaren hun levens, allen die, net als de goden, zo sterk zijn als duizend olifanten met lichamen als bliksemstralen. Jeugdig en in opwinding over een grote mate aan seksueel genoegen, gaan ze als man en vrouw verbintenissen aan, aan het eind van hun periode van liefde bedrijven een kind verwekkend; ze kennen daar tijden van harmonieus leven, die gelijk zijn aan die men had in Tretâ-Yuga [de periode waarin de mensen vroom leefden].

In deze acht varsha's of landstreken leven de mensen volgens onze aardse berekeningen tienduizend jaar, en ze zijn praktisch gesproken net halfgoden. Ze hebben de kracht van tienduizend olifanten en hun lichaam is zo sterk als de bliksem. Ze blijven altijd jong, hetgeen hun leven zeer aangenaam maakt, en zowel de mannen als de vrouwen daar genieten lange tijd met veel plezier van seks. Na jaren en jaren van zinnelijk genot - als ze nog één jaar te leven heeft - krijgt de vrouw een kind. De bewoners van deze hemelse planeten genieten dus op exact hetzelfde niveau van het leven als de mensen in het Tretâ-yuga. (Vedabase)

 

Tekst 13:

In ieder van die landen schort het de godgelijke leiders naar hun eigen deugd van dienst nimmer aan kostbaarheden en hebben ze gedurende alle seizoenen bossen bloemen zowel als vruchten waarvan de takken zwaar doorbuigen. De tuinen bij hun vele goddelijke verblijven staan vol met de prachtigste bomen en klimplanten met vele meren van kristalhelder water in de dalen van de berggebieden die hun landen afbakenen. In die meren treft men allerhande geurige, frisse lelies aan met zoemende hommels, gretige grote zwanen, eenden, kraanvogels, en andere watervogels. Ze genieten daar van allerlei watersporten, lustig glimlachend met hun speelse blikken de aantrekkelijke godgelijke vrouwen het hof makend, die zich vrijelijk vermaken met de grootste vreugde, een gretig oog en een bekoorde geest.

Al deze gebieden worden verfraaid door prachtige kluizenaarshutten en vele tuinen die naargelang het seizoen vol bloemen of vruchten staan. Tussen de grote bergen die de grenzen van die landen aangeven, liggen enorme meren met helder water vol pas ontloken lotusbloemen. De watervogels daar, zoals de zwanen, eenden, waterhoentjes en kraanvogels, raken door de zoete geur van deze lotusbloemen in staat van grote opwinding, en de lucht is gevuld met het aangename gezoem van hommels. De bewoners van deze landen zijn belangrijke leiders onder de halfgoden. Altijd terzijde gestaan door hun dienaren, genieten ze van het leven in de tuinen rond de meren. In deze hoogst aangename situatie lachen de vrouwen van de halfgoden speels naar hun mannen en werpen hun blikken vol wellustig verlangen toe, terwijl zowel de halfgoden als hun vrouwen door hun dienaren voortdurend sandelhoutpulp en bloemenslingers aangereikt krijgen. Zo genieten de bewoners van al deze acht hemelse varsha's van de bekoorlijke activiteiten van het andere geslacht. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Zeker toont de Allerhoogste Heer Narâyâna, de grote persoonlijkheid, genade voor Zijn toegewijden in al deze negen varsha's, door persoonlijk de werkelijkheid van de ziel op te wekken [middels zijn viervoudige gedaante van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zie 4.24: 35-36]; tot op de dag van vandaag verblijft Hij aldus in de nabijheid van Zijn toegewijden om hun dienst te aanvaarden. (*)

Om Zijn toegewijden in elk van deze negen gebieden Zijn genade te betonen, expandeert de Allerhoogste Heer, die als Nârâyana bekendstaat, Zich in Zijn viervoudige gedaantes van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha. Op deze wijze blijft Hij in de buurt van Zijn toegewijden om hun diensten te aanvaarden. (Vedabase)

 

Tekst 15:

In Ilâvrita-varsha is zeker Heer S'iva de enige opperheer; zeker zal iedere andere man behalve Hij, die daar met geweld binnendringt, te weten komen wat tot de vloek van Bhavânî [Zijn echtgenote] leidt, en in een vrouw veranderen; daarover zal ik later uitweiden [zie 9.1]. 

S'ukadeva Gosvâmî zei: In het gebied dat als Ilâvrita-varsha bekendstaat, is de zeer machtige halfgod Heer S'iva de enige man. De godin Durgâ, de vrouw van Heer S'iva, wil niet hebben dat een andere man het land binnenkomt. Als er toch een dwaas is die dit waagt, verandert ze hem ogenblikkelijk in een vrouw. Dit zal ik later uitleggen [in het negende canto van het S'rîmad-Bhâgavatam]. (Vedabase)

 

Tekst 16:

In het gezelschap van Bhavânî bevinden zich tien biljoen vrouwen door wie de in vieren geëxpandeerde Opperheer altijd wordt gediend. De vierde expansie van de Allerhoogste Heer, die bekend staat als Sankarshana, is voor de gedaante van Zichzelf in de geaardheid duisternis de bron; hij, Heer S'iva, in trance mediterend op Hem, brengt Hem nabij in aanbidding duidelijk het volgende chantend.

In Ilâvrita-varsha wordt Heer S'iva altijd omringd door de tienmiljard dienaressen van de godin Durgâ, die voor hem zorgen. De viervoudige expansie van de Allerhoogste Heer bestaat uit Vâsudeva, Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. Sankarshana, de vierde expansie, is zonder meer transcendentaal, maar omdat Zijn bezigheid van het vernietigen van de materiële wereld in de geaardheid onwetendheid is, staat Hij bekend als tâmasî, de gedaante van de Heer in de geaardheid onwetendheid. Heer S'iva weet dat Sankarshana de oorspronkelijke oorzaak van zijn bestaan is. Daarom mediteert hij altijd in trance op Hem terwijl hij de volgende mantra chant. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Het machtige Heerschap zegt: 'Ik buig me voor U o Allerhoogste Heer, o grootste Oorspronkelijke Persoonlijkheid en reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten; U bent de onbegrensde en ongeziene Ene binnen deze wereld die ik aanbid. 

De zeer machtige Heer S'iva zegt: O Allerhoogste Godspersoon, ik breng U in Uw expansie als Heer Sankarshana mijn nederige eerbetuigingen. U bent het reservoir van alle transcendentale eigenschappen. Hoewel U onbegrensd bent, blijft U voor de niet-toegewijden ongeopenbaard. (Vedabase)

 

Tekst 18:

O aanbiddelijke wiens voeten alle gevaar afwenden; U van wie we al de verschillende vormen van weelde hebben, bent de beste, de uiteindelijke toevlucht onschatbaar voor de toegewijden tot wiens tevredenheid U zich manifesteert in verschillende gedaanten; ik bezing Uw heerlijkheid, U die een einde maakt aan de herhaling van geboorte en dood, U, de Allerhoogste Beheerser, die de oorsprong van de schepping zijt.

 O mijn Heer, U bent de enige die het waard is om vereerd te worden, want U bent de Allerhoogste Godspersoon, het reservoir van alle volheden. Uw veilige lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor al Uw toegewijden, die U tevredenstelt door Uzelf in allerlei gedaantes te openbaren. O mijn Heer, U bevrijdt Uw toegewijden uit de greep van het materiële bestaan, terwijl de niet-toegewijden uit de greep van het materiële bestaan, terwijl de niet-toegewijden door Uw wil in het materiële leven verstrikt blijven. Wees zo goed om mij als Uw eeuwige dienaar te aanvaarden. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Wie van ons die niet de beheersing heeft over het geweld van de woede, maar de ambitie heeft de zinnen te beheersen en controle uit te oefenen, zou niet van aanbidding zijn voor U, wiens visie, Uw blik werpend, nimmer, niet in de geringste mate, is aangedaan door de rusteloze geest naar de kwaliteiten van mâyâ?

Wij kunnen de kracht van onze woede niet bedwingen. Daarom kunnen we het niet helpen dat we aangetrokken of afgestoten worden door de dingen waarnaar we kijken. De Allerhoogste Heer heeft daar echter nooit last van. Hoewel Hij Zijn blik over de materiële wereld laat gaan met het doel om die te scheppen, in stand te houden en te vernietigen, is Hij nooit in het minst aangedaan. Wie daarom de drangen van zijn zinnen wil bedwingen, moet zijn toevlucht zoeken bij de lotusvoeten van de Heer. Dan zal hij zegevieren. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Voor iemand met een oog voor het onware doet U zich voor als hebbende koperrode ogen, alsof U beschonken zou zijn onder de invloed van mâyâ, met het gedronken hebben van de honingzoete likeur; het was echter niet vanwege hun verlegenheid dat zij die in de echt verbonden zijn met de duivel van de slang niet in staat waren om door te gaan met het beroeren van Uw voeten - dat was omdat hun zinnen van streek waren. 

Voor mensen met een vertroebelde visie lijken de ogen van de Allerhoogste Heer op die van iemand die in het wilde weg sterke drank drinkt. Daardoor verward, worden zulke onintelligente mensen kwaad op de Allerhoogste Heer, en omdat ze zelf boos zijn, zien ze ook de Heer als kwaad en vreeswekkend. Dit is echter illusie. Toen de vrouwen van de slangedemon in de war waren omdat de Heer hen met Zijn lotusvoet had beroerd, werden ze zo verlegen dat ze hun eerbetoon aan Hem moesten staken. Hun aanraking liet de Heer echter onaangedaan, want Hij behoudt onder alle omstandigheden Zijn evenwicht. Wie zou de Allerhoogste Godspersoon dus niet willen vereren? (Vedabase)

 

Tekst 21:

Door U, zo zeggen al de wijzen, wordt de wereld in stand gehouden, geschapen en vernietigd, terwijl U Zelve bestaat zonder deze drie; als de Onbegrensde, tilt U niet zwaarder aan de universa, die zich bevinden op de honderden en duizenden van Uw kragen, dan aan een mosterdzaadje.

Heer S'iva vervolgde: Alle grote wijzen erkennen dat de Heer de bron der schepping, instandhouding en vernietiging is, alhoewel Hij met die activiteiten in feite niets te maken heeft. Daarom wordt de Heer onbegrensd genoemd. Hoewel de Heer in Zijn incarnatie als S'esha alle universa op Zijn hoofden draagt, voelen ze voor Hem niet zwaarder aan dan even zovele mosterdzaadjes. Waarom zou iemand die naar volmaaktheid verlangt de Heer dus niet willen vereren? (Vedabase)

 

Tekst 22-23:

Uit U, van wie er de meest machtige Heer Brahmâ, het begin, de totale energie van de incarnatie van de materiële kwaliteiten is, werd ik geboren die, uitgerust met het drievoudige, vanuit mijn materiële vermogen de zaak kon regelen van al de zinnen, het godgelijke en de materiële elementen. Van U, die grotere werkelijkheid, onder wiens controle alles en wij, de grote persoonlijkheden, staan in een positie als die van een gier die aan een touw vastzit, roepen ik en de verlosten, wij allen, bij Uw genade, de orde uit over de materie en de zinnen in deze materiële wereld.

Van die Allerhoogste Godspersoon is Heer Brahmâ afkomstig, wiens lichaam uit het totaal der materiële energie bestaat, en die de bron van intelligentie beheerst door de geaardheid hartstocht is. Uit Heer Brahmâ werd ikzelf geboren als vertegenwoordiger van het vals ego, dat bekendstaat als Rudra. Ik schep op eigen kracht alle andere halfgoden, de vijf elementen en de zinnen. Daarom vereer ik de Allerhoogste Godspersoon, die groter is dan wie dan ook van ons en die de leiding heeft over alle halfgoden, de materiële elementen en de zinnen. Zelfs Heer Brahmâ en ik zijn aan Hem onderworpen als vogels aan een touw. Alleen door Zijn genade kunnen we de materiële wereld scheppen, in stand houden en vernietigen. Daarom breng ik mijn nederige eerbetuigingen aan het Allerhoogste Wezen. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Door de begoochelende energie door U teweeg gebracht, die op ieder gegeven moment de knopen van het karma legt, weet een persoon, verbijsterd door de kwaliteiten van de schepping, niet hoe te ontkomen aan de gevangenschap erin; aan die Allerhoogste [waar wij aldus niet buiten kunnen], aan U in wie alles zijn einde en zijn aanvang vindt, mijn respectvolle eerbetoon.'

Wij, geconditioneerde zielen, zijn allen aan deze materiële wereld gebonden door de begoochelende energie van de Allerhoogste Godspersoon. Zonder Zijn gunst kunnen mensen als wij daarom niet begrijpen hoe we uit die begoochelende energie los kunnen komen. Laat ik mijn nederige eerbetuigingen brengen aan Hem, de Heer, die de oorzaak is van schepping en vernietiging. (Vedabase)

 

 

*: In sommige van de sâtvata-tantras, is er een beschrijving van de negen varsha's en hun heersende Godheid aanbeden in ieder van hen:. (1) Vâsudeva,. (2) Sankarshana,. (3) Pradyumna,. (4) Aniruddha,. (5) Narâyâna,. (6) Nrisimha,. (7) Hayagrîva,. (8) Mahâvarâha, en. (9) Brahmâ.

 

 

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Dinabandhu dasa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties