regelbalk


 

Canto 6

Guru Puja

 

 

Hoofdstuk 10: De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Na aldus Indra te hebben geïnstrueerd verdween de Allerhoogste Heer Hari, de Oorspronkelijke Oorzaak van de kosmische manifestatie, toen uit het zicht van de toegewijde zielen. (2) Op het moment dat de zoon van Atharvâ [Dadhîci], de heilige, als gezegd werd gevraagd door de goddelijken, zei de grote persoonlijkheid lichtelijk geamuseerd met een glimlach het volgende, o zoon van Bharata. (3) 'Weten jullie, zielen van God, niet dat alle belichaamde wezens, als ze dood gaan, moeten lijden onder een ondraaglijke, hevige pijn die ze van hun bewustzijn berooft? (4) Alle zielen worstelen om in leven te blijven en het lichaam dat ze verlangden in dit leven is hun zeer dierbaar. Wie zou er nu bereid zijn zijn lichaam af te staan, zelfs als Heer Vishnu erom zou vragen?'

(5) De goden zeiden: 'Wat zou er voor personen van formaat als uwe heiligheid, u wiens deugdzaamheid door allen wordt bezongen en die vol van genade bent voor een ieder, nu te moeilijk zijn, o brahmaan? (6) Mensen uit op hun eigenbelang weten niet wat voor moeilijkheden ze anderen bezorgen. Als ze dat zouden weten zouden ze hun eisen niet stellen. Als men [wel weet heeft van de ellende van anderen en] in staat is te geven, zal men geen nee zeggen [maar toegeven].'

(7) De achtenswaardige heilige zei: 'Ik gaf alleen maar een reactie om van u te vernemen wat [in dit geval] het dharma zou zijn. Ik zal dit gekoesterde lichaam [echter] voor u opgeven. Vroeg of laat moet ik het toch opgeven. (8) Een ieder die met dit tijdelijk lichaam, mijne heren, niet vol van genade voor allen achtenswaardigheid en de religieuze beginselen nastreeft, is een beklagenswaardig iemand, zelfs tegenover de schepselen die zich niet kunnen bewegen [zoals de tolerante bomen, zie eveneens de S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka]! (9) Door hen die geroemd worden om hun verdienste wordt het volgende onderkend als zijnde het onvergankelijke dharma: dat die ziel dharmisch is die treurt over het leed van andere levende wezens en zich gelukkig voelt als zij gelukkig zijn. (10) Weg met de misère, weg met de moeilijkheid! Omdat een fysiek lichaam ieder moment ten onder kan gaan en worden opgegeten door de jakhalzen, zal het niet baten [je eraan vast te klampen], het is er niet voor mezelf - een sterveling is er met zijn lichaam [om zijn leven te geven] voor dat wat hem eigen is [waar hij voor staat] en voor degenen die hij kent [zijn verwanten en vrienden, zie ook S.B. 10.22: 35].' 

(11)
Indra on IravatiDe zoon van Vyâsa zei: 'Aldus besloten tot de juiste manier van handelen gaf Dadhîci, de zoon van Atharvâ zijn lichaam op in opoffering voor het Allerhoogste, het hoogste Brahman, de Allerhoogste Persoonlijkheid [vergelijk 1.13: 55]. (12) De ziener van de waarheid, met zijn zinnen, levensadem, geest en intelligentie onder controle, raakte, verzonken in trance in het Allerhoogste, bevrijd van zijn gebondenheid en verliet de wereld zonder nog langer acht te slaan op zijn materiële lichaam [zie ook B.G. 8: 5]. (13-14) Koning Indra nam daarna de bliksemschicht op die was vervaardigd door Vis'vakarmâ, die zijn kracht ontleende aan de grote wijze [Dadhîci] en die doortrokken was van de geestkracht van de Heer. Samen met de andere halfgoden uitrijdend terwijl de muni's gebeden opdroegen, zat hij glorieus op de rug van Gajendra [zijn olifant] tot het duidelijk genoegen van al de drie werelden. (15) Vritrâsura, temidden van zijn asura leiders en commandanten, werd als de vijand met veel geweld aangevallen, o Koning, precies zoals het ging toen Rudra kwaad Antaka [Yamarâja] aanviel. (16) Daarop voltrok zich een grote en hoogst gewelddadige veldslag tussen de Sura-, de goddelijke en de Asura-, de demonische horden die plaatsvond op de oever van de [hemelse] Narmadâ rivier aan het begin van het eerste millennium [de Vaivasvata-manvantara] van Tretâ-yuga. (17-18) O Koning, toen de demonen aangevoerd door Vritrâsura zich geplaatst zagen tegenover de schitterende weelde van zowel Indra, de Hemelkoning met de bliksemschicht, als de Rudra's, Vasu's, Âditya's, As'vins, Pitâ's, Vahni's, Maruts, Ribhu's, Sâdhya's en Vis'vadeva's, konden ze de aanblik niet verdragen. (19-22) Namuci, S'ambara, Anarvâ, Dvimûrdhâ, Rishabha, Asura, Hayagrîva, S'ankus'irâ, Vipracitti, Ayomukha, Pulomâ, Vrishaparvâ, Praheti, Heti en Utkala en de honderden en duizenden overige Daitya's, Danava's, Yaksha's, Râkshasa's en anderen aangevoerd door Sumâli en Mâli, die allen opgesierd waren met gouden ornamenten, dreven de voorhoede terug van Indra's leger dat zelfs voor de dood zelf moeilijk te benaderen was. Onbevreesd vielen ze hen, fanatiek brullend als leeuwen, aan met hun knuppels, met ijzer beslagen knotsen, pijlen, getande lansen, strijdhamers en speren. (23) De aanvoerders van de goddelijke strijdkrachten werden van alle kanten overdekt door een regen van pijlen, speren, bijlen, zwaarden, s'ataghnî's en bhus'undi's [verschillende soorten wapens met ijzeren punten]. (24) Als sterren aan de hemel overdekt door wolken, kon men hen niet langer zien, volledig bedolven onder de stortvloed aan projectielen die van alle kanten in golven op hen neerdaalden. (25) De regen van pijlen en andere wapens bereikte echter de legers van de verlichte zielen niet omdat de halfgoden ze heel snel in hun vlucht in duizenden stukken hakten. (26) Toen vervolgens hun pijlen en wapens opraakten, kregen de soldaten van de Sura's een regen van bergpieken, bomen en stenen over zich heen. Die werden, als voorheen, aan stukken geslagen. (27) De troepen aangevoerd door Vritrâsura die zagen dat hun vijand niet in het minst te lijden had onder de massa's wapens en mantra's en dat ook de bomen, stenen en verschillende bergpieken hen niet deerden, werden bang voor Indra's soldaten. (28) Al de Daitya pogingen om telkens weer opnieuw de troepen van de halfgoden aan te vallen die de bescherming van Krishna genoten, liepen op niets uit, net zoals de grove taal niks uithaalt waar kleine lieden zich van bedienen als ze schelden op grote zielen. (29) Ziend dat al hun pogingen vruchteloos waren verlieten zij die de Heer niet toegewijd waren toen, verslagen in hun trots als strijders, het slagveld en gaven ze de strijd op die nog maar net begonnen was. Met al hun macht tot nul gereduceerd, lieten ze de leider [Vritrâsura] die hen had aangespoord in de steek.

(30) Vritra, die de demonen die hem volgden zag vluchtten en dat zijn leger afgeschrikt uiteenviel, sprak toen als ruimdenkende held met een brede grijns als volgt. (31) Gepast voor het moment drukte de held der helden zich uit in woorden die [zelfs] aantrekkelijk waren voor de grootste geesten: 'O Vipracitti, Namuci en Pulomâ! O Maya, Anarvâ en S'ambara! Luister alsjeblieft naar mij. (32) Een ieder die geboren werd moet onvermijdelijk de dood onder ogen zien, ongeacht waar men zich bevindt in het universum. Er bestaat geen mogelijkheid om dat tegen te gaan in deze wereld, die je de kans biedt om een betere wereld te bereiken en te zegevieren. Wie zou er, als het onmogelijk is om de dood uit de weg te gaan, nu niet een geschikte gelegenheid om te sterven aangrijpen? (33) Er zijn twee beproefde manieren om in deze wereld eervol te sterven en ze zijn beide erg zeldzaam. De ene bestaat eruit dat men de gelegenheid krijgt het lichaam te verlaten als men, met yoga-oefeningen de geest en de zinnen beheersend, zich concentreert op het Brahman [Paramâtma en Bhagavân], en de andere manier bestaat eruit de leiding te nemen op het veld van eer en daarbij nimmer [de strijd] je rug toe te keren.'

 

 

next                      

 
Derde herziene editie, geladen 12 october, 2018.

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De zoon van Vyâsa zei: 'Na aldus Indra te hebben geïnstrueerd verdween de Allerhoogste Heer Hari, de Oorspronkelijke Oorzaak van de kosmische manifestatie, toen uit het zicht van de toegewijde zielen.
De zoon van Vyâsa zei: 'Na aldus Indra te hebben geïnstrueerd verdween de Allerhoogste Heer Hari, de Oorspronkelijke Oorzaak van de kosmische manifestatie, vandaar voor de ogen van de toegewijden. (Vedabase)

 

Tekst 2

Op het moment dat de zoon van Atharvâ [Dadhîci], de heilige, als gezegd werd gevraagd door de goddelijken, zei de grote persoonlijkheid lichtelijk geamuseerd met een glimlach het volgende, o zoon van Bharata.

Toen de zoon van Atharvâ [Dadhîci], de heilige, als gezegd werd verzocht door de goddelijken, zei de grote persoonlijkheid lichtelijk geamuseerd met een glimlach het volgende, o zoon van Bharata.  (Vedabase)

 

Tekst 3

'Weten jullie, zielen van God, niet dat alle belichaamde wezens, als ze dood gaan, moeten lijden onder een ondraaglijke, hevige pijn die ze van hun bewustzijn berooft?

'Jullie allen, weten jullie niet, o zielen van God, dat alle belichaamde wezens als ze dood gaan moeten lijden onder een ondraaglijke kwelling die ze van hun bewustzijn berooft? (Vedabase)

 

Tekst 4

Alle zielen worstelen om in leven te blijven en het lichaam dat ze verlangden in dit leven is hun zeer dierbaar. Wie zou er nu bereid zijn zijn lichaam af te staan, zelfs als Heer Vishnu erom zou vragen?'

Alle zielen worstelen om in leven te blijven waarbij ze de lichamen die ze verlangden in dit leven zeer koesteren; wie zou er bereid zijn dat lichaam op te geven, zelfs als Heer Vishnu daarom zou vragen?' (Vedabase)

 

Tekst 5

De goden zeiden: 'Wat zou er voor personen van formaat als uwe heiligheid, u wiens deugdzaamheid door allen wordt bezongen en die vol van genade bent voor een ieder, nu te moeilijk zijn, o brahmaan?

De goddelijken zeiden: 'Wat zou er zo moeilijk zijn om op te geven, o brahmaan, voor personen van formaat als uwe heiligheid, door allen geprezen en voor een ieder vol van genade? (Vedabase)

 

Tekst 6

Mensen uit op hun eigenbelang weten niet wat voor moeilijkheden ze anderen bezorgen. Als ze dat zouden weten zouden ze hun eisen niet stellen. Als men [wel weet heeft van de ellende van anderen en] in staat is te geven, zal men geen nee zeggen [maar toegeven].'

Behoeftige mensen zullen zeker niets van anderen vragen als ze weten dat ze in moeilijkheden verkeren, noch zullen mensen die in staat zijn om te geven behoeftigen ook maar iets ontzeggen als ze op de hoogte zouden zijn van hun problemen.' (Vedabase)

 

Tekst 7

De achtenswaardige heilige zei: 'Ik gaf alleen maar een reactie om van u te vernemen wat [in dit geval] het dharma zou zijn. Ik zal dit gekoesterde lichaam [echter] voor u opgeven. Vroeg of laat moet ik het toch opgeven.

De grote heilige zei: 'Indachtig mijn wens van u te vernemen wat overeenkomstig de tegenwerping, die is vervat in uw weerwoord, het dharma zou zijn, moet ik voor u dit gekoesterde lichaam opgeven dat me vroeg of laat toch in de steek zou laten. (Vedabase)

 

Tekst 8

Een ieder die met dit tijdelijke lichaam, mijne heren, niet vol van genade voor allen achtenswaardigheid en de religieuze beginselen nastreeft, is een beklagenswaardig iemand, zelfs tegenover de schepselen die zich niet kunnen bewegen [zoals de tolerante bomen, zie eveneens de S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka]!

Een ieder die met de tijdelijkheid van het lichaam, mijne heren, niet van het dharma volijverig van genade is voor allen, is een infame persoonlijkheid, een beklagenswaardige persoon zelfs tegenover de schepselen die zich niet kunnen bewegen! [zie eveneens de S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Door hen die geroemd worden om hun verdienste wordt het volgende onderkend als zijnde het onvergankelijke dharma: dat die ziel dharmisch is die treurt over het leed van andere levende wezens en zich gelukkig voelt als zij gelukkig zijn.

Door zij die geroemd worden om hun verdienste wordt het volgende onderkent als zijnde het onvergankelijke dharma: dat die ziel dharmisch is die treurt over het leed van andere levende wezens en zich gelukkig voelt als zij gelukkig zijn. (Vedabase)

 

Tekst 10

Weg met de misère, weg met de moeilijkheid! Omdat een fysiek lichaam ieder moment ten onder kan gaan en worden opgegeten door de jakhalzen, zal het niet baten [je eraan vast te klampen], het is er niet voor mezelf - een sterveling is er met zijn lichaam [om zijn leven te geven] voor dat wat hem eigen is [waar hij voor staat] en voor degenen die hij kent [zijn verwanten en vrienden, zie ook S.B. 10.22: 35].' 

Weg met de misère, weg met de beproeving; omdat een fysiek lichaam ieder moment ten onder kan gaan en worden opgegeten door de jakhalzen zal het niet helpen je eraan vast te klampen, het is er niet voor mezelf - voor dat wat hem eigen is en voor hen die hij kent is een sterveling er met zijn lichaam om zijn leven te geven [zie ook S.B. 10.22: 35].' (Vedabase)


Tekst 11

De zoon van Vyâsa zei: 'Aldus besloten tot de juiste manier van handelen gaf Dadhîci, de zoon van Atharvâ zijn lichaam op in opoffering voor het Allerhoogste, het hoogste Brahman, de Allerhoogste Persoonlijkheid [vergelijk 1.13: 55].

De zoon van Vyâsa zei: 'Aldus besloten tot de juiste manier van handelen gaf Dadhîci, de zoon van Atharvâ zijn lichaam op in opoffering voor het Allerhoogste, het Hoogste Brahman, de Allerhoogste Persoonlijkheid [vergelijk: 1.13: 55]. (Vedabase)

   

Tekst 12

De ziener van de waarheid, met zijn zinnen, levensadem, geest en intelligentie onder controle, raakte, verzonken in trance in het Allerhoogste, bevrijd van zijn gebondenheid en verliet de wereld zonder nog langer acht te slaan op zijn materiële lichaam [zie ook B.G. 8: 5].

Met de zinnen, de levensadem, de geest en de intelligentie onder controle als iemand die bekend is met de werkelijkheid, raakte hij, verzonken in trance, bevrijd van de gebondenheid en vertrok hij, zich in het Allerhoogste bevindend, vandaar zonder nog langer acht te slaan op zijn materiële lichaam [zie ook B.G. 8: 5]. (Vedabase)

 

Tekst 13-14

Koning Indra nam daarna de bliksemschicht op die was vervaardigd door Vis'vakarmâ, die zijn kracht ontleende aan de grote wijze [Dadhîci] en die doortrokken was van de geestkracht van de Heer. Samen met de andere halfgoden uitrijdend terwijl de muni's gebeden opdroegen, zat hij glorieus op de rug van Gajendra [zijn olifant] tot het duidelijk genoegen van al de drie werelden.

Daarna nam koning Indra de bliksemschicht op die Vis'vakarmâ bij de genade van de grote wijze [Dadhîci] had weten te vervaardigen. Vol van de geesteskracht des Heren en gewapend met de ondersteuning van al de andere goden, reed hij vol glans uit op de rug van Gajendra [zijn olifant], waarbij de muni's gebeden aan hem opdroegen tot het klaarblijkelijke genoegen van al de drie werelden. (Vedabase)

 

Tekst 15

Vritrâsura, temidden van zijn asura leiders en commandanten, werd als de vijand met veel geweld aangevallen, o Koning, precies zoals het ging toen Rudra kwaad Antaka [Yamarâja] aanviel.

Vritrâsura omringd door de asura leiders en commandanten werd met veel geweld als de vijand aangevallen, o Koning, zoals een kwade Rudra dat deed met Antaka [Yamarâja]. (Vedabase)
 
Tekst 16

Daarop voltrok zich een grote en hoogst gewelddadige veldslag tussen de Sura-, de goddelijke en de Asura-, de demonische horden die plaatsvond op de oever van de [hemelse] Narmadâ rivier aan het begin van het eerste millennium [de Vaivasvata-manvantara] van Tretâ-yuga.

Wat volgde was een grote en hoogst gewelddadige veldslag tussen de sura, de goddelijke, en de asura, de demonische horden die plaatsvond op de oever van de [hemelse] Narmadâ rivier aan het begin van het eerste millennium [de Vaivasvata-manvantara] van Tretâ-yuga. (Vedabase)

 

Tekst 17-18

O Koning, toen de demonen aangevoerd door Vritrâsura zich geplaatst zagen tegenover de schitterende weelde van zowel Indra, de Hemelkoning met de bliksemschicht, als de Rudra's, Vasu's, Âditya's, As'vins, Pitâ's, Vahni's, Maruts, Ribhu's, Sâdhya's en Vis'vadeva's, konden ze de aanblik niet verdragen.

O Koning, toen allen die van de duivel waren, aangevoerd door Vritrâsura zich geplaatst zagen tegenover de glanzende weelde van Indra de Hemelse Koning met de bliksemschicht, de Rudra's, de Vasu's, de Âditya's, de Asvins, de Pitâ's, de Vahni's, de Maruts, de Ribhu's, de Sâdhya's en de Vis'vadeva's, konden ze de aanblik ervan niet verdragen. (Vedabase)

 

Tekst 19-22   

Namuci, S'ambara, Anarvâ, Dvimûrdhâ, Rishabha, Asura, Hayagrîva, S'ankus'irâ, Vipracitti, Ayomukha, Pulomâ, Vrishaparvâ, Praheti, Heti en Utkala en de honderden en duizenden overige Daitya's, Danava's, Yaksha's, Râkshasa's en anderen aangevoerd door Sumâli en Mâli, die allen opgesierd waren met gouden ornamenten, dreven de voorhoede terug van Indra's leger dat zelfs voor de dood zelf moeilijk te benaderen was. Onbevreesd vielen ze hen, fanatiek brullend als leeuwen, aan met hun knuppels, met ijzer beslagen knotsen, pijlen, getande lansen, strijdhamers en speren.

Namuci, S'ambara, Anarvâ, Dvimûrdhâ, Rishabha, Asura, Hayagrîva, S'ankus'irâ, Vipracitti, Ayomukha, Pulomâ, Vrishaparvâ, Praheti, Heti en Utkala en de honderden en duizenden overige Daitya's, Danava's,Yaksha's, Râkshasa's en anderen aangevoerd door Sumâli en Mâli, die allen behangen waren met gouden sierselen en dreven de voorhoede terug van Indra's leger, dat zelfs voor de dood zelve moeilijk te benaderen was. Onbevreesd vielen ze fanatiek brullend als leeuwen hen aan met hun knuppels, met ijzer beslagen knotsen, pijlen, getande lansen, strijdhamers en speren. (Vedabase)

 

Tekst 23

De aanvoerders van de goddelijke strijdkrachten werden van alle kanten overdekt door een regen van pijlen, speren, bijlen, zwaarden, s'ataghnî's en bhus'undi's [verschillende soorten wapens met ijzeren punten].

Met hun uitrusting aan speren, bijlen, zwaarden, s'ataghnî's [katapulten] en bhus'undi's [gevleugelde projectielen] dreven ze met hun pijlen al de aanvoerders van de goddelijke strijdkrachten uiteen. (Vedabase)

 

Tekst 24

Als sterren aan de hemel overdekt door wolken, kon men hen niet langer zien, volledig bedolven onder de stortvloed aan projectielen die van alle kanten in golven op hen neerdaalden.

Als sterren aan de hemel overdekt door wolken, kon men ze niet meer zien, volledig bedolven als ze waren onder de stortvloed aan pijlen die van alle kanten over hen heen vielen. (Vedabase)

  

Tekst 25

De regen van pijlen en andere wapens bereikte echter de legers van de verlichte zielen niet omdat de halfgoden ze heel snel in hun vlucht in duizenden stukken hakten.

De regen van pijlen en andere wapens bereikte echter de legers der verlichte zielen niet daar de halfgoden ze snel in hun vlucht in duizenden stukken hakten. (Vedabase)

 

Tekst 26

Toen vervolgens hun pijlen en wapens opraakten, kregen de soldaten van de Sura's een regen van bergpieken, bomen en stenen over zich heen. Die werden, als voorheen, aan stukken geslagen.

Toen daaropvolgend hun pijlen en wapens opraakten lieten ze een regen van bergpieken, bomen en stenen neerdalen die als voorheen door de strijdmacht der sura's aan stukken werden geslagen. (Vedabase)

 

Tekst 27

De troepen aangevoerd door Vritrâsura die zagen dat hun vijand niet in het minst te lijden had onder de massa's wapens en mantra's en dat ook de bomen, stenen en verschillende bergpieken hen niet deerden, werden bang voor Indra's soldaten.

Ziend dat ze zonder ook maar een schrammetje ongedeerd bleven onder de massa's wapens en mantra's en dat ze ook niet verwond werden door de bomen, de stenen of de verschillende bergpieken, werden de troepen aangevoerd door Vritrâsura zeer bang voor Indra's soldaten. (Vedabase)

 

Tekst 28

Al de Daitya pogingen om telkens weer opnieuw de troepen van de halfgoden aan te vallen die de bescherming van Krishna genoten, liepen op niets uit, net zoals de grove taal niks uithaalt waar kleine lieden zich van bedienen als ze schelden op grote zielen.

Al hun pogingen, telkens weer opnieuw uitvallend tegen de halfgoden die de bescherming van Krishna genoten, liepen op niets uit precies zoals de ruige woorden niks te betekenen hebben die kleine lieden gebruiken als ze schelden op de groten. (Vedabase)

 

Tekst 29

Ziend dat al hun pogingen vruchteloos waren verlieten zij die de Heer niet toegewijd waren toen, verslagen in hun trots als strijders, het slagveld en gaven ze de strijd op die nog maar net begonnen was. Met al hun macht tot nul gereduceerd, lieten ze de leider [Vritrâsura] die hen had aangespoord in de steek.

Zij, zonder toewijding tot de Heer, verlieten, al hun pogen vruchteloos ziend en verslagen in hun trots als strijders, toen de strijd nog maar net begonnen was het slagveld, de hen aansporende aanvoerder in de steek latend van wie alle macht tot nul was gereduceerd. (Vedabase)

 

Tekst 30

Vritra, die de demonen die hem volgden zag vluchtten en dat zijn leger afgeschrikt uiteenviel, sprak toen als ruimdenkende held met een brede grijns als volgt.

Vritra die zag hoe zijn volgelingen de demonen op de vlucht waren geslagen en hoe zijn leger afgeschrikt uiteenviel, sprak als ruimdenkende held met een brede grijns de volgende woorden. (Vedabase)

 

Tekst 31

Gepast voor het moment drukte de held der helden zich uit in woorden die [zelfs] aantrekkelijk waren voor de grootste geesten: 'O Vipracitti, Namuci en Pulomâ! O Maya, Anarvâ en S'ambara! Luister alsjeblieft naar mij.

Gepast voor het moment en de omstandigheid formuleerde de held der helden woorden die de grootste der geesten aanspraken: 'O Vipracitti! O Namuci! O Pulomâ! O Maya, Anarvâ en S'ambara! Luister alsjeblieft naar mij. (Vedabase)

 

Tekst 32

Een ieder die geboren werd moet onvermijdelijk de dood onder ogen zien, ongeacht waar men zich bevindt in het universum. Er bestaat geen mogelijkheid om dat tegen te gaan in deze wereld, die je de kans biedt om een betere wereld te bereiken en te zegevieren. Wie zou er, als het onmogelijk is om de dood uit de weg te gaan, nu niet een geschikte gelegenheid om te sterven aangrijpen? 

Allen die worden geboren moeten onvermijdelijk de dood tegemoet zien, waar ze ook mogen bestaan in het universum; er bestaat geen remedie om dat tegen te gaan in deze wereld waarin men de kans krijgt om een betere wereld te bereiken en zegerijk te zijn. Ervan uitgaande dat dit inderdaad het geval is, wie zou er dan niet een geschikte gelegenheid om te sterven aangrijpen? (Vedabase)

 

Tekst 33

Er zijn twee beproefde manieren om in deze wereld eervol te sterven en ze zijn beide erg zeldzaam. De ene bestaat eruit dat men de gelegenheid krijgt het lichaam te verlaten als men, met yoga-oefeningen de geest en de zinnen beheersend, zich concentreert op het Brahman [Paramâtma en Bhagavân], en de andere manier bestaat eruit de leiding te nemen op het veld van eer en daarbij nimmer [de strijd] je rug toe te keren.'

Er zijn twee beproefde wegen om in deze wereld eervol te sterven, en ze zijn beide erg zeldzaam. De ene bestaat eruit dat het je gegeven wordt het lichaam achter te laten als je, met het beoefenen van yoga, in het beheersen van de geest en de zinnen je concenteert op het Brahman, en de andere bestaat eruit de leiding te nemen op het veld van eer en je daarbij nimmer je rug toekeert.' (Vedabase)

  

 *: 10.22: 35 Het is de plicht van ieder levend wezen om met zijn leven, welvaart, intelligentie en woorden goede daden te verrichten voor het heil van anderen.

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding toont Indra met zijn wapens op de rug van zijn olifant. Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



    

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties