regelbalk



 

Canto 3

Mahâmantra 2

 

Hoofdstuk 15: Beschrijving van het Koninkrijk Gods

(1) Maitreya zei: 'Diti was er bang voor dat ze door de macht van [het zaad van] de grote Prajâpati een eeuw lang de macht van anderen zou vernietigen en ze de godsbewuste mensen ellende zou bezorgen. (2) De wereld was door die dreiging verstoken van licht en dus raadpleegden de plaatselijke autoriteiten die hun greep zagen verslappen de schepper van het universum [Heer Brahmâ] omtrent de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde. (3) De halfgoden zeiden: 'U, o machtige, moet op de hoogte zijn van deze duisternis waar we zo heel erg bang voor zijn. Uw goddelijkheid is vrij van de invloed van de tijd en dus is er niets wat voor u verborgen is. (4) O god van de goden die het universum in stand houdt, u als het  kroonjuweel van al de bewakers van de geestelijke en materiële werelden bent op de hoogte van de beweegredenen van alle levende wezens. (5) Wij brengen u wiens kracht in de wijsheid schuilt onze eerbetuigingen. Met het verworven hebben van dit lichaam van de uitwendige energie en in aanvaarding van uw bijzondere aard [van de hartstocht] betonen wij u, o ongeziene bron, ons respect. (6) Zij die onwankelbaar zijn in hun toewijding mediteren op u die de oorsprong bent van alle schepselen, de bovenzinnelijke oorzaak van het ware en onware en het zelf waarin al de werelden met elkaar verbonden zijn. (7) Zielen die gerijpt zijn in de praktijk van de yoga en uw genade bereikten met het beheersen van hun zinnen en geest middels hun ademhaling, zullen nimmer door wat dan ook verslagen worden. (8) Hem door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier met een touw wordt geleid, hem onder wiens gezag de offers worden gebracht, hem die allerbelangrijkste persoon, u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Vanwege deze duisternis komen we niet meer toe aan onze voorgeschreven plichten. We vragen u om ten gunste van ons op te treden, o grote Heer, gun ons, overgegeven zielen, de weldaad van uw genadige blik. (10) O god, dit zaad dat Kas'yapa uitstortte in de schoot van Diti, veroorzaakt een algehele duisternis in alle richtingen zoals een vuur beladen met te veel brandhout.'

(11) Maitreya zei: 'O machtig gearmde, hij, de zelfgeborene die in de gebeden werd aangesproken als de Allerhoogste Heer, stelde glimlachend de halfgoden tevreden door ze in aangename bewoordingen antwoord te geven. (12) Brahmâ zei: 'Zij die vóór uw tijd uit mijn geest hun geboorte namen en door Sanaka worden aangevoerd [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], reisden zonder verlangens te koesteren heen en weer tussen de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij die vrij zijn van alle materiële besmetting Vaikunthha binnen, het eeuwige verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu, een bereik waarvoor men bidt in al de werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en houden er geen verlangens op na vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid. (15) De Heer van het Fortuin, de oorspronkelijke persoon die men verstaat middels de geschriften, houdt zich daar op als de verpersoonlijking van de religieuze beginselen om tot het grote geluk van ons die bij Hem horen, in Zijn goedheid onze zuiverheid te aanvaarden. (16) Aldaar, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen ter bevordering van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met [wens]bomen die gedurende alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Met hun vrouwen in paleizen wonend, bezingen de toegewijden daar vrij van alle ongunstige kwaliteiten, onophoudelijk de Allerhoogste Heer, waarbij ze zelfs kritisch zijn over de door de wind meegevoerde geestverruimende geur van de mâdhavîbloemen die vol nectar bloeien in het water. (18) Als de koning van de hommels luid de heerlijkheid van de Heer bezingt komt er even een einde aan het tumult van de duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen. (19) De geurige mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâta zijn het er allemaal over eens dat de tulsîplant [de basilicumplant waarmee de Heer zich opsiert en] die in de vorm van een slinger [door Hem] wordt geëerd vanwege haar geur, het meest van hen allen recht doet aan de goede geest van de boete daar. (20) Door eenvoudig van eerbetoon te zijn voor de voeten van de Heer, verdienden de toegewijden de paleizen die er overal staan, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij geven ze, spiritueel verzonken in Krishna, nooit enige aanleiding tot lustmatigheid. (21) In dat huis van de Heer wordt [soms], weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk waargenomen die vrij is van alle fouten. Ze neemt dan een prachtige gedaante aan met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem. Die genade van haar is iets ter wille waarvan de andere dames zich met de grootste inspanning manifesteren als ware poetsvrouwen. (22) Omringd door hun dienaressen in hun tuinen op de met koraal omlijste oevers van de vijvers vol met kristalhelder, heerlijk water, offeren ze tulsîblaadjes aan de Heer. Daarbij stellen ze zich voor hoe met de aanblik van de mooie haarlokken van de godin gereflecteerd in het water, haar gezicht gekust wordt door de Heer. (23) Hoe onfortuinlijk zijn zij die nimmer deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde bereiken, maar liever vernemen over onderwerpen vervat in slechte bewoordingen die je intelligentie doden. Helaas belanden dergelijke personen die ver verwijderd zijn van de waarden van het leven, verstoken van alle toevlucht in de diepste duisternis. (24) Zij die de menselijke vorm van leven bereikten,  kennis verkregen over het Absolute en van de juiste gedragswijze [dharma] zijn zoals wij [Heer Brahmâ en de halfgoden] het wensen, maar niet de Allerhoogste Heer gunstig weten te stemmen, zijn helaas verbijsterd door Zijn alomtegenwoordige, begoochelende energie. (25) [Maar] tredend in het voetspoor van [mij,] de leider van de halfgoden, zullen ze naar Vaikunthha gaan, het bereik dat zich boven dat van mij bevindt, zij die, aangetrokken tot elkaar in besprekingen over de Heer zijn begeerlijke, superieure kwaliteiten en heerlijkheden, extase ondervinden, tranen in hun ogen hebben en de rillingen over hun lijf voelen lopen, en aldus Yamarâja [de heer van de dood] op een afstand houden.



(26) [Brahmâ vervolgde:] Toen de wijzen [met Sanaka voorop] bij machte van hun spiritueel vermogen Vaikunthha bereikten, ervoeren ze een bovenzinnelijk geluk dat ze nog nooit eerder hadden ervaren. Het was de plaats, stralend met de paleizen van de meest verdienstelijke en geleerde toegewijden, waar de leraar van het universum heerst die het voorwerp van aanbidding is in alle werelden. (27) Nadat ze aldaar zes poorten waren gepasseerd zonder er veel belang aan te hechten, vonden ze bij de zevende poort twee halfgoden op hun weg van gelijke leeftijd die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Om hun nek hadden ze, tussen hun vier blauwe armen, een slinger van woudbloemen met daaromheen bedwelmde bijen. Maar om zich heenkijkend met opgetrokken wenkbrauwen, een onrustige adem en rood doorlopen ogen, zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand, passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder op of om te kijken de gouden en diamanten deuren. Zij waren immers de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Toen ze hen zagen, vier naakte, oudere jongens die de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze niet ouder dan vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters in weerwil van de glorie en de etiquette, ze met een houding die de Heer onwelgevallig is onterecht tegen met hun staf. (31) Op het moment dat ze werden geplaatst voor de onbeduidende belemmering van de twee poortwachters die hen, ondanks dat ze de meest geschikten waren van de Heer, weigerden voor ogen van de bewoners van Vaikunthhakleurden hun ogen, in hun verlangen hun meest geliefde persoon te ontmoeten, plots rood van woede ['het jongere broertje van de lust'].

(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee, dat je door je deugdzame daden in het verleden het hier schopten tot de dienst van de Opperheer? Welke toegewijde die zonder angst en vijandschap in Hem verkeert, kan nu zo vals bezig zijn als jullie? Wie houdt er nu zo'n bedrieglijke mentaliteit als jullie op na die het vertrouwen beschaamt? (33) Niemand hier is een vreemde voor de Allerhoogste Persoonlijkheid die een ieder in Zijn buik heeft. Het levende wezen heeft zijn plaats in de Superziel zoals het kleine beetje lucht dat men in zijn longen heeft deel uitmaakt van de lucht erbuiten. Je vraagt je als een nuchtere ziel af hoe, met de twee van jullie voor ogen die zijn uitgedost als bewoners van Vaikunthha, die eruitzien als ontwaakte zielen die onderscheid maken tussen lichaam en ziel, er nu zo'n angst vanwege Hem kan bestaan? (34) Daarom zijn we van mening dat, met het oog op het afroepen van de genade van de Heer van Vaikunthha, de gepaste maatregel voor jullie antipathieke geesten die de dingen tegengesteld zien, eruit bestaat dat jullie beiden van hier vertrekken naar de materiële wereld van tegenstellingen waar je deze drievoudige zonde vindt die de vijand van het levende wezen is [lust, woede en begeerte, zie B.G. 16: 21].'

(35) De twee [poortwachters] die begrepen dat er een verschrikkelijke brahmaanse vloek over hen was uitgesproken, een vloek die met geen wapen kan worden tegengegaan, vielen terstond bevangen door vrees voor de toegewijden van de Heer ter aarde om in grote angst hun voeten vast te grijpen: (36) 'Het zij zo dat u ons vanwege onze zonden heeft bestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u moet worden bestreden. Maar we bidden dat we, met een beetje van uw onbegrensd mededogen voor ons berouw, als we afdalen in de materiële wereld niet in staat van illusie de herinnering zullen verliezen aan de Allerhoogste Heer.'

(37) Datzelfde moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de overtreding jegens de rechtschapen wijzen. Hij kwam toen tot hun grote vreugde daar naar toe, begeleid door Zijn geluksgodin, lopend op dezelfde voeten die worden aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Toen ze Hem samen met al Zijn toegewijden en toebehoren op hen af zagen komen, raakten de wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien voor zich zagen, in extase over de aanblik van de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] die als fraaie zwanen een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich uitbreidend in hun harten. Met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk tentoon als het hoogtepunt van de geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gehuld in het geel had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn slinger van woudbloemen. Om Zijn polsen had Hij fraaie armbanden en terwijl één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda], wuifde Hij een lotusbloem met een andere. (41) Helderder stralend dan de bliksem completeerde de versiering van Zijn krokodilvormige oorhangers de kaken en rechte neus van Zijn voorkomen. Hij droeg een met juwelen versierde kroon, had een bekoorlijk, hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubhajuweel sierde Zijn hals. (42) Met Zijn prachtige uitdossing bemediteerd door zijn volledig aandachtige toegewijden, stelde Hij de glimlachen van de Godin van de Schoonheid in de schaduw. Van de aanblik van de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva alsook voor jullie allen, konden de wijzen niet genoeg krijgen en daarvoor bogen ze vol van vreugde hun hoofden. (43) Toen de bries, met het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten van de Heer met de Lotusogen, hun neusgaten binnendrong, ondergingen ze een innerlijke transformatie, ondanks het feit dat ze in lichaam en geest [de onpersoonlijke realisatie van] Brahman waren toegewijd. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze ook de nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Aldus hun levensdoel bereikt hebbend keken ze vervolgens weer naar beneden naar de robijnrode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken langs de wegen van de yoga, is Hij het voorwerp van meditatie op prijs gesteld door velen. Met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante de ogen behagend wordt Hij, eeuwig aanwezig, geprezen te zijn toegerust met de perfectie van de acht verworvenheden, een perfectie die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva: controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].'

(46) De Kumâra's zeiden: 'Ook al bevindt U zich in het hart, toch bent U niet zichtbaar voor hen die zich ver van de ziel verwijderd hebben. Vandaag, o Onbegrensde, zien we U van aangezicht tot aangezicht, U die ons innerlijk wezen via onze oren bereikte toen we van onze vader [Brahmâ] de beschrijving hoorden van de mysteriën van Uw verschijnen. (47) U, o Allerhoogste Heer, die met Uw persoonlijkheid bestaande uit zuivere goedheid allen in verrukking brengt [die zijn zoals wij], kennen we nu als de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel. Deze werkelijkheid kan men, overeenkomstig het begrip van de wijzen die niet geïnteresseerd zijn in een materieel leven, bij Uw genade doorgronden in standvastige toegewijde dienst met een hart vrij van gehechtheden. (48) Zij [die deze praktijk volgen] bekommeren zich zelfs niet om de zegeningen van Uw onvergankelijke zaligheid [kaivalya, de verlichting] of om welk ander ondergeschikt geluk dan ook waarmee zij het fronsen van Uw wenkbrauwen te vrezen hebben. Zij, o Allerhoogste, nemen hun toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over Uw zuivere heerlijkheden die het zo waard zijn om door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [de emotionele relaties die men met U kan hebben] bezongen te worden. (49) Door de valsheid van de levens die we begeerden kunnen we van een lage geboorte zijn en geesten hebben die zo druk zijn als bijen, maar als we betrokken worden bij de toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten en onze oren zich vullen met Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, worden de woorden die we bezigen zo mooi als de tulsîblaadjes van Uw genade. (50) Het schonk ons zo enorm veel voldoening deze eeuwige gedaante die U manifesteerde te zien, o alom geprezen Heer. Laten we daarom U onze eerbetuigingen brengen, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de Heer die door spirituele personen als wij kan worden herkend maar niet door personen die niet spiritueel zijn.

 

next                      

 
Derde herziene editie, geladen 26 januari 2017.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Maitreya zei: 'Diti was er bang voor dat ze door de macht van [het zaad van] de grote Prajâpati een eeuw lang de macht van anderen zou vernietigen en ze de godsbewuste mensen ellende zou bezorgen.
Maitreya zei: 'Diti begreep dat door het krachtige zaad van de grote Prajâpati, anderen die de leiding hadden in moeilijkheden zouden verkeren en dus droeg ze het in twijfel over hoe het een eeuw lang zijn effect zou hebben op de goddelijken. (Vedabase)

Tekst 2

De wereld was door die dreiging verstoken van licht en dus raadpleegden de plaatselijke autoriteiten die hun greep zagen verslappen de schepper van het universum [Heer Brahmâ] omtrent de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde.

De wereld was erdoor verstoken van licht en de verscheidene lokale vormen van goddelijkheid die hun macht verminderd zagen, keerden zich tot God [Brahmâ] zich afvragend waar de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde vandaan kwam.  (Vedabase)


Tekst 3

De halfgoden zeiden: 'U, o machtige, moet op de hoogte zijn van deze duisternis waar we zo heel erg bang voor zijn. Uw goddelijkheid is vrij van de invloed van de tijd en dus is er niets wat voor u verborgen is.

De godsbewusten zeiden: 'Door deze duisternis waar u weet van hebt, o machtige, zijn we erg bang omdat we niet ongemanifesteerd zijn zoals u dat bent; uw allerhoogste goddelijke weg is vrij van de invloed der tijd. (Vedabase)

 

Tekst 4

O god van de goden die het universum in stand houdt, u als het kroonjuweel van al de bewakers van de geestelijke en materiële werelden bent op de hoogte van de beweegredenen van alle levende wezens.

O god der goden, die het universum onderhoudt, u als kroonjuweel van de geestelijke en materiële werelden van alle lokale goddelijkheid, bent op de hoogte van de bedoelingen van alle levende wezens. (Vedabase)

  

Tekst 5

Wij brengen u wiens kracht in de wijsheid schuilt onze eerbetuigingen. Met het verworven hebben van dit lichaam van de uitwendige energie en in aanvaarding van uw bijzondere aard [van de hartstocht] betonen wij u, o ongeziene bron, ons respect.

Al ons respect voor u, o oorspronkelijke bron van kracht en objectieve kennis. Op het verwerven van dit lichaam van uitwendige energie en met het aanvaarden van de differentiatie van uw geaardheid der hartstocht, bieden we u onze eerbetuigingen daar u de oorspronkelijke ongemanifesteerde bron bent. (Vedabase)


Tekst 6

Zij die onwankelbaar zijn in hun toewijding mediteren op u die de oorsprong bent van alle schepselen, de bovenzinnelijke oorzaak van het ware en onware en het zelf waarin alle werelden met elkaar verbonden zijn.

Zij die van een niet aflatende toewijding zijn mediteren op u als de oorsprong aller schepselen; al de werelden zijn verbonden door uw zelf welk de allerhoogste veroorzaker is die tot oorzaak en gevolg leidt. (Vedabase)


Tekst 7

Zielen die gerijpt zijn in de praktijk van de yoga en uw genade bereikten met het beheersen van hun zinnen en geest middels hun ademhaling, zullen nimmer door wat dan ook verslagen worden.

Voor hen die gerijpt zijn in de praktijk der yoga en uw genade bereikten in het beheersen van de zinnen en de geest middels de ademhaling, is er van geen enkele kant een nederlaag. (Vedabase)


Tekst 8

Hem door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier met een touw wordt geleid, hem onder wiens gezag de offers worden gebracht, hem die allerbelangrijkste persoon, u, bieden we onze eerbetuigingen aan.

Hij door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier door het touw, hij wiens kracht van beheersing niet ongedaan kan worden gemaakt, aan hem die allerbelangrijkste, aan u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (Vedabase)

 

Tekst 9

Vanwege deze duisternis komen we niet meer toe aan onze voorgeschreven plichten. We vragen u om ten gunste van ons op te treden, o grote Heer, gun ons, overgegeven zielen, de weldaad van uw genadige blik.

Hem, u, verzoeken wij te handelen tot ons goede geluk, o grote Heer, daar door de duisternis al onze voorgeschreven taken oponthoud ondervinden. Door de weldadige genade van uw blik, zijn wij, die zich hebben overgegeven, in staat om te zien. (Vedabase)


Tekst 10

O god, dit zaad dat Kas'yapa uitstortte in de schoot van Diti, veroorzaakt een algehele duisternis in alle richtingen zoals een vuur beladen met te veel brandhout.'

O god, dit zaad van Kas'yapa uitgestort in de baarmoeder van Diti, is oorzaak van een complete verduistering in alle richtingen zoals een vuur dat is overladen met brandstof. (Vedabase)

 

Tekst 11

Maitreya zei: 'O machtig gearmde, hij, de zelfgeborene die in de gebeden werd aangesproken als de Allerhoogste Heer, stelde glimlachend de halfgoden tevreden door ze in aangename bewoordingen antwoord te geven.

Maitreya zei: 'Glimlachend gaf hij, de zelf-geborene, o machtig gearmde, die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de goddelijken antwoord hen tevredenstellend in zoete bewoordingen. (Vedabase)

 

Tekst 12

Brahmâ zei: 'Zij die vóór uw tijd uit mijn geest hun geboorte namen en door Sanaka worden aangevoerd [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], reisden zonder verlangens te koesteren heen en weer tussen de bewoners van de geestelijke en materiële werelden.

Brahmâ zei: 'Met Sanaka voorop werden zij [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], vóór uw tijd, uit mijn geest geboren en reisden ze zonder enig verlangen rond langs de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (Vedabase)

  

Tekst 13

Op een dag gingen zij die vrij zijn van alle materiële besmetting Vaikunthha binnen, het eeuwige verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu, een bereik waarvoor men bidt in al de werelden.

Op een dag gingen zij, vrij van alle materiële besmetting, Vaikunthha binnen, het hemelse verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu; een bereik aanbeden in alle werelden. (Vedabase)

 

Tekst 14

Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en houden er geen verlangens op na vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid.

Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en leven zonder verlangens vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid. (Vedabase)

 

Tekst 15

De Heer van het Fortuin, de oorspronkelijke persoon die men verstaat middels de geschriften, houdt zich daar op als de verpersoonlijking van de religieuze beginselen om tot het grote geluk van ons die bij Hem horen, in Zijn goedheid onze zuiverheid te aanvaarden.

Aldaar is de oorspronkelijke persoon de Opperheer Zelve die middels de geschriften wordt begrepen in het aanvaarden, in de geaardheid goedheid, van het onbesmette van Zijn eigen metgezellen, hetgeen ons geluk doet toenemen over de personificatie der religieuze beginselen. (Vedabase)


Tekst 16

Aldaar, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen ter bevordering van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met [wens]bomen die gedurende alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten.

Te Vaikunthha, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen in naam van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met bomen die in alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (Vedabase)

 

Tekst 17

Met hun vrouwen in paleizen wonend, bezingen de toegewijden daar vrij van alle ongunstige kwaliteiten, onophoudelijk de Allerhoogste Heer, waarbij ze zelfs kritisch zijn over de door de wind meegevoerde geestverruimende geur van de mâdhavîbloemen die vol nectar bloeien in het water.

Hoog verheven bezingen ze daar samen met hun echtgenotes zonder ophouden, vrij van alle ongunstige kwaliteiten, de Allerhoogste Heer, daarbij zelfs de geestverruimende geur van de mâdhavî-bloemen vol van nectar overtreffend die temidden van het water bloeien. (Vedabase)

 

Tekst 18

Als de koning van de hommels luid de heerlijkheid van de Heer bezingt komt er even een einde aan het tumult van de duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen.

Het tumult van duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's, en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen wordt slechts voor een enkel moment onderbroken door het luide gegons van de koning der hommels in zijn bezingen van de heerlijkheden van de Heer. (Vedabase)


Tekst 19

De geurige mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâta zijn het er allemaal over eens dat de tulsîplant [de basilicumplant waarmee de Heer zich opsiert en] die in de vorm van een slinger [door Hem] wordt geëerd vanwege haar geur, het meest van hen allen recht doet aan de goede geest van de boete daar.

De geur van de mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâtâ, vereerd in de goede geest van de verzaking van Vaikunthha, vindt er zijn volle glorie in een slinger van tulsî-blaadjes. (Vedabase)


Tekst 20

Door eenvoudig van eerbetoon te zijn voor de voeten van de Heer, verdienden de toegewijden de paleizen die er overal staan, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij geven ze, spiritueel verzonken in Krishna, nooit enige aanleiding tot lustmatigheid.

Eenvoudig door eerbetoon aan de Heer Zijn voeten realiseerden de toegewijden paleizen, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun geesten verzonken in Krishna geeft dit geen aanleiding tot enige lust met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij. (Vedabase)


Tekst 21

In dat huis van de Heer wordt [soms], weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk waargenomen die vrij is van alle fouten. Ze neemt dan een prachtige gedaante aan met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem. Die genade van haar is iets ter wille waarvan de andere dames zich met de grootste inspanning manifesteren als ware poetsvrouwen.

In dat huis van de Heer wordt somtijds, weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk vrij van alle fouten waargenomen, een prachtige gedaante aannemend met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem; [een visie] waarvoor de andere dames, teneinde haar genade te verwerven, zich vertonen als poetsvrouwen van de grootste zorg. (Vedabase)

 

Tekst 22

Omringd door hun dienaressen in hun tuinen op de met koraal omlijste oevers van de vijvers vol met kristalhelder, heerlijk water, offeren ze tulsîblaadjes aan de Heer. Daarbij stellen ze zich voor hoe met de aanblik van de mooie haarlokken van de godin gereflecteerd in het water, haar gezicht gekust wordt door de Heer.

In de vijvers omlijst met koraal offeren ze, in hun tuinen omringd door hun dienaressen, de Heer tulsîblaadjes, daarbij hun gezichten, gezien in het kristalheldere water met de tilaka [heilige klei] hoog op hun neus, aldus gekust door de Heer beschouwend als een deel van Zijn schoonheid. (Vedabase)

 

Tekst 23

Hoe onfortuinlijk zijn zij die nimmer deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde bereiken, maar liever vernemen over onderwerpen vervat in slechte bewoordingen die je intelligentie doden. Helaas belanden dergelijke personen die ver verwijderd zijn van de waarden van het leven, verstoken van alle toevlucht in de diepste duisternis.

Helaas, hoe onfortuinlijk zijn diegenen die zich nooit op de hoogte stellen van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die de intelligentie doden. Dergelijke personen, ver van de waarden van het leven, zijn, verstoken van alle toevlucht, teneer geworpen in de duisternis. (Vedabase)


Tekst 24

Zij die de menselijke vorm van leven bereikten,  kennis verkregen over het Absolute en van de juiste gedragswijze [dharma] zijn zoals wij [Heer Brahmâ en de halfgoden] het wensen, maar niet de Allerhoogste Heer gunstig weten te stemmen, zijn helaas verbijsterd door Zijn alomtegenwoordige, begoochelende energie.

Zij, en ook wij, die het zo verlangden, bereikten de menselijke vorm van leven en kennis van wat het Absolute inhoudt dank zij de juiste gedragswijze [dharma]. Waar men niet in een dergelijk respect verkeert voor de Allerhoogste Heer, is men helaas bezig in de verbijstering van Zijn alles doordringende illusieverwekkende energie. (Vedabase)

 

Tekst 25

[Maar] tredend in het voetspoor van [mij,] de leider van de halfgoden, zullen ze naar Vaikunthha gaan, het bereik dat zich boven dat van mij bevindt, zij die, aangetrokken tot elkaar in besprekingen over de Heer zijn begeerlijke, superieure kwaliteiten en heerlijkheden, extase ondervinden, tranen in hun ogen hebben en de rillingen over hun lijf voelen lopen, en aldus Yamarâja [de heer van de dood] op een afstand houden.

Hoewel men in gezelschap [te Vaikunthha] afziet van strikte soberheid en het volgen in de voetsporen van de belangrijke wijzen, verlangt men er daar zeker naar om, meer dan over ons, van Zijn metgezellen te vernemen over de goede kwaliteiten, waarbij, onder elkaar de heerlijkheden besprekend, ze in de vervoering van de aantrekking de tranen in hun ogen krijgen en de rillingen over hun lijf.' (Vedabase)


Tekst 26

[Brahmâ vervolgde:] 'Toen de wijzen [met Sanaka voorop] bij machte van hun spiritueel vermogen Vaikunthha bereikten, ervoeren ze een bovenzinnelijk geluk dat ze nog nooit eerder hadden ervaren. Het was de plaats, stralend met de paleizen van de meest verdienstelijke en geleerde toegewijden, waar de leraar van het universum heerst die het voorwerp van aanbidding is in alle werelden.

Toen de wijzen [met Sanaka voorop] die plaats bereikten bij de kracht van hun spiritueel vermogen, kwamen ze tot een onvergelijkelijk, allerhoogst geluk toen ze de verlichting zagen van het hoog verhevene van de besten der toegewijden en het vooropgaan van de Leraar van het Universum die van de hele wereld de enige is die de aanbidding waard is. (Vedabase)

 

Tekst 27

Nadat ze aldaar zes poorten waren gepasseerd zonder er veel belang aan te hechten, vonden ze bij de zevende poort twee halfgoden op hun weg van gelijke leeftijd die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij.

Na het daar passeren van zes poorten zonder zich bijzonder aangetrokken te voelen, troffen ze bij de zevende poort toen twee poortwachters van gelijke leeftijd aan die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (Vedabase)

 

Tekst 28

Om hun nek hadden ze, tussen hun vier blauwe armen, een slinger van woudbloemen met daaromheen bedwelmde bijen. Maar om zich heenkijkend met opgetrokken wenkbrauwen, een onrustige adem en rood doorlopen ogen, zagen ze er enigszins opgewonden uit.

Er waren bedwelmde bijen rond de slingers van verse bloemen die tussen hun armen om hun nekken hingen, en met hun opgetrokken wenkbrauwen, opengesperde neusvleugels en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit. (Vedabase)


Tekst 29

Hen beide bij de poort zien staand, passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder op of om te kijken de gouden en diamanten deuren. Zij waren immers de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld.

Hen beide bij de poort zien staand passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder te vragen met een open geest de gouden en diamanten deuren; ze waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (Vedabase)

 

Tekst 30

Toen ze hen zagen, vier naakte, oudere jongens die de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze niet ouder dan vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters in weerwil van de glorie en de etiquette, ze met een houding die de Heer onwelgevallig is onterecht tegen met hun staf.

Hen ziende, vier naakte jongens die al ouder waren en de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze maar vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters hen tegen met hun staf, met minachting voor de glorie en de etiquette in een weerbarstige houding jegens de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 31

Op het moment dat ze werden geplaatst voor de onbeduidende belemmering van de twee poortwachters die hen, ondanks dat ze de meest geschikten waren van de Heer, weigerden voor ogen van de bewoners van Vaikunthhakleurden hun ogen, in hun verlangen hun meest geliefde persoon te ontmoeten, plots rood van woede ['het jongere broertje van de lust'].

Toen voor ogen van de inwoners van Vaikunthha ze door de twee werden geweigerd, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, werden hun ogen, op de geringe hindernis die de poortwachters vormden plots rood van woede in hun volijver hun meest geliefde te zien. (Vedabase)


Tekst 32

De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee, dat je door je deugdzame daden in het verleden het hier schopten tot de dienst van de Opperheer? Welke toegewijde die zonder angst en vijandschap in Hem verkeert, kan nu zo vals bezig zijn als jullie? Wie houdt er nu zo'n bedrieglijke mentaliteit als jullie op na die het vertrouwen beschaamt?

De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die door je deugdzame daden in het verleden het schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook, die niet in overeenstemming met de mentaliteit van de toegewijden - die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap -, is in staat om, zoals jullie twee dat doen, er een dergelijke dubbelhartigheid op na te houden die het vertrouwen niet waard is? (Vedabase)

 

Tekst 33

Niemand hier is een vreemde voor de Allerhoogste Persoonlijkheid die een ieder in Zijn buik heeft. Het levende wezen heeft zijn plaats in de Superziel zoals het kleine beetje lucht dat men in zijn longen heeft deel uitmaakt van de lucht erbuiten. Je vraagt je als een nuchtere ziel af hoe, met de twee van jullie voor ogen die zijn uitgedost als bewoners van Vaikunthha, die eruitzien als ontwaakte zielen die onderscheid maken tussen lichaam en ziel, er nu zo'n angst vanwege Hem kan bestaan?

Zoals er harmonie is tussen het beetje lucht dat men vasthoudt en de lucht buiten het lichaam, is er van de ziel de harmonie gevat in de relatie van de Hoogste Persoonlijkheid met de levende wezens. Hoe kunnen zij die geleerd hebben jullie twee in de kleding van Vaikunthha beschouwen als zijnde ontwaakt en als het hebben ontwikkeld van een zeker onderscheid naar lichaam en ziel? Vanwaar, bij God, deze bevreesdheid? (Vedabase)


Tekst 34

Daarom zijn we van mening dat, met het oog op het afroepen van de genade van de Heer van Vaikunthha, de gepaste maatregel voor jullie antipathieke geesten die de dingen tegengesteld zien, eruit bestaat dat jullie beiden van hier vertrekken naar de materiële wereld van tegenstellingen waar je deze drievoudige zonde vindt die de vijand van het levende wezen is [lust, woede en begeerte, zie B.G. 16: 21].'

Laat ons daarom in overweging nemen hoe, terwille van het afroepen van het voordeel van de genade van de Heer van Vaikunthha, we deze antipatieke overtreding moeten afhandelen. Mogen, vanwege het in de dualiteit trekken van de zaken, jullie van hieruit naar de materiële wereld vertrekken, alwaar men leeft met de drievoudige zonde die de vijand is [het verlangen, de lust en de woede].' (Vedabase)


Tekst 35

De twee [poortwachters] die begrepen dat er een verschrikkelijke brahmaanse vloek over hen was uitgesproken, een vloek die met geen wapen kan worden tegengegaan, vielen terstond bevangen door vrees voor de toegewijden van de Heer ter aarde om in grote angst hun voeten vast te grijpen:

De twee begrepen hoe verschrikkelijk het was wat er was gezegd en werden bang van de toegewijden, daar de vloek van een brahmaan niet kan worden tegengegaan. Meteen wierpen ze zich in grote angst ter aarde en grepen ze naar hun voeten: (Vedabase)


Tekst 36

'Het zij zo dat u ons vanwege onze zonden heeft bestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u moet worden bestreden. Maar we bidden dat we, met een beetje van uw onbegrensd mededogen voor ons berouw, als we afdalen in de materiële wereld niet in staat van illusie de herinnering zullen verliezen aan de Allerhoogste Heer.'

'Het mag zo zijn dat u ons vanwege onze zonden heeft gestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u, moet worden teniet gedaan. Maar we bidden dat met de tijd, door uw mededogen en door ons berouw, we niet zullen lijden onder de illusie van het vergeten van de Allerhoogste Heer, als we meer en meer moeten afdalen tot het nivo van de gewone sterveling.' (Vedabase)

 

Tekst 37

Datzelfde moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de overtreding jegens de rechtschapen wijzen. Hij kwam toen tot hun grote vreugde daar naar toe, begeleid door Zijn geluksgodin, lopend op dezelfde voeten die worden aanbeden door de kluizenaars en wijzen.

Op dat moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de belediging jegens de rechtgeaarde wijzen en begaf Hij zich, begeleid door Zijn geluksgodin, in die richting met dezelfde voeten als aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (Vedabase)

 

Tekst 38

Toen ze Hem samen met al Zijn toegewijden en toebehoren op hen af zagen komen, raakten de wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien voor zich zagen, in extase over de aanblik van de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] die als fraaie zwanen een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan.

Hem op zich af zien komend met alle toebehoren en Zijn toegewijden, vervielen de grote wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien zagen, in extase, ziende hoe als prachtige zwanen, de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (Vedabase)

 

Tekst 39

Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich uitbreidend in hun harten. Met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk tentoon als het hoogtepunt van de geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel.

Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend; met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk ten toon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (Vedabase)

 

Tekst 40

Gehuld in het geel had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn slinger van woudbloemen. Om Zijn polsen had Hij fraaie armbanden en terwijl één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda], wuifde Hij een lotusbloem met een andere.

Gekleed in gele stof had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn bloemenslinger.. Om zijn polsen had Hij fraaie armbanden en één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] terwijl een andere wuifde met een lotusbloem. (Vedabase)

 

Tekst 41

Helderder stralend dan de bliksem completeerde de versiering van Zijn krokodilvormige oorhangers de kaken en rechte neus van Zijn voorkomen. Hij droeg een met juwelen versierde kroon, had een bekoorlijk, hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubhajuweel sierde Zijn hals.

De bliksem overtreffend completeerde de versiering van Zijn krokodil-vormige oorhangers Zijn voorkomen gekend met Zijn kaken en rechte neus, een met juwelen versierde kroon, een bekoorlijk hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubha-juweel dat Zijn hals opsierde. (Vedabase)

 

Tekst 42

Met Zijn prachtige uitdossing bemediteerd door zijn volledig aandachtige toegewijden, stelde Hij de glimlachen van de Godin van de Schoonheid in de schaduw. Van de aanblik van de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva alsook voor jullie allen, konden de wijzen niet genoeg krijgen en daarvoor bogen ze vol van vreugde hun hoofden.

Aldaar stelde Hij de glimlachen van de Godin der Schoonheid in de schaduw ter wille van de intelligentie van Zijn eigen mediterende toegewijden; de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva als ook voor jullie allen, gezien door de wijzen, kon hun ogen niet genoeg bevredigen en deed hen vreugdevol neerbuigen. (Vedabase)

 

Tekst 43

Toen de bries, met het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten van de Heer met de Lotusogen, hun neusgaten binnendrong, ondergingen ze een innerlijke transformatie, ondanks het feit dat ze in lichaam en geest [de onpersoonlijke realisatie van] Brahman waren toegewijd.

Toen de bries die het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten hun neusgaten binnendrong, sloeg hun opwinding om, ondanks dat ze zowel in lichaam als geest gehecht waren aan het onpersoonlijke. (Vedabase)

 

Tekst 44

Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze ook de nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Aldus hun levensdoel bereikt hebbend keken ze vervolgens weer naar beneden naar de robijnrode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun toevlucht.

Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze de zelfs nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Zo hun levensdoel bereikt hebbend keken ze wederom naar beneden naar de robijn-rode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun Toevlucht. (Vedabase)

  

Tekst 45

Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken langs de wegen van de yoga, is Hij het voorwerp van meditatie op prijs gesteld door velen. Met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante de ogen behagend wordt Hij, eeuwig aanwezig, geprezen te zijn toegerust met de perfectie van de acht verworvenheden, een perfectie die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva: controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].'

Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken met de wegen van de yoga is Hij het voorwerp van meditatie goedgekeurd door de groten; met de bevrediging die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante, eeuwig aanwezig als Hij die Verbindt, wordt Hij geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva, controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles]. (Vedabase)


Tekst 46

De Kumâra's zeiden: 'Ook al bevindt U zich in het hart, toch bent U niet zichtbaar voor hen die zich ver van de ziel verwijderd hebben. Vandaag, o Onbegrensde, zien we U van aangezicht tot aangezicht, U die ons innerlijk wezen via onze oren bereikte toen we van onze vader [Brahmâ] de beschrijving hoorden van de mysteriën van Uw verschijnen.

De Kumâra's zeiden: 'Hij die zich in het hart bevindt is niettemin niet zichtbaar voor hen die ver van de ziel staan. U, die Hem voorzeker van aangezicht tot aangezicht bent vandaag, o Onbegrensde, kan worden bereikt als men, alleen al via de oren, reikt tot de beschrijving door onze vader [Brahmâ] van het geheim van de mysteriën beschreven door Uw verschijning. (Vedabase)


Tekst 47

U, o Allerhoogste Heer, die met Uw persoonlijkheid bestaande uit zuivere goedheid allen in verrukking brengt [die zijn zoals wij], kennen we nu als de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel. Deze werkelijkheid kan men, overeenkomstig het begrip van de wijzen die niet geïnteresseerd zijn in een materieel leven, bij Uw genade doorgronden in standvastige toegewijde dienst met een hart vrij van gehechtheden.

Hem, U, kennen we, o Opperheer, als de hoogste werkelijkheid van de ziel die van zuivere goedheid is. Nu kan U door ons wijzen worden begrepen als de genade en liefde van God die alles en iedereen gestalte geeft die standvastig is in de eenheid van de toewijding, vrij is van gebondenheid in het hart en geen belangs stelt in een materieel leven. (Vedabase)


Tekst 48

Zij [die deze praktijk volgen] bekommeren zich zelfs niet om de zegeningen van Uw onvergankelijke zaligheid [kaivalya, de verlichting] of om welk ander ondergeschikt geluk dan ook waarmee zij het fronsen van Uw wenkbrauwen te vrezen hebben. Zij, o Allerhoogste, nemen hun toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over Uw zuivere heerlijkheden die het zo waard zijn om door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [de emotionele relaties die men met U kan hebben] bezongen te worden.

Zelfs om werelds succes of wat voor materieel geluk dan ook bekommert men zich niet [onder Uw invloed]; bevreesd voor het heffen van Uw wenkbrauwen nemen wij als toegewijden, O Allerhoogste, onze toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over U waarvan de zuivere heerlijkheden het waard zijn bezongen te worden door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [individuele relaties met Hem]. (Vedabase)

 

Tekst 49

Door de valsheid van de levens die we begeerden kunnen we van een lage geboorte zijn en geesten hebben die zo druk zijn als bijen, maar als we betrokken worden bij de toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten en onze oren zich vullen met Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, worden de woorden die we bezigen zo mooi als de tulsîblaadjes van Uw genade.
Zoals we dat door onze zonden hebben verdiend mogen we van lage geboorten zijn en geesten hebben die druk zijn als zoemende bijen; als we betrokken mogen zijn op Uw lotusvoeten en onze woorden mogen hebben als de tulsîblaadjes van Uw genade, zullen ze de schoonheid vinden met het vullen van onze oren met Uw transcendentale kwaliteiten. (Vedabase)


Tekst 50

Het schonk ons zo enorm veel voldoening deze eeuwige gedaante die U manifesteerde te zien, o alom geprezen Heer. Laten we daarom U onze eerbetuigingen brengen, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de Heer die door spirituele personen als wij kan worden herkend maar niet door personen die niet spiritueel zijn.

Door deze eeuwige gedaante van U die U manifesteerde, o Hoogst Aanbedene, o Heer, raakten we zo voldaan in onze visie van U als de Allerhoogste Heer. Laat ons daarom U alleen onze eerbetuigingen brengen; U die door hen die vervreemd zijn niet kan worden gezien als de Allerhoogste Heer zoals wij U gezien hebben. (Vedabase)


 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

De op fair-use gebaseerde afbeelding getiteld "Gate to Vaikunthha"
is een collage door Anand Aadhar van twee afbeeldingen.
De ene is een
touristisch kiekje van een indiase tempelingang met Jaya en Vijaya als de bewakers;
de tweede is een Hubble telescoopfoto van de
Tarantula Nebula.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties