
Canto
3
Hoofdstuk 15: Beschrijving van het Koninkrijk Gods
(1) Maitreya zei: 'Diti begreep dat door het krachtige zaad van de grote Prajâpati, anderen die de leiding hadden in moeilijkheden zouden verkeren en dus droeg ze het in twijfel over hoe het een eeuw lang zijn effect zou hebben op de goddelijken. (2) De wereld was erdoor verstoken van licht en de verscheidene lokale vormen van goddelijkheid die hun macht verminderd zagen, keerden zich tot God [Brahmâ] zich afvragend waar de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde vandaan kwam. (3) De godsbewusten zeiden: 'Door deze duisternis waar u weet van hebt, o machtige, zijn we erg bang omdat we niet ongemanifesteerd zijn zoals u dat bent; uw allerhoogste goddelijke weg is vrij van de invloed der tijd. (4) O god der goden, die het universum onderhoudt, u als kroonjuweel van de geestelijke en materiële werelden van alle lokale goddelijkheid, bent op de hoogte van de bedoelingen van alle levende wezens. (5) Al ons respect voor u, o oorspronkelijke bron van kracht en objectieve kennis. Op het verwerven van dit lichaam van uitwendige energie en met het aanvaarden van de differentiatie van uw geaardheid der hartstocht, bieden we u onze eerbetuigingen daar u de oorspronkelijke ongemanifesteerde bron bent. (6) Zij die van een niet aflatende toewijding zijn mediteren op u als de oorsprong aller schepselen; al de werelden zijn verbonden door uw zelf welk de allerhoogste veroorzaker is die tot oorzaak en gevolg leidt. (7) Voor hen die gerijpt zijn in de praktijk der yoga en uw genade bereikten in het beheersen van de zinnen en de geest middels de ademhaling, is er van geen enkele kant een nederlaag. (8) Hij door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier door het touw, hij wiens kracht van beheersing niet ongedaan kan worden gemaakt, aan hem die allerbelangrijkste, aan u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Hem, u, verzoeken wij te handelen tot ons goede geluk, o grote Heer, daar door de duisternis al onze voorgeschreven taken oponthoud ondervinden. Door de weldadige genade van uw blik, zijn wij, die zich hebben overgegeven, in staat om te zien. (10) O god, dit zaad van Kas'yapa uitgestort in de baarmoeder van Diti, is oorzaak van een complete verduistering in alle richtingen zoals een vuur dat is overladen met brandstof.
(11) Maitreya zei: 'Glimlachend gaf hij, de zelf-geborene, o machtig gearmde, die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de goddelijken antwoord hen tevredenstellend in zoete bewoordingen. (12) Brahmâ zei: 'Met Sanaka voorop werden zij [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], vóór uw tijd, uit mijn geest geboren en reisden ze zonder enig verlangen rond langs de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij, vrij van alle materiële besmetting, Vaikunthha binnen, het hemelse verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu; een bereik aanbeden in alle werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en leven zonder verlangens vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid. (15) Aldaar is de oorspronkelijke persoon de Opperheer Zelve die middels de geschriften wordt begrepen in het aanvaarden, in de geaardheid goedheid, van het onbesmette van Zijn eigen metgezellen, hetgeen ons geluk doet toenemen over de personificatie der religieuze beginselen. (16) Te Vaikunthha, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen in naam van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met bomen die in alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Hoog verheven bezingen ze daar samen met hun echtgenotes zonder ophouden, vrij van alle ongunstige kwaliteiten, de Allerhoogste Heer, daarbij zelfs de geestverruimende geur van de mâdhavî-bloemen vol van nectar overtreffend die temidden van het water bloeien. (18) Het tumult van duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's, en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen wordt slechts voor een enkel moment onderbroken door het luide gegons van de koning der hommels in zijn bezingen van de heerlijkheden van de Heer. (19) De geur van de mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâtâ, vereerd in de goede geest van de verzaking van Vaikunthha, vindt er zijn volle glorie in een slinger van tulsî-blaadjes. (20) Eenvoudig door eerbetoon aan de Heer Zijn voeten realiseerden de toegewijden paleizen, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun geesten verzonken in Krishna geeft dit geen aanleiding tot enige lust met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij. (21) In dat huis van de Heer wordt somtijds, weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk vrij van alle fouten waargenomen, een prachtige gedaante aannemend met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem; [een visie] waarvoor de andere dames, teneinde haar genade te verwerven, zich vertonen als poetsvrouwen van de grootste zorg. (22) In de vijvers omlijst met koraal offeren ze, in hun tuinen omringd door hun dienaressen, de Heer tulsîblaadjes, daarbij hun gezichten, gezien in het kristalheldere water met de tilaka [heilige klei] hoog op hun neus, aldus gekust door de Heer beschouwend als een deel van Zijn schoonheid. (23) Helaas, hoe onfortuinlijk zijn diegenen die zich nooit op de hoogte stellen van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die de intelligentie doden. Dergelijke personen, ver van de waarden van het leven, zijn, verstoken van alle toevlucht, teneer geworpen in de duisternis. (24) Zij, en ook wij, die het zo verlangden, bereikten de menselijke vorm van leven en kennis van wat het Absolute inhoudt dank zij de juiste gedragswijze [dharma]. Waar men niet in een dergelijk respect verkeert voor de Allerhoogste Heer, is men helaas bezig in de verbijstering van Zijn alles doordringende illusieverwekkende energie. (25) Hoewel men in gezelschap [te Vaikunthha] afziet van strikte soberheid en het volgen in de voetsporen van de belangrijke wijzen, verlangt men er daar zeker naar om, meer dan over ons, van Zijn metgezellen te vernemen over de goede kwaliteiten, waarbij, onder elkaar de heerlijkheden besprekend, ze in de vervoering van de aantrekking de tranen in hun ogen krijgen en de rillingen over hun lijf.'
(26) Toen de wijzen [met Sanaka voorop] die plaats bereikten bij de kracht van hun spiritueel vermogen, kwamen ze tot een onvergelijkelijk, allerhoogst geluk toen ze de verlichting zagen van het hoog verhevene van de besten der toegewijden en het vooropgaan van de Leraar van het Universum die van de hele wereld de enige is die de aanbidding waard is. (27) Na het daar passeren van zes poorten zonder zich bijzonder aangetrokken te voelen, troffen ze bij de zevende poort toen twee poortwachters van gelijke leeftijd aan die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Er waren bedwelmde bijen rond de slingers van verse bloemen die tussen hun armen om hun nekken hingen, en met hun opgetrokken wenkbrauwen, opengesperde neusvleugels en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder te vragen met een open geest de gouden en diamanten deuren; ze waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Hen ziende, vier naakte jongens die al ouder waren en de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze maar vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters hen tegen met hun staf, met minachting voor de glorie en de etiquette in een weerbarstige houding jegens de Heer. (31) Toen voor ogen van de inwoners van Vaikunthha ze door de twee werden geweigerd, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, werden hun ogen, op de geringe hindernis die de poortwachters vormden plots rood van woede in hun volijver hun meest geliefde te zien.
(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die door je deugdzame daden in het verleden het schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook, die niet in overeenstemming met de mentaliteit van de toegewijden - die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap -, is in staat om, zoals jullie twee dat doen, er een dergelijke dubbelhartigheid op na te houden die het vertrouwen niet waard is? (33) Zoals er harmonie is tussen het beetje lucht dat men vasthoudt en de lucht buiten het lichaam, is er van de ziel de harmonie gevat in de relatie van de Hoogste Persoonlijkheid met de levende wezens. Hoe kunnen zij die geleerd hebben jullie twee in de kleding van Vaikunthha beschouwen als zijnde ontwaakt en als het hebben ontwikkeld van een zeker onderscheid naar lichaam en ziel? Vanwaar, bij God, deze bevreesdheid? (34) Laat ons daarom in overweging nemen hoe, terwille van het afroepen van het voordeel van de genade van de Heer van Vaikunthha, we deze antipatieke overtreding moeten afhandelen. Mogen, vanwege het in de dualiteit trekken van de zaken, jullie van hieruit naar de materiële wereld vertrekken, alwaar men leeft met de drievoudige zonde die de vijand is [het verlangen, de lust en de woede].'
(35) De twee begrepen hoe verschrikkelijk het was wat er was gezegd en werden bang van de toegewijden, daar de vloek van een brahmaan niet kan worden tegengegaan. Meteen wierpen ze zich in grote angst ter aarde en grepen ze naar hun voeten: (36) 'Het mag zo zijn dat u ons vanwege onze zonden heeft gestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u, moet worden teniet gedaan. Maar we bidden dat met de tijd, door uw mededogen en door ons berouw, we niet zullen lijden onder de illusie van het vergeten van de Allerhoogste Heer, als we meer en meer moeten afdalen tot het nivo van de gewone sterveling.'
(37) Op dat moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de belediging jegens de rechtgeaarde wijzen en begaf Hij zich, begeleid door Zijn geluksgodin, in die richting met dezelfde voeten als aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Hem op zich af zien komend met alle toebehoren en Zijn toegewijden, vervielen de grote wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien zagen, in extase, ziende hoe als prachtige zwanen, de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend; met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk ten toon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gekleed in gele stof had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn bloemenslinger.. Om zijn polsen had Hij fraaie armbanden en één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] terwijl een andere wuifde met een lotusbloem. (41) De bliksem overtreffend completeerde de versiering van Zijn krokodil-vormige oorhangers Zijn voorkomen gekend met Zijn kaken en rechte neus, een met juwelen versierde kroon, een bekoorlijk hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubha-juweel dat Zijn hals opsierde. (42) Aldaar stelde Hij de glimlachen van de Godin der Schoonheid in de schaduw ter wille van de intelligentie van Zijn eigen mediterende toegewijden; de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva als ook voor jullie allen, gezien door de wijzen, kon hun ogen niet genoeg bevredigen en deed hen vreugdevol neerbuigen. (43) Toen de bries die het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten hun neusgaten binnendrong, sloeg hun opwinding om, ondanks dat ze zowel in lichaam als geest gehecht waren aan het onpersoonlijke. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze de zelfs nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Zo hun levensdoel bereikt hebbend keken ze wederom naar beneden naar de robijn-rode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun Toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken met de wegen van de yoga is Hij het voorwerp van meditatie goedgekeurd door de groten; met de bevrediging die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante, eeuwig aanwezig als Hij die Verbindt, wordt Hij geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva, controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].
(46) De Kumâra's zeiden: 'Hij die zich in het hart bevindt is niettemin niet zichtbaar voor hen die ver van de ziel staan. U, die Hem voorzeker van aangezicht tot aangezicht bent vandaag, o Onbegrensde, kan worden bereikt als men, alleen al via de oren, reikt tot de beschrijving door onze vader [Brahmâ] van het geheim van de mysteriën beschreven door Uw verschijning. (47) Hem, U, kennen we, o Opperheer, als de hoogste werkelijkheid van de ziel die van zuivere goedheid is. Nu kan U door ons wijzen worden begrepen als de genade en liefde van God die alles en iedereen gestalte geeft die standvastig is in de eenheid van de toewijding, vrij is van gebondenheid in het hart en geen belangs stelt in een materieel leven. (48) Zelfs om werelds succes of wat voor materieel geluk dan ook bekommert men zich niet [onder Uw invloed]; bevreesd voor het heffen van Uw wenkbrauwen nemen wij als toegewijden, O Allerhoogste, onze toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over U waarvan de zuivere heerlijkheden het waard zijn bezongen te worden door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [individuele relaties met Hem]. (49) Zoals we dat door onze zonden hebben verdiend mogen we van lage geboorten zijn en geesten hebben die druk zijn als zoemende bijen; als we betrokken mogen zijn op Uw lotusvoeten en onze woorden mogen hebben als de tulsîblaadjes van Uw genade, zullen ze de schoonheid vinden met het vullen van onze oren met Uw transcendentale kwaliteiten. (50) Door deze eeuwige gedaante van U die U manifesteerde, o Hoogst Aanbedene, o Heer, raakten we zo voldaan in onze visie van U als de Allerhoogste Heer. Laat ons daarom U alleen onze eerbetuigingen brengen; U die door hen die vervreemd zijn niet kan worden gezien als de Allerhoogste Heer zoals wij U gezien hebben.
Tweede Editie, geladen 18 juni, 2006.
Bronteksten:
Beschrijving van Gods koninkrijk
Maitreya zei: ' Diti begreep dat door het krachtige zaad van de grote Prajâpati, anderen die de leiding hadden in moeilijkheden zouden verkeren en dus droeg ze het in twijfel over hoe het een eeuw lang zijn effect zou hebben op de goddelijken.S'rî Maitreya zei: Mijn beste Vidura, Diti, de vrouw van de wijze Kas'yapa, kon begrijpen dat de zoons in haar schoot de halfgoden zouden verstoren. Daarom droeg ze honderd jaar achtereen het krachtige zaad van Kas'yapa Muni, dat voorbestemd was om anderen ellende te berokkenen. (Vedabase)
De wereld was erdoor verstoken van licht en de verscheidene lokale vormen van goddelijkheid die hun macht verminderd zagen, keerden zich tot God [Brahmâ] zich afvragend waar de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde vandaan kwam.
Door de kracht van Diti's zwangerschap raakte het licht van de zon en de maan op alle planeten verzwakt. De halfgoden van verschillende planeten, die hierdoor verstoord raakten, vroegen de schepper van het heelal, Brahmâ: "Wat heeft dit overal om zich heen grijpende duister te betekenen?" (Vedabase)
De godsbewusten zeiden: 'Door deze duisternis waar u weet van hebt, o machtige, zijn we erg bang omdat we niet ongemanifesteerd zijn zoals u dat bent; uw allerhoogste goddelijke weg is vrij van de invloed der tijd.
De gelukkige halfgoden zeiden: O grote, zie dit duister toch, dat u goed begrijpt, maar dat ons benauwt. Aangezien de tijdsinvloed u niet kan raken, is er niets voor u verborgen. (Vedabase)
O god der goden, die het universum onderhoudt, u als kroonjuweel van de geestelijke en materiële werelden van alle lokale goddelijkheid, bent op de hoogte van de bedoelingen van alle levende wezens.
O god der goden, instandhouder van het universum, kroonjuweel van alle halfgoden op andere planeten, u kent de bedoelingen van alle levende wezens zowel in de geestelijke als in de stoffelijke wereld. (Vedabase)
Al ons respect voor u, o oorspronkelijke bron van kracht en objectieve kennis. Op het verwerven van dit lichaam van uitwendige energie en met het aanvaarden van de differentiatie van uw geaardheid der hartstocht, bieden we u onze eerbetuigingen daar u de oorspronkelijke ongemanifesteerde bron bent.
O oerbron van kracht en wetenschappelijke kennis, alle eer aan u! U hebt de gevarieerde geaardheid hartstocht aangenomen van de Allerhoogste Godspersoon. Met de hulp van de uitwendige energie bent u geboren uit de ongemanifesteerde bron. Alle eer aan u! (Vedabase)
Zij die van een niet aflatende toewijding zijn mediteren op u als de oorsprong aller schepselen; al de werelden zijn verbonden door uw zelf welk de allerhoogste veroorzaker is die tot oorzaak en gevolg leidt.
O heer, al deze planeten bestaan in u en alle levende wezens worden door u verwekt. Daarom bent u de oorzaak van dit universum en komt iedereen die onafgebroken op u mediteert tot toegewijde dienst. (Vedabase)
Voor hen die gerijpt zijn in de praktijk der yoga en uw genade bereikten in het beheersen van de zinnen en de geest middels de ademhaling, is er van geen enkele kant een nederlaag.
Degenen die hun geest en zintuigen beheersen door het reguleren van hun adem en daardoor ervaren, gevorderde mystici zijn, kennen in deze wereld geen nederlaag. Dat komt doordat ze door hun volmaaktheid in yoga uw genade hebben verkregen. (Vedabase)
Hij door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier door het touw, hij wiens kracht van beheersing niet ongedaan kan worden gemaakt, aan hem die allerbelangrijkste, aan u, bieden we onze eerbetuigingen aan.
Alle wezens in het universum worden bestuurd door de aanwijzingen in de Veda's, zoals een stier aan het touw door zijn neus wordt geleid. Niemand kan de regels schenden die in de vedische geschriften zijn vastgelegd. Aan deze belangrijkste persoon, die ons de Veda's geschonken heeft, brengen we eer! (Vedabase)
Hem, u, verzoeken wij te handelen tot ons goede geluk, o grote Heer, daar door de duisternis al onze voorgeschreven taken oponthoud ondervinden. Door de weldadige genade van uw blik, zijn wij, die zich hebben overgegeven, in staat om te zien.
De halfgoden baden tot Brahmâ: Wees ons alstublieft genadig, want we verkeren in een ellendige toestand; door de duisternis hebben we al onze werkzaamheden moeten staken. (Vedabase)
O god, dit zaad van Kas'yapa uitgestort in de baarmoeder van Diti, is oorzaak van een complete verduistering in alle richtingen zoals een vuur dat is overladen met brandstof.
Zoals teveel brandstof een vuur verstikt, heeft het embryo dat door Kas'yapa's zaad in Diti's schoot gebracht is, het hele universum in duisternis gehuld. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Glimlachend gaf hij, de zelf-geborene, o machtig gearmde, die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de goddelijken antwoord hen tevredenstellend in zoete bewoordingen.
S'rî Maitreya zei: Heer Brahmâ, die men kan begrijpen langs de weg van bovenzinnelijke geluidstrilling, was voldaan over de gebeden van de halfgoden en trachtte hen met de volgende uitleg tevreden te stellen. (Vedabase)
Brahmâ zei: 'Met Sanaka voorop werden zij [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], vóór uw tijd, uit mijn geest geboren en reisden ze zonder enig verlangen rond langs de bewoners van de geestelijke en materiële werelden.
Heer Brahmâ zei: Mijn vier zoons Sanaka, Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra, geboren uit mijn geest, waren er eerder dan jullie. Soms reizen ze door de stoffelijke en de geestelijke ruimte, zonder bepaald verlangen. (Vedabase)
Op een dag gingen zij, vrij van alle materiële besmetting, Vaikunthha binnen, het hemelse verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu; een bereik aanbeden in alle werelden.
Toen ze op een keer zo door de universa reisden, gingen ze ook de geestelijke wereld binnen, want ze waren vrij van alle materiële onzuiverheden. In de geestelijke ruimte zijn spirituele planeten, de zogenaamde Vaikunthha's, waar de Allerhoogste Godspersoon en Zijn zuivere toegewijden verblijven, en die aanbeden worden door de bewoners van alle materiële planeten. (Vedabase)
Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en leven zonder verlangens vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid.
Op de Vaikunthha-planeten heeft iedereen dezelfde gedaante als de Allerhoogste Godsperoon. Iedereen is er zonder verlangen naar zinsbevrediging bezig met het toegewijd dienen van de Heer. (Vedabase)
Aldaar is de oorspronkelijke persoon de Opperheer Zelve die middels de geschriften wordt begrepen in het aanvaarden, in de geaardheid goedheid, van het onbesmette van Zijn eigen metgezellen, hetgeen ons geluk doet toenemen over de personificatie der religieuze beginselen.
Op de Vaikunthha-planeten bevindt Zich de Allerhoogste Godsperoon, die het oorspronkelijke wezen is en die men aan de hand van de vedische geschriften kan begrijpen. Hij is vervuld van zuivere goedheid, die geen plaats biedt aan hartstocht en onwetendheid. Hij helpt de toegewijden om vooruitgang te maken op het pad der religie. (Vedabase)
Te Vaikunthha, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen in naam van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met bomen die in alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten.
Op deze Vaikunthha-planeten zijn vele bijzondere bossen. De bomen daar kunnen wensen vervullen, en ze zijn in alle jaargetijden overladen met bloemen en vruchten, omdat alles op de Vaikunthha-planeten geestelijk en persoonlijk is. (Vedabase)
Hoog verheven bezingen ze daar samen met hun echtgenotes zonder ophouden, vrij van alle ongunstige kwaliteiten, de Allerhoogste Heer, daarbij zelfs de geestverruimende geur van de mâdhavî-bloemen vol van nectar overtreffend die temidden van het water bloeien.
De bewoners van de Vaikunthha-planeten gaan in gezelschap van hun vrouwen en metgezellinnen in vliegtuigen rond en zingen eeuwig over het karakter en de daden van de Heer, die vrij is van alles wat niet bevorderlijk is. Zelfs de pracht van de bloeiende mâdhavi's, die één en al geur en vol honing zijn, verbleekt bij hun verheerlijking van de Heer. (Vedabase)
Het tumult van duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's, en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen wordt slechts voor een enkel moment onderbroken door het luide gegons van de koning der hommels in zijn bezingen van de heerlijkheden van de Heer.
Wanneer de koning van de hommels met hoog gegons de heerlijkheid van de Heer bezingt, zwijgen de duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's, zwanen, papegaaien, patrijzen en pauwen even. Deze bovenzinnelijke vogels onderbreken hun eigen gezang alleen omdat ze de roem van de Heer willen horen. (Vedabase)
De geur van de mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâtâ, vereerd in de goede geest van de verzaking van Vaikunthha, vindt er zijn volle glorie in een slinger van tulsî-blaadjes.
Hoewel bloeiende planten als de mandâra, kunda, kurabaka, utpala, campaka, arna, punnâga, nâgakes'ara, bakula, lelie en pârijâtâ er één en al bovenzinnelijke geur zijn, blijven ze zich bewust van de opofferingen die tulasî zich getroost heeft, omdat ze de bijzondere voorkeur van de Heer geniet, die kransen draagt van haar blaadjes. (Vedabase)
Eenvoudig door eerbetoon aan de Heer Zijn voeten realiseerden de toegewijden paleizen, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun geesten verzonken in Krishna geeft dit geen aanleiding tot enige lust met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij.
De bewoners van Vaikunthha reizen rond in hun vliegtuigen van lapis lazuli, smaragd en goud. Hoewel ze omringd zijn door hun metgezellinnen, die volle heupen hebben en mooie lachende gezichten, kunnen ze door hun vrolijkheid en bekoorlijkheid niet tot hartstocht worden gebracht. (Vedabase)
In dat huis van de Heer wordt somtijds, weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk vrij van alle fouten waargenomen, een prachtige gedaante aannemend met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem; [een visie] waarvoor de andere dames, teneinde haar genade te verwerven, zich vertonen als poetsvrouwen van de grootste zorg.
Op de Vaikunthha-planeten zijn de vrouwen even mooi als de geluksgodin zelf. Men ziet soms dat deze bovenzinnelijk mooie dames, die met lotusbloemen spelen en wiens enkelbanden rinkelen, soms stof afnemen van de marmeren wanden, die op gezette afstanden met gouden randen zijn ingelegd, om zo de gunst van de Allerhoogste Godspersoon te verkrijgen. (Vedabase)
In de vijvers omlijst met koraal offeren ze, in hun tuinen omringd door hun dienaressen, de Heer tulsîblaadjes, daarbij hun gezichten, gezien in het kristalheldere water met de tilaka [heilige klei] hoog op hun neus, aldus gekust door de Heer beschouwend als een deel van Zijn schoonheid.
De geluksgodinnen aanbidden de Heer in hun eigen tuinen door Hem op de met koraal geplaveide oevers van transcendentale vijvers tulasî-blaadjes te offeren. Terwijl ze Hem zo eren, zien ze in het water de weerkaatsing van hun schone gelaat met fraai gewelfde neus, en ze lijken mooier geworden omdat de Heer hun gezicht heeft gekust. (Vedabase)
Helaas, hoe onfortuinlijk zijn diegenen die zich nooit op de hoogte stellen van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die de intelligentie doden. Dergelijke personen, ver van de waarden van het leven, zijn, verstoken van alle toevlucht, teneer geworpen in de duisternis.
Het is hoogst betreurenswaardig dat ongelukkige mensen niet spreken over de beschrijving van de Vaikunthha-planeten, maar over zaken die het aanhoren niet waard zijn en het verstand verwarren. Wie niet over Vaikunthha wil praten, maar over de materiële wereld, wordt in het diepste duister der onwetendheid geworpen. (Vedabase)
Zij, en ook wij, die het zo verlangden, bereikten de menselijke vorm van leven en kennis van wat het Absolute inhoudt dank zij de juiste gedragswijze [dharma]. Waar men niet in een dergelijk respect verkeert voor de Allerhoogste Heer, is men helaas bezig in de verbijstering van Zijn alles doordringende illusieverwekkende energie.
Heer Brahmâ zei: Mijn beste halfgoden, de menselijke levensvorm is zo belangrijk, dat ook wij dat leven begeren, want daarin kan men tot volmaakte religieuze waarheid en kennis geraken. Als men in deze menselijke levensvorm de Allerhoogste Godspersoon en Zijn woning niet leert begrijpen, moet men inzien dat men zeer sterk door de uiterlijke natuur beïnvloed is. (Vedabase)
Tekst 25:
Hoewel men in gezelschap [te Vaikunthha] afziet van strikte soberheid en het volgen in de voetsporen van de belangrijke wijzen, verlangt men er daar zeker naar om, meer dan over ons, van Zijn metgezellen te vernemen over de goede kwaliteiten, waarbij, onder elkaar de heerlijkheden besprekend, ze in de vervoering van de aantrekking de tranen in hun ogen krijgen en de rillingen over hun lijf.
Iemand die uiterlijke veranderingen ondergaat als gevolg van vervoering en die zwaar ademhaalt en transpireert wanneer hij de Heer hoort verheerlijken, wordt naar Gods koninkrijk bevorderd, ook al geeft hij niets om meditatie en andere vormen van zelfdiscipline. Gods koninkrijk bevindt zich boven de materiële universa en het is het doel van Brahmâ en andere halfgoden. (Vedabase)
Toen de wijzen [met Sanaka voorop] die plaats bereikten bij de kracht van hun spiritueel vermogen, kwamen ze tot een onvergelijkelijk, allerhoogst geluk toen ze de verlichting zagen van het hoog verhevene van de besten der toegewijden en het vooropgaan van de Leraar van het Universum die van de hele wereld de enige is die de aanbidding waard is.
Zo beleefden de grote wijzen, Sanaka, Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra, toen ze als gevolg van hun yoga-beoefening het genoemde Vaikunthha in de geestelijke wereld bereikten, ongekend geluk. Ze zagen dat de geestelijke ruimte oplichtte door prachtig versierde vliegtuigen, bestuurd door de beste toegewijden van Vaikunthha, en dat de Allerhoogste Godspersoon er de leiding had. (Vedabase)
Na het daar passeren van zes poorten zonder zich bijzonder aangetrokken te voelen, troffen ze bij de zevende poort toen twee poortwachters van gelijke leeftijd aan die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij.
Nadat ze zonder zich over alle pracht te verbazen door de zes toegangspoorten waren gegaan van Vaikunthha-puri, de stad waar de Heer verbleef, zagen ze voor de zevende poort twee stralende wezens van gelijke leeftijd, met knotsen gewapend en getooid met de kostbaarste juwelen, oorringen, diamanten, helmen, gewaden enzovoorts. (Vedabase)
Er waren bedwelmde bijen rond de slingers van verse bloemen die tussen hun armen om hun nekken hingen, en met hun opgetrokken wenkbrauwen, opengesperde neusvleugels en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit.
De twee poortwachters hadden elk vier blauwe armen en droegen een verse bloemenkrans om hun hals, die de bijen die erop afkwamen bedwelmde. Hun opgetrokken wenkbrauwen, hun gesperde neusvleugels en rooddoorschoten ogen verraadden een zekere opgewondenheid. (Vedabase)
Hen beide bij de poort zien staand passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder te vragen met een open geest de gouden en diamanten deuren; ze waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld.
De grote wijzen onder leiding van Sanaka waren overal in en uit gegaan. Ze hadden geen notie van mijn en dijn. Onbevangen gingen ze uit eigen beweging de zevende poort in, zoals ze door de zes andere gouden en diamanten poorten waren gegaan. (Vedabase)
Hen ziende, vier naakte jongens die al ouder waren en de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze maar vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters hen tegen met hun staf, met minachting voor de glorie en de etiquette in een weerbarstige houding jegens de Heer.
De vier kinder-wijzen, die niets anders aanhadden dan lucht, zagen eruit alsof ze nog maar vijf waren, hoewel ze de oudste van alle schepselen waren en de waarheid over het zelf hadden gerealiseerd. Maar toen de poortwachters, die een mentaliteit bezaten welke de Heer geenszins aanstond, de wijzen zagen, versperden ze hun onverdiend met hun staf de weg, zonder oog voor hun grootsheid. (Vedabase)
Toen voor ogen van de inwoners van Vaikunthha ze door de twee werden geweigerd, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, werden hun ogen, op de geringe hindernis die de poortwachters vormden plots rood van woede in hun volijver hun meest geliefde te zien.
Toen de Kumâra's, ondanks het feit dat ze meer kwaliteiten dan wie dan ook bezaten om binnen te gaan, op die manier door de twee hoofdpoortwachters van S'rî Hari, ten overstaan van andere godheden, de toegang ontzegd werd, kregen ze opeens rode ogen van woede vanwege hun grote verlangen om hun zo geliefde meester, S'rî Hari, de Allerhoogste Godspersoon, te zien. (Vedabase)
De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die door je deugdzame daden in het verleden het schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook, die niet in overeenstemming met de mentaliteit van de toegewijden - die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap -, is in staat om, zoals jullie twee dat doen, er een dergelijke dubbelhartigheid op na te houden die het vertrouwen niet waard is?
De wijzen zeiden: Wie zijn deze twee figuren die er zo'n onharmonische mentaliteit op nahouden, ook al bekleden ze de hoogste positie in dienst van de Heer en worden ze geacht dezelfde eigenschappen als de Heer te hebben? Hoe bestaat het dat zij in Vaikunthha wonen? Hoe is het mogelijk dat een vijand kan binnendringen in dit koninkrijk van God? De Allerhoogste Godspersoon heeft geen vijanden. Wie kan er hier afgunstig op Hem zijn? Het zijn waarschijnlijk bedriegers en daarom denken ze dat anderen dat ook zijn. (Vedabase)
Zoals er harmonie is tussen het beetje lucht dat dat men vasthoudt en de lucht buiten het lichaam, is er van de ziel de harmonie gevat in de relatie van de Hoogste Persoonlijkheid met de levende wezens. Hoe kunnen zij die geleerd hebben jullie twee in de kleding van Vaikunthha beschouwen als zijnde ontwaakt en als het hebben ontwikkeld van een zeker onderscheid naar lichaam en ziel? Vanwaar, bij God, deze bevreesdheid?
In de Vaikunthha-wereld heerst volkomen harmonie tussen de inwoners en de Allerhoogste Godspersoon, zoals er in de ruimte volkomen harmonie is tussen de grote en de kleine ruimten. Waarom schuilt hier in dit veld van harmonie dan een begin van vrees? Deze twee lieden gaan gekleed als inwoners van Vaikunthha, maar waar komt de disharmonie in hen vandaan? (Vedabase)
Laat ons daarom in overweging nemen hoe, terwille van het afroepen van het voordeel van de genade van de Heer van Vaikunthha, we deze antipatieke overtreding moeten afhandelen. Mogen, vanwege het in de dualiteit trekken van de zaken, jullie van hieruit naar de materiële wereld vertrekken, alwaar men leeft met de drievoudige zonde die de vijand is [het verlangen, de lust en de woede].'
Laten we daarom bezien hoe deze twee besmette figuren gestraft moeten worden. De straf moet toepasselijk zijn, want dan hebben ze er uiteindelijk baat bij. Aangezien ze dualiteit zien in het bestaan in Vaikunthha, zijn ze besmet en dienen vanhier verwijderd te worden naar de stoffelijke wereld, waar de levende wezens drie soorten vijanden hebben. (Vedabase)
De twee begrepen hoe verschrikkelijk het was wat er was gezegd en werden bang van de toegewijden, daar de vloek van een brahmaan niet kan worden tegengegaan. Meteen wierpen ze zich in grote angst ter aarde en grepen ze naar hun voeten:
Toen de poortwachters van Vaikunthhaloka, die beslist toegewijden van de Heer waren, zagen dat ze door de brâhmana's vervloekt gingen worden, werden ze meteen erg bang en vielen in grote angst aan hun voeten neer, want de vloek van een brâhmana is met geen wapen ongedaan te maken. (Vedabase)
'Het mag zo zijn dat u ons vanwege onze zonden heeft gestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u, moet worden teniet gedaan. Maar we bidden dat met de tijd, door uw mededogen en door ons berouw, we niet zullen lijden onder de illusie van het vergeten van de Allerhoogste Heer, als we meer en meer moeten afdalen tot het nivo van de gewone sterveling.'
Nadat ze door de wijzen waren vervloekt, zeiden de poortwachters. Het is zeer terecht dat u ons straft, omdat we wijzen als u niet wisten te respecteren. Maar we bidden dat ons berouw uw medelijden moge opwekken, opdat we, als we steeds verder afglijden in de diepte, niet zodanig in illusie zullen vervallen dat we de Allerhoogste Godspersoon vergeten. (Vedabase)
Op dat moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de belediging jegens de rechtgeaarde wijzen en begaf Hij zich, begeleid door Zijn geluksgodin, in die richting met dezelfde voeten als aanbeden door de kluizenaars en wijzen.
Op dat ogenblik vernam de Heer, die Padmanâbha wordt genoemd vanwege de lotus die uit Zijn navel groeit, en die de vreugder rechtvaardigen is, van de belediging die Zijn dienaren de wijzen hadden aangedaan. In gezelschap van Zijn gemalin, de geluksgodin, begaf Hij Zich naar de poort op diezelfde voeten die kluizenaars en grote wijzen zo graag willen zien. (Vedabase)
Hem op zich af zien komend met alle toebehoren en Zijn toegewijden, vervielen de grote wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien zagen, in extase, ziende hoe als prachtige zwanen, de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan.
De wijzen onder leiding van Sanaka Rishi zagen dat de Allerhoogste Godspersoon Vishnu, die ze vroeger alleen in trance in hun hart konden zien, nu zichtbaar was geworden voor hun blote oog. Terwijl Hij naar voren kwam, omringd door Zijn metgezellen, die al Zijn attributen meedroegen, zoals een parasol en câmara's, gingen de witte haarbossen hieraan als twee witte zwanen zachtjes op en neer, en op het hierdoor teweeggebrachte windje bewogen ook de parels aan de parasolrand als nectardruppels, vallend van de blanke volle maan of van ijspegels, smeltend in de zoele bries. (Vedabase)
Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend; met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk ten toon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel.
De Heer is de bron van alle vreugde. Zijn heilrijke aanwezigheid is bedoeld als zegen voor iedereen, en Zijn liefdevolle glimlach en blikken raken iemand in het diepst van zijn hart. De schone huidskleur van de Heer is zwartachtig en Zijn brede borst is de rustplaats van de geluksgodin, die de hele geestelijke wereld - die zich boven alle hemelse planeten bevindt - glorieus maakt. Zo scheen de Heer in eigen persoon de schoonheid en het geluk van de geestelijke wereld te verspreiden. (Vedabase)
Gekleed in gele stof had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn bloemenslinger.. Om zijn polsen had Hij fraaie armbanden en één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] terwijl een andere wuifde met een lotusbloem.
Hij was getooid met een gordel die schitterend afstak tegen de gele stof om Zijn brede heupen, en Hij droeg een verse bloemenkrans, die omzwermd werd door gonzende bijen. Zijn fraaie polsen waren gesierd met armbanden, en terwijl Hij een hand op de schouder van Garuda, Zijn drager, liet rusten, speelde een andere met een lotus. (Vedabase)
De bliksem overtreffend completeerde de versiering van Zijn krokodil-vormige oorhangers Zijn voorkomen gekend met Zijn kaken en rechte neus, een met juwelen versierde kroon, een bekoorlijk hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubha-juweel dat Zijn hals opsierde.
Zijn gelaat onderscheidde zich door wangen die de schoonheid verhoogden van Zijn krokodilvormige oorhangers, die de bliksem deden verbleken. Hij had een rechte neus en Zijn hoofd was getooid met een kroon vol juwelen. Tussen Zijn sterke armen hing een bekoorlijke halsketting, terwijl Zijn hals zelf getooid was met de Kaustubha-steen. (Vedabase)
Aldaar stelde Hij de glimlachen van de Godin der Schoonheid in de schaduw ter wille van de intelligentie van Zijn eigen mediterende toegewijden; de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva als ook voor jullie allen, gezien door de wijzen, kon hun ogen niet genoeg bevredigen en deed hen vreugdevol neerbuigen.
De verfijnde schoonheid van Nârâyana, die nog eens vele malen vergroot wordt door de intelligentie van Zijn toegewijden, was zo aantrekkelijk dat de geluksgodin, die zichzelf als de mooiste beschouwde, haar trots erbij inschoot. Beste halfgoden, de Heer die Zich aldus openbaarde, verdient de aanbidding van mij, Heer S'iva en jullie allemaal. De wijzen kregen er niet genoeg van om naar Hem te kijken en bogen zich vol vreugde voor Zijn lotusvoeten neer. (Vedabase)
Toen de bries die het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten hun neusgaten binnendrong, sloeg hun opwinding om, ondanks dat ze zowel in lichaam als geest gehecht waren aan het onpersoonlijke.
Toen de wind de geur van de tulasî-blaadjes op de tenen van de lotusvoeten van de Godspersoon naar de neus van de wijzen droeg, ondergingen ze lichamelijk en geestelijk een verandering, ondanks het feit dat ze aan de onpersoonlijke Brahman-opvatting gehecht waren. (Vedabase)
Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze de zelfs nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Zo hun levensdoel bereikt hebbend keken ze wederom naar beneden naar de robijn-rode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun Toevlucht.
Het schone gelaat van de Heer kwam hun voor als het hart van de blauwe lotus, en Zijn glimlach was als een ontloken jasmijnbloesem. Toen ze het gelaat van de Heer zo zagen, waren de wijzen volkomen voldaan, en toen ze meer van Hem wilden zien, keken ze naar de nagels van Zijn lotusvoeten, die op robijnen leken. Zo lieten ze hun blik keer op keer over het bovenzinnelijke lichaam van de Heer gaan en kwamen tenslotte tot meditatie op Zijn persoonlijke gedaante. (Vedabase)
Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken met de wegen van de yoga is Hij het voorwerp van meditatie goedgekeurd door de groten; met de bevrediging die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante, eeuwig aanwezig als Hij die Verbindt, wordt Hij geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva, controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].
Dit is de gedaante van de Heer waarop degenen die het yoga-pad volgen mediteren en die de yogî's in hun meditatie zo aangenaam is. Ze is niet denkbeeldig, maar werkelijk, zoals door grote yogî's bewezen is. De Heer is in het volle bezit van acht verworvenheden, die geen ander in volledige volmaaktheid bezitten kan. (Vedabase)
De Kumâra's zeiden: 'Hij die zich in het hart bevindt is niettemin niet zichtbaar voor hen die ver van de ziel staan. U, die Hem voorzeker van aangezicht tot aangezicht bent vandaag, o Onbegrensde, kan worden bereikt als men, alleen al via de oren, reikt tot de beschrijving door onze vader [Brahmâ] van het geheim van de mysteriën beschreven door Uw verschijning.
De Kumâra's zeiden: Lieve Heer, U bent niet zichtbaar voor schurken, ook al verblijft U in ieders hart. Maar wij zien U van oog tot oog, hoewel U oneindig bent. Wat we van onze vader, Brahmâ, over U hebben gehoord is nu werkelijkheid geworden, omdat U zo goed bent geweest om voor ons te verschijnen. (Vedabase)
Hem, U, kennen we, o Opperheer, als de hoogste werkelijkheid van de ziel die van zuivere goedheid is. Nu kan U door ons wijzen worden begrepen als de genade en liefde van God die alles en iedereen gestalte geeft die standvastig is in de eenheid van de toewijding, vrij is van gebondenheid in het hart en geen belangs stelt in een materieel leven.
We weten dat U de Allerhoogste Absolute Waarheid bent, de Godspersoon, die Zijn transcendente gedaante in de geaardheid van zuivere goedheid openbaart. Alleen grote wijzen wier hart gezuiverd is door toewijding, kunnen dankzij Uw genade, deze bovenzinnelijke en eeuwige gedaante van Uw persoonlijkheid begrijpen dankzij hun onwankelbare toegewijde dienst. (Vedabase)
Zelfs om werelds succes bekommert men zich niet of wat voor materieel geluk dan ook; bevreesd voor het heffen van Uw wenkbrauwen nemen wij als toegewijden, O Allerhoogste, onze toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over U waarvan de zuivere heerlijkheden het waard zijn bezongen te worden door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [individuele relaties met Hem].
Bijzonder intelligente mensen die er zeer bekwaam in zijn om de dingen te begrijpen zoals ze zijn, houden zich bezig met luisteren naar de verhalen over het zegenrijke spel en vermaak en doen en laten van de Heer, die het waard zijn om erover te spreken en erover te horen. Zulke mensen geven zelfs niets om de hoogste zegen van de wereld, namelijk bevrijding, gezwegen van andere, minder belangrijke zegeningen als het materiële geluk van het hemelrijk. (Vedabase)
Zoals we dat door onze zonden hebben verdiend mogen we van lage geboorten zijn en geesten hebben die druk zijn als zoemende bijen; als we betrokken mogen zijn op Uw lotusvoeten en onze woorden mogen hebben als de tulsîblaadjes van Uw genade, zullen ze de schoonheid vinden met het vullen van onze oren met Uw transcendentale kwaliteiten.
O Heer, we bidden U dat U ons in willekeurig welke helse omstandigheden wedergeboren laat worden, zolang ons hart en onze geest Uw lotusvoeten maar altijd mogen dienen, onze woorden mooi worden [door het beschrijven van Uw doen en laten], zoals tulasî-blaadjes mooi worden wanneer ze aan Uw lotusvoeten worden geofferd, en zolang onze oren maar ononderbroken naar het verheerlijken van Uw bovenzinnelijke eigenschappen mogen luisteren. (Vedabase)
Door deze eeuwige gedaante van U die U manifesteerde, o Hoogst Aanbedene, o Heer, raakten we zo voldaan in onze visie van U als de Allerhoogste Heer. Laat ons daarom U alleen onze eerbetuigingen brengen; U die door hen die vervreemd zijn niet kan worden gezien als de Allerhoogste Heer zoals wij U gezien hebben.
O Heer, daarom brengen we vol respect onze eerbetuigingen aan Uw eeuwige gedaante als Godspersoon, die U ons in Uw goedheid geopenbaard heeft. Uw allerhoogste, eeuwige gedaante kan niet worden gezien door ongelukkige, weinig intelligente mensen, maar nu wij haar mogen aanschouwen zijn onze ogen en onze geest volkomen voldaan. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding van de Kumâra's en Jaya en Vijaya op deze pagina
is van Pandu
dasa
Produktie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties