regelbalk


 

Canto 6

Guru Puja

 

 

Hoofdstuk 10: De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Na aldus Indra te hebben geïnstrueerd verdween de Allerhoogste Heer Hari, de Oorspronkelijke Oorzaak van de kosmische manifestatie, vandaar voor de ogen van de toegewijden. (2) Toen de zoon van Atharvâ [Dadhîci], de heilige, als gezegd werd verzocht door de goddelijken, zei de grote persoonlijkheid lichtelijk geamuseerd met een glimlach het volgende, o zoon van Bharata. (3) 'Jullie allen, weten jullie niet, o zielen van God, dat alle belichaamde wezens als ze dood gaan moeten lijden onder een ondraaglijke kwelling die ze van hun bewustzijn berooft? (4) Alle zielen worstelen om in leven te blijven waarbij ze de lichamen die ze verlangden in dit leven zeer koesteren; wie zou er bereid zijn dat lichaam op te geven, zelfs als Heer Vishnu daarom zou vragen?'

(5) De goddelijken zeiden: 'Wat zou er zo moeilijk zijn om op te geven, o brahmaan, voor personen van formaat als uwe heiligheid, door allen geprezen en voor een ieder vol van genade? (6) Behoeftige mensen zullen zeker niets van anderen vragen als ze weten dat ze in moeilijkheden verkeren, noch zullen mensen die in staat zijn om te geven behoeftigen ook maar iets ontzeggen als ze op de hoogte zouden zijn van hun problemen.'

(7) De grote heilige zei: 'Indachtig mijn wens van u te vernemen wat overeenkomstig de tegenwerping, die is vervat in uw weerwoord, het dharma zou zijn, moet ik voor u dit gekoesterde lichaam opgeven dat me vroeg of laat toch in de steek zou laten. (8) Een ieder die met de tijdelijkheid van het lichaam, mijne heren, niet van het dharma volijverig van genade is voor allen, is een infame persoonlijkheid, een beklagenswaardige persoon zelfs tegenover de schepselen die zich niet kunnen bewegen! [zie eveneens de S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka]. (9) Door zij die geroemd worden om hun verdienste wordt het volgende onderkent als zijnde het onvergankelijke dharma: dat die ziel dharmisch is die treurt over het leed van andere levende wezens en zich gelukkig voelt als zij gelukkig zijn. (10) Weg met de misère, weg met de beproeving; omdat een fysiek lichaam ieder moment ten onder kan gaan en worden opgegeten door de jakhalzen zal het niet helpen je eraan vast te klampen, het is er niet voor mezelf - voor dat wat hem eigen is en voor hen die hij kent is een sterveling er met zijn lichaam om zijn leven te geven [zie ook S.B. 10.22: 35].'

(11) De zoon van Vyâsa zei: 'Aldus besloten tot de juiste manier van handelen gaf Dadhîci, de zoon van Atharvâ zijn lichaam op in opoffering voor het Allerhoogste, het Hoogste Brahman, de Allerhoogste Persoonlijkheid [vergelijk: 1.13: 55]. (12) Met de zinnen, de levensadem, de geest en de intelligentie onder controle als iemand die bekend is met de werkelijkheid, raakte hij, verzonken in trance, bevrijd van de gebondenheid en vertrok hij, zich in het Allerhoogste bevindend, vandaar zonder nog langer acht te slaan op zijn materiële lichaam [zie ook B.G. 8: 5]. (13-14) Daarna nam koning Indra de bliksemschicht op die Vis'vakarmâ bij de genade van de grote wijze [Dadhîci] had weten te vervaardigen. Vol van de geesteskracht des Heren en gewapend met de ondersteuning van al de andere goden, reed hij vol glans uit op de rug van Gajendra [zijn olifant], waarbij de muni's gebeden aan hem opdroegen tot het klaarblijkelijke genoegen van al de drie werelden. (15) Vritrâsura omringd door de asura leiders en commandanten werd met veel geweld als de vijand aangevallen, o Koning, zoals een kwade Rudra dat deed met Antaka [Yamarâja]. (16) Wat volgde was een grote en hoogst gewelddadige veldslag tussen de sura, de goddelijke, en de asura, de demonische horden die plaatsvond op de oever van de [hemelse] Narmadâ rivier aan het begin van het eerste millennium [de Vaivasvata-manvantara] van Tretâ-yuga. (17-18) O Koning, toen allen die van de duivel waren, aangevoerd door Vritrâsura zich geplaatst zagen tegenover de glanzende weelde van Indra de Hemelse Koning met de bliksemschicht, de Rudra's, de Vasu's, de Âditya's, de Asvins, de Pitâ's, de Vahni's, de Maruts, de Ribhu's, de Sâdhya's en de Vis'vadeva's, konden ze de aanblik ervan niet verdragen. (19-22) Namuci, S'ambara, Anarvâ, Dvimûrdhâ, Rishabha, Asura, Hayagrîva, S'ankus'irâ, Vipracitti, Ayomukha, Pulomâ, Vrishaparvâ, Praheti, Heti en Utkala en de honderden en duizenden overige Daitya's, Danava's,Yaksha's, Râkshasa's en anderen aangevoerd door Sumâli en Mâli, die allen behangen waren met gouden sierselen en dreven de voorhoede terug van Indra's leger, dat zelfs voor de dood zelve moeilijk te benaderen was. Onbevreesd vielen ze fanatiek brullend als leeuwen hen aan met hun knuppels, met ijzer beslagen knotsen, pijlen, getande lansen, strijdhamers en speren. (23) Met hun uitrusting aan speren, bijlen, zwaarden, s'ataghnî's [katapulten] en bhus'undi's [gevleugelde projectielen] dreven ze met hun pijlen al de aanvoerders van de goddelijke strijdkrachten uiteen. (24) Als sterren aan de hemel overdekt door wolken, kon men ze niet meer zien, volledig bedolven als ze waren onder de stortvloed aan pijlen die van alle kanten over hen heen vielen. (25) De regen van pijlen en andere wapens bereikte echter de legers der verlichte zielen niet daar de halfgoden ze snel in hun vlucht in duizenden stukken hakten. (26) Toen daaropvolgend hun pijlen en wapens opraakten lieten ze een regen van bergpieken, bomen en stenen neerdalen die als voorheen door de strijdmacht der sura's aan stukken werden geslagen. (27) Ziend dat ze zonder ook maar een schrammetje ongedeerd bleven onder de massa's wapens en mantra's en dat ze ook niet verwond werden door de bomen, de stenen of de verschillende bergpieken, werden de troepen aangevoerd door Vritrâsura zeer bang voor Indra's soldaten. (28) Al hun pogingen, telkens weer opnieuw uitvallend tegen de halfgoden die de bescherming van Krishna genoten, liepen op niets uit precies zoals de ruige woorden niks te betekenen hebben die kleine lieden gebruiken als ze schelden op de groten. (29) Zij, zonder toewijding tot de Heer, verlieten, al hun pogen vruchteloos ziend en verslagen in hun trots als strijders, toen de strijd nog maar net begonnen was het slagveld, de hen aansporende aanvoerder in de steek latend van wie alle macht tot nul was gereduceerd.

(30) Vritra die zag hoe zijn volgelingen de demonen op de vlucht waren geslagen en hoe zijn leger afgeschrikt uiteenviel, sprak als ruimdenkende held met een brede grijns de volgende woorden. (31) Gepast voor het moment en de omstandigheid formuleerde de held der helden woorden die de grootste der geesten aanspraken: 'O Vipracitti! O Namuci! O Pulomâ! O Maya, Anarvâ en S'ambara! Luister alsjeblieft naar mij. (32) Allen die worden geboren moeten onvermijdelijk de dood tegemoet zien, waar ze ook mogen bestaan in het universum; er bestaat geen remedie om dat tegen te gaan in deze wereld waarin men de kans krijgt om een betere wereld te bereiken en zegerijk te zijn. Ervan uitgaande dat dit inderdaad het geval is, wie zou er dan niet een geschikte gelegenheid om te sterven aangrijpen? (33) Er zijn twee beproefde wegen om in deze wereld eervol te sterven, en ze zijn beide erg zeldzaam. De ene bestaat eruit dat het je gegeven wordt het lichaam achter te laten als je, met het beoefenen van yoga, in het beheersen van de geest en de zinnen je concenteert op het Brahman, en de andere bestaat eruit de leiding te nemen op het veld van eer en je daarbij nimmer je rug toekeert.

 

 

next                      

 
Tweede editie, geladen 1 mei 2007.

 

 

Bronteksten:

De slag tussen de halfgoden en Vritrâsura

 

Tekst 1 :

De zoon van Vyâsa zei: 'Na aldus Indra te hebben geïnstrueerd verdween de Allerhoogste Heer Hari, de Oorspronkelijke Oorzaak van de kosmische manifestatie, vandaar voor de ogen van de toegewijden.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat Hij Indra deze opdracht had gegeven, verdween de Allerhoogste Godspersoon, Hari, de oorzaak van de kosmische openbaring, opeens uit het gezelschap van de toekijkende halfgoden. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Toen de zoon van Atharvâ [Dadhîci], de heilige, als gezegd werd verzocht door de goddelijken, zei de grote persoonlijkheid lichtelijk geamuseerd met een glimlach het volgende, o zoon van Bharata.

O koning Parîkshit, in navolging van de instructies van de Heer benaderden de halfgoden Dadhîci, de zoon van Atharvâ. Dadhîci was erg ruim van geest, en toen de halfgoden hem smeekten om hun zijn lichaam te geven, stemde hij meteen ten dele met hun verzoek in. Maar, gewoon om hen over de religieuze principes te kunnen horen spreken, glimlachte hij en sprak voor de grap als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 3:

 'Jullie allen, weten jullie niet, o zielen van God, dat alle belichaamde wezens als ze dood gaan moeten lijden onder een ondraaglijke kwelling die ze van hun bewustzijn berooft?

O verheven halfgoden, weet u niet dat op het moment van de dood het bewustzijn van alle levende wezens die een materieel lichaam hebben, weggenomen wordt door ondraaglijke pijn? (Vedabase)

 

Tekst 4:

Alle zielen worstelen om in leven te blijven waarbij ze de lichamen die ze verlangden in dit leven zeer koesteren; wie zou er bereid zijn dat lichaam op te geven, zelfs als Heer Vishnu daarom zou vragen?'

Elk levend wezen in deze materiële wereld is heel erg gehecht aan zijn lichaam. Iedereen vecht om zijn lichaam voor altijd te behouden en probeert het met alle mogelijke middelen te beschermen, zelfs al moet hij er zijn hele bezit voor opgeven. Wie zou daarom bereid zijn om zijn lichaam aan een ander af te staan, al was het Heer Vishnu Zelf die erom vroeg? (Vedabase)

 

Tekst 5:

De goddelijken zeiden: 'Wat zou er zo moeilijk zijn om op te geven, o brahmaan, voor personen van formaat als uwe heiligheid, door allen geprezen en voor een ieder vol van genade?

De halfgoden antwoordden: O verheven brâhmana, vrome mensen zoals u, wier activiteiten prijzenswaardig zijn, zijn zeer vriendelijk en hartelijk voor de gewone mensen. Is er iets wat zulke vrome zielen zouden weigeren te geven als het om het welzijn van anderen gaat? Nee, zulke nobele zielen kunnen alles geven - zonodig zelfs hun eigen lichaam. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Behoeftige mensen zullen zeker niets van anderen vragen als ze weten dat ze in moeilijkheden verkeren, noch zullen mensen die in staat zijn om te geven behoeftigen ook maar iets ontzeggen als ze op de hoogte zouden zijn van hun problemen.'

Het is uit zelfzucht dat mensen iemand anders ergens om vragen, en ze geven zich geen rekenschap van de pijn die dat voor de ander tot gevolg heeft. Als zulke bedelaars de problemen van de gever zouden kennen, zouden ze hem nooit iets vragen. Maar aan de andere kant kent ook degene die in staat is om aan liefdadigheid te doen de problemen van de bedelaars niet, want anders zou hij hun datgene waarom ze vroegen nooit weigeren. (Vedabase)

 

Tekst 7:

De grote heilige zei: 'Indachtig mijn wens van u te vernemen wat overeenkomstig de tegenwerping, die is vervat in uw weerwoord, het dharma zou zijn, moet ik voor u dit gekoesterde lichaam opgeven dat me vroeg of laat toch in de steek zou laten.

De grote wijze Dadhîci zei: Alleen maar om u over de religieuze principes te kunnen horen praten, heb ik geweigerd in te gaan op uw verzoek om mijn lichaam op te offeren. Hoewel mijn lichaam me bijzonder lief is, moet ik het nu voor uw hogere doelstellingen opgeven, want ik weet dat het me vandaag of morgen toch zal verlaten. (Vedabase)

 

Tekst 8:

 Een ieder die met de tijdelijkheid van het lichaam, mijne heren, niet van het dharma volijverig van genade is voor allen, is een infame persoonlijkheid, een beklagenswaardige persoon zelfs tegenover de schepselen die zich niet kunnen bewegen! [zie eveneens de S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka].

O halfgoden, wie geen mededogen heeft met de lijdende mensheid en zijn vergankelijk lichaam niet opoffert voor hogere zaken als religieuze principes of eeuwige glorie, wordt zelfs door de niet-bewegende wezens beslist beklaagd. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Door zij die geroemd worden om hun verdienste wordt het volgende onderkent als zijnde het onvergankelijke dharma: dat die ziel dharmisch is die treurt over het leed van andere levende wezens en zich gelukkig voelt als zij gelukkig zijn.

Wanneer iemand ongelukkig is als hij het verdriet van andere levende wezens ziet en zich gelukkig voelt bij het zien van hun geluk, noemen verheven personen die als vroom en goedgunstig beschouwd worden zijn religieuze principes onvergankelijk. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Weg met de misère, weg met de beproeving; omdat een fysiek lichaam ieder moment ten onder kan gaan en worden opgegeten door de jakhalzen zal het niet helpen je eraan vast te klampen, het is er niet voor mezelf - voor dat wat hem eigen is en voor hen die hij kent is een sterveling er met zijn lichaam om zijn leven te geven [zie ook S.B. 10.22: 35].'

Dit lichaam, dat na de dood als voedsel voor jakhalzen en honden dient, is eigenlijk van geen enkel nut voor mij, de geestelijke ziel. Het is slechts korte tijd bruikbaar en kan elk moment vergaan. Het lichaam en zijn bezittingen, rijkdom en verwanten moeten allemaal ingezet worden voor het welzijn van anderen, want anders zijn ze een bron van moeilijkheden en ellende. (Vedabase)

 

Tekst 11:

De zoon van Vyâsa zei: 'Aldus besloten tot de juiste manier van handelen gaf Dadhîci, de zoon van Atharvâ zijn lichaam op in opoffering voor het Allerhoogste, het Hoogste Brahman, de Allerhoogste Persoonlijkheid [vergelijk: 1.13: 55].

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Dadhîci Muni, de zoon van Atharvâ, besloot dus om zijn lichaam op te offeren ten bate van de halfgoden. Hij plaatste zichzelf, de geestelijke ziel, aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon en gaf op deze wijze zijn grofstoffelijke lichaam bestaande uit vijf elementen op. (Vedabase)

   

Tekst 12:

Met de zinnen, de levensadem, de geest en de intelligentie onder controle als iemand die bekend is met de werkelijkheid, raakte hij, verzonken in trance, bevrijd van de gebondenheid en vertrok hij, zich in het Allerhoogste bevindend, vandaar zonder nog langer acht te slaan op zijn materiële lichaam [zie ook B.G. 8: 5].

Dadhîci Muni bracht zijn zinnen, levenskracht, geest en intelligentie onder controle en raakte in trance. Zo verbrak hij al zijn banden met de materie. Hij kon niet waarnemen hoe zijn materiële lichaam van het zelf gescheiden werd. (Vedabase)

 

Tekst 13-14:

Daarna nam koning Indra de bliksemschicht op die Vis'vakarmâ bij de genade van de grote wijze [Dadhîci] had weten te vervaardigen. Vol van de geesteskracht des Heren en gewapend met de ondersteuning van al de andere goden, reed hij vol glans uit op de rug van Gajendra [zijn olifant], waarbij de muni's gebeden aan hem opdroegen tot het klaarblijkelijke genoegen van al de drie werelden.

Daarna pakte koning Indra de bliksemschicht die Vis'vakarmâ van de beenderen van Dadhîci vervaardigd had heel stevig vast. Geladen met de verheven kracht van Dadhîci Muni en verlicht door de macht van de Allerhoogste Godspersoon, reed Indra op de rug van zijn olifant Airâvata weg, omringd door alle aanwezige halfgoden, terwijl alle grote wijzen hem loofden. Hij straalde schitterend en alledrie de werelden verheugden zich toen hij daar zo wegreed om Vritrâsura te gaan doden. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Vritrâsura omringd door de asura leiders en commandanten werd met veel geweld als de vijand aangevallen, o Koning, zoals een kwade Rudra dat deed met Antaka [Yamarâja].

Beste koning Parîkshit, net als Rudra, vroeger, toen hij heel kwaad op Antaka [Yamarâja] was en naar hem toesnelde om hem te doden, viel Indra woedend en met groot geweld Vritrâsura aan, die omringd was door de leiders van de demonenlegers. (Vedabase)
 
Tekst 16:

Wat volgde was een grote en hoogst gewelddadige veldslag tussen de sura, de goddelijke, en de asura, de demonische horden die plaatsvond op de oever van de [hemelse] Narmadâ rivier aan het begin van het eerste millennium [de Vaivasvata-manvantara] van Tretâ-yuga.

Daarna, aan het eind van het Satya-yuga en het begin van het Tretâ-yuga, vond er op de oever van de Narmadâ een hevig gevecht plaats tussen de halfgoden en de demonen. (Vedabase)

 

Tekst 17-18:

O Koning, toen allen die van de duivel waren, aangevoerd door Vritrâsura zich geplaatst zagen tegenover de glanzende weelde van Indra de Hemelse Koning met de bliksemschicht, de Rudra's, de Vasu's, de Âditya's, de Asvins, de Pitâ's, de Vahni's, de Maruts, de Ribhu's, de Sâdhya's en de Vis'vadeva's, konden ze de aanblik ervan niet verdragen.

O koning, toen de asura's met Vritrâsura aan het hoofd op het slagveld aankwamen, zagen ze koning Indra met de bliksemschicht in zijn hand, omringd door Rudra's, Vasu's, Âditya's, As'vinî-kumâra's, Pitâ's, Vahni's, Maruts, Ribhu's, Sâdhya's en Vis'vadeva's. Temidden van zijn troepen straalde en schitterde Indra zó dat de demonen zijn uitstraling niet konden verdragen. (Vedabase)

 

Tekst 19-22:   

Namuci, S'ambara, Anarvâ, Dvimûrdhâ, Rishabha, Asura, Hayagrîva, S'ankus'irâ, Vipracitti, Ayomukha, Pulomâ, Vrishaparvâ, Praheti, Heti en Utkala en de honderden en duizenden overige Daitya's, Danava's,Yaksha's, Râkshasa's en anderen aangevoerd door Sumâli en Mâli, die allen behangen waren met gouden sierselen en dreven de voorhoede terug van Indra's leger, dat zelfs voor de dood zelve moeilijk te benaderen was. Onbevreesd vielen ze fanatiek brullend als leeuwen hen aan met hun knuppels, met ijzer beslagen knotsen, pijlen, getande lansen, strijdhamers en speren.

De vele honderdduizenden demonen, half-demonen, Yaksha's, Râkshasa's [menseneters] en zo meer, met Sumâli en Mâli aan het hoofd, hielden stand tegen de legers van koning Indra, die zelfs door de dood in persoon niet gemakkelijk te verslaan waren. Onder de demonen bevonden zich Namuci, S'ambara, Anarvâ, Dvimûrdhâ, Rishabha, Asura, Hayagrîva, S'ankus'irâ, Vipracitti, Ayomukha, Pulomâ, Vrishaparvâ, Praheti, Heti en Utkala. Onder luid gebrul en onbevreesd als leeuwen brachten deze onverslaanbare demonen, die allemaal gouden sieraden droegen, de halfgoden gevoelige klappen toe met hun knotsen, knuppels, pijlen, gehaakte werpspiesen, hamers en lansen. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Met hun uitrusting aan speren, bijlen, zwaarden, s'ataghnî's [katapulten] en bhus'undi's [gevleugelde projectielen] dreven ze met hun pijlen al de aanvoerders van de goddelijke strijdkrachten uiteen.

Gewapend met lansen, drietanden, bijlen, zwaarden en andere wapens als s'ataghnî's en bhus'undi's, vielen de demonen van verschillende kanten tegelijk aan en dreven de aanvoerders van de halfgodenlegers uiteen. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Als sterren aan de hemel overdekt door wolken, kon men ze niet meer zien, volledig bedolven als ze waren onder de stortvloed aan pijlen die van alle kanten over hen heen vielen.

Zoals men de sterren aan de hemel niet kan zien wanneer er een dik wolkendek hangt, kon men ook de halfgoden niet meer ontwaren, omdat ze helemaal overdekt waren met een netwerk van pijlen, die de een na de ander op hen neerregenden. (Vedabase)

  

Tekst 25:

De regen van pijlen en andere wapens bereikte echter de legers der verlichte zielen niet daar de halfgoden ze snel in hun vlucht in duizenden stukken hakten.

De regen van allerlei wapentuig en pijlen, losgelaten om de soldaten van de halfgoden te doden, bereikte hen echter niet omdat de halfgoden razendsnel reageerden en de wapens terwijl ze nog door de lucht vlogen in duizenden stukken braken. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Toen daaropvolgend hun pijlen en wapens opraakten lieten ze een regen van bergpieken, bomen en stenen neerdalen die als voorheen door de strijdmacht der sura's aan stukken werden geslagen.

Toen de demonen merkten dat ze steeds minder wapens en mantra's overhielden, begonnen ze de soldaten van de halfgoden met bergpieken, bomen en stenen te bekogelen, maar de halfgoden waren zo machtig en vaardig dat ze al deze wapens eveneens uitschakelden door ze net als de vorige in de lucht in stukken te slaan. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Ziend dat ze zonder ook maar een schrammetje ongedeerd bleven onder de massa's wapens en mantra's en dat ze ook niet verwond werden door de bomen, de stenen of de verschillende bergpieken, werden de troepen aangevoerd door Vritrâsura zeer bang voor Indra's soldaten.

Toen de soldaten van de demonen, die aangevoerd werden door Vritrâsura, zagen dat het nog steeds heel goed met de soldaten van koning Indra ging, en dat ze helemaal niet door hun wapensalvo's waren gewond, zelfs niet door de bomen, stenen en bergpieken, raakten ze in paniek. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Al hun pogingen, telkens weer opnieuw uitvallend tegen de halfgoden die de bescherming van Krishna genoten, liepen op niets uit precies zoals de ruige woorden niks te betekenen hebben die kleine lieden gebruiken als ze schelden op de groten.

Wanneer onbeduidende mensen ruwe woorden gebruiken en heiligen kwaadwillig en ongegrond beschuldigen, storen hun vruchteloze woorden zulke grote persoonlijkheden niet. Zo waren ook alle pogingen van de demonen om de halfgoden te vernietigen vergeefs, want deze hadden het geluk dat ze onder bescherming van Krishna stonden. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Zij, zonder toewijding tot de Heer, verlieten, al hun pogen vruchteloos ziend en verslagen in hun trots als strijders, toen de strijd nog maar net begonnen was het slagveld, de hen aansporende aanvoerder in de steek latend van wie alle macht tot nul was gereduceerd.

Toen de asura's, die nooit toegewijden van de Allerhoogste Godspersoon Heer Krishna zijn, zagen dat al hun inspanningen vergeefs waren, verloren ze hun krijgerstrots. Hoewel de strijd nog maar net begonnen was, lieten ze hun leider in de steek en besloten te vluchten daar de vijand hun alle moed ontnomen had. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Vritra die zag hoe zijn volgelingen de demonen op de vlucht waren geslagen en hoe zijn leger afgeschrikt uiteenviel, sprak als ruimdenkende held met een brede grijns de volgende woorden.

Toen Vritrâsura, die werkelijk een grootmoedige held was, zag dat zijn leger uit elkaar viel en dat alle asura's - zelfs degenen die als grote helden bekendstonden - in paniek van het slagveld vluchtten, glimlachte hij en sprak als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Gepast voor het moment en de omstandigheid formuleerde de held der helden woorden die de grootste der geesten aanspraken: 'O Vipracitti! O Namuci! O Pulomâ! O Maya, Anarvâ en S'ambara! Luister alsjeblieft naar mij.

Vritrâsura, de held onder de helden, sprak woorden die hem niet alleen waardig waren en pasten bij tijd en omstandigheden, maar bovendien zeer gewaardeerd zouden worden door verstandige mensen. Hij riep de helden van de demonen bij hun naam: "O Vipracitti! O Namuci! O Pulomâ! O Maya, Anarvâ en S'ambara! Hoor me alstublieft aan en vlucht niet." (Vedabase)

 

Tekst 32:

Allen die worden geboren moeten onvermijdelijk de dood tegemoet zien, waar ze ook mogen bestaan in het universum; er bestaat geen remedie om dat tegen te gaan in deze wereld waarin men de kans krijgt om een betere wereld te bereiken en zegerijk te zijn. Ervan uitgaande dat dit inderdaad het geval is, wie zou er dan niet een geschikte gelegenheid om te sterven aangrijpen?

Vritrâsura zei: Alle levende wezens die in deze materiële wereld geboren zijn, moeten sterven. Het is zonder meer een feit dat niemand in deze wereld een methode heeft gevonden om gered te worden van de dood; zelfs de voorzienigheid weet er niet aan te ontsnappen. Wie zal onder deze omstandigheden, gezien de dood toch onvermijdelijk is, niet voor een roemvolle dood kiezen als hij daarmee de hogere planetenstelsels kan bereiken en hier beneden altijd in ere gehouden zal worden? (Vedabase)

 

Tekst 33:

Er zijn twee beproefde wegen om in deze wereld eervol te sterven, en ze zijn beide erg zeldzaam. De ene bestaat eruit dat het je gegeven wordt het lichaam achter te laten als je, met het beoefenen van yoga, in het beheersen van de geest en de zinnen je concenteert op het Brahman, en de andere bestaat eruit de leiding te nemen op het veld van eer en je daarbij nimmer je rug toekeert.'

Er zijn twee manieren om een roemvolle dood te sterven, en het komt allebei zeer zelden voor. De ene is dat men sterft na beoefening van mystieke yoga, met name bhakti-yoga, waardoor men in staat is om zijn geest en levenskracht te beheersen en verdiept in gedachten aan de Allerhoogste Godspersoon zijn lichaam te verlaten; en de andere is dat men op het slagveld sterft terwijl men het leger aanvoert, en de vijand nooit zijn rug toekeert. Deze twee manieren van sterven worden in de s'âstra aangeprezen als roemvol. (Vedabase)

  

 *10.22: 35 Het is de plicht van ieder levend wezen om met zijn leven, welvaart, intelligentie en woorden goede daden te verrichten voor het heil van anderen.

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



    

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties