regelbalk


 

 

Canto 10

Nrisimha Pranâma

 

 
Hoofdstuk 6: Het Doden van de Demone Pûtanâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Nanda op weg gegaan [naar huis] bedacht dat de woorden van de zoon van S'ûra [Vasudeva] niet zomaar gevallen waren en dus nam hij, bang voor eventuele moeilijkheden, zijn toevlucht tot de Heer. (2) Zoals beschikt door Kamsa [zie 10.4: 43] was er een afgrijselijke moordenares die in de steden, dorpen en gehuchten rondwaarde en daar kleine baby's doodde. (3) [Welnu,] waar men ook zijn plicht doet en weet te luisteren en dat alles [van de bhakti] kan er, met de Beschermer van de Toegewijden, geen sprake zijn van geschreeuw om moord van wildemannen en kwade elementen. (4) Zij die Pûtanâ werd genoemd, en in staat was door de lucht te reizen, vloog op een dag op het dorp van Nanda af, transformeerde zichzelf middels haar mystiek vermogen in een mooie vrouw en drong er binnen, gaand en staand waar ze maar wilde. (5-6) Met haar haar opgeschikt met mallikâ [jasmijn] bloemen, haar zeer weelderige borsten en heupen haast te zwaar voor haar slanke middel, met haar fijne uitdossing en de oorhangers die ze droeg, de schittering en grote aantrekkingskracht van haar gezicht omlijst door haar zwarte haar en met haar uitdagende blikken geworpen naar iedereen, trok ze met haar schoonheid ieders aandacht in Gokula; het scheen de gopî's toe dat zij, zo oogstrelend met een lotus in haar hand, de godin van de schoonheid was die was gekomen om haar Echtgenoot te zien. (7) De baby-moordenares aldaar in het huis van Nanda ongehinderd op zoek naar kinderen zag het Kind dat een Einde Maakt aan Alle Onwaarheid en waarvan het onbegrensde vermogen overdekt was, precies zoals vuur verborgen in de as. (8) Begrijpend dat ze eropuit was kinderen te vermoorden sloot Hij, de Onbegrensde Ziel van al wat Leeft en Niet Leeft, Zijn ogen toen zij, zich van niets bewust als iemand die een slapende slang aanziet voor een stuk touw, Hem, haar eigen ondergang, op haar schoot zette. (9) Kwaadgezind het proberend als een moeder was ze als een scherp zwaard in een fraaie schede, zoals de twee moeders haar in de kamer zagen die onder de indruk van haar schoonheid als aan de grond genageld stonden. (10) Zij, verschrikkelijk, plaatste Hem op haar schoot en duwde ter plekke Hem haar borst, als een wapen met gif ingesmeerd, in Zijn mond, maar in reactie daarop kneep de Allerhoogste Heer haar pijnlijk hard met Zijn beide handjes en zoog Hij verwoed zowel het gif als het leven uit haar. (11) In heel haar wezen geraakt, schreeuwde ze luid jammerend uit: 'Help, help me; genoeg!' en spreidde ze haar ogen wijd open, hevig zwetend terwijl ze tegenspartelend met haar armen en benen om zich heen sloeg. (12) Het kabaal dat ze maakte deed de aarde met haar bergen en de buitenruimte met al zijn sterren in het firmament en de lagere werelden in alle richtingen op hun grondvesten schudden waarbij de mensen, bang voor het geluid, zich plat op de grond wierpen om niet te worden getroffen door de bliksem. (13) Aldus gekweld aan haar borsten worstelend, gaf ze de geest, met haar mond wijd open en haar armen en benen en haren wijd uitgespreid. Daarop expandeerde ze toen naar haar oorspronkelijke demonische gedaante, ter aarde stortend in de weidegronden o Koning, als Vritrâsura toen die werd getroffen door de schicht van Indra [zie 6.12]. (14) Haar lichaam verpletterde in zijn val alle bomen in een straal van zo'n twintig kilometer, o Koning, daar het hoogst
wonderbaarlijk gigantisch groot was.

(15-17) De gopa's en de gopî's die in hun harten, oren en hoofden al diep geschokt waren door het luide gekrijs waren ontsteld dat massieve lichaam te zien waarvan de mond tanden had hoog als een ploeg, de neusgaten groot waren als berggrotten, de borsten waren als rotsblokken, het wilde uitgespreide haar er uitzag als koper, de diepe oogkassen waren als overwoekerde putten, de dijen waren als rivieroevers met de ledematen als bruggen en de buik er uit zag als een opgedroogd meer. (18) En er bovenop was er daar het kind, zorgeloos spelend, dat snel door de gopî's werd opgepakt die allen naderbij komend in hoge staat van opwinding verkeerden. (19) Tezamen met Yas'odâ en Rohinî zwaaiden ze toen met een koeienstaart rondom het kind zodat het kind geheel beschermd zou zijn tegen alle gevaren, (20) Met koeienurine werd het kind grondig schoongewassen en opnieuw bedekt met het stof opgeworpen door koeien. Daarna werd er voor de bescherming van het kind eveneens met koemest de heilige Naam aangebracht op twaalf plaatsen [*]. (21) De gopî's namen een teugje water [âcamana] en na het plaatsen van de letters van de [volgende **] mantra op hun eigen lichamen en twee handen, gingen ze toen zo verder met het kind: (22-23) 'Moge Aja Je benen beschermen, moge Manimân Je knieën beschermen, moge Yajña Je dijen beschermen, moge Acyuta Je boven Je middel beschermen, moge Hayagrîva Je onderbuik beschermen, moge Kes'ava Je hart beschermen, moge Îs'a Je borst beschermen, moge Sûrya Je nek beschermen, moge Vishnu Je armen beschermen, moge Urukrama Je mond beschermen en moge Îs'vara Je hoofd beschermen. Moge Cakrî Je van voren beschermen; moge de Allerhoogste Persoonlijkheid Gadâdharî, die de knots draagt, Je van achteren beschermen; en moge de doder van Madhu en Ajana, de drager van de boog en het zwaard Je twee zijden beschermen. Moge Heer Urugâya, de drager van de schelphoorn, Je vanuit iedere hoek beschermen; moge Upendra Je van boven beschermen; moge [Hij die rijdt op] Garuda Je op de grond beschermen; en moge de Allerhoogste Persoon Haladhara, Je van alle kanten beschermen. (24) Moge Je zinnen worden beschermd door Hrishîkes'a, Je levensadem door Nârâyana, moge de Meester van S'vetadvîpa de kern van Je hart beschermen en moge Je geest worden behoed door Yoges'vara. (25-26) Moge Pris'nigarbha Je intelligentie beschermen, moge Je ziel worden beschermd door Bhagavân, moge Govinda Je beschermen als Je speelt en moge Mâdhava Je beschermen in Je slaap. Moge de Heer van Vaikunthha Je beschermen als Je loopt, de Echtgenoot van de Godin van het geluk Je beschermen als Je zit en moge Heer Yajñabhuk, de vrees van al de kwade werelden, Je beschermen als Je van het leven geniet. (27-29) De duivelinnen, duivels en haters van kinderen die zijn als slecht gesternte; de boze geesten, kwaaie dwergen, kwelgeesten en spoken, de wildemannen, monsters en heksen als Kotharâ, Revatî, Jyeshthhâ, Mâtrikâ en Pûtanâ die mensen tot waanzin drijven, zijn degenen die het geheugen bederven en het iemand in zijn lichamelijkheid, levensadem en vitaliteit moeilijk maken. Mogen die nachtmerrie-wezens die zoveel ellende veroorzaken met het aanvallen van de grootste wijzen en de kinderen allen hun ondergang vinden, afgeschrikt door het zingen van de namen van Vishnu'.

(30) S'ri S'uka zei: 'Op deze manier werden door de oudere gopî's die aldus gebonden waren door hun moederlijke genegenheid alle maatregelen genomen om het kwaad af te wenden. Vervolgens gaf ma Hem de borst en stopte ze haar zoon in bed. (31) Ondertussen kwamen de gopa's met Nanda voorop terug uit Mathurâ en toen ze in Vraja Pûtanâ's lichaam zagen stonden ze allen stomverbaasd [en zeiden]: (32) 'Het schijnt zo te zijn, o vrienden, dat Ânakadundubhi uitgegroeid is tot een grote yogameester of zoiets, wat zich hier heeft voorgedaan is het soort van voorval dat hij voorspelde!' (33) De massa van het lichaam werd met behulp van bijlen door al de bewoners van Vraja in stukken gehakt en, meegevoerd over een lange afstand, neergegooid, met hout bedekt en verbrand. (34) Toen het lichaam werd gecremeerd bleek de rook die vrijkwam zo sereen geurig te zijn als aguru wierook omdat, met het zuigen van Krishna, het direct was bevrijd van alle smetten [zie 1.2: 17]. (35-36) Als Pûtanâ, die kindermoordenares en duivelin zinnend op bloed, niettegenstaande haar moordlust, na de Heer haar borst geboden te hebben, erin slaagde het hoogste doel te bereiken, wat zou dat dan niet inhouden voor hen die met geloof en toewijding een affiniteit hebben gelijk aan die van al die liefhebbende moeders voor wie Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de meest geliefde is? (37-38) Met Zijn lotusvoeten, welke de toegewijden altijd in hun harten dragen en welke in toewijding worden vastgehouden door hen die overal worden geprezen [zoals Brahmâ en S'iva], trad de Allerhoogste Heer op haar lichaam en haar borst en ging ze, hoewel een moordenares, met het innemen van de positie van een moeder, naar de hemel; wat zou dat niet betekenen voor de moederlijke koeien van wiens spenen Krishna de melk genoot? (39-40) Van allen met liefde voor het kind van wie de melk vloeide die Hij, de Allerhoogste Heer, de Schenker der Eenheid en Bevrijding en zoon van Devakî, naar Zijn voldoening dronk; van al degenen die voortdurend Krishna tot hun voorwerp van moederlijke zorg maakten, mag men nooit denken, o Koning, dat ze weer terug zouden keren naar de materiële oceaan waar men zich verlustigt in onwetendheid [zie ook B.G. 4: 9].

(41) Met het opsnuiven van de geur van de rook die vrijkwam vroegen al de bewoners van Vrajabhûmi zich af: 'Waar komt het vandaan?' en aldus met elkaar sprekend bereikten ze het koeiendorp. (42) Daar aangekomen waren ze hoogst verrast om te vernemen wat de gopa's allemaal te vertellen hadden over de ophef die Pûtanâ had veroorzaakt, hoe ze was gestorven en wat allemaal voor het heil van de baby was gedaan. (43) Nanda die zijn zoon op schoot nam alsof die uit de dood was weergekeerd, besnoof simpel en eenvoudig Zijn hoofdje en bereikte de hoogste vrede, o beste van de Kuru's. (44) Iedere sterveling met geloof en toewijding die verneemt over het wonderbaarlijke avontuur van Krishna over de verlossing van Pûtanâ zal liefde opvatten voor Govinda ['de Beschermer van de Koeien'].'

 

 

next          

 
 

Tweede editie, geladen 14 maart 2008.  

 

 

 

 

 

Bronteksten:

Krishna doodt de demon Pûtanâ

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'Nanda op weg gegaan [naar huis] bedacht dat de woorden van de zoon van S'ûra [Vasudeva] niet zomaar gevallen waren en dus nam hij, bang voor eventuele moeilijkheden, zijn toevlucht tot de Heer.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde:  Beste koning, toen Nanda Mahârâja op de terugreis was, bedacht hij dat wat Vasudeva gezegd had niet onjuist of zinloos kon zijn. Er moest inderdaad het gevaar bestaan dat zich ongeregeldheden zouden voordoen in Gokula. Nanda Mahârâja werd bang bij de gedachte dat zijn prachtige zoon, Krishna, gevaar liep en nam zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de allerhoogste bestuurder. (Vedabase)

  

Tekst 2:

Zoals beschikt door Kamsa [zie 10.4: 43] was er een afgrijselijke moordenares die in de steden, dorpen en gehuchten rondwaarde en daar kleine baby's doodde.

Terwijl Nanda Mahârâja op de terugreis naar Gokula was, stroopte dezelfde woeste Pûtanâ die Kamsa eerder aangesteld had om kleine kinderen te doden de steden, dorpen en gehuchten af om haar schandelijke taak te volbrengen. (Vedabase)

 

Tekst 3:

[Welnu,] waar men ook zijn plicht doet en weet te luisteren en dat alles [van de bhakti] kan er, met de Beschermer van de Toegewijden, geen sprake zijn van geschreeuw om moord van wildemannen en kwade elementen.

Beste koning, overal waar mensen, ongeacht hun situatie, door te chanten en te luisteren [s'ravanam kîrtanam vishnoh] hun plicht in toegewijde dienst vervullen, valt er niets te duchten van slechte elementen. Daarom was er helemaal geen reden om zich zorgen over Gokula te maken zolang de Allerhoogste Godspersoon daar persoonlijk aanwezig was. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Zij die Pûtanâ werd genoemd, en in staat was door de lucht te reizen, vloog op een dag op het dorp van Nanda af, transformeerde zichzelf middels haar mystiek vermogen in een mooie vrouw en drong er binnen, gaand en staand waar ze maar wilde.

Op een keer veranderde Pûtanâ Râkshasî, die naar wens overal heen kon gaan en door de ruimte zwierf, zich met behulp van haar mystieke vermogens in een zeer mooie vrouw, en betrad zo Gokula, de woonplaats van Nanda Mahârâja. (Vedabase)

 

Tekst 5-6:

Met haar haar opgeschikt met mallikâ [jasmijn] bloemen, haar zeer weelderige borsten en heupen haast te zwaar voor haar slanke middel, met haar fijne uitdossing en de oorhangers die ze droeg, de schittering en grote aantrekkingskracht van haar gezicht omlijst door haar zwarte haar en met haar uitdagende blikken geworpen naar iedereen, trok ze met haar schoonheid ieders aandacht in Gokula; het scheen de gopî's toe dat zij, zo oogstrelend met een lotus in haar hand, de godin van de schoonheid was die was gekomen om haar Echtgenoot te zien.

Haar heupen waren vol, haar borsten groot en stevig, ogenschijnlijk een te zware last voor haar slanke taille, en ze was heel mooi gekleed. Ze droeg een slinger van mallikâ-bloemen in haar haar, wat loshing langs haar prachtige gezicht. Haar oorringen schitterden, en toen ze haar bekoorlijke lach liet zien, waarbij ze iedereen aankeek, trok haar schoonheid de aandacht van alle bewoners van Vraja, vooral van de mannen. Toen de gopî's haar zagen, dachten ze dat de mooie godin van het geluk, met een lotus in de hand, haar echtgenoot Krishna was komen opzoeken. (Vedabase)

 

Tekst 7:

De baby-moordenares aldaar in het huis van Nanda ongehinderd op zoek naar kinderen zag het Kind dat een Einde Maakt aan Alle Onwaarheid en waarvan het onbegrensde vermogen overdekt was, precies zoals vuur verborgen in de as.

Op haar speurtocht naar kleine kinderen om te doden, betrad Pûtanâ, omdat ze door het hogere vermogen van de Heer gezonden was, ongehinderd het huis van Nanda Mahârâja. Zonder ook maar iemand om toestemming te vragen ging ze Nanda Mahârâja's kamer binnen en zag daar dat het kind in bed lag te slapen, Zijn onbegrensde macht verhuld als een krachtig vuur dat bedekt is met as. Ze begreep dat dit geen gewoon kind was, maar dat het gekomen was om alle demonen te doden. (Vedabase)

  

Tekst 8

Begrijpend dat ze eropuit was kinderen te vermoorden sloot Hij, de Onbegrensde Ziel van al wat Leeft en Niet Leeft, Zijn ogen toen zij, zich van niets bewust als iemand die een slapende slang aanziet voor een stuk touw, Hem, haar eigen ondergang, op haar schoot zette.

Heer S'rî Krishna, de alomtegenwoordige Superziel, die daar in bed lag, begreep dat Pûtanâ, een heks die zeer bedreven was in het doden van kleine kinderen, gekomen was om Hem te doden. Daarom sloot Hij Zijn ogen alsof Hij bang voor haar was. Pûtanâ nam het kind dat haar eigen ondergang zou worden bij zich op schoot, zoals een onintelligent mens een slapende slang op schoot neemt omdat hij denkt dat het een stuk touw is. (Vedabase)

    

Tekst 9

Kwaadgezind het proberend als een moeder was ze als een scherp zwaard in een fraaie schede, zoals de twee moeders haar in de kamer zagen die onder de indruk van haar schoonheid als aan de grond genageld stonden.

Het hart van Pûtanâ Râkshasî was kwaadaardig en wreed, maar ze zag er uit als een zeer liefdevolle moeder. Daardoor leek ze op een scherp zwaard in een zachte schede. Yas'odâ en Rohinî zagen wel dat ze in de kamer was, maar waren zo overweldigd door haar schoonheid, dat ze haar niet tegenhielden en geen woord zeiden omdat ze als een moeder met het kind omging. (Vedabase)

 

Tekst 10

Zij, verschrikkelijk, plaatste Hem op haar schoot en duwde ter plekke Hem haar borst, als een wapen met gif ingesmeerd, in Zijn mond, maar in reactie daarop kneep de Allerhoogste Heer haar pijnlijk hard met Zijn beide handjes en zoog Hij verwoed zowel het gif als het leven uit haar.

Precies op die plaats nam de extreem gevaarlijke Râkshasî Krishna op schoot en duwde haar borst tegen Zijn mond. De tepel van haar borst was ingesmeerd met een gevaarlijk, snelwerkend vergif. De Allerhoogste Godspersoon, Krishna, werd echter woedend op haar en pakte haar borst vast. Terwijl Hij er met beide handen heel hard in kneep, zoog Hij er zowel het vergif als haar leven uit. (Vedabase)

 

Tekst 11

In heel haar wezen geraakt, schreeuwde ze luid jammerend uit: 'Help, help me; genoeg!' en spreidde ze haar ogen wijd open, hevig zwetend terwijl ze tegenspartelend met haar armen en benen om zich heen sloeg.

Omdat de druk op al haar vitale delen ondraaglijk werd, begon de demon Pûtanâ te schreeuwen: "Laat me alsjeblieft gaan, laat me gaan! Zuig niet langer aan mijn borst!" Zwetend, met wijdopen ogen en wild bewegende armen en benen, schreeuwde ze het keer op keer uit. (Vedabase)

 

Tekst 12

Het kabaal dat ze maakte deed de aarde met haar bergen en de buitenruimte met al zijn sterren in het firmament en de lagere werelden in alle richtingen op hun grondvesten schudden waarbij de mensen, bang voor het geluid, zich plat op de grond wierpen om niet te worden getroffen door de bliksem.

Terwijl Pûtanâ uit alle macht schreeuwde, schudde de aarde met haar bergen en de ruimte met zijn planeten. Zowel de lagere planeten als alle richtingen werden heen en weer geschud, en uit angst door de bliksem getroffen te worden, lieten de mensen zich op de grond vallen. (Vedabase)

 

Tekst 13

Aldus gekweld aan haar borsten worstelend, gaf ze de geest, met haar mond wijd open en haar armen en benen en haren wijd uitgespreid. Daarop expandeerde ze toen naar haar oorspronkelijke demonische gedaante, ter aarde stortend in de weidegronden o Koning, als Vritrâsura toen die werd getroffen door de schicht van Indra [zie 6.12].

Op deze wijze verloor de demon Pûtanâ het leven, hevig pijnlijdend omdat haar borst door Krishna aangevallen werd. O Koning Parîkshit, met wijd opengesperde mond en uitgespreide armen, benen en haren stortte ze in haar oorspronkelijke gedaante als Râkshasî op de weide neer, net zoals Vritrâsura neerviel toen hij door de bliksem van Indra gedood was. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Haar lichaam verpletterde in zijn val alle bomen in een straal van zo'n twintig kilometer, o Koning, daar het hoogst wonderbaarlijk gigantisch groot was.

O koning Parîkshit, toen het enorme lichaam van Pûtanâ op de grond neerviel, verpletterde het alle bomen in een straal van negentien kilometer. Met haar enorme lichaam bood ze beslist een buitengewone aanblik. (Vedabase)

 

Tekst 15-17:

De gopa's en de gopî's die in hun harten, oren en hoofden al diep geschokt waren door het luide gekrijs waren ontsteld dat massieve lichaam te zien waarvan de mond tanden had hoog als een ploeg, de neusgaten groot waren als berggrotten, de borsten waren als rotsblokken, het wilde uitgespreide haar er uitzag als koper, de diepe oogkassen waren als overwoekerde putten, de dijen waren als rivieroevers met de ledematen als bruggen en de buik er uit zag als een opgedroogd meer.

De mond van de Râkshasî zat vol tanden die stuk voor stuk op de voorkant van een ploeg leken, naar neusgaten waren zo diep als berggrotten en haar borsten zagen er uit als grote, platte stukken steen die van een heuvel gevallen zijn. Haar wijd uiteengevallen haar had de kleur van koper. Haar oogkassen leken op bodemloze putten, haar angstaanjagende dijen op de oevers van een rivier, haar armen, benen en voeten op grote bruggen en haar buik op een opgedroogd meer. De harten, oren en hoofden van de koeherders en koeherderinnen waren al geschokt door het geschreeuw van de Râkshasî, en toen ze zagen wat een zeer wonderbaarlijk lichaam ze had, werden ze nog banger. (Vedabase)

 

Tekst 18:

En er bovenop was er daar het kind, zorgeloos spelend, dat snel door de gopî's werd opgepakt die allen naderbij komend in hoge staat van opwinding verkeerden.

De kleine Krishna speelde zonder enige angst bovenop de borst van Pûtanâ Râkshasî, en toen de gopî's zagen wat voor wonderbaarlijke activiteiten het kind verricht had, kwamen ze onmiddellijk vol vreugde toelopen en pakten Hem op. (Vedabase)

  

Tekst 19

Tezamen met Yas'odâ en Rohinî zwaaiden ze toen met een koeienstaart rondom het kind zodat het kind geheel beschermd zou zijn tegen alle gevaren,

Vervolgens zwaaiden moeder Yas'odâ, Rohinî en de andere oudere gopî's de staartpluim van een koe in het rond om de kleine S'rî Krishna tegen alle gevaar te beschermen. (Vedabase)

 

Tekst 20

Met koeienurine werd het kind grondig schoongewassen en opnieuw bedekt met het stof opgeworpen door koeien. Daarna werd er voor de bescherming van het kind eveneens met koemest de heilige Naam aangebracht op twaalf plaatsen [*].

Het kind werd grondig gewassen met de urine van een koe en vervolgens ingesmeerd met het stof dat de koeien door hun bewegingen opgeworpen hadden. Daarna werden met koemest verschillende namen van de Heer op twaalf verschillende plaatsen van Zijn lichaam aangebracht, te beginnen met het voorhoofd, zoals men doet bij het aanbrengen van tilaka. Op deze wijze werd het kind beschermd. (Vedabase)

 

Tekst 21

De gopî's namen een teugje water [âcamana] en na het plaatsen van de letters van de [volgende **] mantra op hun eigen lichamen en twee handen, gingen ze toen zo verder met het kind:

De gopî's volbrachten eerst het proces van âcamana door een beetje water uit hun rechterhand te drinken. Ze zuiverden hun lichaam en handen met de nyâsa-mantra en brachten vervolgens dezelfde mantra aan op het lichaam van het kind. (Vedabase)

 

Tekst 22-23

'Moge Aja Je benen beschermen, moge Manimân Je knieën beschermen, moge Yajña Je dijen beschermen, moge Acyuta Je boven Je middel beschermen, moge Hayagrîva Je onderbuik beschermen, moge Kes'ava Je hart beschermen, moge Îs'a Je borst beschermen, moge Sûrya Je nek beschermen, moge Vishnu Je armen beschermen, moge Urukrama Je mond beschermen en moge Îs'vara Je hoofd beschermen. Moge Cakrî Je van voren beschermen; moge de Allerhoogste Persoonlijkheid Gadâdharî, die de knots draagt, Je van achteren beschermen; en moge de doder van Madhu en Ajana, de drager van de boog en het zwaard Je twee zijden beschermen. Moge Heer Urugâya, de drager van de schelphoorn, Je vanuit iedere hoek beschermen; moge Upendra Je van boven beschermen; moge [Hij die rijdt op] Garuda Je op de grond beschermen; en moge de Allerhoogste Persoon Haladhara, Je van alle kanten beschermen.

[S'ukadeva Gosvâmî legde Mahârâja Parîkshit uit dat de gopî's hun kind, Krishna, volgens de juiste methode beschermden met de volgende mantra.] Moge Aja Je benen beschermen, Manimân Je knieën, Yajña Je dijen. Acyuta het gedeelte boven Je middel en Hayagrîva Je buik. Moge Kes'ava Je hart beschermen, Îs'a Je borst, de zonnegod Je hals, Vishnu Je armen, Urukrama Je gezicht en Îs'vara Je hoofd. Moge Cakrî Je van voren beschermen, moge S'rî Hari, Gadâdharî, de drager van de knots, Je van achteren beschermen en mogen de drager van de boog, die bekendstaat als de vijand van Madhu, en Heer Ajana, de drager van het zwaard, Je beide zijden beschermen. Moge Heer Urugâya, de drager van de hoornschelp, Je vanuit alle hoeken beschermen. Moge Upendra Je vanboven beschermen, moge Garuda Je op de grond beschermen en moge Heer Haladhara, de Allerhoogste Persoon, Je van alle kanten beschermen. (Vedabase)

   

Tekst 24

Moge Je zinnen worden beschermd door Hrishîkes'a, Je levensadem door Nârâyana, moge de Meester van S'vetadvîpa de kern van Je hart beschermen en moge Je geest worden behoed door Yoges'vara.

Moge Hrishîkes'a Je zintuigen beschermen en Nârâyana Je levenslucht. Moge de meester van S'vetadvîpa het diepst van Je hart beschermen en Heer Yoges'vara Je geest. (Vedabase)

 

Tekst 25-26

Moge Pris'nigarbha Je intelligentie beschermen, moge Je ziel worden beschermd door Bhagavân, moge Govinda Je beschermen als Je speelt en moge Mâdhava Je beschermen in Je slaap. Moge de Heer van Vaikunthha Je beschermen als Je loopt, de Echtgenoot van de Godin van het geluk Je beschermen als Je zit en moge Heer Yajñabhuk, de vrees van al de kwade werelden, Je beschermen als Je van het leven geniet.  

Moge Heer Pris'nigarbha Je intelligentie beschermen en de Allerhoogste Godspersoon Je ziel. Moge Govinda Je beschermen als Je speelt en Mâdhava als Je slaapt. Moge Heer Vaikunthha Je beschermen als Je loopt, en Heer Nârâyana, de echtgenoot van de godin van het geluk, als Je zit. Moge zo ook Heer Yajñabhuk, die alle onheilsplaneten angst aanjaagt, Je altijd beschermen terwijl Je van het leven geniet. (Vedabase)

 

Tekst 27-29

De duivelinnen, duivels en haters van kinderen die zijn als slecht gesternte; de boze geesten, kwaaie dwergen, kwelgeesten en spoken, de wildemannen, monsters en heksen als Kotharâ, Revatî, Jyeshthhâ, Mâtrikâ en Pûtanâ die mensen tot waanzin drijven, zijn degenen die het geheugen bederven en het iemand in zijn lichamelijkheid, levensadem en vitaliteit moeilijk maken. Mogen die nachtmerrie-wezens die zoveel ellende veroorzaken met het aanvallen van de grootste wijzen en de kinderen allen hun ondergang vinden, afgeschrikt door het zingen van de namen van Vishnu'.

De kwade heksen die bekendstaan als de Dâkinî's, Yâtudhânî's en Kushmânda's zijn de grootste vijanden van kinderen, en zowel kwade geesten zoals Bhûta's, Preta's, Pis'âca's, Yaksha's, Râkshasa's en Vinâyaka's, als heksen zoals Kotharâ, Revatî, Jyeshthhâ, Pûtanâ en Mâtrikâ staan altijd klaar om het lichaam, de levenslucht en de zintuigen problemen te bezorgen, en veroorzaken geheugenverlies, krankzinnigheid en nare dromen. Net als de meest ervaren kwade sterren, zorgen ze allemaal voor grote problemen, vooral voor kinderen. Maar men kan ze echter verslaan door eenvoudigweg de naam van Heer Vishnu uit te spreken, want als de naam van Heer Vishnu klinkt, worden ze allemaal bang en gaan weg. (Vedabase)

 

Tekst 30

S'ri S'uka zei: 'Op deze manier werden door de oudere gopî's die aldus gebonden waren door hun moederlijke genegenheid alle maatregelen genomen om het kwaad af te wenden. Vervolgens gaf ma Hem de borst en stopte ze haar zoon in bed.

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: De gopî's, met moeder Yas'odâ als eerste, waren door moederliefde aan Krishna gebonden. Nadat ze mantra's gechant hadden om het kind te beschermen, gaf moeder Yas'odâ Hem de borst en legde Hem vervolgens in bed. (Vedabase)

 

Tekst 31

Ondertussen kwamen de gopa's met Nanda voorop terug uit Mathurâ en toen ze in Vraja Pûtanâ's lichaam zagen stonden ze allen stomverbaasd [en zeiden]:

Intussen kwamen de koeherders, onder leiding van Nanda Mahârâja, terug uit Mathurâ, en toen ze onderweg het enorme lichaam van Pûtanâ dood op de grond zagen liggen, waren ze stomverbaasd. (Vedabase)

 

Tekst 32

'Het schijnt zo te zijn, o vrienden, dat Ânakadundubhi uitgegroeid is tot een grote yogameester of zoiets, wat zich hier heeft voorgedaan is het soort van voorval dat hij voorspelde!'

Nanda Mahârâja en de andere gopa's riepen uit: Beste vrienden, jullie moeten weten dat Ânakadundubhi, Vasudeva, een groot heilige of meester van mystieke vermogens geworden is. Hoe kon hij anders deze ramp voorzien hebben en ons dit voorspeld hebben? (Vedabase)

 

Tekst 33

De massa van het lichaam werd met behulp van bijlen door al de bewoners van Vraja in stukken gehakt en, meegevoerd over een lange afstand, neergegooid, met hout bedekt en verbrand.

De inwoners van Vraja hakten het enorme lichaam van Pûtanâ met bijlen in stukken. Vervolgens gooiden ze de stukken ver weg, bedekten ze met hout en verbrandden ze tot as. (Vedabase)

 

 Tekst 34

Toen het lichaam werd gecremeerd bleek de rook die vrijkwam zo sereen geurig te zijn als aguru wierook omdat, met het zuigen van Krishna, het direct was bevrijd van alle smetten [zie 1.2: 17].

Omdat Krishna van de borst van de Râkshasî Pûtanâ gedronken had, werd ze onmiddellijk bevrijd van alle materiële besmetting toen Krishna haar doodde. De reacties op haar zonden verdwenen vanzelf en daardoor was de rook, die van haar enorme lichaam opsteeg toen het verbrand werd, zo geurig als aguru wierook. (Vedabase)

 

Tekst 35-36

Als Pûtanâ, die kindermoordenares en duivelin zinnend op bloed, niettegenstaande haar moordlust, na de Heer haar borst geboden te hebben, erin slaagde het hoogste doel te bereiken, wat zou dat dan niet inhouden voor hen die met geloof en toewijding een affiniteit hebben gelijk aan die van al die liefhebbende moeders voor wie Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de meest geliefde is?

Pûtanâ dorstte altijd naar het bloed van mensenkinderen, en met dat verlangen was ze gekomen om Krishna te doden; maar omdat ze de Heer haar borst aangeboden had, bereikte ze het hoogst mogelijke resultaat. Wat valt er dan nog te zeggen over degenen die als moeders natuurlijke toewijding en genegenheid voor Krishna voelden en Hem hun borst gaven om van te drinken of Hem iets heel dierbaars gaven, zoals een moeder iets aan een kind geeft? (Vedabase)

 

 Tekst 37-38

Met Zijn lotusvoeten, welke de toegewijden altijd in hun harten dragen en welke in toewijding worden vastgehouden door hen die overal worden geprezen [zoals Brahmâ en S'iva], trad de Allerhoogste Heer op haar lichaam en haar borst en ging ze, hoewel een moordenares, met het innemen van de positie van een moeder, naar de hemel; wat zou dat niet betekenen voor de moederlijke koeien van wiens spenen Krishna de melk genoot?

De Allerhoogste Godspersoon, Krishna, is altijd diep in het hart van de zuivere toegewijde aanwezig en wordt altijd met gebeden geprezen door zulke eerbiedwaardige persoonlijkheden als Heer Brahmâ en Heer S'iva. Omdat Krishna met zo veel plezier Pûtanâ's lichaam omhelsd had en van haar borst gedronken had, kreeg ze, hoewel ze een grote heks was, de positie van een moeder in de transcendentale wereld en bereikte daarmee de hoogste volmaaktheid. Wat valt er dan wel niet te zeggen over de koeien waarvan Krishna met zo veel plezier aan de spenen zoog en die Hem hun melk schonken met grote vreugde en een genegenheid als die van een moeder? (Vedabase)

 

 Tekst 39-40

Van allen met liefde voor het kind van wie de melk vloeide die Hij, de Allerhoogste Heer, de Schenker der Eenheid en Bevrijding en zoon van Devakî, naar zijn voldoening dronk; van al degenen die voortdurend Krishna tot hun voorwerp van moederlijke zorg maakten, mag men nooit denken, o Koning, dat ze weer terug zouden keren naar de materiële oceaan waar men zich verlustigt in onwetendheid [zie ook B.G. 4: 9].

De Allerhoogste Godspersoon, Krishna, is de schenker van vele zegeningen, bevrijding [kaivalya] of het één worden met de Brahman-gloed daarbij inbegrepen. Voor die Godspersoon voelden de gopî's altijd moederliefde, en Krishna dronk hun melk met veel voldoening. Vanwege deze relatie van moeder en zoon dient men dus nooit te denken dat de gopî's na het verlaten van hun lichaam nog naar deze materiële wereld terugkeerden, ook al hielden ze zich bezig met allerlei gezinsbeslommeringen. (Vedabase)

 

 Tekst 41

Met het opsnuiven van de geur van de rook die vrijkwam vroegen al de bewoners van Vrajabhûmi zich af: 'Waar komt het vandaan?' en aldus met elkaar sprekend bereikten ze het koeiendorp.

Vele mensen die op afgelegen plaatsen in Vrajabhûmi woonden waren verbaasd toen ze de geur opsnoven van de rook die van het brandende lichaam van Pûtanâ opsteeg. "Waar komt die geur vandaan?" vroegen ze zich af, en daarom begaven ze zich naar de plek waar het lichaam van Pûtanâ verbrand werd. (Vedabase)

 

 Tekst 42

Daar aangekomen waren ze hoogst verrast om te vernemen wat de gopa's allemaal te vertellen hadden over de ophef die Pûtanâ had veroorzaakt, hoe ze was gestorven en wat allemaal voor het heil van de baby was gedaan.

Toen de inwoners van Vraja die uit afgelegen plaatsen kwamen het hele verhaal hoorden hoe Pûtanâ gekomen was en toen door Krishna gedood was, waren ze werkelijk stomverbaasd en gaven het kind hun zegen omdat Hij zoiets wonderbaarlijks gedaan had als het doden van Pûtanâ. Nanda Mahârâja was Vasudeva, die de gebeurtenis voorzien had, natuurlijk zeer verplicht en bedankte hem eenvoudigweg, terwijl hij bij zichzelf dacht hoe fantastisch Vasudeva was. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Nanda die zijn zoon op schoot nam alsof die uit de dood was weergekeerd, besnoof simpel en eenvoudig Zijn hoofdje en bereikte de hoogste vrede, o beste van de Kuru's.

O Mahârâja Parîkshit, beste van de Kuru's, Nanda Mahârâja was heel open en eenvoudig. Hij nam onmiddellijk zijn zoon Krishna op schoot alsof het kind uit de dood was teruggekeerd, en door formeel aan het hoofd van zijn zoon te ruiken ervaarde Nanda Mahârâja ongetwijfeld grote transcendentale gelukzaligheid. (Vedabase)

 

 Tekst 44

Iedere sterveling met geloof en toewijding die verneemt over het wonderbaarlijke avontuur van Krishna over de verlossing van Pûtanâ zal liefde opvatten voor Govinda ['de Beschermer van de Koeien'].'  

Iedereen die met geloof en toewijding luistert naar hoe Krishna, de Allerhoogste Godspersoon, Pûtanâ doodde, en op deze manier zijn hele horen wijdt aan het spel en vermaak van Krishna als kind, raakt beslist gehecht aan Govinda, de allerhoogste, oorspronkelijke persoon. (Vedabase)

 

 

* Het zwaaien met een koeienstaart rondom een kind is een occulte rite waarin de staart van de koe wordt beschouwd als de zetel van Lakshmî, de godin van het fortuin. Dit is ook waar voor de urine, het stof, de melk en de mest van de koeien die met hun producten als heilig worden beschouwd. De urine heeft antiseptische kwaliteiten, de mest fungeert als brandstof en de melk brengt alle gezondheid en weelde.

**Met de mantra kent men de eerste of zaad-letter toe van de namen van de Heer vermeld in het volgende vers, gevolgd door anusvâra en het woord namah.

 

 

 

Voor deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Dhriti devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties