regelbalk


 

Canto 5

Bhajahû Re Mana

 

 

Hoofdstuk 16: Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

(1) De koning [Parîkchit] zei: 'U heeft het [in 5.1: 31-33] al gehad over de sfeer van de zeven toevluchtsoorden [Bhû-mandala]: dat die zich uitstrekt zo ver als de zon reikt en zover als de maan en de talloze sterren zijn te zien. (2) Omdat Priyavrata in zijn wagen rondging [zie 5.1: 30-31] waren door de zeven groeven de oceanen geschapen die de zeven afzonderlijke eilanden scheidden; dit hebt u duidelijk beschreven o allergrootste en wat betreft dit onderwerp van studie zou ik graag alles willen weten van de afmetingen en de kenmerken in kwestie. (3) Naar de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer in Zijn aanvaarden van de stoffelijke vorm [van het universum] treffen we, ondanks inderdaad de geest daarover, binnenin het hart [als de paramâtmâ] Zijn kleinere gestalte aan als het licht in de ziel, als de allerhoogste geestelijke bestaansvorm; o beste leraar, alstublieft vertel me hoe Hij, bekend als de Grote Heer Vâsudeva, aldus als een feitelijk iets kan worden verstaan.

(4) De rishi zei: 'O grote Koning, er is geen einde aan de transformaties van de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer; hoewel zelfs niet een persoon zo lang levend als Brahmâ in staat is het in woorden uit te drukken of het zelfs maar te begrijpen, zal ik niettemin trachten uit te leggen wat in het bijzonder van de plaatsen van bestaan in het materiële universum in één [Bhûloka] kan worden gezegd in termen van namen, vormen en verhoudingen. (5) Wat ook [men zou kunnen zeggen van de afmeting] van dit afgezonderde gebied ['eiland' of dvîpa], deze innerlijke werveling van de zich in de nacht ontvouwende lotusbloem die net zo rond is als een lotusblad, zou van een schrikwekkend aantal yojana's zijn [als maat voor de afstand, lichtjaren zoals we dat dezer dagen zeggen in relatie tot het sterrenstelsel]. (6) Daarin treft men negen onderverdelingen aan ['jaren' of 'gebieden gescheiden door bergen'; varsha's] van negen keer duizend yojana's die keurig zijn afgescheiden door acht afgrenzingen van steen ['bergketens', 'spiraalarmen' of giri]. (7) Onder dezen bevindt zich een afdeling in de middelste navel genaamd Ilâvrita die er geheel goud uitziet en bekend staat als de beroemdste aller bergen, de berg Meru, die zich zo ver naar boven uitstrekt als die, als een gebied, breed is en welke van dit lotusachtig ontvouwen universum het zaadbeginsel is dat een tweeëndertig duizend yojana's aan de basis beslaat met zo'n zestienduizend yojana's reikend naar de top en naar beneden [volgens de moderne astronomie is ons sterrenstelsel ongeveer zevenduizend lichtjaren dik]. (8) Zich meer en meer ten noorden van Ilâvrita uitstrekkend [geprojecteerd op de aardbol] treft men drie berggebieden aan genaamd Nîla, S'veta en S'ringavân, die ieder ééntiende kleiner zijn in hun afbakenen van de varsha's Ramyaka, Hiranmaya en Kuru, die, [naar verhouding] elk twee duizend yojana's breed, ten oosten en ten westen zich uitstrekkend de Kshâroda oceaan hebben [de 'zoute']. (9) Dienovereenkomstig zijn er ten zuiden van Ilâvrita de Nishadha, Hemakûtha en Himâlaya berggebieden die zich met een massa van duizenden yojana's naar het oosten uitstrekken en daarbij eenzelfde aantal varsha's afbakenen die Hari, Kimpurusha en Bhârata worden genoemd. (10) Net zo zijn er ten westen van Ilâvrita zowel als aan de oostelijke kant de afscheidingen van de westelijke Mâlyavân en de oostelijke Gandhamâdana berggebieden die voor een [verhoudingsgewijze] tweeduizend yojana's zich naar het noorden uitstrekken tot aan de berg Nîla en naar het zuiden tot aan de berg Nishadha en zo de begrenzing vormen van de varsha's genaamd Ketumâla en Bhadrâs'va. (11) De bergen genaamd de Mandara, Merumandara, Supârs'va en de Kumuda vormen aan vier kanten een gordel rondom Meru die zich massief voor vele vele yojana's uitstrekt.

(12) Op deze vier bergen treft men er staand als vlaggenmasten, verspreid over wel duizend yojana's, vier soorten van de beste der bomen aan: de mango, de roosappel, de kadamba en de banyan, die met hun takken honderden van yojana's bedekken. (13-14) Er zijn daar vier meren van het zuiverste water, melk, honing, en suikerrietsap als ook de vier tuinen Nandana, Caitraratha, Vaibhrâjaka en Sarvatobhadra - de goddelijken die daar verblijven met het genieten van dit alles, hebben een natuurlijke beheersing van de yoga, o beste der Bharata dynastie. (15) Daar houden de betoverde en betoverende echtgenotes van de besten van hen, van inderdaad de echtgenoten die door de mindere goden worden verheerlijkt in lofzangen, zich bezig met hun spel en vermaak. (16) Op de hellingen van de Mandara vallen, op elfhonderd [virtuele] yojana's van de top, van de mangoboom genaamd de Devacûta vruchten naar beneden zoet als nectar die zo groot zijn als bergtoppen. (17) Van al de opengebarsten mango's vloeit in grote hoeveelheden het roodkleurig sap dat zeer zoet is en geurig, vermengd als het is met andere aroma's; het komt aan de oostelijke kant van de top van de berg Mandara naar beneden in een rivier genaamd de Arunodâ. (18) Van Bhavânî [de vrouw van S'iva], haar dienstmaagden en de kuise vrouwen der Yaksha's [S'iva's volgelingen] die dit water gebruiken, wordt de wind in aanraking met hun ledematen geurig voor wel tien yojana's in de wijde omtrek. (19) Dienovereenkomstig vloeit van de roosappelvruchten die met hun kleine zaden in stukken zijn gebarsten door van een hoogte van zo'n tienduizend yojana's vanaf de top van de Merumandara op de grond te vallen, het sap naar beneden in een rivier de Jambû-nadî genaamd die stroomt door het gehele zuidelijke gebied van Ilâvrita zelf. (20-21) De modder van de beide oevers, die volledig doordrenkt is met dat sap, levert, opgedroogd onder de invloed van de wind en de zon, zonder ophouden een soort van goud op genaamd Jâmbû-nada, dat, door de bewoners van de hemel gebruikt, daadwerkelijk de halfgoden met hun eeuwig jeugdige echtgenotes het bezit van allerlei soorten van sieraden verschaft in de vorm van gordels, helmen, armbanden en zo meer. (22) Maar van de mahâkadamba die aan de kant van de Supârs'va berg staat vloeien uit de holten meters brede stromen van honing [vijf vyâma's van ongeveer anderhalve meter breed] die van de top van die bergen naar beneden komen om de gehele westelijke kant van Ilâvrita te verzadigen met hun geur. (23) Die stroom parfumeert zodoende, door de adem uit de monden van hen die ervan dronken, de lucht zoet voor zo'n honderd yojana's in de omtrek. (24) Zo ook stromen van de top van de berg de Kumuda, waarop een banyanboom groeit die met zijn dikke stammen de S'atavals'a ['honderdstam'] wordt genoemd, grote rivieren naar de noordelijke zijde van Ilâvrita, die gelukkig maken in het vervullen van alle verlangens door een overvloed aan melk, yoghurt, honing, geklaarde boter, stroop, graan enzovoorts met zich mee te brengen, zowel als een zekere weelde aan kledij, beddengoed, zitplaatsen, sieraden en meer van dat alles. (25) Van deze geneugten hebben de bewoners in het volle gebruik van hen voorzeker nooit te lijden onder rimpels, grijs haar, vermoeidheid, slecht ruikende transpiratie, ouderdom, ziekten, een vroegtijdige dood, kou of hitte, een afnemende luister of welke soort van ellende en lijden dan ook; zolang ze leven zijn ze enkel van een onbeperkt geluk.

(26) Als de bloemdelen van een lotus wervelt zich rondom de voet van de berg Meru een schikking van twintig of meer pieken die namen dragen als de Kuranga, Kurara, Kusumbha, Vaikanka, Trikûtha, S'is'ira, Patanga, Rucaka, Nishadha, Sinîvâsa, Kapila, S'ankha, Vaidûrya, Jârudhi, Hamsa, Rishabha, Nâga, Kâlañjara en de Nârada. (27) De berg Meru met zijn gouden schittering als vuur, is omgeven door acht bergen waarvan de twee in het oosten de Jathhara en de Devakûtha worden genoemd, de twee in het westen de Pavana en de Pâriyâtra, de twee in het zuiden de Kailâsa en de Karavîra en de twee in het noorden de Tris'ringa en de Makara. Een ieder hebben ze een omvang van [een hemelse] tweeduizend yojana's, waarbij ze samen zo'n achttienduizend vierkante yojana's bestrijken. (28) Op de top van de berg Meru bevindt zich in het midden de thuishaven, de stad van de meest machtige die uit zichzelf ontstond [Heer Brahmâ], die zich naar alle zijden voor vele duizenden yojana's uitstrekt [onze melkweg doet dat voor zo'n zesentwintigduizend lichtjaren naar de centrale vorm en 40 tot 60 duizend lichtjaren in diameter, vergelijk vers 7] en waarvan de wijzen zeggen dat ze geheel en al goud is. (29) Rondom die kern worden in iedere richting de acht steden van de heersers over de planetaire systemen aangetroffen (*) die vier keer zo klein zijnde een gelijksoortige vorm hebben.

 

next                   

 
Tweede editie, geladen 15 februari, 2007.

 

 

Bronteksten: 

Beschrijving van Jambûdvîpa:

 

Tekst 1 :

De koning [Parîkchit] zei: 'U heeft het [in 5.1: 31-33] al gehad over de sfeer van de zeven toevluchtsoorden [Bhû-mandala]: dat die zich uitstrekt zo ver als de zon reikt en zover als de maan en de talloze sterren zijn te zien.

Koning Parîkshit sprak tot S'ukadeva Gosvâmî: O brâhmana, u hebt me al verteld dat de straal van Bhû-mandala even ver reikt als de hitte en het licht van de zon en zo ver als men de maan en alle sterren kan zien. (Vedabase)

 

Tekst 2 :

Omdat Priyavrata in zijn wagen rondging [zie 5.1: 30-31 ] waren door de zeven groeven de oceanen geschapen die de zeven afzonderlijke eilanden scheidden; dit hebt u duidelijk beschreven o allergrootste en wat betreft dit onderwerp van studie zou ik graag alles willen weten van de afmetingen en de kenmerken in kwestie.

Mijn heer, de wielen van Mahârâja Priyavrata's strijdwagen hadden zeven greppels gemaakt, waarin de zeven oceanen ontstaan waren. Door deze zeven oceanen is Bhû-mandala verdeeld in zeven eilanden, waarvan u de afmetingen, namen en kenmerken zeer oppervlakkig beschreven hebt. Nu zou ik daar graag alle bijzonderheden over weten. Wees daarom zo vriendelijk om mijn wens te vervullen. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Naar de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer in Zijn aanvaarden van de stoffelijke vorm [van het universum] treffen we, ondanks inderdaad de geest daarover, binnenin het hart [als de paramâtmâ] Zijn kleinere gestalte aan als het licht in de ziel, als de allerhoogste geestelijke bestaansvorm; o beste leraar, alstublieft vertel me hoe Hij, bekend als de Grote Heer Vâsudeva, aldus als een feitelijk iets kan worden verstaan.

Wanneer men de geest richt op de Allerhoogste Godspersoon in Zijn uitwendige aspect van de materiële geaardheden der natuur - de grofstoffelijke universele gedaante - dan komt men op het niveau van zuivere goedheid. In die transcendentale positie kan men de Allerhoogste Godspersoon, Vâsudeva, begrijpen, die in Zijn meer subtiele vorm van Zichzelf stralend is en boven de geaardheden der natuur staat. O heer, beschrijf alstublieft zo levendig mogelijk hoe men deze gedaante, die het hele universum omvat, kan waarnemen. (Vedabase)

 

Tekst 4:

De rishi zei: 'O grote Koning, er is geen einde aan de transformaties van de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer; hoewel zelfs niet een persoon zo lang levend als Brahmâ in staat is het in woorden uit te drukken of het zelfs maar te begrijpen, zal ik niettemin trachten uit te leggen wat in het bijzonder van de plaatsen van bestaan in het materiële universum in één [Bhûloka] kan worden gezegd in termen van namen, vormen en verhoudingen.

De grote rishi S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, er bestaan geen grenzen aan de expansie van de materiële energie van de Allerhoogste Godspersoon. Deze materiële wereld is een expansie van de materiële geaardheden [sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna], maar zelfs als men even lang zou leven als Brahmâ, zou men er nog geen volledige uitleg van kunnen geven. Niemand in de materiële wereld is volmaakt, en een onvolmaakt mens kan dit materiële universum niet nauwkeurig beschrijven, zelfs niet na oneindig lang speculeren. Toch, o koning, zal ik proberen om u een uiteenzetting te geven van de voornaamste gebieden in het universum, zoals Bhû-goloka [Bhûloka], compleet met naam, vorm, afmetingen en diverse bijzonderheden. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Wat ook [men zou kunnen zeggen van de afmeting] van dit afgezonderde gebied ['eiland' of dvîpa], deze innerlijke werveling van de zich in de nacht ontvouwende lotusbloem die net zo rond is als een lotusblad, zou van een schrikwekkend aantal yojana's zijn [als maat voor de afstand, lichtjaren zoals we dat dezer dagen zeggen in relatie tot het sterrenstelsel].

Het planetenstelsel dat we kennen als Bhû-mandala lijkt op een lotusbloem, en de zeven eilanden van Bhû-mandala zijn als de kelkbladen van deze lotus. Het eiland dat als Jambûdvîpa bekendstaat en in het midden van het hart ligt, is één miljoen yojana's [bijna 13.000.000 kilometer] lang en breed. Jambûdvîpa is rond als het blad van een lotus. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Daarin treft men negen onderverdelingen aan ['jaren' of 'gebieden gescheiden door bergen'; varsha's] van negen keer duizend yojana's die keurig zijn afgescheiden door acht afgrenzingen van steen ['bergketens', 'spiraalarmen' of giri].

Jambûdvîpa bestaat uit negen verschillende landstreken die elk een lengte van 9.000 yojana's [116.000 kilometer] hebben. Acht bergen markeren de grenzen van deze stukken land en vormen een natuurlijke scheidslijn. (Vedabase)

  

Tekst 7:

Onder dezen bevindt zich een afdeling in de middelste navel genaamd Ilâvrita die er geheel goud uitziet en bekend staat als de beroemdste aller bergen, de berg Meru, die zich zo ver naar boven uitstrekt als die, als een gebied, breed is en welke van dit lotusachtig ontvouwen universum het zaadbeginsel is dat een tweeëndertig duizend yojana's aan de basis beslaat met zo'n zestienduizend yojana's reikend naar de top en naar beneden [volgens de moderne astronomie is ons sterrenstelsel ongeveer zevenduizend lichtjaren dik].

Temidden van deze sectoren, of varsha's, ligt de varsha die men Ilâvrita noemt, precies in het centrum van de kelkbladen van de lotus. In Ilâvrita staat de berg Sumeru, die geheel van goud is. De Sumeru is als het zaadhuisje van het lotusachtige planetenstelsel Bhû-mandala. Deze berg is even hoog als Jambûdvîpa breed is - of, met andere woorden, 100.000 yojana's [1.287.000 kilometer]. Daarvan liggen 16.000 yojana's [206.000 kilometer] onder het aardoppervlak, zodat de berg 84.000 yojana's [1.081.000 kilometer] boven de aarde uitsteekt. Aan de top is hij 32.000 yojana's breed [412.000 kilometer] en aan de voet 16.000 [206.000 kilometer]. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Zich meer en meer ten noorden van Ilâvrita uitstrekkend [geprojecteerd op de aardbol] treft men drie berggebieden aan genaamd Nîla, S'veta en S'ringavân, die ieder ééntiende kleiner zijn in hun afbakenen van de varsha's Ramyaka, Hiranmaya en Kuru, die, [naar verhouding] elk twee duizend yojana's breed, ten oosten en ten westen zich uitstrekkend de Kshâroda oceaan hebben [de 'zoute'].

Even noordelijk van Ilâvrita-varsha - en in een rij uitlopend naar het noorden - staan drie bergen: de Nîla, de S'veta en de S'ringavân. Zij vormen de grens met de drie varsha's die men Ramyaka, Hiranmaya en Kuru noemt, en ze scheiden deze varsha's van elkaar. Deze bergen zijn 2.000 yojana's [bijna 26.000 kilometer] breed. In de lengte lopen ze van het oosten naar het westen, tot aan de oceaan van zout water. Van zuid naar noord gerekend, bedraagt de lengte van elke berg een tiende van de vorige, maar ze hebben wel allemaal dezelfde hoogte. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Dienovereenkomstig zijn er ten zuiden van Ilâvrita de Nishadha, Hemakûtha en Himâlaya berggebieden die zich met een massa van duizenden yojana's naar het oosten uitstrekken en daarbij eenzelfde aantal varsha's afbakenen die Hari, Kimpurusha en Bhârata worden genoemd.

Zo staan er ten zuiden van Ilâvrita-varsha drie grote bergen die van oost naar west lopen en [van noord naar zuid gerekend] de Nishadha, de Hemakûtha en de Himâlaya heten. Ze zijn elk 10.000 yojana's [bijna 130.000 kilometer] hoog en vormen de grens van de drie varsha's - Hari-varsha, Kimpurusha-varsha en Bhârata-varsha [India]. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Net zo zijn er ten westen van Ilâvrita zowel als aan de oostelijke kant de afscheidingen van de westelijke Mâlyavân en de oostelijke Gandhamâdana berggebieden die voor een [verhoudingsgewijze] tweeduizend yojana's zich naar het noorden uitstrekken tot aan de berg Nîla en naar het zuiden tot aan de berg Nishadha en zo de begrenzing vormen van de varsha's genaamd Ketumâla en Bhadrâs'va.

Zo staan er ook westelijk en oostelijk van Ilâvrita-varsha twee grote bergen, die respectievelijk de namen Mâlyavân en Gandhamâdana dragen. Deze twee bergen die elk 2.000 yojana's [bijna 26.000 kilometer] hoog zijn, komen in het noorden helemaal tot de berg Nîla en in het zuiden tot aan de Nishadha. Zij geven zowel de grenzen van Ilâvrita-varsha aan als die van de varsha's die men kent als Ketumâla en Bhadrâs'va. (Vedabase)

 

Tekst 11

De bergen genaamd de Mandara, Merumandara, Supârs'va en de Kumuda vormen aan vier kanten een gordel rondom Meru die zich massief voor vele vele yojana's uitstrekt.

Aan de vier zijden van de grote berg Sumeru staan vier andere bergen - de Mandara, de Merumandara, de Supârs'va en de Kumuda - die als het ware gordels van de Sumeru zijn. De lengte en breedte van deze bergen bedraagt 10.000 yojana's [bijna 130.000 kilometer]. (Vedabase)

 

Tekst 12

Op deze vier bergen treft men er staand als vlaggenmasten, verspreid over wel duizend yojana's, vier soorten van de beste der bomen aan: de mango, de roosappel, de kadamba en de banyan, die met hun takken honderden van yojana's bedekken.

Op de top van deze vier bergen staan, als vlaggestokken, een mango-, een roosappel-, een kadamba- en een baniaanboom. Deze bomen hebben een breedte van 100 yojana's [bijna 1.300 kilometer] en een hoogte van 1.100 yojana's [14.160 kilometer]. Het gebladerte van deze bomen meet 1.100 yojana's in doorsnee. (Vedabase)

 

Tekst 13-14:

Er zijn daar vier meren van het zuiverste water, melk, honing, en suikerrietsap als ook de vier tuinen Nandana, Caitraratha, Vaibhrâjaka en Sarvatobhadra - de goddelijken die daar verblijven met het genieten van dit alles, hebben een natuurlijke beheersing van de yoga, o beste der Bharata dynastie.

O Mahârâja Parîkshit, o beste der Bharata-dynastie, tussen deze vier bergen liggen vier enorme meren. Het water van het eerste meer smaakt net als melk; het water van het tweede als honing; en dat van het derde als suikerrietsap. Het vierde meer is gevuld met zuiver water. De hemelse wezens zoals de Siddha's, de Cârana's en de Gandharva's, die we ook kennen als halfgoden, maken gebruik van de faciliteiten die deze vier meren bieden. Daardoor komt het dat ze van nature de volmaaktheden van de mystieke yoga bezitten, zoals het vermogen om kleiner te worden dan het kleinste en groter dan het grootste. Ook zijn er vier hemelse tuinen, die de namen Nandana, Caitraratha, Vaibhrâjaka en Sarvatobhadra dragen. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Daar houden de betoverde en betoverende echtgenotes van de besten van hen, van inderdaad de echtgenoten die door de mindere goden worden verheerlijkt in lofzangen, zich bezig met hun spel en vermaak.

Vergezeld van hun vrouwen, die er stuk voor stuk uitzien als een sieraad van hemelse schoonheid, ontmoeten de besten der halfgoden elkaar in deze tuinen om er naar hartelust te genieten, terwijl de mindere halfgoden die bekendstaan als Gandharva's hun heerlijkheid bezingen. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Op de hellingen van de Mandara vallen, op elfhonderd [virtuele] yojana's van de top, van de mangoboom genaamd de Devacûta vruchten naar beneden zoet als nectar die zo groot zijn als bergtoppen.

Op een van de lager gelegen hellingen van de berg Mandara staat een mango-boom met de naam Devacûta die 1.100 yojana's hoog is. Uit de kruin van deze boom vallen mango's naar beneden die zo groot zijn als bergtoppen en zo zoet als nectar, zodat de hemelbewoners ervan kunnen genieten. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Van al de opengebarsten mango's vloeit in grote hoeveelheden het roodkleurig sap dat zeer zoet is en geurig, vermengd als het is met andere aroma's; het komt aan de oostelijke kant van de top van de berg Mandara naar beneden in een rivier genaamd de Arunodâ.

Wanneer al deze zware vruchten van zo'n grote hoogte naar beneden vallen, breken ze open zodat het zoete en geurige sap eruit loopt, en dit sap begint steeds lekkerder te ruiken naarmate het zich met andere geuren vermengt. Vervolgens stort dit sap in watervallen van de berg naar beneden om uiteindelijk een rivier te vormen met de naam Arunodâ, die vrolijk kabbelend door het oosten van Ilâvrita stroomt. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Van Bhavânî [de vrouw van S'iva], haar dienstmaagden en de kuise vrouwen der Yaksha's [S'iva's volgelingen] die dit water gebruiken, wordt de wind in aanraking met hun ledematen geurig voor wel tien yojana's in de wijde omtrek.

Wanneer de vrome vrouwen van de Yaksha's, die optreden als de persoonlijke dienaressen en assistentes van Bhavânî, de vrouw van Heer S'iva, het water van de Arunodâ drinken, begint hun lichaam heerlijk te ruiken, en als de wind die heerlijke geur met zich meedraagt, raakt in een omtrek van honderddertig kilometer de hele atmosfeer erdoor geparfumeerd. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Dienovereenkomstig vloeit van de roosappelvruchten die met hun kleine zaden in stukken zijn gebarsten door van een hoogte van zo'n tienduizend yojana's vanaf de top van de Merumandara op de grond te vallen, het sap naar beneden in een rivier de Jambû-nadî genaamd die stroomt door het gehele zuidelijke gebied van Ilâvrita zelf.

Zo gaat het ook met de vruchten van de jambû-boom, die vol vruchtvlees zitten en hele kleine pitjes hebben, en van grote hoogte naar beneden vallen en dan in stukken breken. Deze vruchten hebben het formaat van een olifant, en het sap dat eruit sijpelt vormt de rivier de Jambû-nadî. Deze rivier stort over een afstand van 10.000 yojana's naar beneden, van de top van de Merumandara tot in het zuiden van Ilâvrita, en bevloeit heel Ilâvrita met vruchtensap. (Vedabase)

 

Tekst 20-21:

De modder van de beide oevers, die volledig doordrenkt is met dat sap, levert, opgedroogd onder de invloed van de wind en de zon, zonder ophouden een soort van goud op genaamd Jâmbû-nada, dat, door de bewoners van de hemel gebruikt, daadwerkelijk de halfgoden met hun eeuwig jeugdige echtgenotes het bezit van allerlei soorten van sieraden verschaft in de vorm van gordels, helmen, armbanden en zo meer.

Wanneer de modder op de oevers van de Jambû-nadî nat wordt van het voorbijstromende sap en vervolgens weer opdroogt door de inwerking van lucht en zonneschijn, worden er enorme hoeveelheden goud voortgebracht dat men Jâmbû-nada noemt. De hemelbewoners gebruiken dit goud om er allerlei sieraden mee te maken. Zo komt het dat alle bewoners van de hemelse planeten en hun jeugdige vrouwen van top tot teen getooid zijn met gouden helmen, armbanden en gordels. Op deze wijze genieten ze van het leven. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Maar van de mahâkadamba die aan de kant van de Supârs'va berg staat vloeien uit de holten meters brede stromen van honing [vijf vyâma's van ongeveer anderhalve meter breed] die van de top van die bergen naar beneden komen om de gehele westelijke kant van Ilâvrita te verzadigen met hun geur.

Naast de berg Supârs'va staat een grote boom, een Mahâkadamba, die zeer beroemd is. Uit de holtes van deze boom stromen vijf rivieren van honing, die elk ongeveer vijf vyâma's breed zijn. Deze honing stort onophoudelijk van de top van de berg Supârs'va naar beneden en stroomt rond heel Ilâvrita, beginnend in het westen. Op deze wijze raakt het hele land vervuld van een heerlijke geur. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Die stroom parfumeert zodoende, door de adem uit de monden van hen die ervan dronken, de lucht zoet voor zo'n honderd yojana's in de omtrek.

Wanneer iemand deze honing drinkt, wordt de hele omgeving in een straal van honderd yojana's door zijn adem geparfumeerd. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Zo ook stromen van de top van de berg de Kumuda, waarop een banyanboom groeit die met zijn dikke stammen de S'atavals'a ['honderdstam'] wordt genoemd, grote rivieren naar de noordelijke zijde van Ilâvrita, die gelukkig maken in het vervullen van alle verlangens door een overvloed aan melk, yoghurt, honing, geklaarde boter, stroop, graan enzovoorts met zich mee te brengen, zowel als een zekere weelde aan kledij, beddengoed, zitplaatsen, sieraden en meer van dat alles.

Zo staat er op de berg Kumuda een grote baniaanboom die S'atavals'a genoemd wordt omdat hij honderd grote takken heeft. Uit deze takken komen vele wortels, en daar stromen weer vele rivieren uit. Deze rivieren lopen van de top van de berg naar het noorden van Ilâvrita-varsha, en de bevolking daar vaart er wel bij aangezien ze dankzij deze rivieren allemaal een onuitputtelijke voorraad melk, yoghurt, honing, geklaarde boter [ghî], melasse, granen, kleding, beddegoed, zetels en sieraden hebben. Alles wat ze zich maar wensen kunnen voor een voorspoedig leven, wordt in ruime mate aangevoerd, en daarom zijn ze erg gelukkig. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Van deze geneugten hebben de bewoners in het volle gebruik van hen voorzeker nooit te lijden onder rimpels, grijs haar, vermoeidheid, slecht ruikende transpiratie, ouderdom, ziekten, een vroegtijdige dood, kou of hitte, een afnemende luister of welke soort van ellende en lijden dan ook; zolang ze leven zijn ze enkel van een onbeperkt geluk.

De bewoners van de materiële wereld die van de produkten van deze rivieren genieten, hebben een rimpelloos lichaam en niet één grijze haar. Bovendien hebben ze nooit last van vermoeidheid en geeft hun transpiratie geen kwalijke geur. Ze kennen geen ouderdom, ziekte of een voortijdige dood, noch hebben ze ooit te lijden onder ijzige koude of verzengende hitte, en hun lichaam verliest nooit zijn glans. Ze leven allemaal heel gelukkig, zonder angst of zorgen, en dit gaat zo door tot aan hun dood. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Als de bloemdelen van een lotus wervelt zich rondom de voet van de berg Meru een schikking van twintig of meer pieken die namen dragen als de Kuranga, Kurara, Kusumbha, Vaikanka, Trikûtha, S'is'ira, Patanga, Rucaka, Nishadha, Sinîvâsa, Kapila, S'ankha, Vaidûrya, Jârudhi, Hamsa, Rishabha, Nâga, Kâlañjara en de Nârada.

Er zijn nog andere bergen die schitterend rond de voet van de berg Meru gegroepeerd staan, als meeldraden rond het hart van een lotus. De namen van deze bergen zijn de Kuranga, Kurara, Kusumbha, Vaikanka, Trikûtha, S'is'ira, Patanga, Rucaka, Nishadha, Sinîvâsa, Kapila, S'ankha, Vaidûrya, Jârudhi, Hamsa, Rishabha, Nâga, Kâlañjara en de Nârada. (Vedabase)

 

Tekst 27:

De berg Meru met zijn gouden schittering als vuur, is omgeven door acht bergen waarvan de twee in het oosten de Jathhara en de Devakûtha worden genoemd, de twee in het westen de Pavana en de Pâriyâtra, de twee in het zuiden de Kailâsa en de Karavîra en de twee in het noorden de Tris'ringa en de Makara. Een ieder hebben ze een omvang van [een hemelse] tweeduizend yojana's, waarbij ze samen zo'n achttienduizend vierkante yojana's bestrijken.

Aan de oostzijde van de berg Sumeru staan twee bergen, de Jathhara en de Devakûtha, die over een afstand van 18.000 yojana's [232.000 kilometer] naar het noorden en het zuiden uitlopen. Zo staan er ook aan de westzijde van de Sumeru twee bergen, de Pavana en de Pâriyâtra, die over dezelfde afstand eveneens naar het noorden en het zuiden uitlopen. Aan de zuidzijde van de Sumeru staan eveneens twee bergen, de Kailâsa en de Karavîra, die over een afstand van 18.000 yojana's naar het oosten en westen uitlopen, en aan de noordzijde van de Sumeru, over dezelfde afstand uitlopend naar het oosten en westen, staan de Tris'ringa en de Makara. De breedte en hoogte van al deze bergen bedraagt 2.000 yojana's [bijna 26.000 kilometer]. De Sumeru, die door deze acht bergen omringd wordt, is van massief goud en heeft zo'n stralende glans dat het lijkt alsof hij van vuur is. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Op de top van de berg Meru bevindt zich in het midden de thuishaven, de stad van de meest machtige die uit zichzelf ontstond [Heer Brahmâ], die zich naar alle zijden voor vele duizenden yojana's uitstrekt [onze melkweg doet dat voor zo'n zesentwintigduizend lichtjaren, vergelijk vers 7 ] en waarvan de wijzen zeggen dat ze geheel en al goud is.

Midden op de top van de Meru ligt de stad van Heer Brahmâ. Men heeft berekend dat elk van de vier zijden van deze stad zich uitstrekt over een gebied van tien miljoen yojana's [bijna 130.000.000 kilometer]. Omdat deze stad geheel van goud is gemaakt, wordt hij door grote geleerden en wijzen S'âtakaumbhî genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Rondom die kern worden in iedere richting de acht steden van de heersers over de planetaire systemen aangetroffen. (*) die vier keer zo klein zijnde een gelijksoortige vorm hebben.

Aan alle kanten rondom Brahmapurî liggen de residenties van de acht voornaamste heersers over de planetenstelsels, te beginnen met koning Indra. Deze steden zijn hetzelfde als Brahmapurî, maar beslaan slechts één kwart van de oppervlakte daarvan. (Vedabase)

 

*: De plaats van Brahmâ wordt Manovatî genoemd, en die van zijn assistenten zoals Indra en Agni staan bekend als Amarâvatî, Tejovatî, Samyamanî, Krishnânganâ, S'raddhâvatî, Gandhavatî, Mahodayâ en Yas'ovatî.

 

 

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De collage op deze pagina is van
Anand Aadhar.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties