Canto
6
Hoofdstuk 11: De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura
(1) S'rî S'uka zei: 'Bang en van zins te vluchten in innerlijke verdeeldheid, o Koning, sloegen ze [de aanvoerders van Vritrâsura] geen acht op de woorden van hun meester die aldus het dharma benadrukte. (2-3) Toen de beste der Asura's zag dat het asura leger, opgejaagd door de halfgoden die hun kans grepen, uiteen geslagen werd alsof niemand hen beschermde, was hij, de vijand van Indra, pijnlijk getroffen. Niet in staat dat te verdragen, wees hij, ze met geweld tegenhoudend, hen boos terecht, o Koning, er zeker van het volgende te zeggen, terwijl hij zei: (4) 'Wat voor belang stelt u in deze lafhartige zoons? Er is echt geen eer te behalen aan het van achteren doden van iemand die angstig op de vlucht slaat, noch voert dat hen, die zo de held denken uit te kunnen hangen, naar een betere wereld. (5) Als u in uw strijd gelooft, geduld in uw hart hebt en vrij van verlangen bent naar zinsgenot, o kleintjes, sta dan maar eens eventjes rustig voor me stil.'
(6) Op die manier allerkwaadst waren de halfgoden, zijn vijanden, doodsbang voor het opdringige gebrul van die grote mond die iedereen de stuipen op het lijf joeg. (7) Van dat tumult van Vritra bezwijmden inderdaad al de goddelijken het zodat ze op de grond vielen alsof ze door de bliksem getroffen waren. (8) Het suraleger dat uit angst de ogen gesloten had werd onder de voet gelopen toen hij arrogant, als een kwaaie olifant die over een bos holle bamboestaken rent, met zijn drietand hoog opgeheven dermate gewelddadig rondbeende over het veld dat het de aarde deed schudden. (9) Toen hij hem in een dergelijke woede verzet tegen de zijnen te keer zag gaan, rende de drager van de bliksemschicht [Indra] op zijn vijand af en wierp hij de machtigste strijdknots naar hem. Maar de demon ving het moeilijk te weerstane wapen dat op hem afvloog met het grootste gemak met zijn linker hand op. (10) Dat vertoornde Vritrâsura nog meer en met de strijdknots sloeg hij toen, luid brullend in de strijd, Indra's olifant zo vermaard om zijn kracht op de kop. Dat wapenfeit werd geprezen door al de soldaten op het veld, o heerser der mensen. (11) Airâvata, getroffen door de knots in Vritra's hand schudde als een berg getroffen door een donderslag en werd, in grote pijn en bloed opgevend met een gebroken bek, tezamen met Indra zo'n dertien meter teruggeworpen.
(12) De grote ziel echter zag ervan af om nogmaals de knots tegen hem te gebruiken toen Indra, aldus van zijn kracht beroofd en innerlijk verscheurd over wat er was gebeurd met zijn draagdier, het dier van alle pijn en verwondingen bevrijdde door het met zijn nectargelijke hand te beroeren en hij daarna weer voor hem opstond. (13) Toen hij hem zo zag herinnerde hij zich dat Indra, zijn vijand die het verlangde met hem de strijd aan te binden met een bliksemschicht vervaardigd uit Dadhîci, o Koning Parîkchit, ooit zijn broeder had gedood. Waanzinnig van het verdriet over die grote en wrede zonde, richtte hij zich sarcastisch lachend tot hem. (14) S'rî Vritra zei: 'Hoe fortuinlijk is het om uwe heerlijkheid als mijn vijand tegemoet te mogen treden, u die de moordenaar bent van een brahmaan die zijn eigen goeroe heeft gedood en de slachter is van mijn eigen broeder; wat een geluk heb ik vandaag te worden verlost van mijn schuld aan mijn broeder, o complete valsheid, nu ik u zo spoedig met mijn drietand recht door uw hart van steen kan steken! (15) Alsof hij een beest was hebt u, begeertig naar de hemel, met uw zwaard genadeloos hem, onze oudere broeder, zijn drie hoofden afgehouwen - hij die een volledig gekwalificeerde en zelfverwerkelijkte brahmaan was en uw geestelijk leraar vrij van alle zonde die de leiding over de offers was toevertrouwd. (16) U, verstoken van alle schaamte, genade, schoonheid en glorie bent door uw optreden zelfs verwerpelijk voor een onmens; u zult langzaam moeten creperen als ik met mijn drietand uw lichaam doorboor, dat ten leste niet zal worden verbrand, maar zal worden opgegeten door de gieren.
(17) Als u in dezen zo wreed tezamen met de anderen, die er geen idee van hebben wie ze tegenover zich hebben, mij aanvallen met geheven zwaarden, zal ik, met hun afgehouwen koppen op mijn puntige drietand, een offer van ze bereiden voor de leider der geesten en zijn horden. (18) Anderzijds, o heerschap, als u met uw bliksemschicht, o held, er in deze strijd in slaagt mijn hoofd van de romp te scheiden en mijn leger te vernietigen zal ik, in dat geval bevrijd van alle schuld, ten prooi vallen aan de lijkenpikkers en het stof van de voeten der grote wijzen verwerven. (19) O meester der halfgoden, waarom smijt u uw bliksemschicht niet naar mij, uw vijand die voor u staat; twijfel niet aan zijn trefzekerheid, in tegenstelling tot de strijdknots die net als het verzoek om geld bij een armoedzaaier geen effect had, vermag die schicht erin te slagen. (20) Voorzeker zal door deze bliksemschicht van u o Indra, gezegend met zowel de vermogens van Vishnu als met de kracht der boete van Dadhîci, zonder mankeren uw vijand ter dood worden gebracht; wat dan ook verordend door Heer Vishnu zal waar dan ook de overwinning des Heren afroepen en precies daar zal al Zijn weelde en kwaliteit worden aangetroffen. (21) Ik, mijn geest stevig verankerend zal, precies zoals is gezegd bij onze Heer Sankarshana Zijn lotusvoeten [zie 5.25], door de kracht van uw bliksemschicht het koord van de materiële gehechtheid doorsneden zien en de bestemming bereiken van de muni's in het eraan gegeven hebben van deze materiële wereld. (22) Hij zal personen gevorderd in het spirituele die hij rekent tot de Zijnen niet toerusten met de soorten van weelde gevonden in de goddelijke, de aardse of de helse sferen omdat er als gevolg van hen de afgunst, zorgen, agitatie, trots, twist, het leed en de oorlogszucht zijn. (23) O Indra, de plannen van een zelfrealiserende persoon terwille van de drie levensdoelen [der religie, de economie en de bevrediging] worden door de Heer der toegewijden teruggedrongen, en daaruit kan men de speciale genade afleiden van de Fortuinlijke die, zo nabij voor de toegewijden, zo heel moeilijk te verwerven is voor anderen. (24) [En dus bidt ik:] 'Zal ik, o mijn Heer, wiens enige toevlucht het verblijf aan Uw lotusvoeten is, wederom de dienaar van Uw dienaar worden; mag mijn geest zich de bovenzinnelijke eigenschappen blijven herinneren van U, o Heer van mijn leven, mogen mijn woorden van de zang zijn en mag mijn lichaam zich inzetten in het werken voor U? (25) Niet de hemelse planeten noch de allerhoogste verblijfplaats, niet de heerschappij over de wereld noch de zeggenschap over de lagere werelden is wat ik verlang; ik geef niet om de volmaaktheden van de yoga of bevrijd te raken van wedergeboorte, o bron van alle kansen, al wat ik verlang is niet van U gescheiden te zijn! (26) Zoals kleine vogeltjes nog niet in staat te vliegen uitzien naar hun moeder, precies als een kalf geplaagd is door honger naar de uier, precies zoals een geliefde terneergeslagen is over de beminde die is weggegaan, net zo begerig is mijn geest U te aanschouwen, o Lotus-ogige. (27) Als iemand die U kent als degene geprezen in de geschriften, als iemand die rondwaart in deze herhaling van geboorte en dood, zoek ik Uw vriendschap; moge er, o Heer, een einde komen aan mij als iemand wiens geest door Uw uitwendige manifestatie is gebonden aan zijn eigen vruchtdragende activiteiten, lichaam, kinderen en thuis.'
Tweede editie, geladen 6 mei 2007.
Bronteksten:
De transcendentale eigenschappen van Vritrâsura
S'rî S'uka zei: 'Bang en van zins te vluchten in innerlijke verdeeldheid, o Koning, sloegen ze [de aanvoerders van Vritrâsura] geen acht op de woorden van hun meester die aldus het dharma benadrukte.S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: O koning, hoewel Vritrâsura, de opperbevelhebber van de demonen, zijn luitenants aan de principes der religie herinnerde, waren deze zodanig in de greep van de angst dat ze niet openstonden voor zijn woorden en al besloten hadden om lafhartig te vluchten. (Vedabase)
Toen de beste der Asura's zag dat het asura leger, opgejaagd door de halfgoden die hun kans grepen, uiteen geslagen werd alsof niemand hen beschermde, was hij, de vijand van Indra, pijnlijk getroffen. Niet in staat dat te verdragen, wees hij, ze met geweld tegenhoudend, hen boos terecht, o Koning, er zeker van het volgende te zeggen, terwijl hij zei:
O koning Parîkshit, de halfgoden maakten gebruik van de gunstige gelegenheid die de tijd hun bood en vielen het leger van de demonen van achteren aan. Ze begonnen de demonische soldaten te achtervolgen en dreven ze alle kanten op alsof hun leger geen aanvoerder had. Toen Vritrâsura, de beste der asura's, die Indras'atru. (de vijand van Indra) genoemd werd, zag in wat voor erbarmelijke toestand zijn soldaten verkeerden, was hij erg gegriefd. Niet in staat om zo'n nederlaag te incasseren, deed hij de halfgoden halt houden en riep ze woedend de volgende krachtige woorden toe. (Vedabase)
'Wat voor belang stelt u in deze lafhartige zoons? Er is echt geen eer te behalen aan het van achteren doden van iemand die angstig op de vlucht slaat, noch voert dat hen, die zo de held denken uit te kunnen hangen, naar een betere wereld.
O halfgoden, deze demonische soldaten zijn voor niets geboren. Ja, ze zijn net als uitwerpselen uit het lichaam van hun moeder gekomen. Wat heeft u er voor voordeel bij om zulke vijanden die uit angst wegrennen van achteren te doden? Wie zichzelf als een held beschouwt, moet geen vijand doden die bang is om zijn leven te verliezen. Zoiets is nooit roemvol en men wordt er niet door naar de hemelse planeten bevorderd. (Vedabase)
Als u in uw strijd gelooft, geduld in uw hart hebt en vrij van verlangen bent naar zinsgenot, o kleintjes, sta dan maar eens eventjes rustig voor me stil.'
O onbeduidende halfgoden, als u werkelijk vertrouwen hebt in uw eigen heldhaftigheid, als u diep in uw hart wat geduld bezit en niet op zinsbevrediging uit bent, blijf dan alstublieft een ogenblik vóór me staan. (Vedabase)
Op die manier allerkwaadst waren de halfgoden, zijn vijanden, doodsbang voor het opdringige gebrul van die grote mond die iedereen de stuipen op het lijf joeg.
S'ukadeva Gosvâmî zei: Vritrâsura, de oppermachtige held, jaagde de halfgoden met zijn zware, krachtig gebouwde lichaam en zijn boze woorden de stuipen op het lijf. Wanneer hij met zijn galmende stem aan het bulderen sloeg, vielen bijna alle levende wezens flauw. (Vedabase)
Van dat tumult van Vritra bezwijmden inderdaad al de goddelijken het zodat ze op de grond vielen alsof ze door de bliksem getroffen waren.
Toen de halfgoden Vritrasûra's luide gebrul hoorden, dat op dat van een leeuw leek, vielen ze flauw en stortten ze neer alsof ze door de bliksem getroffen waren. (Vedabase)Het suraleger dat uit angst de ogen gesloten had werd onder de voet gelopen toen hij arrogant, als een kwaaie olifant die over een bos holle bamboestaken rent, met zijn drietand hoog opgeheven dermate gewelddadig rondbeende over het veld dat het de aarde deed schudden.
Terwijl de halfgoden uit angst hun ogen sloten, nam Vritrasûra zijn drietand op en bracht de aarde met zijn geweldige kracht aan het schudden. Vervolgens begon hij de halfgoden op het slagveld onder zijn voeten te vertrappen, net zoals een razende olifant in het woud holle bamboestengels plattrapt. (Vedabase)
Toen hij hem in een dergelijke woede verzet tegen de zijnen te keer zag gaan, rende de drager van de bliksemschicht [Indra] op zijn vijand af en wierp hij de machtigste strijdknots naar hem. Maar de demon ving het moeilijk te weerstane wapen dat op hem afvloog met het grootste gemak met zijn linker hand op.
Toen Indra, de hemelkoning, Vritrasûra zo bezig zag, kon hij het niet langer verdragen en gooide een van zijn grote knotsen naar hem toe, die bijzonder moeilijk onschadelijk te maken zijn. Vritrasûra ving de op hem afvliegende knots echter zonder enige moeite met zijn linkerhand op. (Vedabase)
Dat vertoornde Vritrâsura nog meer en met de strijdknots sloeg hij toen, luid brullend in de strijd, Indra's olifant zo vermaard om zijn kracht op de kop. Dat wapenfeit werd geprezen door al de soldaten op het veld, o heerser der mensen.
O koning Parîkshit, de machtige Vritrâsura, de vijand van koning Indra, sloeg Indra's olifant woedend met die knots op zijn kop en maakte daarbij een enorm lawaai op het slagveld. Voor deze heldhaftige daad werd hij door de soldaten aan beide zijden geprezen. (Vedabase)
Airâvata, getroffen door de knots in Vritra's hand schudde als een berg getroffen door een donderslag en werd, in grote pijn en bloed opgevend met een gebroken bek, tezamen met Indra zo'n dertien meter teruggeworpen.
Toen de olifant Airâvata door de knots van Vritrasûra werd geraakt, als een berg die getroffen wordt door de bliksem, voelde hij hevige pijn en werd hij, terwijl hij bloed uit zijn gebroken bek spuwde, dertien meter teruggeworpen, waar hij in grote pijn met Indra op zijn rug neerviel. (Vedabase)
De grote ziel echter zag ervan af om nogmaals de knots tegen hem te gebruiken toen Indra, aldus van zijn kracht beroofd en innerlijk verscheurd over wat er was gebeurd met zijn draagdier, het dier van alle pijn en verwondingen bevrijdde door het met zijn nectargelijke hand te beroeren en hij daarna weer voor hem opstond.
Toen de grote ziel Vritrasûra zag hoe uitgeput en ernstig gewond Indra's olifant was en hoe bedroefd Indra zelf was om de verwondingen van zijn drager, zag hij er op basis van de religieuze principes van af om ook Indra een slag met de knots te geven. Gebruikmakend van deze gelegenheid raakte Indra de olifant met zijn nectarschenkende hand aan en verlichtte zo de pijn van het dier en genas zijn worden. De olifant en Indra bleven daar toen zwijgend staan. (Vedabase)
Toen hij hem zo zag herinnerde hij zich dat Indra, zijn vijand die het verlangde met hem de strijd aan te binden met een bliksemschicht vervaardigd uit Dadhîci, o Koning Parîkchit, ooit zijn broeder had gedood. Waanzinnig van het verdriet over die grote en wrede zonde, richtte hij zich sarcastisch lachend tot hem.
O koning, toen de grote held Vritrasûra Indra, zijn vijand, de moordenaar van zijn broer, voor zich zag staan met een bliksemschicht in de hand en begerig naar de strijd, herinnerde hij zich hoe Indra zijn broer op wrede wijze had gedood. De herinnering aan Indra's zondige activiteiten maakte hem gek van smart en vergetelheid. Met een sarcastische lach sprak hij als volgt. (Vedabase)
S'rî Vritra zei: 'Hoe fortuinlijk is het om uwe heerlijkheid als mijn vijand tegemoet te mogen treden, u die de moordenaar bent van een brahmaan die zijn eigen goeroe heeft gedood en de slachter is van mijn eigen broeder; wat een geluk heb ik vandaag te worden verlost van mijn schuld aan mijn broeder, o complete valsheid, nu ik u zo spoedig met mijn drietand recht door uw hart van steen kan steken!
S'rî Vritrasûra zei: Wat een geluk! Hij die een brâhmana gedood heeft, hij die zijn geestelijk leraar gedood heeft - ja, hij die mijn broer gedood heeft - staat nu als mijn vijand tegenover mij! O weerzinwekkend wezen, als ik je stenen hart met mijn drietand doorboor, zal ik vrij zijn van mijn schuld aan mijn broer. (Vedabase)Tekst 15:
Alsof hij een beest was hebt u, begeertig naar de hemel, met uw zwaard genadeloos hem, onze oudere broeder, zijn drie hoofden afgehouwen - hij die een volledig gekwalificeerde en zelfverwerkelijkte brahmaan was en uw geestelijk leraar vrij van alle zonde die de leiding over de offers was toevertrouwd.
Alleen maar om op de hemelse planeten te kunnen wonen, heb je mijn oudste broer, een zelfgerealiseerde, zondeloze, bekwame brâhmana gedood, die als je opperpriester aangesteld was. Hij was je geestelijk leraar, en hoewel je hem het brengen van je offer toevertrouwde, heb je later genadeloos zijn hoofden afgehakt, net zoals men een dier slacht. (Vedabase)
U, verstoken van alle schaamte, genade, schoonheid en glorie bent door uw optreden zelfs verwerpelijk voor een onmens; u zult langzaam moeten creperen als ik met mijn drietand uw lichaam doorboor, dat ten leste niet zal worden verbrand, maar zal worden opgegeten door de gieren.
O Indra, je bent verstoken van alle schaamte, genade, roem en geluk. Omdat de reacties op je baatzuchtige activiteiten je beroofd hebben van deze goede eigenschappen, verdien je het om zelfs door de menseneters [Râkshasa's] veroordeeld te worden. Ik zal nu je lichaam met mijn drietand doorboren, en nadat je in grote pijn gestorven bent, zal zelfs het vuur je niet aanraken; alleen de gieren zullen je lichaam opeten. (Vedabase)
Als u in dezen zo wreed tezamen met de anderen, die er geen idee van hebben wie ze tegenover zich hebben, mij aanvallen met geheven zwaarden, zal ik, met hun afgehouwen koppen op mijn puntige drietand, een offer van ze bereiden voor de leider der geesten en zijn horden.
Je bent van nature wreed. Als de andere halfgoden, die mijn moed niet kennen, je volgen en mij met geheven wapens aanvallen, zal ik met deze scherpe drietand hun hoofden afhakken. Met die hoofden zal ik een offer brengen aan Bhairava en de andere aanvoerders van de geesten met hun horden. (Vedabase)
Anderzijds, o heerschap, als u met uw bliksemschicht, o held, er in deze strijd in slaagt mijn hoofd van de romp te scheiden en mijn leger te vernietigen zal ik, in dat geval bevrijd van alle schuld, ten prooi vallen aan de lijkenpikkers en het stof van de voeten der grote wijzen verwerven.
Maar als jij, o Indra, o grote held, in deze strijd met je bliksemschicht mijn hoofd afhakt en mijn soldaten doodt, dan zal het me een groot genoegen zijn om mijn lichaam aan te bieden aan andere levende wezens [zoals jakhalzen en gieren]. Op die manier zal ik ontheven worden van alle verplichtingen voortkomend uit mijn karma, en zal ik het geluk kennen om het stof van de lotusvoeten van grote toegewijden als Nârada Muni te mogen ontvangen. (Vedabase)
O meester der halfgoden, waarom smijt u uw bliksemschicht niet naar mij, uw vijand die voor u staat; twijfel niet aan zijn trefzekerheid, in tegenstelling tot de strijdknots die net als het verzoek om geld bij een armoedzaaier geen effect had, vermag die schicht erin te slagen.
O koning van de halfgoden, ik, je vijand, sta nu voor je, dus waarom slinger je je bliksem niet naar me toe? Hoewel je aanval op mij met je knots even zinloos was als geld vragen aan een vrek, zal de bliksem die je draagt zonder meer zijn doel bereiken. Hieraan hoef je niet te twijfelen. (Vedabase)
Voorzeker zal door deze bliksemschicht van u o Indra, gezegend met zowel de vermogens van Vishnu als met de kracht der boete van Dadhîci, zonder mankeren uw vijand ter dood worden gebracht; wat dan ook verordend door Heer Vishnu zal waar dan ook de overwinning des Heren afroepen en precies daar zal al Zijn weelde en kwaliteit worden aangetroffen.
O Indra, koning van de hemel, de bliksemschicht die je draagt en waarmee je mij wilt doden, is geladen met de macht van Heer Vishnu en de kracht van Dadhîci's ascese. Aangezien je hierheen gekomen bent om mij op bevel van Heer Vishnu te doden, lijdt het geen twijfel dat ik gedood zal worden als je je bliksemschicht gebruikt. Heer Vishnu heeft voor jou partij gekozen. Daarom ben je verzekerd van de overwinning, van rijkdom en alle goede eigenschappen. (Vedabase)
Ik, mijn geest stevig verankerend zal, precies zoals is gezegd bij onze Heer Sankarshana Zijn lotusvoeten [zie 5.25], door de kracht van uw bliksemschicht het koord van de materiële gehechtheid doorsneden zien en de bestemming bereiken van de muni's in het eraan gegeven hebben van deze materiële wereld.
Door de kracht van je bliksem zal ik bevrijd worden uit mijn materiële gevangenschap, en zowel dit lichaam als deze wereld van materiële verlangens opgeven. Met mijn geest op de lotusvoeten van Heer Sankarshana gericht, zal ik de bestemming van zulke grote wijzen als Nârada Muni bereiken, precies zoals Heer Sankarshana gezegd heeft. (Vedabase)
Hij zal personen gevorderd in het spirituele die hij rekent tot de Zijnen niet toerusten met de soorten van weelde gevonden in de goddelijke, de aardse of de helse sferen omdat er als gevolg van hen de afgunst, zorgen, agitatie, trots, twist, het leed en de oorlogszucht zijn.
Mensen die zich volledig overgeven aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon en altijd aan Zijn lotusvoeten denken, worden door de Heer geaccepteerd en vinden erkenning als Zijn persoonlijke assistenten of dienaren. De Heer schenkt zulke dienaren nooit de schitterende rijkdommen van de hogere, middelste en lagere planetenstelsels van deze materiële wereld. Wanneer men in een van deze drie delen van het universum materiële rijkdom bezit, zal men merken dat deze bezittingen vanzelf zijn vijandigheid, zorgen, mentale onrust, trots en agressiviteit doen toenemen. Men moet zich grote inspanning getroosten om zijn bezit te vergroten en te behouden, en men lijdt veel verdriet als men het verliest. (Vedabase)
O Indra, de plannen van een zelfrealiserende persoon terwille van de drie levensdoelen [der religie, de economie en de bevrediging] worden door de Heer der toegewijden teruggedrongen, en daaruit kan men de speciale genade afleiden van de Fortuinlijke die, zo nabij voor de toegewijden, zo heel moeilijk te verwerven is voor anderen.
Onze Heer, de Allerhoogste Godspersoon, verbiedt Zijn toegewijden om zich meer dan noodzakelijk in te zetten voor wereldse religie, het verhogen van hun levensstandaard en zinsbevrediging. O Indra, daaruit kan men opmaken hoe goed de Heer is. Zulke genade ligt echter alleen binnen het bereik van zuivere toegewijden, niet van mensen die uit zijn op materieel gewin. (Vedabase)
[En dus bidt ik:] 'Zal ik, o mijn Heer, wiens enige toevlucht het verblijf aan Uw lotusvoeten is, wederom de dienaar van Uw dienaar worden; mag mijn geest zich de bovenzinnelijke eigenschappen blijven herinneren van U, o Heer van mijn leven, mogen mijn woorden van de zang zijn en mag mijn lichaam zich inzetten in het werken voor U?
O mijn Heer, o Allerhoogste Godspersoon, zal ik weer een dienaar kunnen zijn van Uw eeuwige dienaren, die geen andere toevlucht kennen dan Uw lotusvoeten? O Heer van mijn leven, mag ik weer hun dienaar worden, zodat mijn geest altijd aan Uw transcendentale eigenschappen zal denken, mijn woorden die eigenschappen voortdurend zullen verheerlijken, en mijn lichaam steeds liefdevolle dienst voor U kan doen? (Vedabase)
Niet de hemelse planeten noch de allerhoogste verblijfplaats, niet de heerschappij over de wereld noch de zeggenschap over de lagere werelden is wat ik verlang; ik geef niet om de volmaaktheden van de yoga [de siddhi's] of bevrijd te raken van wedergeboorte, o bron van alle kansen, al wat ik verlang is niet van U gescheiden te zijn!
O mijn Heer, bron van alle gunstige gelegenheden, ik verlang er niet naar om in Dhruvaloka, op de hemelse planeten of op de planeet waar Heer Brahmâ verblijft een plezierig leven te leiden, noch wil ik de allerhoogste heerser over alle aardse planeten of de lagere planetenstelsels zijn. Ik verlang er evenmin naar om een meester in mystieke yogakrachten te worden, en als ik daarvoor Uw lotusvoeten moet opgeven, wil ik ook geen bevrijding. (Vedabase)
Zoals kleine vogeltjes nog niet in staat te vliegen uitzien naar hun moeder, precies als een kalf geplaagd is door honger naar de uier, precies zoals een geliefde terneergeslagen is over de beminde die is weggegaan, net zo begerig is mijn geest U te aanschouwen, o Lotus-ogige.
O lotus-ogige Heer, zoals pasgeboren vogeltjes wier vleugels nog niet ontwikkeld zijn altijd uitkijken of hun moeder al terugkomt om hen te voeden; zoals kalfjes, vastgebonden aan touwen, ongeduldig wachten tot het melktijd is en ze de melk van hun moeders mogen drinken; of zoals een verdrietige vrouw wier man van huis weg is er altijd naar verlangt dat hij terugkomt en haar in elk opzicht bevredigt, zo smacht ik altijd naar de gelegenheid om U rechtstreeks van dienst te mogen zijn. (Vedabase)
Als iemand die U kent als degene geprezen in de geschriften, als iemand die rondwaart in deze herhaling van geboorte en dood, zoek ik Uw vriendschap; moge er, o Heer, een einde komen aan mij als iemand wiens geest door Uw uitwendige manifestatie is gebonden aan zijn eigen vruchtdragende activiteiten, lichaam, kinderen en thuis.'
O mijn Heer, mijn meester, ik zwerf door deze materiële wereld als gevolg van mijn baatzuchtige activiteiten. Daarom zoek ik gewoon de vriendschap van Uw vrome en verlichte toegewijden. Hoewel ik onder invloed van Uw uitwendige energie nog steeds gehecht ben aan mijn lichaam, vrouw, kinderen en huis, wil ik die gehechtheid verbreken. Laat mijn geest, mijn bewustzijn en alles wat ik heb alleen gehecht zijn aan U. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd