bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere links




Afbeeldingen Canto 11 - pagina 1 - 2 - 3 - 4

Hoofdstuk 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16

 

Hoofdstuk 9: Onthechting van Al het Materiële

(32) De Opperheer zei: 'De brahmaan van diepe intelligentie [in feite Heer Dattâtreya, zie 2.7: 4 en **] aldus tot koning Yadu gesproken hebbend, nam, naar behoren door de koning geëerd te zijn die zijn eerbetuigingen bracht, afscheid en ging heen, net zo tevreden als hij was gekomen.
 

Hoofdstuk 10: De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

(13) Deze zuiverste intelligentie voor handen van degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, volledig opbrandend wat door hen gevestigd is, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].


(27-29) Als, hij als gevolg van materialistische omgang bezig is met handelingen tegen het dharma of, niet zijn zinnen de baas zijnd, wellustig leeft als een ellendige begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een levend wezen, eenmaal vertrokken, hulpeloos vervolgens belanden in de diepste duisternis van de helse werelden en zal hij vanwege die activiteiten opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die [wederom] hem in de toekomst veel ongeluk zullen bereiden; welk geluk vindt men in het zweren bij activiteiten die steeds tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]?
 

Hoofdstuk 11: Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

(6) Het viel zo voor dat deze twee vrienden, deze gelijksoortige vogels, een nest bouwden in een boom waarbij een ervan de vruchten van de boom eet terwijl de andere niet uit is op voedsel, alhoewel hij de meerdere is qua kracht [zie ook 6.4: 24].

(39) Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnent wille in dienst van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's.
 

Hoofdstuk 12: Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

(22-23) Van deze boom die zich uitstrekt in de zon zijn er twee zaden [zonde en deugd], honderden van wortels [de levende wezens], drie stammen beneden [de geaardheden], vijf stammen boven [de elementen], vijf sappen voortgebracht [geluid, vorm, aanraking, smaak en geur], elf vertakkingen [de geest en de tien indriya's]; twee vogels die er hun nest hebben [de jîva en de âtmâ], drie soorten van bast [de lucht, de gal en het slijm] en twee vruchten [het geluk en het ongeluk]. De wellustige levend in een huishouding geniet van één vrucht van de boom, terwijl de zwaangelijke anderen in het woud levend met de hulp van de aanbiddelijken [de toegewijden, de goeroes] de Ene kennen die bij machte van Zijn mâyâ verschijnt in vele gedaanten.


Hoofdstuk 13: De Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

(20) Met Mij aldus voor ogen brachten ze in toenadering, met Brahmâ voor hen uit, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen ze 'Wie bent U?'


Hoofdstuk 14: De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

(17) Niet uit op zinsbevrediging van een geest zijnde die steeds aan Mij gehecht is, ervaren zij, de groten van innerlijke vrede die zorg dragen voor alle individuele zielen die in hun bewustzijn niet onder de invloed staan van lusten, Mijn geluk dat niet kan worden gekend anders dan door volledige onthechting.


(23) Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind, zal zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken, kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken? (24) Van degene van wie de spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, van wie er onbeschaamd luidkeels zingen is en dansen eveneens verbonden in Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook s'ikshashthaka en 11.2: 40].


(36-42) Met de ogen half gesloten geconcentreerd op de lotus die rechtop aanwezig is in het hart, moet men met het gezicht geheven en alert binnen in de werveling van haar acht kelkbladeren de een na de ander zich de zon voorstellen, de maan en het vuur. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorhouden, zo bevorderlijk voor de meditatie, zachtgeaard en vriendenlijk toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach even zo en de oren met stralende haaienvormige oorhangers. Goudkleurig de kleding, een teint van regenwolken, de krul op de borst, de toevlucht van de godin, en een schelphoorn, een werpschijf, een knots en een lotus, en de verfraaiing met een woudbloemenslinger. De voeten met glanzende belletjes, rijk gloeiend de kaustubha, een stralende kroon en polsbanden, een gordel en armbanden; op alle delen van het lichaam prachtig en bekoorlijk, op het glimlachen met de genade en op de blik hoogst fijn besnaard, moet men mediteren door de geest en de zinnen te zetten naar alle ledematen. Door de geest terug te trekken van de voorwerpen van de zintuigen, door de intelligentie, de wagenmenner, sober en ernstig, moet men met liefde zich laten leiden naar het volledige van Mij.


Hoofdstuk 15: Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

 (35) Van alle perfecties ben Ik inderdaad de oorzaak en de beschermer; Ik ben de meester van de yoga [de uiteindelijke eenheid], de analyse, het dharma, en de gemeenschap van vedische leraren.   


Hoofdstuk 16: De Volheden van de Heer

(8) Hij, de tijger onder de mensen, net als jij, voorafgaande aan de veldslag, Mij vragen stellend, werd toen door Mij met logische argumenten voorgelicht inzake de materie.


(12) Ik ben Hiranyagarbha [Brahmâ de oorspronkelijke leraar] van de Veda's, van de mantra's ben Ik de drie-letterige omkâra, van de letters ben Ik de eerste [de 'a'], en van de heilige versvoeten ben Ik de drievoetige [de gâyatrî-mantra].


(29) Anantadeva ben Ik onder de gekraagde slangen, van alle beesten met tanden en hoorns ben Ik de leeuw, van de geestelijke orden [de statusgroepen, de âs'rama's] ben Ik de vierde [de sannyâsi's] en onder de roepingen [varna's] ben Ik de eerste [de brahmanen] o zondenloze.




N.B. Als u een van deze afbeeldingen op uw eigen website wilt gebruiken,
plaats ze dan a.u.b. op uw eigen server. Steel geen bandbreedte.

volgende pagina