regelbalk



 

 

Canto 6

Nârada Muni

 

 

Hoofdstuk 11: De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura

(1) S'rî S'uka zei: 'Bang en verward als ze waren in hun voornemen te vluchten, o Koning, sloegen ze [de aanvoerders van Vritrâsura] geen acht op de woorden van hun meester die aldus het dharma benadrukte. (2-3) Toen de beste van de Asura's zag hoe het Asuraleger, alsof niemand hen beschermde, uiteen werd gedreven en opgejaagd door de halfgoden, nu het moment ze de kans bood, was de vijand van Indra pijnlijk getroffen. Niet in staat dat te aanvaarden hield hij de halfgoden woedend met veel geweld tegen en wees hij ze terecht met de volgende woorden, o Koning: (4) 'Wat voor belang stellen jullie in deze waardeloze moederskindjes? Er valt echt geen eer te behalen aan het van achteren aanvallen en doden van iemand die angstig op de vlucht slaat. Iemand die zo de held denkt uit te kunnen hangen, zal niet een betere wereld bereiken. (5) Als jullie in je strijd geloven, geduld in jullie harten hebben en vrij van verlangens zijn naar werelds geluk, o nietige zielen, blijf dan eens even voor me staan.'

Indra marches against the Asuras(6) Op die manier brullend met zijn buitengemeen krachtige, fysieke aanwezigheid, bedreigde hij de halfgoden, zijn vijanden, en joeg hij iedereen de stuipen op het lijf. (7) Door die uitbarsting van Vritra zakten al de godsbewusten buiten bewustzijn op de grond alsof ze door de bliksem waren getroffen. (8) Het hele Suraleger, dat uit angst zijn ogen gesloten had, werd onder de voet gelopen. Arrogant, als een kwaaie olifant die door een bos holle bamboestaken rent, beende hij, met zijn drietand hoog opgeheven, dermate gewelddadig rond over het veld dat de aarde ervan schudde. (9)  Toen hij hem zo kwaad tekeer zag gaan, rende de drager van de bliksemschicht [Indra] verbolgen op zijn vijand af en wierp hij de machtigste van strijdknotsen naar hem. Maar de demon ving het moeilijk te weerstane wapen in zijn vlucht met het grootste gemak op met zijn linker hand. (10) Dat maakte Vritrâsura nog kwader. Luid brullend bracht hij daarop Indra's olifant, die zo vermaard was om zijn kracht, een slag toe op zijn kop. Dit wapenfeit dwong het respect af van al de soldaten op het slagveld, o heerser van de mensen. (11) Airâvata, getroffen door de knots in Vritra's hand, schudde als een berg getroffen door de bliksem en werd, in grote pijn en bloed opgevend met een gebroken kaak, samen met Indra zo'n dertien meter teruggeworpen.

(12) De grote ziel [echter] zag ervan af om nogmaals de knots tegen hem te gebruiken [toen hij zag hoe] Indra, innerlijk verscheurd over wat er was gebeurd met zijn draagdier dat nog leefde, het dier dat voor hem stond van alle pijn en verwondingen verloste door hem met zijn nectargelijke hand te beroeren. (13) Toen hij Indra zo zag die, gewapend met zijn bliksemschicht, de strijd met zijn vijand wilde aanbinden, o Koning Parîkchit, herinnerde hij zich weer dat Indra in het verleden zijn broer had gedood. Waanzinnig van verdriet over die grote en wrede zonde, richtte hij zich sarcastisch lachend tot hem. (14) S'rî Vritra zei: 'Wat een geluk om u, o heer, als mijn vijand tegemoet te mogen treden, u die een brahmaan hebt afgeslacht die uw goeroe en mijn broeder was [Vis'varûpa]. Wat een geluk vandaag om spoedig de schuld te kunnen inlossen aan mijn broer door mijn drietand recht door uw hart van steen te steken, o complete valsheid in persoon! (15) U die de hemel begeert, hebt met uw zwaard genadeloos de drie hoofden van onze onschuldige, oudere broer afgehouwen alsof hij een beest was. Hij was een volledig gekwalificeerde en zelfverwerkelijkte brahmaan. Hij was uw geestelijk leraar die de leiding over de offers was toevertrouwd! (16) U, verstoken van alle schaamte, genade, schoonheid en glorie, bent door uw optreden zelfs verachtelijk in de ogen van wezens van een lager niveau dan het menselijke [zoals de Râkshasa's]. U zult in hevige pijn moeten sterven als ik met mijn drietand uw lichaam doorboord heb dat als een lijk niet zal worden verbrand maar zal worden verslonden door de gieren.

(17) U, die zich zo wreed toonde, zal ik, samen met al die anderen die u volgend zonder na te denken mij met geheven zwaarden aanvielen, met hun afgehouwen koppen op mijn puntige drietand, offeren aan [Bhairava] de aanvoerder van de boze geesten en zijn horden. (18) Maar, o heldhaftige heer van me, mocht u er met uw bliksemschicht in deze strijd in slagen mijn hoofd van mijn romp te scheiden en mijn leger te vernietigen, dan zal ik, ten prooi gevallen aan de lijkenpikkers, daarentegen bevrijd zijn van alle schuld en het stof van de voeten van de grote wijzen verwerven. (19) O meester van de halfgoden, waarom slingert u mij uw bliksemschicht niet naar het hoofd, naar uw vijand die voor u staat? Twijfel niet aan zijn trefzekerheid, de schicht kan erin slagen, in tegenstelling tot de strijdknots die zo nutteloos is als een verzoek om geld aan een armoedzaaier. (20) Deze bliksemschicht van u, o Indra, die is gezegend met zowel de vermogens van Vishnu als met de kracht van de boete van Dadhîci, zal zeker zonder meer uw vijand doden. Alles wat door Heer Vishnu tot stand werd gebracht brengt de overwinning van de Heer en al Zijn weelde en kwaliteiten. (21) De kracht van uw bliksemschicht zal het koord van mijn materiële gehechtheid doorsnijden. Als ik dan deze materiële wereld opgeef met mijn geest gericht op Heer Sankarshana's lotusvoeten, zal ik precies zoals Hij dat zegt [zie 5.25: 8], de bestemming bereiken van de muni's. (22) Personen gevorderd in het spirituele leven rekent Hij tot de Zijnen. Hij zal ze niet de weelde schenken die men vindt in de goddelijke, de aardse en de helse sferen omdat die leidt tot afgunst, zorgen, stress, trots, onenigheid, leed en strijdlust. (23) O Indra, de plannen die mensen hebben ter wille van de drie levensdoelen [van een geregelde religie, economie en zinsbevrediging] worden door de Heer gedwarsboomd. Daar moet men de speciale genade van de Fortuinlijke in herkennen die [leidt tot stabilitieit, geluk en bewustzijn welke] zo makkelijk te bereiken is voor zuivere toegewijden maar zo ver buiten het bereik ligt van anderen [die altijd verstrikt raken in de gevolgen van hun handelen]. (24) [En dus bidt ik:] 'O mijn Heer, mag ik worden herboren als een dienaar van Uw dienaar wiens enige toevlucht Uw lotusvoeten is? Moge mijn geest zich Uw bovenzinnelijke kwaliteiten blijven herinneren, o Heer van mijn leven, mogen mijn woorden vol lof zijn en moge mijn lichaam voor U arbeid verrichten!  (25) Ik verlang niet de hemel noch de hoogste positie [van Brahmâ], niet de heerschappij over de wereld en ook niet de zeggenschap over de lagere werelden. Ik geef niet om de perfecties [de siddhi's] van de yoga of om bevrijd te raken van wedergeboorte, o bron van alle kansen, al wat ik verlang is niet van U gescheiden te zijn! (26) Zoals kleine vogeltjes die nog niet kunnen vliegen uitzien naar hun moeder, zoals een kalf geplaagd door honger uitziet naar de uier, zoals een geliefde terneergeslagen is over de beminde die vertrok, zo verlangt ook mijn geest ernaar U te aanschouwen, o Lotus-ogige. (27) Moge er voor mij, die vanwege zijn karma ronddoolt in deze wereld van dood en geboorte, de vriendschap zijn met Uw mensen, [met Uw toegewijden], o Heer die wordt geprezen in de geschriften, en niet zo zeer met hen wiens geest door Uw uitwendige manifestatie is gebonden aan hun lichaam, kinderen, vrouw en huis.' 

  

next                     

 
Derde herziene editie, geladen 17 oktober, 2018.
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Bang en verward als ze waren in hun voornemen te vluchten, o Koning, sloegen ze [de aanvoerders van Vritrâsura] geen acht op de woorden van hun meester die aldus het dharma benadrukte.
S'rî S'uka zei: 'Bang en van zins te vluchten in innerlijke verdeeldheid, o Koning, sloegen ze [de aanvoerders van Vritrâsura] geen acht op de woorden van hun meester die aldus het dharma benadrukte. (Vedabase)

 

Tekst 2-3

Toen de beste van de Asura's zag hoe het Asuraleger, alsof niemand hen beschermde, uiteen werd gedreven en opgejaagd door de halfgoden, nu het moment ze de kans bood, was de vijand van Indra pijnlijk getroffen. Niet in staat dat te aanvaarden hield hij de halfgoden woedend met veel geweld tegen en wees hij ze terecht met de volgende woorden, o Koning:

Toen de beste der Asura's zag dat het asura leger, opgejaagd door de halfgoden die hun kans grepen, uiteen geslagen werd alsof niemand hen beschermde, was hij, de vijand van Indra, pijnlijk getroffen. Niet in staat dat te verdragen, wees hij, ze met geweld tegenhoudend, hen boos terecht, o Koning, er zeker van het volgende te zeggen, terwijl hij zei: (Vedabase)

  

Tekst 4

'Wat voor belang stellen jullie in deze waardeloze moederskindjes? Er valt echt geen eer te behalen aan het van achteren aanvallen en doden van iemand die angstig op de vlucht slaat. Iemand die zo de held denkt uit te kunnen hangen, zal niet een betere wereld bereiken.

'Wat voor belang stelt u in deze lafhartige zoons? Er is echt geen eer te behalen aan het van achteren doden van iemand die angstig op de vlucht slaat, noch voert dat hen, die zo de held denken uit te kunnen hangen, naar een betere wereld. (Vedabase)

 

Tekst 5

Als jullie in je strijd geloven, geduld in jullie harten hebben en vrij van verlangens zijn naar werelds geluk, o nietige zielen, blijf dan eens even voor me staan.'

Als u in uw strijd gelooft, geduld in uw hart hebt en vrij van verlangen bent naar zinsgenot, o kleintjes, sta dan maar eens eventjes rustig voor me stil.' (Vedabase)

 

Tekst 6

Op die manier brullend met zijn buitengemeen krachtige, fysieke aanwezigheid, bedreigde hij de halfgoden, zijn vijanden, en joeg hij iedereen de stuipen op het lijf.

 Op die manier allerkwaadst waren de halfgoden, zijn vijanden, doodsbang voor het opdringige gebrul van die grote mond die iedereen de stuipen op het lijf joeg. (Vedabase)

 

Tekst 7

Door die uitbarsting van Vritra zakten al de godsbewusten buiten bewustzijn op de grond alsof ze door de bliksem waren getroffen.

Van dat tumult van Vritra bezwijmden inderdaad al de goddelijken het zodat ze op de grond vielen alsof ze door de bliksem getroffen waren. (Vedabase)
 

Tekst 8

Het hele Suraleger, dat uit angst zijn ogen gesloten had, werd onder de voet gelopen. Arrogant, als een kwaaie olifant die door een bos holle bamboestaken rent, beende hij, met zijn drietand hoog opgeheven, dermate gewelddadig rond over het veld dat de aarde ervan schudde.

Het suraleger dat uit angst de ogen gesloten had werd onder de voet gelopen toen hij arrogant, als een kwaaie olifant die over een bos holle bamboestaken rent, met zijn drietand hoog opgeheven dermate gewelddadig rondbeende over het veld dat het de aarde deed schudden. (Vedabase)

 

Tekst 9

Toen hij hem zo kwaad tekeer zag gaan, rende de drager van de bliksemschicht [Indra] verbolgen op zijn vijand af en wierp hij de machtigste van strijdknotsen naar hem. Maar de demon ving het moeilijk te weerstane wapen in zijn vlucht met het grootste gemak op met zijn linker hand.

Toen hij hem in een dergelijke woede verzet tegen de zijnen te keer zag gaan, rende de drager van de bliksemschicht [Indra] op zijn vijand af en wierp hij de machtigste strijdknots naar hem. Maar de demon ving het moeilijk te weerstane wapen dat op hem afvloog met het grootste gemak met zijn linker hand op. (Vedabase)

 

Tekst 10

Dat maakte Vritrâsura nog kwader. Luid brullend bracht hij daarop Indra's olifant, die zo vermaard was om zijn kracht, een slag toe op zijn kop. Dit wapenfeit dwong het respect af van al de soldaten op het slagveld, o heerser van de mensen.

Dat vertoornde Vritrâsura nog meer en met de strijdknots sloeg hij toen, luid brullend in de strijd, Indra's olifant zo vermaard om zijn kracht op de kop. Dat wapenfeit werd geprezen door al de soldaten op het veld, o heerser der mensen. (Vedabase)

 

Tekst 11

Airâvata, getroffen door de knots in Vritra's hand, schudde als een berg getroffen door de bliksem en werd, in grote pijn en bloed opgevend met een gebroken kaak, samen met Indra zo'n dertien meter teruggeworpen.

Airâvata, getroffen door de knots in Vritra's hand schudde als een berg getroffen door een donderslag en werd, in grote pijn en bloed opgevend met een gebroken bek, tezamen met Indra zo'n dertien meter teruggeworpen. (Vedabase)

   

Tekst 12

De grote ziel [echter] zag ervan af om nogmaals de knots tegen hem te gebruiken [toen hij zag hoe] Indra, innerlijk verscheurd over wat er was gebeurd met zijn draagdier dat nog leefde, het dier dat voor hem stond van alle pijn en verwondingen verloste door hem met zijn nectargelijke hand te beroeren.

De grote ziel echter zag ervan af om nogmaals de knots tegen hem te gebruiken toen Indra, aldus van zijn kracht beroofd en innerlijk verscheurd over wat er was gebeurd met zijn draagdier, het dier van alle pijn en verwondingen bevrijdde door het met zijn nectargelijke hand te beroeren en hij daarna weer voor hem opstond. (Vedabase)

 

Tekst 13

Toen hij Indra zo zag die, gewapend met zijn bliksemschicht, de strijd met zijn vijand wilde aanbinden, o Koning Parîkchit, herinnerde hij zich weer dat Indra in het verleden zijn broer had gedood. Waanzinnig van verdriet over die grote en wrede zonde, richtte hij zich sarcastisch lachend tot hem.

Toen hij hem zo zag herinnerde hij zich dat Indra, zijn vijand die het verlangde met hem de strijd aan te binden met een bliksemschicht vervaardigd uit Dadhîci, o Koning Parîkchit, ooit zijn broeder had gedood. Waanzinnig van het verdriet over die grote en wrede zonde, richtte hij zich sarcastisch lachend tot hem. (Vedabase)

 

Tekst 14

S'rî Vritra zei: 'Wat een geluk om u, o heer, als mijn vijand tegemoet te mogen treden, u die een brahmaan hebt afgeslacht die uw goeroe en mijn broeder was [Vis'varûpa]. Wat een geluk vandaag om spoedig de schuld te kunnen inlossen aan mijn broer door mijn drietand recht door uw hart van steen te steken, o complete valsheid in persoon!

S'rî Vritra zei: 'Hoe fortuinlijk is het om uwe heerlijkheid als mijn vijand tegemoet te mogen treden, u die de moordenaar bent van een brahmaan die zijn eigen goeroe heeft gedood en de slachter is van mijn eigen broeder; wat een geluk heb ik vandaag te worden verlost van mijn schuld aan mijn broeder, o complete valsheid, nu ik u zo spoedig met mijn drietand recht door uw hart van steen kan steken! (Vedabase)
 
Tekst 15

U die de hemel begeert, hebt met uw zwaard genadeloos de drie hoofden van onze onschuldige, oudere broer afgehouwen alsof hij een beest was. Hij was een volledig gekwalificeerde en zelfverwerkelijkte brahmaan. Hij was uw geestelijk leraar die de leiding over de offers was toevertrouwd!

Alsof hij een beest was hebt u, begeertig naar de hemel, met uw zwaard genadeloos hem, onze oudere broeder, zijn drie hoofden afgehouwen - hij die een volledig gekwalificeerde en zelfverwerkelijkte brahmaan was en uw geestelijk leraar vrij van alle zonde die de leiding over de offers was toevertrouwd. (Vedabase)

 

Tekst 16

U, verstoken van alle schaamte, genade, schoonheid en glorie, bent door uw optreden zelfs verachtelijk in de ogen van wezens van een lager niveau dan het menselijke [zoals de Râkshasa's]. U zult in hevige pijn moeten sterven als ik met mijn drietand uw lichaam doorboord heb dat als een lijk niet zal worden verbrand maar zal worden verslonden door de gieren.

U, verstoken van alle schaamte, genade, schoonheid en glorie bent door uw optreden zelfs verwerpelijk voor een onmens; u zult langzaam moeten creperen als ik met mijn drietand uw lichaam doorboor, dat ten leste niet zal worden verbrand, maar zal worden opgegeten door de gieren. (Vedabase)

 

Tekst 17

U, die zich zo wreed toonde, zal ik, samen met al die anderen die u volgend zonder na te denken mij met geheven zwaarden aanvielen, met hun afgehouwen koppen op mijn puntige drietand, offeren aan [Bhairava] de aanvoerder van de boze geesten en zijn horden.

Als u in dezen zo wreed tezamen met de anderen, die er geen idee van hebben wie ze tegenover zich hebben, mij aanvallen met geheven zwaarden, zal ik, met hun afgehouwen koppen op mijn puntige drietand, een offer van ze bereiden voor de leider der geesten en zijn horden. (Vedabase)

 

Tekst 18   

Maar, o heldhaftige heer van me, mocht u er met uw bliksemschicht in deze strijd in slagen mijn hoofd van mijn romp te scheiden en mijn leger te vernietigen, dan zal ik, ten prooi gevallen aan de lijkenpikkers, daarentegen bevrijd zijn van alle schuld en het stof van de voeten van de grote wijzen verwerven.

Anderzijds, o heerschap, als u met uw bliksemschicht, o held, er in deze strijd in slaagt mijn hoofd van de romp te scheiden en mijn leger te vernietigen zal ik, in dat geval bevrijd van alle schuld, ten prooi vallen aan de lijkenpikkers en het stof van de voeten der grote wijzen verwerven. (Vedabase)

 

Tekst 19

O meester van de halfgoden, waarom slingert u mij uw bliksemschicht niet naar het hoofd, naar uw vijand die voor u staat? Twijfel niet aan zijn trefzekerheid, de schicht kan erin slagen, in tegenstelling tot de strijdknots die zo nutteloos is als een verzoek om geld aan een armoedzaaier.

O meester der halfgoden, waarom smijt u uw bliksemschicht niet naar mij, uw vijand die voor u staat; twijfel niet aan zijn trefzekerheid, in tegenstelling tot de strijdknots die net als het verzoek om geld bij een armoedzaaier geen effect had, vermag die schicht erin te slagen. (Vedabase)

 

Tekst 20

Deze bliksemschicht van u, o Indra, die is gezegend met zowel de vermogens van Vishnu als met de kracht van de boete van Dadhîci, zal zeker zonder meer uw vijand doden. Alles wat door Heer Vishnu tot stand werd gebracht brengt de overwinning van de Heer en al Zijn weelde en kwaliteiten.

Voorzeker zal door deze bliksemschicht van u o Indra, gezegend met zowel de vermogens van Vishnu als met de kracht der boete van Dadhîci, zonder mankeren uw vijand ter dood worden gebracht; wat dan ook verordend door Heer Vishnu zal waar dan ook de overwinning des Heren afroepen en precies daar zal al Zijn weelde en kwaliteit worden aangetroffen. (Vedabase)


Tekst 21

De kracht van uw bliksemschicht zal het koord van mijn materiële gehechtheid doorsnijden. Als ik dan deze materiële wereld opgeef met mijn geest gericht op Heer Sankarshana's lotusvoeten, zal ik precies zoals Hij dat zegt [zie 5.25: 8], de bestemming bereiken van de muni's.

Ik, mijn geest stevig verankerend zal, precies zoals is gezegd bij onze Heer Sankarshana Zijn lotusvoeten [zie 5.25], door de kracht van uw bliksemschicht het koord van de materiële gehechtheid doorsneden zien en de bestemming bereiken van de muni's in het eraan gegeven hebben van deze materiële wereld. (Vedabase)

 

Tekst 22

Personen gevorderd in het spirituele leven rekent Hij tot de Zijnen. Hij zal ze niet de weelde schenken die men vindt in de goddelijke, de aardse en de helse sferen omdat die leidt tot afgunst, zorgen, stress, trots, onenigheid, leed en strijdlust.

Hij zal personen gevorderd in het spirituele die hij rekent tot de Zijnen niet toerusten met de soorten van weelde gevonden in de goddelijke, de aardse of de helse sferen omdat er als gevolg van hen de afgunst, zorgen, agitatie, trots, twist, het leed en de oorlogszucht zijn. (Vedabase)


Tekst 23

O Indra, de plannen die mensen hebben ter wille van de drie levensdoelen [van een geregelde religie, economie en zinsbevrediging] worden door de Heer gedwarsboomd. Daar moet men de speciale genade van de Fortuinlijke in herkennen die [leidt tot stabilitieit, geluk en bewustzijn welke] zo makkelijk te bereiken is voor zuivere toegewijden maar zo ver buiten het bereik ligt van anderen [die altijd verstrikt raken in de gevolgen van hun handelen].

O Indra, de plannen van een zelfrealiserende persoon terwille van de drie levensdoelen [der religie, de economie en de bevrediging] worden door de Heer der toegewijden teruggedrongen, en daaruit kan men de speciale genade afleiden van de Fortuinlijke die, zo nabij voor de toegewijden, zo heel moeilijk te verwerven is voor anderen. (Vedabase)


Tekst 24

[En dus bidt ik:] 'O mijn Heer, mag ik worden herboren als een dienaar van Uw dienaar wiens enige toevlucht Uw lotusvoeten is? Moge mijn geest zich Uw bovenzinnelijke kwaliteiten blijven herinneren, o Heer van mijn leven, mogen mijn woorden vol lof zijn en moge mijn lichaam voor U arbeid verrichten!

[En dus bidt ik:] 'Zal ik, o mijn Heer, wiens enige toevlucht het verblijf aan Uw lotusvoeten is, wederom de dienaar van Uw dienaar worden; mag mijn geest zich de bovenzinnelijke eigenschappen blijven herinneren van U, o Heer van mijn leven, mogen mijn woorden van de zang zijn en mag mijn lichaam zich inzetten in het werken voor U? (Vedabase)

 

Tekst 25

Ik verlang niet de hemel noch de hoogste positie [van Brahmâ], niet de heerschappij over de wereld en ook niet de zeggenschap over de lagere werelden. Ik geef niet om de perfecties [de siddhi's] van de yoga of om bevrijd te raken van wedergeboorte, o bron van alle kansen, al wat ik verlang is niet van U gescheiden te zijn!

Niet de hemelse planeten noch de allerhoogste verblijfplaats, niet de heerschappij over de wereld noch de zeggenschap over de lagere werelden is wat ik verlang; ik geef niet om de volmaaktheden van de yoga [de siddhi's] of bevrijd te raken van wedergeboorte, o bron van alle kansen, al wat ik verlang is niet van U gescheiden te zijn! (Vedabase)

 

Tekst 26

Zoals kleine vogeltjes die nog niet kunnen vliegen uitzien naar hun moeder, zoals een kalf geplaagd door honger uitziet naar de uier, zoals een geliefde terneergeslagen is over de beminde die vertrok, zo verlangt ook mijn geest ernaar U te aanschouwen, o Lotus-ogige.

Zoals kleine vogeltjes nog niet in staat te vliegen uitzien naar hun moeder, precies als een kalf geplaagd is door honger naar de uier, precies zoals een geliefde terneergeslagen is over de beminde die is weggegaan, net zo begerig is mijn geest U te aanschouwen, o Lotus-ogige. (Vedabase)

 

Tekst 27

Moge er voor mij, die vanwege zijn karma ronddoolt in deze wereld van dood en geboorte, de vriendschap zijn met Uw mensen, [met Uw toegewijden], o Heer die wordt geprezen in de geschriften, en niet zo zeer met hen wiens geest door Uw uitwendige manifestatie is gebonden aan hun lichaam, kinderen, vrouw en huis.'

Als iemand die U kent als degene geprezen in de geschriften, als iemand die rondwaart in deze herhaling van geboorte en dood, zoek ik Uw vriendschap; moge er, o Heer, een einde komen aan mij als iemand wiens geest door Uw uitwendige manifestatie is gebonden aan zijn eigen vruchtdragende activiteiten, lichaam, kinderen en thuis.' (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding is getiteld: 'Lord Indra riding the Airavat, the eight trunked elephant'
Copyright © 1996-2004,
Kamat's Potpourri. Alle rechten voorbehouden.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties