
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
The
Disappearance of the Yadu-dynasty
Tekst
1:
De
achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Wat deed
de Opperheer en Beschermer van Alle levende Wezens in
Dvârakâ nadat Uddhava, de grote toegewijde, was
vertrokken?
King
Parîkshit said - After the great devotee Uddhava left
for the forest, what did the Supreme Personality of Godhead,
the protector of all living beings, do in the city of
Dvârakâ?
Tekst
2
Vertel
alsJeblieft hoe Hij, de Leider van de Yadu's in de Ogen van een
Ieder het Meeste Geliefd, Zijn lichaam opgaf toen Zijn familie
de vernietiging vond na de vloek van de brahmanen [zie
11.1]?
After
His own dynasty met destruction from the curse of the
brâhmanas, how could the best of the Yadus give up His
body, the dearmost object of all eyes?
Tekst
3
Eraan gehecht
konden de vrouwen hun ogen er niet van afwenden; doorgedrongen
tot de oren van de wijzen wilde het, in hun geest blijven
hangend, niet meer wijken; en wat te zeggen van de bijzondere
aantrekking van de woorden die zich voordeden naar de eer van
de dichters die de schoonheid ervan zagen en van hen die, het
waarnemend op Arjuna's strijdwagen op het slagveld, een gelijke
status bereikten?'
Once
their eyes were fixed upon His transcendental form, women
were unable to withdraw them, and once that form had entered
the ears of the sages and become fixed in their hearts, it
would never depart. What to speak of acquiring fame, the
great poets who described the beauty of the Lord's form
would have their words invested with transcendentally
pleasing attraction. And by seeing that form on Arjuna's
chariot, all the warriors on the battlefield of Kurukshetra
attained the liberation of gaining a spiritual body similar
to the Lord's.
Tekst
4
De bekwame
rishi [S'uka] zei: 'Met voor ogen het aantal grote
verstoringen welke zich vertoonden in de hemel, op aarde en in
het uitspansel, richtte Krishna zich als volgt tot de Yadu's
die bijeen zaten in de Sudharmâ-hal [zie
10.50:
54 en ook
1.14].
S'ukadeva
Gosvâmî said - Having observed many disturbing
signs in the sky, on the earth and in outer space, Lord
Krishna addressed the Yadus assembled in the Sudharmâ
council hall as follows.
Tekst
5
De Allerhoogste
Heer zei: 'O beste der Yadu's, met deze beangstigende, grote en
onheilspellende voortekenen, die zijn als de vlaggen van de
koning van de dood, moeten we geen moment langer in
Dvârakâ blijven.
The
Supreme Personality of Godhead said: O leaders of the Yadu
dynasty, please note all these terrible omens that have
appeared in Dvârakâ just like the flags of
death. We should not remain here a moment longer.
Tekst
6
De vrouwen, de
kinderen, en de ouden van dagen moeten naar S'ankoddhâra
[halverwege Dvârakâ en Prabhâsa]; wij
zullen van hieruit naar Prabhâsa gaan alwaar de
Sarasvatî westwaarts stroomt.
The
women, children and old men should leave this city and go to
S'ankhoddhâra. We shall go to Prabhâsa-kshetra,
where the river Sarasvatî flows toward the
west.
Tekst
7
Daar moeten we
ons zuiveren door te baden, te vasten en onze geesten te
concentreren, en zullen we de goden [de beeltenissen]
aanbidden met verschillende offerandes, wassingen en
âlepa [insmeren met sandelhout].
There
we should bathe for purification, fast, and fix our minds in
meditation. We should then worship the demigods by bathing
their images, anointing them with sandalwood pulp, and
presenting them various offerings.
Tekst
8
De brahmanen zo
vol van genade zullen we, als ze voor het goede geluk de
plechtigheden hebben opgevoerd, [vereren] met koeien,
land, goud, kleding, olifanten, paarden, wagens en huizen
[zie ook 3.3:
26-28].
After
performing the expiatory rituals with the help of greatly
fortunate brâhmanas, we will worship those
brâhmanas by offering them cows, land, gold, clothing,
elephants, horses, chariots and dwelling places.
Tekst
9
Voorwaar moet
het zo zijn beslag krijgen teneinde het onheil af te wenden en
het geluk af te roepen; als je de besten onder de levende
wezens eer aandoet - de goden, de brahmanen en de koeien -
roept dat het allerhoogste af [vergelijk met
10.24:
25].
This
is indeed the appropriate process for counteracting our
imminent adversity, and it is sure to bring about the
highest good fortune. Such worship of the demigods,
brâhmanas and cows can earn the highest birth for all
living entities.
Tekst
10
Toen ze allen
aldus naar de Vijand van Madhu hadden geluisterd, zeiden de
ouderen onder de Yadu's 'zo zij het', en staken ze per boot
over om zich in wagens op weg te begeven naar
Prabhâsa.
Having
heard these words from Lord Krishna, the enemy of Madhu, the
elders of the Yadu dynasty gave their assent, saying, 'So be
it.' After crossing over the ocean in boats, they proceeded
on chariots to Prabhâsa.
Tekst
11
Aldaar
volbrachten, naar de instructies van de Allerhoogste
Persoonlijkheid, de Heer van de Yadu's, ze met bovenzinnelijke
toewijding en alles wat nog meer kracht zou schenken, al de
gelukbrengende offerrituelen.
There,
with great devotion, the Yâdavas performed the
religious ceremonies according to the instructions of the
Supreme Personality of Godhead, their personal Lord. They
also performed various other auspicious rituals.
Tekst
12
Toen, als was
voorbestemd [zie 11.1:
4] hun
intelligentie uit het oog verliezend, dronken ze een grote
hoeveelheid zoet smakende maireya
[honingdrank] waarvan de ingrediënten de geest
benevelen [zie ook 6.1:
58-60].
Then,
their intelligence covered by Providence, they liberally
indulged in drinking the sweet maireya beverage, which can
completely intoxicate the mind.
Tekst
13
Onder de helden
verbijsterd door Krishna's begoochelend vermogen deed zich,
door het overmatig drankgebruik beschonken, hoogmoedig van
geest een verschrikkelijke ruzie voor.
The
heroes of the Yadu dynasty became intoxicated from their
extravagant drinking and began to feel arrogant. When they
were thus bewildered by the personal potency of Lord
Krishna, a terrible quarrel arose among them.
Tekst
14
Geheel
opgewonden van de woede pakten ze hun wapens op - hun bogen,
zwaarden, bhalla-pijlen [pijlen met een speciale
pijlpunt] knotsen, lansen en speren - en vochten ze daar
aan de oever.
Infuriated,
they seized their bows and arrows, swords, bhallas, clubs,
lances and spears and attacked one another on the shore of
the ocean.
Tekst
15
Met wapperende
vlaggen in hun wagens rijdend, op olifanten en andere
draagdieren - ezels, kamelen, stieren, buffels, muildieren en
zelfs mensen - traden ze in woede ontstoken elkaar tegemoet,
aanvallend met pijlen als waren ze olifanten in het bos in de
aanval met hun slagtanden.
Riding
on elephants and chariots with flags flying, and also on
donkeys, camels, bulls, buffalos, mules and even human
beings, the extremely enraged warriors came together and
violently attacked one another with arrows, just as
elephants in the forest attack one another with their
tusks.
Tekst
16
Met hun
vijandschap gewekt in de slag vocht verwoed Pradyumna tegen
Sâmba, Akrûra tegen Bhoja, Aniruddha tegen
Sâtyaki, Subhadra tegen Sangrâmajit, Sumitra tegen
Suratha en de twee Gada's [de broer en een zoon van
Krishna] tegen elkaar.
Their
mutual enmity aroused, Pradyumna fought fiercely against
Sâmba, Akrûra against Kuntibhoja, Aniruddha
against Sâtyaki, Subhadra against Sangrâmajit,
Sumitra against Suratha, and the two Gadas against each
other.
Tekst
17
Anderen
eveneens, zoals Nis'athha, Ulmuka en zo meer onder leiding van
Sahasrajit, S'atajit en Bhânu, traden tegen elkaar in het
geweer en doodden elkaar verblind als ze waren door de
bedwelming en compleet in de war door
Mukunda.
Others
also, such as Nis'athha, Ulmuka, Sahasrajit, S'atajit and
Bhânu, confronted and killed one another, being
blinded by intoxication and thus completely bewildered by
Lord Mukunda Himself.
Tekst
18
Met het
volledig laten varen van hun vriendschap slachtten de Kunti's,
de Kukura's, de Visarjana's, de Madhu's en
Arbuda's,
Vrishni's en Andhaka's, de Bhoja's, de
Sâtvata's,
de Dâs'ârha's en de inwoners van Mâthura en
S'ûrasena elkaar af.
Completely
abandoning their natural friendship, the members of the
various Yadu clans - the Dâs'ârhas, Vrishnis and
Andhakas, the Bhojas, Sâtvatas, Madhus and Arbudas,
the Mâthuras, S'ûrasenas, Visarjanas, Kukuras
and Kuntis - all slaughtered one another.
Tekst
19
In staat van
begoocheling doodden verwanten verwanten en vrienden vrienden;
zoons vochten met hun vaders en met hun broers, neven met ooms,
ooms van vaders zijde tegen ooms van moeders zijde en
weldoeners vochten tegen weldoeners.
Thus
bewildered, sons fought with fathers, brothers with
brothers, nephews with paternal and maternal uncles, and
grandsons with grandfathers. Friends fought with friends,
and well-wishers with well-wishers. In this way intimate
friends and relatives all killed one another.
Tekst
20
Toen hun pijlen
opraakten, hun bogen gebroken waren en hun projectielen
opgebruikt, namen ze bamboestaken [eraka, zie
11.1:
22] ter
hand.
When
all their bows had been broken and their arrows and other
missiles spent, they seized the tall stalks of cane with
their bare hands.
Tekst
21
Die staken
vastgeklemd in hun vuisten veranderden in ijzeren staven zo
sterk als bliksemstralen toen ze hun vijanden ermee te lijf
gingen, en hoewel Krishna ze probeerde te stoppen, vielen ze
Hem ook aan.
As
soon as they took these cane stalks in their fists, the
stalks changed into iron rods as hard as thunderbolts. With
these weapons the warriors began attacking one another again
and again, and when Lord Krishna tried to stop them they
attacked Him as well.
Tekst
22
In de war met
hun geesten vol moord en doodslag, zagen ze Balarâma voor
een vijand aan, o Koning, en hieven ze hun wapens ook tegen Hem
op.
In
their confused state, O King, they also mistook Lord
Balarâma for an enemy. Weapons in hand, they ran
toward Him with the intention of killing Him.
Tekst
23
De Twee mengden
zich toen ook allerverwoedst in de strijd, o zoon van de
Kuru's, en gingen, de staken in Hun vuisten als knuppels
hanterend, ertoe over te doden met het zich rondbewegen in de
strijd.
O
son of the Kurus, Krishna and Balarâma then became
very angry. Picking up cane stalks, They moved about within
the battle and began to kill with these clubs.
Tekst
24
Overmand door
de vloek der brahmanen en met hun geesten beneveld door
Krishna's mâyâ, leidde de furie van de wedijver tot
hun einde zoals een vuur van bamboestaken dat doet met een bos.
The
violent anger of these warriors, who were overcome by the
brâhmanas' curse and bewildered by Lord Krishna's
illusory potency, now led them to their annihilation, just
as a fire that starts in a bamboo grove destroys the entire
forest.
Tekst
25
Toen
al Zijn clans waren vernietigd
op deze manier,
concludeerde
Krishna, overgebleven, dat
zoals gepland [11.1:
1-4]
de
last van de aarde was weggenomen.
When
all the members of His own dynasty were thus destro yed,
Lord Krishna thought to Himself that at last the burden of
the earth had been removed.
Tekst
26
Râma aan
de kust van de oceaan overgegaan tot meditatie op de
Oorspronkelijke Persoon, gaf, met het doen opgaan van Zichzelf
in Zichzelf, de wereld der mensen op.
Lord
Balarâma then sat down on the shore of the ocean and
fixed Himself in meditation upon the Supreme Personality of
Godhead. Merging Himself within Himself, He gave up this
mortal world.
Tekst
27
Ziend dat
Râma was heengegaan zat de Allerhoogste Heer, de Zoon van
Devakî, met het vinden van een pippala
boom, stilletjes neer op de schoot der aarde [zie ook
3.4].
Lord
Krishna, the son of Devakî, having seen the departure
of Lord Râma, sat down silently on the ground under a
nearby pippala tree.
Tekst
28-32
Met het
vertonen van Zijn vier-armige gedaante verdreef, als een vuur
zonder rook, Zijn schitterende gloed de duisternis in alle
richtingen. Met het s'rîvatsa-teken en de grijsblauwe
kleur als die van wolken, straalde Hij als gesmolten goud met
de dracht van een algunstig stel geelzijden kledingstukken.
Zijn gezicht als een blauwe lotus prachtig glimlachend met de
bekoorlijke lotusogen, werd opgesierd door Zijn haarlokken en
glanzende haaienvormige oorhangers. Magnifiek met een gordel,
een heilige draad, een helm en armbanden; armversieringen,
halssnoeren, enkelbelletjes en koninklijke tekenen, was er daar
het kaustubha kleinnood. Met het plaatsen van Zijn rechtervoet
roze als een lotus op Zijn dijbeen, zat Hij neer met de
gedaanten van Zijn persoonlijke wapens en de omlijsting van
Zijn leden met een slinger van woudbloemen.
The
Lord was exhibiting His brilliantly effulgent four-armed
form, the radiance of which, just like a smokeless fire,
dissipated the darkness in all directions. His complexion
was the color of a dark blue cloud and His effulgence the
color of molten gold, and His all-auspicious form bore the
mark of S'rîvatsa. A beautiful smile graced His lotus
face, locks of dark blue hair adorned His head, His lotus
eyes were very attractive, and His shark-shaped earrings
glittered. He wore a pair of silken garments, an ornamental
belt, the sacred thread, bracelets and arm ornaments, along
with a helmet, the Kaustubha jewel, necklaces, anklets and
other royal emblems. Encircling His body were flower
garlands and His personal weapons in their embodied forms.
As He sat He held His left foot, with its lotus-red sole,
upon His right thigh.
Tekst
33
Zijn voet die
de vorm had van de kop van een hert werd [toen]
getroffen door een jager genaamd Jarâ
die dacht dat hij een hert zag, [mikkend] met zijn pijl
die was vervaardigd met een fragment dat was overgebleven van
het ijzer [van de door de brahmanen vervloekte en
vernietigde knots 11.1:
23].
Just
then a hunter named Jarâ, who had approached the
place, mistook the Lord's foot for a deer's face. Thinking
he had found his prey, Jarâ pierced the foot with his
arrow, which he had fashioned from the remaining iron
fragment of Sâmba's club.
Tekst
34
Met het zien
van die vier-armige persoonlijkheid viel hij, benauwd een
overtreding te hebben begaan, met zijn hoofd naar beneden neer
aan de voeten van de Vijand der Asura's:
Then,
seeing that four-armed personality, the hunter became
terrified of the offense he had committed, and he fell down,
placing his head upon the feet of the enemy of the
demons.
Tekst
35
'Dit is gedaan
door een zondige persoon die uit onwetendheid handelde; o
Madhusûdana,
alstUblieft vergeef deze zondaar zijn daad, o
Uttamas'loka,
o Zondeloze.
Jarâ
said: O Lord Madhusûdana, I am a most sinful person. I
have committed this act out of ignorance. O purest Lord, O
Uttamahs'loka, please forgive this sinner.
Tekst
36
O Meester, wat
ik Hem, Vishnu, heb aangedaan, U heb aangedaan, was verkeerd; o
U, van wie de voortdurende herinnering de duisternis der
onwetendheid van alle mensen vernietigt, zo zegt men.
O
Lord Vishnu, the learned say that for any man, constant
remembrance of You will destroy the darkness of ignorance. O
master, I have wronged You!
Tekst
37
Om die reden,
doodt me alstUblieft nu meteen o Heer van Vaikunthha, zodat ik,
werkelijk een zondige hertenjager, aldus niet nogmaals een
dergelijke overtreding zal begaan tegen de Enige Ware
[*].
Therefore,
O Lord of Vaikunthha, please kill this sinful hunter of
animals immediately so he may not again commit such offenses
against saintly persons.
Tekst
38
Wat kunnen wij,
onzuiver van geboorte, van Hem, van U, zeggen met wat we, naar
Zijn wezen overdekt door Uw begoochelend vermogen, recht voor
ogen hebben, terwijl Uw mystieke macht [zelfs nog] niet
doorgrond wordt door Viriñca, Rudra en zijn andere
meesters en zoons van het vedisch woord?'
Neither
Brahmâ nor his sons, headed by Rudra, nor any of the
great sages who are masters of the Vedic mantras can
understand the function of Your mystic power. Because Your
illusory potency has covered their sight, they remain
ignorant of how Your mystic power works. Therefore, what can
I, such a low-born person, possibly say?
Tekst
39
S'rî
Bhagavân zei: 'Vrees niet o Jarâ, alsjeblieft sta
op, want wat jij deed was Mijn verlangen; je hebt Mijn
permissie je naar het spirituele bereik te begeven, de plaats
van hen die van goede daden zijn.'
The
Supreme Personality of Godhead said: My dear Jarâ, do
not fear. Please get up. What has been done is actually My
own desire. With My permission, go now to the abode of the
pious, the spiritual world.
Tekst
40
Aldus
geïnstrueerd door Krishna, de Fortuinlijke Belichaamd naar
Eigen Wil, omliep hij Hem drie keer en ging hij, zich voor Hem
verbuigend, met een verheven geest [een
'vimâna']
naar de hemel.
So
instructed by the Supreme Lord Krishna, who assumes His
transcendental body by His own will, the hunter
circumambulated the Lord three times and bowed down to Him.
Then the hunter departed in an airplane that had appeared
just to carry him to the spiritual sky.
Tekst
41
Dâruka
die uitzocht waar Krishna was gebleven, kwam bij Hem in de
buurt afgaande op de geur van de aromatische tulasî en
benaderde Hem.
At
that time Dâruka was searching for his master,
Krishna. As he neared the place where the Lord was sitting,
he perceived the aroma of tulasî flowers in the breeze
and went in its direction.
Tekst
42
Met Hem aldaar
schitterend en gloeiend, omringd door Zijn wapens rustend aan
de voet van de as'vattha,
viel hij, zich van de wagen haastend, met zijn hart overweldigd
en met tranen in de ogen van de emoties neer aan Zijn voeten.
Upon
seeing Lord Krishna resting at the foot of a banyan tree,
surrounded by His shining weapons, Dâruka could not
control the affection he felt in his heart. His eyes filled
with tears as he rushed down from the chariot and fell at
the Lord's feet.
Tekst
43
'O Meester, Uw
lotusvoeten niet ziend is mijn gezichtsvermogen vernietigd en
heb ik, net als met een nieuwe maans-nacht in de duisternis
beland, geen weet van de windrichtingen noch kan ik de vrede
vinden.'
Dâruka
said: Just as on a moonless night people are merged into
darkness and cannot find their way, now that I have lost
sight of Your lotus feet, my Lord, I have lost my vision and
am wandering blindly in darkness. I cannot tell my
direction, nor can I find any peace.
Tekst
44
Terwijl hij dat
zo zei rees waarachtig voor ogen van de wagenmenner de wagen
hoog op in de lucht samen met de paarden en de vlag van Garuda
die hem sierde, o Koning der koningen.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] O foremost of kings,
while the chariot driver was still speaking, before his very
eyes the Lord's chariot rose up into the sky along with its
horses and its flag, which was marked with the emblem of
Garuda.
Tekst
45
Met Vishnu's
goddelijke wapens die volgden, sprak Janârdana
tot de menner die stomverbaasd was door die gebeurtenis:
All
the divine weapons of Vishnu rose up and followed the
chariot. The Lord, Janârdana, then spoke to His
chariot driver, who was most astonished to see all
this.
Tekst
46
'O menner,
begeef je op weg naar Dvârakâ en stel Onze
familieleden op de hoogte van de wederzijdse vernietiging van
hun naaste verwanten, van Mijn toestand en van het heengaan van
Sankarshana.
O
driver, go to Dvârakâ and tell Our family
members how their loved ones destroyed one another. Also
tell them of the disappearance of Lord Sankarshana and of My
present condition.
Tekst
47
Jij en je
verwanten moeten niet langer in Dvârakâ blijven; nu
dat de yadu-hoofdstad door Mij is verlaten zal hij in zee
zinken.
You
and your relatives should not remain in Dvârakâ,
the capital of the Yadus, because once I have abandoned that
city it will be inundated by the ocean.
Tekst
48
Jullie moeten,
ieder zijn eigen familie zowel als Onze ouders met je
meenemend, allen, beschermd door Arjuna, naar Indraprastha
gaan.
You
should all take your own families, together with My parents,
and under Arjuna's protection go to Indraprastha.
Tekst
49
Jij echter,
verankerd in de kennis en onverschillig over Mijn
mâyâ zal, goed stand houdend in Mijn toegewijde
dienst, met begrip voor wat Ik arrangeerde, de kalmte van geest
verwerven.'
You,
Dâruka, should be firmly situated in devotion to Me,
remaining fixed in spiritual knowledge and unattached to
material considerations. Understanding these pastimes to be
a display of My illusory potency, you should remain
peaceful.
Tekst
50
Aldus door Hem
aangesproken omliep hij Hem met het keer op keer bieden van
zijn eerbetuigingen, en ging hij, Zijn lotusvoeten op zijn
hoofd plaatsend, zwaar ter moede op weg naar de
stad.
Thus
ordered, Dâruka circumambulated the Lord and offered
obeisances to Him again and again. He placed Lord Krishna's
lotus feet upon his head and then with a sad heart went back
to the city.
*:
S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura
vraagt zich af hoe, aangezien herten van nature angstig en
timide zijn, hoe zich welk hert dan ook ooit kon ophouden op
het schouwtoneel van die grote veldslag, en hoe een jager
kalmpjes zijn gang kon gaan temidden van al dat vergoten bloed.
Daarom waren het zich terugtrekken van de yadu-dynastie en Heer
Krishna's eigen verdwijnen van deze aarde geen materiële
historische gebeurtenissen; ze vormden daarintegen meer een
vertoon van de Heer Zijn innerlijk vermogen voor het doel van
het afronden van Zijn aardse spel en vermaak [p.p.
11.30:
37].
Ook vormt de naam van de jager, Jarâ, wat oude dag
betekent, aanduiding van de metaforische strekking van deze
gebeurtenis [zie ook voetnoot 10.87:*].
In the Mahâbhârata-tâtparya-nirnaya schreef
S'rî Madhvâcârya-pâda dat de Heer voor
Zijn missie weliswaar een lichaam van materiële energie
had geschapen waarin de pijl werd geschoten, maar dat de
eigenlijke vier-armige gedaante nimmer werd geraakt door de
pijl van Jarâ, die feitelijk de Heer Zijn toegewijde
Bhrigu Rishi is. In een voorgaand leven had Bhrigu Muni
offensief zijn voet geplaatst op de borst van Heer
Vishnu.
