(22-23)
Van deze boom die zich uitstrekt in de zon zijn er twee
zaden [zonde en deugd], honderden van wortels
[de levende wezens], drie stammen beneden [de
geaardheden], vijf stammen boven [de
elementen], vijf sappen voortgebracht [geluid,
vorm, aanraking, smaak en geur], elf vertakkingen
[de geest en de tien indriya's]; twee vogels die
er hun nest hebben [de jîva en de
âtmâ], drie soorten van bast [de
lucht, de gal en het slijm] en twee vruchten [het
geluk en het ongeluk]. De wellustige levend in een
huishouding geniet van één vrucht van de
boom, terwijl de zwaangelijke anderen in het woud levend
met de hulp van de aanbiddelijken [de toegewijden, de
goeroes] de Ene kennen die bij machte van Zijn
mâyâ verschijnt in vele gedaanten.
Hoofdstuk
13:
De
Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen
van Brahmâ

(20) Met Mij aldus voor
ogen brachten ze in toenadering, met Brahmâ voor
hen uit, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen
ze 'Wie bent U?'

Hoofdstuk
14:
De
Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op
Vishnu

(17) Niet uit op
zinsbevrediging van een geest zijnde die steeds aan Mij
gehecht is, ervaren zij, de groten van innerlijke vrede
die zorg dragen voor alle individuele zielen die in hun
bewustzijn niet onder de invloed staan van lusten, Mijn
geluk dat niet kan worden gekend anders dan door
volledige onthechting.

(23) Hoe gaan nu zonder
de bhakti je haren overeind, zal zonder de liefdevolle
dienst het hart vertederd raken, kunnen zonder devotie de
tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het
bewustzijn gezuiverd raken? (24) Van degene van wie de
spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte
tranen zijn en soms weer lachen is, van wie er
onbeschaamd luidkeels zingen is en dansen eveneens
verbonden in Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd
[zie ook s'ikshashthaka en 11.2: 40].

(36-42) Met de ogen
half gesloten geconcentreerd op de lotus die rechtop
aanwezig is in het hart, moet men met het gezicht geheven
en alert binnen in de werveling van haar acht
kelkbladeren de een na de ander zich de zon voorstellen,
de maan en het vuur. In het vuur moet men zich Mijn
harmonieuze vorm voorhouden, zo bevorderlijk voor de
meditatie, zachtgeaard en vriendenlijk toegerust met vier
fraaie armen. Bekoorlijk de schoonheid van de nek en het
voorhoofd, de zuivere glimlach even zo en de oren met
stralende haaienvormige oorhangers. Goudkleurig de
kleding, een teint van regenwolken, de krul op de borst,
de toevlucht van de godin, en een schelphoorn, een
werpschijf, een knots en een lotus, en de verfraaiing met
een woudbloemenslinger. De voeten met glanzende
belletjes, rijk gloeiend de kaustubha, een stralende
kroon en polsbanden, een gordel en armbanden; op alle
delen van het lichaam prachtig en bekoorlijk, op het
glimlachen met de genade en op de blik hoogst fijn
besnaard, moet men mediteren door de geest en de zinnen
te zetten naar alle ledematen. Door de geest terug te
trekken van de voorwerpen van de zintuigen, door de
intelligentie, de wagenmenner, sober en ernstig, moet men
met liefde zich laten leiden naar het volledige van
Mij.

Hoofdstuk
15:
Mystieke
Volmaaktheid: de Siddhi's

(35) Van alle
perfecties ben Ik inderdaad de oorzaak en de beschermer;
Ik ben de meester van de yoga [de uiteindelijke
eenheid], de analyse, het dharma, en de gemeenschap
van vedische leraren.

Hoofdstuk
16:
De
Volheden van de Heer

(8) Hij, de tijger
onder de mensen, net als jij, voorafgaande aan de
veldslag, Mij vragen stellend, werd toen door Mij met
logische argumenten voorgelicht inzake de materie.

(12) Ik ben
Hiranyagarbha [Brahmâ de oorspronkelijke
leraar] van de Veda's, van de mantra's ben Ik de
drie-letterige omkâra, van de letters ben Ik de
eerste [de 'a'], en van de heilige versvoeten ben
Ik de drievoetige [de
gâyatrî-mantra].

(29) Anantadeva ben Ik
onder de gekraagde slangen, van alle beesten met tanden
en hoorns ben Ik de leeuw, van de geestelijke orden
[de statusgroepen, de âs'rama's] ben Ik de
vierde [de sannyâsi's] en onder de
roepingen [varna's] ben Ik de eerste [de
brahmanen] o zondenloze.