Hoofdstuk
25:
De
Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven
(12) De geaardheden van
sattva, tamas en rajas hebben zo betrekking op de
individuele ziel en niet op Mij; men is aan hen gebonden
daar zij, in de geest zich opwerpend, leiden tot de
gehechtheid aan materiële effecten [zie ook B.G.
4: 14].

(28) Goedgunstig,
zuiver en zonder moeite verkregen wordt voedsel beschouwd
als zijnde van de geaardheid goedheid, [sterk]
appellerend aan de zintuigen is het van de geaardheid
hartstocht en als zijnde van de onwetendheid beschouwt
men onzuivere voeding die iemand doet lijden [zie ook
B.G. 17: 7-10].

Hoofdstuk
26:
Het
Lied van Purûravâ

(4) De nakomeling van
Ilâ [Aila of Purûravâ, zie ook
9.14: 15-16], de welbekende grote keizer, zong dit
machtige lied met het, verbijsterd als hij was, in
gescheidenheid van Urvas'i uiteindelijk zijn weeklagen
onder controle krijgen in de onthechting die hij
voelde.

(17) Waaruit zou haar
overtreding nu bestaan ten opzichte van een 'ziener'
zoals wij die, een stuk touw voor een slang houdend, de
werkelijke identiteit niet inziet; ik ben immers degene
die zijn zinnen niet de baas was.

Hoofdstuk
27:
Over
het Respecteren van de Vorm van God

(12) De vorm herinnert
men zich op acht verschillende manieren: in steen, hout,
metaal, een smeerbare substantie [zoals klei],
geschilderd, in zand, in juwelen en als een beeltenis
vastgehouden in de geest.

(23) Hij behoort te
mediteren op de Oorspronkelijke Individualiteit van alle
Expansies, de hoogste subtiele bovenzinnelijke gedaante
van Mij die, binnen in dit lichaam volledig zuiver door
de lucht en het vuur, zich bevindt op de lotus van het
hart en wordt ervaren in het nagalmen van de pranava
[zie ook 2.2].

(46) Met het plaatsen
van het hoofd aan Mijn voeten met de handpalmen
samengebracht [mag men een gebed doen als:] 'O
Heer, alstUblieft, bescherm deze persoon van overgave,
die in deze materiële oceaan beducht is voor de mond
van de dood' [vergelijk B.G. 11: 19].

Hoofdstuk
28:
Jn'âna
Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

(19) Net als goud, dat
voordat het werd gewrocht, halverwege werd gebruikt, en
daarna bestaand, enkel maar dat is voor alles wat van
goud is, heb Ik op dezelfde manier Mijn bestaan in de
verschillende aanduidingen van dit
[geschapene].

(30) Het normale
levende wezen, door baatzuchtige arbeid in beroering
verkerend, verkeert voortgedreven door deze of gene
kracht in die staat tot op het punt van de dood, terwijl
hij die intelligent is, hoewel zich bevindend in de
materiële positie, niet zo [wankelmoedig]
is, met het opgegeven hebben van materieel verlangen bij
de ervaring van zijn eigen geluk.

Hoofdstuk
29:
Bhakti
Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te
Overwinnen

(11) Alleen danwel in
samenkomst behoort men naar de maan, bij speciale
gelegenheden en met feestdagen het zo te regelen dat men
te werk gaat met zang, dans en zeer royale bewijzen van
genade.

(35) S'uka zei: 'Hij,
die aldus het pad van de yoga was getoond, zei toen met
het met gevouwen handen aangehoord hebben van de woorden
van Uttamas'loka niets, daar zijn keel dichtgesnoerd was
van de liefde en zijn ogen overstroomden van de
tranen

Hoofdstuk
30:
Het
Verdwijnen van de Yadu-dynastie

(23) De Twee mengden
zich toen ook allerverwoedst in de strijd, o zoon van de
Kuru's, en gingen, de staken in Hun vuisten als knuppels
hanterend, ertoe over te doden met het zich rondbewegen
in de strijd.

(34) Met het zien van
die vier-armige persoonlijkheid viel hij, benauwd een
overtreding te hebben begaan, met zijn hoofd naar beneden
neer aan de voeten van de Vijand der Asura's.

Hoofdstuk
31:
De
Hemelvaart van Krishna

(9) Net als de beweging
van de bliksem, die zich van de wolken door de hemel
beweegt, door stervelingen niet kan worden vastgesteld,
konden zo ook de goden niet uitmaken welke weg Krishna
volgde.