regelbalk


 

 

Canto 10

Âmi Jamunâ Puline

 

 

Hoofdstuk 57: Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij Zich heel goed bewust was van wat zich allemaal had afgespeeld ging Krishna, toen Hij vernam [van het gerucht] dat de zoons van Pându en koningin Kuntî in een brand waren omgekomen [in het huis van lak], teneinde aan Zijn familieverplichtingen te voldoen samen met Balarâma naar het Kuru-koninkrijk. (2) Bhîshma, Kripa, Vidura, Gândhârî en Drona ontmoetend zeiden Ze even zo treurig: 'Ach hoe pijnlijk is dit!'

(3) De kans krijgend, o Koning, zeiden Akrûra en [de Bhoja] Kritavarmâ [ondertussen in afwezigheid van Krishna in Dvârakâ] tot S'atadhanvâ ['honderdboog', een booswicht]: 'Waarom zouden we niet het juweel bemachtigen? (4) Hij die ieder van ons zijn juweel van een dochter beloofde, schonk haar, ons veronachtzamend, aan Krishna; waarom zou Satrâjit zijn broer dan niet moeten volgen [in de dood, zie 10.56: 13 en voetnoot*]?' (5) Aldus beïnvloed door de twee doodde die inslechte kerel, in zijn zondigheid zijn levensduur bekortend, uit begeerte Satrâjit in zijn slaap [vergelijk 1.17: 39]. (6) Terwijl de vrouwen hulpeloos huilend om hulp riepen nam hij, na te hebben gedood zoals een slager tewerk gaat met dieren, het juweel en ging hij er vandoor.

(7) Satyabhâmâ nadat ze haar vader gedood zag, jammerde toen verdrinkend in de tranen: 'O vader, helaas o vader, met u gedood ben ik gedood!' en viel toen flauw. (8) Ze legde het lijk in een groot vat met olie en ging naar Hastinâpura naar Krishna die [reeds] doorhad hoe het er voorstond, en vertelde verdrietig van de moord op haar vader. (9) Toen de Hoge Heren dat hoorden o Koning, treurden Ze net zo, in navolging van de menselijke manier van doen, met ogen vol tranen: 'Och welk een tragedie heeft ons getroffen!'

(10) De Allerhoogste Heer ging toen samen met Zijn vrouw en oudere broer terug naar Zijn hoofdstad, bereid om S'atadhanvâ te doden en hem het juweel afhandig te maken. (11) Toen hem dat ter ore kwam nam hij bevreesd maatregelen om zijn leven zeker te zijn en verzocht hij Kritavarmâ om bijstand. Deze zei hem: (12-13) 'Ik kan echt niet in overtreding zijn met de Heren Râma en Krishna; hoe kan hij die Hen moeilijkheden bezorgt nu feitelijk het geluk vinden? Kamsa en zijn volgelingen in hun haat van tegenstand bieden verloren hun weelde en levens en Jarâsandha raakte met zeventien veldslagen beroofd van [zelfs] zijn strijdwagen!'

(14) Hij, afgewezen, smeekte vervolgens Akrûra om hulp maar ook hij zei: 'Wie nu, bekend met de macht van de Heren, is nu in staat het tegen Hen op te nemen? (15-17) Hij die dit universum handhaaft, schept en vernietigt bij wijze van spel; Hij wiens bedoeling zelfs niet bekend is aan de nevengeschikte scheppers [met Brahmâ aan het hoofd] die verbijsterd zijn door Zijn onoverwinnelijke vermogen [van mâyâ]; Hij die spelend als een kind van zeven jaar oud een berg lostrok die Hij omhoog hield met één enkele hand zoals een jongen een paddestoel omhoog houdt [zie 10.25]; Hem, Krishna de Allerhoogste Heer aan wiens wondere daden geen einde komt aanbidt ik; Hem die als de bron van het gehele bestaan de Superziel, het onveranderlijke centrum is, biedt ik mijn eerbetuigingen.'

(18) S'atadhanvâ ook door hem afgewezen liet het kostbare kleinood bij hem achter, besteeg een paard dat een honderd yojana's kon afleggen en vertrok. (19) Krishna en Râma beklommen hun wagen met het blazoen van Garuda en gingen met de snelste paarden, o Koning, achter de moordenaar aan van hun goeroe [Hun schoonvader als een leraar]. (20) In een park aan de rand van Mithilâ zijn paard achterlatend dat ten val was gekomen, rende hij met de schrik in de benen te voet verder met een furieuze Krishna achter zich aan die net zo rende. (21) Met hem op de vlucht scheidde de Heer te voet met de scherpgerande schijf zijn hoofd van zijn romp, waarna Hij zijn boven- en onderkleding doorzocht op zoek naar het juweel. (22) Het sieraad niet vindend zei Krishna op zijn oudere broer afstappend die naderbij kwam: 'S'atadhanvâ legde voor niets het loodje, het juweel heeft hij niet bij zich.'

(23) Balarâma zei toen: 'S'atadhanvâ moet de steen bij iemand hebben achtergelaten, ga dus [terug] naar de stad [Dvârakâ] en zoek naar hem. (24) Ik wil graag de koning van Videha [de latere Janaka, zie 9.10: 11] een bezoekje brengen die Me zeer dierbaar is', en dat gezegd hebbende ging de nazaat van Yadu, o Koning, Mithilâ binnen [de hoofdstad van Videha]. (25) Toen de koning van Mithilâ Hem zag stond hij meteen op met een geest vervuld van liefde en vereerde hij Hem die zo aanbiddelijk was, als was voorgeschreven met alles wat erbij komt kijken. (26) Aldaar in Mithilâ verbleef Hij, de Machtige, vereerd door de toegenegen Janaka, de grote ziel, verscheidene jaren. In die tijd onderrichte Hij Duryodhana in de kunst van het knotsvechten.

(27) Toen Kes'ava de Almachtige in Dvârakâ aankwam, stelde Hij tot troost Zijn geliefde [de treurende Satyabhâmâ] op de hoogte van de ondergang van S'atadhanvâ en de mislukking het juweel te bemachtigen. (28) Hij, de Opperheer tezamen met al de weldoeners die men zo tegen zijn levenseinde erop na kan houden, zorgden ervoor dat de begrafenisplechtigheden werden uitgevoerd voor de overleden verwant [Satrâjit]. (29) De verantwoordelijken, Akrûra en Kritavarmâ, doken, toen ze vernamen van de dood van S'atadhanvâ, door angst bevangen onder, ergens buiten Dvârakâ. (30) Met Akrûra ondergedoken deden zich kwade tekenen voor aan de bewoners van Dvârakâ. Ze ondervonden aanhoudend van de kant van hogere machten [natuurrampen inbegrepen] en van andere levende wezens [vergelijk 1.14; 1.17: 19], lichamelijke en geestelijke moeilijkheden [**]. (31) Zo, mijn beste, waren enkelen die zich hadden overgegeven aan gissingen aan het vergeten wat vanouds reeds werd beschreven door de wijzen als het gevolg van Zijn verblijf onder de mensen; hoe kon met Zijn aanwezigheid zich nu enige rampspoed voltrekken? (32) [Ze zeiden:] 'Toen Indra de regens weerhield gaf de koning van Benares [Kâs'î, zie ook 9.17: 4] zijn dochter Gândinî aan S'vaphalka [Akrûra's vader, 9.24: 15] die hem kwam opzoeken, waarna het toen inderdaad ging regenen in Kâs'î. (33) Waar ook inderdaad hij, Akrûra, zijn zoon die begiftigd is met zijn [vaders] vermogens, zich ophoudt, zal heer Indra het laten regenen en zullen er zich geen pijnlijke verstoringen of vroegtijdige sterfgevallen voordoen.'

(34) Van de ouderen deze woorden vernemend gebood Janârdana, met in Zijn achterhoofd dat dit niet de enige oorzaak voor de slechte tekenen was [***], dat Akrûra moest worden teruggebracht. (35-36) Hem met respect en eerbetoon tegemoettredend en aangenaam allerlei met hem besprekend, glimlachte Hij, Zich volledig bewust van alles wat in zijn hart omging, en zei: 'Natuurlijk zijn Wij, o meester der liefdadigheid, reeds bekend met het feit dat u daadwerkelijk op het moment het rijke Syamantaka-juweel in bezit heeft dat S'atadhanvâ aan u toevertrouwde. (37) Aangezien Satrâjit geen zoons had is het aan de zoons van zijn dochter [haar èn haar zoons] om, na het aanbieden van water, offergaven en het hebben vereffend van zijn openstaande schulden, zijn nalatenschap in ontvangst te nemen. (38-39) Niettemin dient het juweel, daar het onmogelijk te beheren is door anderen, in uw bezit te blijven, o vertrouwenswaardige nalever der geloften. Maar, Mijn broer gelooft Me niet helemaal wat betreft het sieraad. Alstublieft, breng Mijn verwanten de vrede, toon het Ons nu, o hoogst fortuinlijke ziel die met uw altaren van goud onafgebroken doorgaat met uw offerplechtigheden.' (40) Overgehaald door de verzoenende woorden nam de zoon van S'vaphalka het kleinnood verborgen in zijn kleding tevoorschijn en gaf hij het kleinnood dat zo helder straalde als de zon. (41) Na Syamantaka aan Zijn verwanten te hebben getoond, en [aldus] een einde te maken aan de emoties [van de beschuldigingen] met Hem, bood de Meester het weer aan hem terug. (42) Wie dan ook die over dit voorval vertelt, erover verneemt of zich dit verhaal herinnert dat voorwaar, rijk als het is met het kunnen van de Allerhoogste Beheerser Vishnu, allergunstigst de terugslagen van de zonde wegneemt, zal de vrede vinden en zijn slechtheid en slechte roep weten uit te bannen.'

 

 

next                      

 
Tweede editie, geladen 18 september 2008

 

 

   

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Satrâjit Murdered, the Jewel Returned

 

Tekst 1

De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij Zich heel goed bewust was van wat zich allemaal had afgespeeld ging Krishna, toen Hij vernam [van het gerucht] dat de zoons van Pându en koningin Kuntî in een brand waren omgekomen [in het huis van lak], teneinde aan Zijn familieverplichtingen te voldoen samen met Balarâma naar het Kuru-koninkrijk.

S'rî Bâdarâyani said: Although Lord Govinda was fully aware of what had actually occurred, when He heard reports that the Pândavas and Queen Kuntî had burned to death, He went with Lord Balarâma to the kingdom of the Kurus to fulfill the family obligations expected of Him. (Vedabase)

 

Tekst 2

Bhîshma, Kripa, Vidura, Gândhârî en Drona ontmoetend zeiden Ze even zo treurig: 'Ach hoe pijnlijk is dit!'

The two Lords met with Bhîshma, Kripa, Vidura, Gândhârî and Drona. Showing sorrow equal to theirs, They cried out, "Alas, how painful this is!" (Vedabase)

 

Tekst 3

De kans krijgend, o Koning, zeiden Akrûra en [de Bhoja] Kritavarmâ [ondertussen in afwezigheid van Krishna in Dvârakâ] tot S'atadhanvâ ['honderdboog', een booswicht]: 'Waarom zouden we niet het juweel bemachtigen?

Taking advantage of this opportunity, O King, Akrûra and Kritavarmâ went to S'atadhanvâ and said, "Why not take the Syamantaka jewel? (Vedabase)

 

Tekst 4

Hij die ieder van ons zijn juweel van een dochter beloofde, schonk haar, ons veronachtzamend, aan Krishna; waarom zou Satrâjit zijn broer dan niet moeten volgen [in de dood, zie 10.56: 13 en voetnoot*]?

"Satrâjit promised his jewellike daughter to us but then gave her to Krishna instead, contemptuously neglecting us. So why should Satrâjit not follow his brother's path?" (Vedabase)

 

Tekst 5

Aldus beïnvloed door de twee doodde die inslechte kerel, in zijn zondigheid zijn levensduur bekortend, uit begeerte Satrâjit in zijn slaap [vergelijk 1.17: 39].

His mind thus influenced by their advice, wicked S'atadhanvâ murdered Satrâjit in his sleep simply out of greed. In this way the sinful S'atadhanvâ shortened his own life span. (Vedabase)

 

Tekst 6

Terwijl de vrouwen hulpeloos huilend om hulp riepen nam hij, na te hebben gedood zoals een slager tewerk gaat met dieren, het juweel en ging hij er vandoor.

As the women of Satrâjit's palace screamed and helplessly wept, S'atadhanvâ took the jewel and left, like a butcher after he has killed some animals. (Vedabase)

 

Tekst 7

Satyabhâmâ nadat ze haar vader gedood zag, jammerde toen verdrinkend in de tranen: 'O vader, helaas o vader, met u gedood ben ik gedood!' en viel toen flauw.

When Satyabhâmâ saw her dead father, she was plunged into grief. Lamenting "My father, my father! Oh, I am killed!" she fell unconscious. (Vedabase)

 

Tekst 8

Ze legde het lijk in een groot vat met olie en ging naar Hastinâpura naar Krishna die [reeds] doorhad hoe het er voorstond, en vertelde verdrietig van de moord op haar vader.

Queen Satyabhâmâ put her father's corpse in a large vat of oil and went to Hastinâpura, where she sorrowfully told Lord Krishna, who was already aware of the situation, about her father's murder. (Vedabase)

 

Tekst 9

Toen de Hoge Heren dat hoorden o Koning, treurden Ze net zo, in navolging van de menselijke manier van doen, met ogen vol tranen: 'Och welk een tragedie heeft ons getroffen!'

When Lord Krishna and Lord Balarâma heard this news, O King, They exclaimed, "Alas! This is the greatest tragedy for Us! "Thus imitating the ways of human society, They lamented, Their eyes brimming with tears. (Vedabase)

 

Tekst 10

De Allerhoogste Heer ging toen samen met Zijn vrouw en oudere broer terug naar Zijn hoofdstad, bereid om S'atadhanvâ te doden en hem het juweel afhandig te maken.

The Supreme Lord returned to His capital with His wife and elder brother. After arriving in Dvârakâ, He readied Himself to kill S'atadhanvâ and retrieve the jewel from him. (Vedabase)

 

Tekst 11

Toen hem dat ter ore kwam nam hij bevreesd maatregelen om zijn leven zeker te zijn en verzocht hij Kritavarmâ om bijstand. Deze zei hem:

Upon learning that Lord Krishna was preparing to kill him, S'atadhanvâ was struck with fear. To save his life he approached Kritavarmâ and begged him for help, but Kritavarmâ replied as follows. (Vedabase)

 

Tekst 12-13

'Ik kan echt niet in overtreding zijn met de Heren Râma en Krishna; hoe kan hij die Hen moeilijkheden bezorgt nu feitelijk het geluk vinden? Kamsa en zijn volgelingen in hun haat van tegenstand bieden verloren hun weelde en levens en Jarâsandha raakte met zeventien veldslagen beroofd van [zelfs] zijn strijdwagen!'

[Kritavarmâ said:] I dare not offend the Supreme Lords, Krishna and Balarâma. Indeed, how can one who troubles Them expect any good fortune? Kamsa and all his followers lost both their wealth and their lives because of enmity toward Them, and after battling Them seventeen times Jarâsandha was left without even a chariot. (Vedabase)

   

Tekst 14

Hij, afgewezen, smeekte vervolgens Akrûra om hulp maar ook hij zei: 'Wie nu, bekend met de macht van de Heren, is nu in staat het tegen Hen op te nemen?

His appeal refused, S'atadhanvâ went to Akrûra and begged him for protection. But Akrûra similarly told him, "Who would oppose the two Personalities of Godhead if he knew Their strength? (Vedabase)

 

Tekst 15-17

Hij die dit universum handhaaft, schept en vernietigt bij wijze van spel; Hij wiens bedoeling zelfs niet bekend is aan de nevengeschikte scheppers [met Brahmâ aan het hoofd] die verbijsterd zijn door Zijn onoverwinnelijke vermogen [van mâyâ]; Hij die spelend als een kind van zeven jaar oud een berg lostrok die Hij omhoog hield met één enkele hand zoals een jongen een paddestoel omhoog houdt [zie 10.25]; Hem, Krishna de Allerhoogste Heer aan wiens wondere daden geen einde komt aanbidt ik; Hem die als de bron van het gehele bestaan de Superziel, het onveranderlijke centrum is, biedt ik mijn eerbetuigingen.'

"It is the Supreme Lord who creates, maintains and destroys this universe simply as His pastime. The cosmic creators cannot even understand His purpose, bewildered as they are by His illusory Mâyâ. (Vedabase)

"As a child of seven, Krishna uprooted an entire mountain and held it aloft as easily as a young boy picks up a mushroom. (Vedabase)

"I offer my obeisances to that Supreme Personality of Godhead, Krishna, whose every deed is amazing. He is the Supreme Soul, the unlimited source and fixed center of all existence." (Vedabase)

    

Tekst 18

S'atadhanvâ ook door hem afgewezen liet het kostbare kleinood bij hem achter, besteeg een paard dat een honderd yojana's kon afleggen en vertrok.

His appeal thus rejected by Akrûra also, S'atadhanvâ placed the precious jewel in Akrûra's care and fled on a horse that could travel one hundred yojanas [eight hundred miles]. (Vedabase)

 

Tekst 19

Krishna en Râma beklommen hun wagen met het blazoen van Garuda en gingen met de snelste paarden, o Koning, achter de moordenaar aan van hun goeroe [Hun schoonvader als een leraar].

My dear King, Krishna and Balarâma mounted Krishna's chariot, which flew the flag of Garuda and was yoked with tremendously swift horses, and pursued Their elder's murderer. (Vedabase)

 

Tekst 20

In een park aan de rand van Mithilâ zijn paard achterlatend dat ten val was gekomen, rende hij met de schrik in de benen te voet verder met een furieuze Krishna achter zich aan die net zo rende.

In a garden on the outskirts of Mithilâ, the horse S'atadhanvâ was riding collapsed. Terrified, he abandoned the horse and began to flee on foot, with Krishna in angry pursuit. (Vedabase)

 

Tekst 21

Met hem op de vlucht scheidde de Heer te voet met de scherpgerande schijf zijn hoofd van zijn romp, waarna Hij zijn boven- en onderkleding doorzocht op zoek naar het juweel.

As S'atadhanvâ fled on foot, the Supreme Lord, also going on foot, cut off his head with His sharp-edged disc. The Lord then searched S'atadhanvâ's upper and lower garments for the Syamantaka jewel. (Vedabase)

  

Tekst 22

Het sieraad niet vindend zei Krishna op zijn oudere broer afstappend die naderbij kwam: 'S'atadhanvâ legde voor niets het loodje, het juweel heeft hij niet bij zich.'

Not finding the jewel, Lord Krishna went to His elder brother and said, "We have killed S'atadhanvâ uselessly. The jewel isn't here." (Vedabase)

  

Tekst 23

Balarâma zei toen: 'S'atadhanvâ moet de steen bij iemand hebben achtergelaten, ga dus [terug] naar de stad [Dvârakâ] en zoek naar hem.

To this Lord Balarâma replied, "Indeed, S'atadhanvâ must have placed the jewel in the care of someone. You should return to Our city and find that person. (Vedabase)

  

Tekst 24

Ik wil graag de koning van Videha [de latere Janaka, zie 9.10: 11] een bezoekje brengen die Me zeer dierbaar is', en dat gezegd hebbende ging de nazaat van Yadu, o Koning, Mithilâ binnen [de hoofdstad van Videha].

"I wish to visit King Videha, who is most dear to Me." O King, having said this, Lord Balarâma, the beloved descendant of Yadu, entered the city of Mithilâ. (Vedabase)

 

Tekst 25

Toen de koning van Mithilâ Hem zag stond hij meteen op met een geest vervuld van liefde en vereerde hij Hem die zo aanbiddelijk was, als was voorgeschreven met alles wat erbij komt kijken.

The King of Mithilâ immediately rose from his seat when he saw Lord Balarâma approaching. With great love the King honored the supremely worshipable Lord by offering Him elaborate worship, as stipulated by scriptural injunctions. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Aldaar in Mithilâ verbleef Hij, de Machtige, vereerd door de toegenegen Janaka, de grote ziel, verscheidene jaren. In die tijd onderrichte Hij Duryodhana in de kunst van het knotsvechten.

The almighty Lord Balarâma stayed in Mithilâ for several years, honored by His affectionate devotee Janaka Mahârâja. During that time Dhritarâshthra's son Duryodhana learned from Balarâma the art of fighting with a club. (Vedabase)

 

Tekst 27

Toen Kes'ava de Almachtige in Dvârakâ aankwam, stelde Hij tot troost Zijn geliefde [de treurende Satyabhâmâ] op de hoogte van de ondergang van S'atadhanvâ en de mislukking het juweel te bemachtigen.

Lord Kes'ava arrived in Dvârakâ and described the demise of S'atadhanvâ and His own failure to find the Syamantaka jewel. He spoke in a way that would please His beloved, Satyabhâmâ. (Vedabase)

 

Tekst 28

Hij, de Opperheer tezamen met al de weldoeners die men zo tegen zijn levenseinde erop na kan houden, zorgden ervoor dat de begrafenisplechtigheden werden uitgevoerd voor de overleden verwant [Satrâjit].

Lord Krishna then had the various funeral rites performed for His deceased relative, Satrâjit. The Lord attended the funeral along with well-wishers of the family. (Vedabase)

 

Tekst 29

De verantwoordelijken, Akrûra en Kritavarmâ, doken, toen ze vernamen van de dood van S'atadhanvâ, door angst bevangen onder, ergens buiten Dvârakâ.

When Akrûra and Kritavarmâ, who had originally incited S'atadhanvâ to commit his crime, heard that he had been killed, they fled Dvârakâ in terror and took up residence elsewhere. (Vedabase)

 

Tekst 30

Met Akrûra ondergedoken deden zich kwade tekenen voor aan de bewoners van Dvârakâ. Ze ondervonden aanhoudend van de kant van hogere machten [natuurrampen inbegrepen] en van andere levende wezens [vergelijk 1.14; 1.17: 19], lichamelijke en geestelijke moeilijkheden [**].

In Akrûra's absence ill omens arose in Dvârakâ, and the citizens began to suffer continually from physical and mental distresses, as well as from disturbances caused by higher powers and by creatures of the earth. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Zo, mijn beste, waren enkelen die zich hadden overgegeven aan gissingen aan het vergeten wat vanouds reeds werd beschreven door de wijzen als het gevolg van Zijn verblijf onder de mensen; hoe kon met Zijn aanwezigheid zich nu enige rampspoed voltrekken?

Some men proposed [that the troubles were due to Akrûra's absence], but they had forgotten the glories of the Supreme Lord, which they themselves had so often described. Indeed, how can calamities occur in a place where the Personality of Godhead, the residence of all the sages, resides? (Vedabase)

 

 Tekst 32

[Ze zeiden:] 'Toen Indra de regens weerhield gaf de koning van Benares [Kâs'î, zie ook 9.17: 4] zijn dochter Gândinî aan S'vaphalka [Akrûra's vader, 9.24: 15] die hem kwam opzoeken, waarna het toen inderdaad ging regenen in Kâs'î.

[The elders said:] Previously, when Lord Indra had withheld rain from Kâsî [Benares], the king of that city gave his daughter Gândinî to S'vaphalka, who was then visiting him. It soon rained in the kingdom of Kâs'î. (Vedabase)

 

Tekst 33

Waar ook inderdaad hij, Akrûra, zijn zoon die begiftigd is met zijn [vaders] vermogens, zich ophoudt, zal heer Indra het laten regenen en zullen er zich geen pijnlijke verstoringen of vroegtijdige sterfgevallen voordoen.'

Wherever his equally powerful son Akrûra stays, Lord Indra will provide sufficient rain. Indeed, that place will be free of miseries and untimely deaths. (Vedabase)

 

Tekst 34

Van de ouderen deze woorden vernemend gebood Janârdana, met in Zijn achterhoofd dat dit niet de enige oorzaak voor de slechte tekenen was [***], dat Akrûra moest worden teruggebracht.

Hearing these words from the elders, Lord Janârdana, though aware that the absence of Akrûra was not the only cause of the evil omens, had him summoned back to Dvârakâ and spoke to him. (Vedabase)

 

Tekst 35-36

Hem met respect en eerbetoon tegemoettredend en aangenaam allerlei met hem besprekend, glimlachte Hij, Zich volledig bewust van alles wat in zijn hart omging, en zei: 'Natuurlijk zijn Wij, o meester der liefdadigheid, reeds bekend met het feit dat u daadwerkelijk op het moment het rijke Syamantaka-juweel in bezit heeft dat S'atadhanvâ aan u toevertrouwde.

Lord Krishna honored Akrûra, greeted him confidentially and spoke pleasant words with him. Then the Lord, who was fully aware of Akrûra's heart by virtue of His being the knower of everything, smiled and addressed him: "O master of charity, surely the opulent Syamantaka jewel was left in your care by S'atadhanvâ and is still with you. Indeed, We have known this all along. (Vedabase)

    

Tekst 37

Aangezien Satrâjit geen zoons had is het aan de zoons van zijn dochter [haar èn haar zoons] om, na het aanbieden van water, offergaven en het hebben vereffend van zijn openstaande schulden, zijn nalatenschap in ontvangst te nemen.

"Since Satrâjit had no sons, his daughter's sons should receive his inheritance. They should pay for memorial offerings of waler and pinda, clear their grandfather's outstanding debts and keep the remainder of the inheritance for themselves. (Vedabase)

 

Tekst 38-39

Niettemin dient het juweel, daar het onmogelijk te beheren is door anderen, in uw bezit te blijven, o vertrouwenswaardige nalever der geloften. Maar, Mijn broer gelooft Me niet helemaal wat betreft het sieraad. Alstublieft, breng Mijn verwanten de vrede, toon het Ons nu, o hoogst fortuinlijke ziel die met uw altaren van goud onafgebroken doorgaat met uw offerplechtigheden.

"Nevertheless, the jewel should remain in your care, O trustworthy Akrûra, because no one else can keep it safely. But please show the jewel just once, since My elder brother does not fully believe what I have told Him about it. In this way, O most fortunate one, you will pacify My relatives. [Everyone knows you have the jewel, for] you are now continually performing sacrifices on altars of gold." (Vedabase)

 

Tekst 40

Overgehaald door de verzoenende woorden nam de zoon van S'vaphalka het kleinnood verborgen in zijn kleding tevoorschijn en gaf hij het kleinnood dat zo helder straalde als de zon.

Thus shamed by Lord Krishna's conciliatory words, the son of S'vaphalka brought out the jewel from where he had concealed it in his clothing and gave it to the Lord. The brilliant gem shone like the sun. (Vedabase)

 

Tekst 41

Na Syamantaka aan Zijn verwanten te hebben getoond, en [aldus] een einde te maken aan de emoties [van de beschuldigingen] met Hem, bood de Meester het weer aan hem terug.

After the almighty Lord had shown the Syamantaka jewel to His relatives, thus dispelling the false accusations against Him, He returned it to Akrûra. (Vedabase)

 

Tekst 42

Wie dan ook die over dit voorval vertelt, erover verneemt of zich dit verhaal herinnert dat voorwaar, rijk als het is met het kunnen van de Allerhoogste Beheerser Vishnu, allergunstigst de terugslagen van de zonde wegneemt, zal de vrede vinden en zijn slechtheid en slechte roep weten uit te bannen.'

This narration, rich with descriptions of the prowess of Lord S'rî Vishnu, the Supreme Personality of Godhead, removes sinful reactions and bestows all auspiciousness. Anyone who recites, hears or remembers it will drive away his own infamy and sins and attain peace. (Vedabase)

 

* Als zuivere toegewijden, konden ze feitelijk niet ongelukkig zijn over deze partnerkeuze, noch konden ze zich ontwikkelen tot jaloerse rivalen van de Heer. Daarom hielden ze er een nevenmotief op na met het zich gedragen als Zijn rivalen. Daarover doen er in de paramparâ speculaties de ronde over Akrûra's vervloekt zijn vanwege zijn wegvoeren van Krishna uit Gokula [zie 10.39] of het feit dat Kritavarmâ een lid was van Kamsa's familie, of dat de twee kwaad zouden zijn geweest op het slachtoffer vanwege het bezoedelen van Krishna's goede naam met de roddel dat Hij zijn broer gedood zou hebben.

** Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, redenerend naar vers 32 en 35-36, nam Akrûra de Syamantaka steen en sloeg hij zijn kamp op in de stad Benares, alwaar hij bekend raakte als Dânapati, "de meester der liefdadigheid." Daar bracht hij uitgebreid vuuroffers op gouden altaren met een hele verzameling aan brahmaanse priesters.

*** Wat betreft de reden waarom zich deze moeilijkheden voordeden ondanks de genadige aanwezigheid van de Heer doen ook hierover speculaties de ronde. Sommigen suggereren dat Krishna die moeilijke tijd zou geven omdat Hij in verlegenheid zou zijn gebracht door Akrûra die het juweel naar elders overbracht in wedijver met Zijn heerschappij; anderzijds is het niet ongebruikelijk dat moord in een leefgemeenschap naar de regel van God en Krishna die gemeenschap een slechte tijd bezorgt, zoals men dat ook algemeen kan zien plaatsgrijpen na grote oorlogen zoals aangetoond in het Bhâgavatam met de beschrijving van de kwade tijd toen Krishna zelve vertrok naar Zijn verblijf na de grote Kuru-oorlog [1.14].

 
 

 

 

 

 Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties