Hoofdstuk
18:
Het
Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de
Wereldverzakers

(14) Aan de geschoolde
die waarachtig sannyâs neemt verschijnen de
halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw
[en andere verleidingen] die hindernissen voor
hem opwerpt; aan hen voorbij gaand moet de
sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook
B.G. 6.25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7].

(23) Daarom moet de
wijze, met de zes afdelingen [de zinnen en de
geest] volledig onder controle, onthecht van de
zinledige zaken van de lust, met het ervaren hebben van
het grote geluk in de ziel leven bij het bewustzijn van
Mij.

(44) Degene die aldus
overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt met geen ander
voorwerp van toewijding, zal zich Mij realiseren in alle
levende wezens en bereikt een onversaagde toegewijde
dienst tot Mij.

Hoofdstuk
19:
De
Volmaaktheid van de Spirituele Kennis

(3) Zij die alleszins
volkomen zijn in de kennis en de wijsheid, kennen Mijn
lotusvoeten als het allerhoogste voorwerp en aldus is de
geschoolde transcendentalist die middels de spirituele
kennis vast houdt aan Mij, Mij het meest dierbaar
[zie ook B.G. 7: 17-18].

(20-24) Geloof in de
nectar van de vertellingen over Mij, steeds Mijn
heerlijkheden bezingend, verankerd zijn in de gehechtheid
van de ceremoniële aanbidding, zich met lofzangen en
gebed tot Mij verhouden; van een hoge achting zijn voor
Mijn toegewijde dienst, met het hele lichaam zijn
eerbetuigingen brengen, van de eersteklas aanbidding van
Mijn toegewijden zijn, zich bewust zijn van Mij aanwezig
in alle levende wezens, al zijn normale handelingen aan
Mij opdragen als ook met woorden Mijn kwaliteiten
hooghouden, de geest in Mij te plaatsen en alle
materiële begeerten af te wijzen; te Mijnent wille
het met het geld op te geven als ook met het zinnelijk
genot, het materieel geluk en de hartstochten, aan
liefdadigheid doen en offers brengen in eerbetoon, de
namen te herhalen om Mij te bereiken en zich aan geloften
en verzakingen te houden; aldus, Uddhava, doet zich bij
die menselijke wezens die zich middels dergelijke
dharmische handelingen ingezet hebben, de liefdevolle
dienst jegens Mij voor - welk ander doel blijft er dan
nog over voor Mijn toegewijde?

Hoofdstuk
20:
Trikanda
Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en
Onthechting

(17) Met het menselijke
en allerbelangrijkste lichaam, dat zonder moeite wordt
verworven maar met inspanning moeilijk te verwerven is,
als een boot die hoogst geschikt de geestlijk leraar als
zijn kapitein kent en Mijn gunstige winden als de
stuwende kracht heeft, is de persoon die niet de oceaan
van het materiële bestaan oversteekt de moordenaar
van zijn eigen ziel.

Hoofdstuk
21:
Over
het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

(15) De zuivering
ontleend aan een mantra volgt zo op de juiste kennis
ervan en de zuivering door een bepaalde handeling volgt
zo op de toewijding die men voor Mij heeft; de
religiositeit wordt gerealiseerd door de zes [zoals
vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's,
de doener en de toegewijde handeling] maar het
areligieuze volgt op het tegengestelde.

(32) Mij niet
aanbiddend op de juiste wijze aanbidden ze, gevestigd in
de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid de
goden en anderen onder leiding van Indra die zich
verheugen in de hartstocht, de goedheid en de
onwetendheid [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 &
25].

Hoofdstuk
22:
Prakriti
en Purusha: de Natuur en de Genieter

(10) The process of
selfrealization is with a person caught in ignorance
without a beginning; it cannot occur by dint of his own
strength, so there must be someone else knowing the
reality who can bestow the spiritual knowledge
[compare 11.21: 10].

(37) The Supreme Lord
said: 'The mind of men conjoined with their five senses
is shaped by the karma; it follows the spirit soul which,
separate from that, travels from one world to the other
[see also linga, vâsanâ and B.G. 2:
22].

(58-59) When insulted,
neglected, ridiculed or envied by bad people, or else
chastised, tied up or deprived of his means of
livelihood; or when repeatedly spat upon or urinated upon
by ignorant people, should the one desiring the Supreme
thus being shaken having difficulties, save himself by
resorting to his essence [see also 5.5: 30].'

Hoofdstuk
23:
Verdraagzaamheid:
het Lied van de Avantî
Brâhmana.

(28) De Allerhoogste
Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat,
die mij tot deze toestand van onthechting heeft gebracht,
is voorzeker, verheugd over mij, de boot voor de ziel
[zie ook 11.17: 44].

(55) Als we zeggen dat
de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn,
hoe zit het dan met de ziel in dat idee; de ziel behoort
de tijd toe, zoals vuur de vlammen niet brandt of de
sneeuw niet [te lijden heeft van koude] - op wie
moet je kwaad worden als er geen dualiteit is met het
allerhoogste [zie ook B.G. 18: 16 en
tijdcitaten]?

Hoofdstuk
24:
De
Analytische Kennis, Sankhya,
Samengevat