regelbalk



 
 

Canto 5

Mahâmantra 2

 

 

Hoofdstuk 15: De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Bharata, genaamd Sumati die het pad van Rishabha volgde, zal in dit Kalitijdperk door sommige ketters die het ontbreekt aan de nodige beschaving, als een godheid worden beschouwd, overeenkomstig een eigengereid, ongegrond idee dat niet in de Veda's is terug te vinden [zie ook 5.6: 9]. (2) Uit de schoot van Sumati's vrouw Vriddhasenâ kwam een zoon ter wereld genaamd Devatâjit. (3) Daarna werd uit Âsurî een zoon van Devatâjit geboren genaamd Devadyumna. Uit de schoot van Devadyumna's vrouw Dhenumatî kwam de zoon Parameshthhî ter wereld uit wiens vrouw Suvarcalâ de zoon Pratîha verscheen. (4) Hij  [Pratîha] die persoonlijk de wetenschap van de zelfverwerkelijking verkondigde, was een zuivere ziel van een volmaakt begrip die zich steeds de Oorspronkelijke Persoon herinnerde. (5) Uit Pratîha's vrouw Suvarcalâ werden drie zoons geboren genaamd Pratihartâ, Prastotâ en Udgâtâ die allen bedreven waren in de Vedische rituelen. Pratihartâ verwekte in Stutî twee zoons genaamd Aja en Bhûmâ. (6) Bhûmâ's vrouw Rishikulyâ bracht Udgîtha ter wereld, door hem werd uit Devakulyâ Prastâva geboren, en Prastâva verwekte in zijn vrouw Niyutsâ de zoon Vibhu. Uit Vibhu's echtgenote Ratî werd verder Prithushena geboren die in Âkûti de zoon Nakta verwekte. Van Nakta was er een zoon uit de schoot van Druti: Gaya. Hij, als een hoogst verheven wijze koning vermaard om zijn vroomheid, werd vanwege zijn kwaliteiten herkend als zijnde een rechtstreekse expansie [kalâ] van de Allerhoogste Ziel, Heer Vishnu die zijn geboorte nam met het doel de ganse wereld te beschermen. Hij gedreven door zuivere goedheid, ontwikkelde zich tot de leidende persoonlijkheid [de mahâpurusha] in de samenleving (7) In zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn onderdanen door ze te onderhouden [poshana], hij maakte hen in alle opzichten gelukkig [prînana], behandelde ze als waren ze zijn kinderen [upalâlana] en wees ze als hun koning soms terecht [anus'âsana]. Hij voerde in ieder opzicht al de voorgeschreven religieuze plechtigheden uit voor de Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en bron van alle levende wezens die het Allerhoogste Brahman is [in eigen persoon]. Door zijn overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten en door het dienen van de lotusvoeten van de zelfgerealiseerde zielen, slaagde hij erin de Opperheer toegewijd te dienen omdat hij, die in het zuiverste bewustzijn voortdurend in de ziel verzonken was, in zichzelf de beëindiging tot stand had gebracht van alle identificatie met zijn materiële zelf. Ondanks zijn bewustijn van zijn verheven spirituele positie, heerste hij, zich verre houdend van valse trots [machtsvertoon], strikt volgens de Vedische beginselen over de hele wereld.

(8) O zoon van Pându, om Gaya te loven zingen zij die thuis zijn in de waarheid van de Purâna de volgende poëtische verzen: (9) 'Wie zou kunnen doen wat koning Gaya deed? Wie anders dan iemand die integraal deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer kan zo alom gerespecteerd zijn voor zijn Vedische kennis, voor het uitvoeren van zo veel offers, als een verdediger van rechtschapenheid met alle vormen van weelde, als het hoofd van de vergadering van waarheidlievenden en als een dienaar van de toegewijden? (10) Al de kuise en toegewijde  dochters van Daksha, wiens zegeningen altijd uitkomen, besprenkelden met grote voldoening hem met gewijd water [bij zijn kroning]. En met moeder aarde, die is als een koe die spontaan melk druppelt, vervulde hij onzelfzuchtig al de wensen van de mensen op deze planeet. (11) [Het met al de riten] van respect zijn voor ieder onderdeel van de Veda's, bezorgde hem alles wat men zich maar wensen kan, ondanks dat hij zelf geen verlangens koesterde, en vanwege de oppositie die hij bood op het slagveld bewezen al de koningen hem de eer, zoals ook de brahmanen dat deden met een zesde van de zegeningen voor een volgend leven toen hij hen volgens de regels respecteerde. (12) Koning Indra raakte zwaar beschonken van al de soma die hij dronk van de offerplechtigheden [van Gaya] ter ere van de Allerhoogste Heer, het zelf van alle offers, waarvan Hij [Vishnu] het resultaat persoonlijk aanvaardde vanwege de zuiverheid van zijn toewijding en de standvastigheid van zijn toegewijde dienst. (13) Als men de Heer in het offerperk tevredenstelt, stemt men direct al de goden, met Heer Brahmâ voorop, gunstig, alsmede het geheel van de menselijke samenleving, de lagere schepselen en de planten en de grassen. Ondanks dat Hij de tevredenheid Zelf is, ontleende de Heer grote voldoening aan Gaya!'

(14-15) Uit zijn vrouw Gayantî werden drie zoons Citraratha, Sugati en Avarodhana geboren, uit Citraratha's vrouw Ûrnâ werd Samrâth geboren en van hem werd Marîci geboren uit Utkalâ. Uit Marîci's vrouw Bindumatî was er een kind genaamd Bindu [of Bindumân] en van Bindu's vrouw Saraghâ was er een kind genaamd Madhu, waarop volgend er van Madhu's vrouw Sumanâ er een zoon ter wereld kwam die Vîravrata heette. Uit Vîravrata's echtgenote Bhojâ werden twee zoons geboren met de namen Manthu en Pramanthu en van Manthu's vrouw Satyâ kwam Bhauvana ter wereld. Van hem werd er uit Dûshanâ een zoon geboren genaamd Tvashthâ en Tvashthâ's vrouw Virocanâ gaf geboorte aan een zoon genaamd Viraja. Uit Viraja's echtgenote Vishûcî namen een honderdtal zonen [en kleinzonen] en één dochter hun geboorte met S'atajit als de eerste.

(16) Over Viraja bestaat er het volgende vers: 'Koning Viraja, die een honderdtal zoons verwekte, vormt met zijn reputatie een juweel, voor deze dynastie afstammend van Priyavrata [zie 5.1], zo groots als Heer Vishnu onder de halfgoden.'
 

 

next                   

 
Derde herziene editie, geladen 11 mei 2018. 

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'De zoon van Bharata, genaamd Sumati die het pad van Rishabha volgde, zal in dit Kalitijdperk door sommige ketters die het ontbreekt aan de nodige beschaving, als een godheid worden beschouwd, overeenkomstig een eigengereid, ongegrond idee dat niet in de Veda's is terug te vinden [zie ook 5.6: 9].
S'rî S'uka zei: 'De zoon van Bharata, die de naam Sumati droeg, zal, door sommige ketters die het pad van Rishabha volgen en wie het ontbreekt aan de nodige beschaving, in dit Kalitijdperk, naar een eigengereid ondeugdelijk idee haaks op de Veda, als een godheid worden voorgesteld [zie ook 5.6: 9]. (Vedabase)

 

Tekst 2

Uit de schoot van Sumati's vrouw Vriddhasenâ kwam een zoon ter wereld genaamd Devatâjit.

Door Sumati kwam uit de baarmoeder van zijn vrouw Vriddhasenâ een zoon ter wereld genaamd Devatâjit. (Vedabase)

 

Tekst 3

Daarna werd uit Âsurî een zoon van Devatâjit geboren genaamd Devadyumna. Uit de schoot van Devadyumna's vrouw Dhenumatî kwam de zoon Parameshthhî ter wereld uit wiens vrouw Suvarcalâ de zoon Pratîha verscheen.

Daarna werd uit Âsurî een zoon van Devatâjit geboren met de naam Devadyumna. Van hem was er van Dhenumatî de zoon Parameshthhî van wie uit Suvarcalâ de zoon Pratîha verscheen. (Vedabase)


Tekst 4

Hij [Pratîha] die persoonlijk de wetenschap van de zelfverwerkelijking verkondigde, was een zuivere ziel van een volmaakt begrip die zich steeds de Oorspronkelijke Persoon herinnerde.

Hij, tijdens zijn leven velen onderrichtend in de wetenschap der zelfverwerkelijking, was persoonlijk ver gevorderd in een volmaakt begrip van de grote Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (Vedabase)

 

Tekst 5

Uit Pratîha's vrouw Suvarcalâ werden drie zoons geboren genaamd Pratihartâ, Prastotâ en Udgâtâ die allen bedreven waren in de Vedische rituelen. Pratihartâ verwekte in Stutî twee zoons genaamd Aja en Bhûmâ.

Uit Pratîha's vrouw Suvarcalâ vonden de drie zoons Pratihartâ, Prastotâ en Udgâtâ hun bestaan, die allen bedreven waren in het vedisch ritueel, en van Pratihartâ bracht Stutî de twee zoons Aja en Bhûmâ ter wereld. (Vedabase)

 

Tekst 6

Bhûmâ's vrouw Rishikulyâ bracht Udgîtha ter wereld, door hem werd uit Devakulyâ Prastâva geboren, en Prastâva verwekte in zijn vrouw Niyutsâ de zoon Vibhu. Uit Vibhu's echtgenote Ratî werd verder Prithushena geboren die in Âkûti de zoon Nakta verwekte. Van Nakta was er een zoon uit de schoot van Druti: Gaya. Hij, als een hoogst verheven wijze koning vermaard om zijn vroomheid, werd vanwege zijn kwaliteiten herkend als zijnde een rechtstreekse expansie [kalâ] van de Allerhoogste Ziel, Heer Vishnu die zijn geboorte nam met het doel de ganse wereld te beschermen. Hij gedreven door zuivere goedheid, ontwikkelde zich tot de leidende persoonlijkheid [de mahâpurusha] in de samenleving.

Van Bhûmâ zijn vrouw Rishikulyâ was er Udgîtha, van hem werd uit Devakulyâ Prastâva geboren, en in Prastâva zijn vrouw Niyutsâ werd de zoon Vibhu verwekt. Uit Vibhu zijn echtgenote Ratî werd eveneens Prithushena geboren uit wie Nakta uit Âkûti werd geboren. Van Nakta was er een zoon uit Druti: Gaya. Hij was een hoogst verheven wijze koning vermaard om zijn zedelijkheid daar hij rechtstreeks zijn geboorte vond uit de Allerhoogste Heer Vishnu met als doel de hele wereld te beschermen. Hij, verwekt uit zuivere goedheid, werd herkend als onlosmakelijk deel uitmakend [kalâ] van de Allerhoogste Ziel en bereikte het de leidende persoonlijkheid [de mahâpurusha] te zijn in de samenleving. (Vedabase)

  

Tekst 7

In zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn onderdanen door ze te onderhouden [poshana], hij maakte hen in alle opzichten gelukkig [prînana], behandelde ze als waren ze zijn kinderen [upalâlana] en wees ze als hun koning soms terecht [anus'âsana]. Hij voerde in ieder opzicht al de voorgeschreven religieuze plechtigheden uit voor de Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en bron van alle levende wezens die het Allerhoogste Brahman is [in eigen persoon]. Door zijn overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten en door het dienen van de lotusvoeten van de zelfgerealiseerde zielen, slaagde hij erin de Opperheer toegewijd te dienen omdat hij, die in het zuiverste bewustzijn voortdurend in de ziel verzonken was, in zichzelf de beëindiging tot stand had gebracht van alle identificatie met zijn materiële zelf. Ondanks zijn bewustijn van zijn verheven spirituele positie, heerste hij, zich verre houdend van valse trots [machtsvertoon], strikt volgens de Vedische beginselen over de hele wereld.

Waarheidlievend in zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn onderdanen ze onderhoudend [poshana]; hij maakte hen in alle opzichten gelukkig [prînana] ze behandelend als zijn kinderen [upalâlana], bij tijden ze terechtwijzend als hun koning [anus'âsana]. Hij voerde in ieder opzicht al de voorgeschreven religieuze ceremoniën uit voor de Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en levensbron van alle wezens, het Allerhoogste Brahman. Door zijn overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten, en door zijn dienst aan de lotusvoeten der zelfgerealiseerden, bracht hij het tot de toegewijde dienst aan de Opperheer daar hij, eveneens in het zuiverste bewustzijn voortdurend in zichzelf verzonken zijnd, persoonlijk de beëindiging had gerealiseerd van alle identificatie met zijn materiële zelf. Ondanks dat hij zich de verhevenheid van zijn spirituele positie bewust was, bleef hij zonder enig vals prestige in zijn op deze manier strikt naar de vedische beginselen heersen over de gehele wereld.' (Vedabase)

 

Tekst 8

O zoon van Pându, om Gaya te loven zingen zij die thuis zijn in de waarheid van de Purâna de volgende poëtische verzen:

'O zoon van Pându, voor het aanprijzen van Gaya zijn het deze poëtische verzen die worden gezongen door hen die thuis zijn in de waarheid van de Purâna: (Vedabase)

 

Tekst 9

'Wie zou kunnen doen wat koning Gaya deed? Wie anders dan iemand die integraal deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer kan zo alom gerespecteerd zijn voor zijn Vedische kennis, voor het uitvoeren van zo veel offers, als een verdediger van rechtschapenheid met alle vormen van weelde, als het hoofd van de vergadering van waarheidlievenden en als een dienaar van de toegewijden?

'Het was koning Gaya die door zijn opvoeren van de rituelen de weg terug naar alle offers wees; door de gehele wereld gerespecteerd vanwege de alomvattendheid van zijn vedisch bewustzijn is hij, als de verdediger der rechtschapenheid met alle soorten van weelde, de voorganger in de vergadering der waarachtigen, en is hij, behalve dat hij integraal deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer, de dienaar der toegewijden en allen daaraan verwant. (Vedabase)

 

Tekst 10

Al de kuise en toegewijde  dochters van Daksha, wiens zegeningen altijd uitkomen, besprenkelden  met grote voldoening hem met gewijd water [bij zijn kroning]. En met moeder aarde, die is als een koe die spontaan melk druppelt, vervulde hij onzelfzuchtig al de wensen van de mensen op deze planeet.

Alle vrouwen kuis en toegewijd baadden hem, in gewijd water, met grote voldoening als de ware die de zegeningen van de dochters van Daksha verdient; zoals uit de koe van moeder aarde spontaan de melk druppelt, vervulde hij onzelfzuchtig, al de wensen van de mensen op deze planeet. (Vedabase)

 

Tekst 11

[Het met al de riten] van respect zijn voor ieder onderdeel van de Veda's, bezorgde hem alles wat men zich maar wensen kan, ondanks dat hij zelf geen verlangens koesterde, en vanwege de oppositie die hij bood op het slagveld bewezen al de koningen hem de eer, zoals ook de brahmanen dat deden met een zesde van de zegeningen voor een volgend leven toen hij hen volgens de regels respecteerde.

Het zonder eigen verlangens in respect verkeren voor ieder onderdeel van de Veda's, bracht hen alles wat verlangd werd en de gehele royalty, tevreden over de positie die hij had ingenomen ter verdediging van de principes, betoonde hem navenant de eer, precies zoals de brahmanen dat deden met het wijden van één-zesde van hun zegeningen aan zijn leven na zijn dood. (Vedabase)

 

Tekst 12

Koning Indra raakte zwaar beschonken van al de soma die hij dronk van de offerplechtigheden [van Gaya] ter ere van de Allerhoogste Heer, het zelf van alle offers, waarvan Hij [Vishnu] het resultaat persoonlijk aanvaardde vanwege de zuiverheid van zijn toewijding en de standvastigheid van zijn toegewijde dienst.

Door hem raakte, door zijn werkwijze ten dienste van de Allerhoogste Heer, de Ziel van het Offer, koning Indra zwaar onder invloed van het drinken van alle soma; het resultaat van zijn offeren in aanbidding werd [door Vishnu] persoonlijk aanvaard vanwege zijn zuiverheid in devotie en standvastigheid in toegewijde dienst. (Vedabase)


Tekst 13

Als men de Heer in het offerperk tevredenstelt, stemt men direct al de goden, met Heer Brahmâ voorop, gunstig, alsmede het geheel van de menselijke samenleving, de lagere schepselen en de planten en de grassen. Ondanks dat Hij de tevredenheid Zelf is, ontleende de Heer grote voldoening aan Gaya!'

Zoals hij, als de handhaver van allen, door de tevredenheid die hij schonk in het offerperk, van Heer Brahmâ af aan al de goden en lagere schepselen, het geheel van de menselijke samenleving en de planten en de grassen zonder omhaal wist te bevredigen, ontleende Hij daadwerkelijk, ookal is Hij in zichzelf volkomen tevreden van aard, grote voldoening aan Gaya.' (Vedabase)


Tekst 14-15

Uit zijn vrouw Gayantî werden drie zoons Citraratha, Sugati en Avarodhana geboren, uit Citraratha's vrouw Ûrnâ werd Samrâth geboren en van hem werd Marîci geboren uit Utkalâ. Uit Marîci's vrouw Bindumatî was er een kind genaamd Bindu [of Bindumân] en van Bindu's vrouw Saraghâ was er een kind genaamd Madhu, waarop volgend er van Madhu's vrouw Sumanâ er een zoon ter wereld kwam die Vîravrata heette. Uit Vîravrata's echtgenote Bhojâ werden twee zoons geboren met de namen Manthu en Pramanthu en van Manthu's vrouw Satyâ kwam Bhauvana ter wereld. Van hem werd er uit Dûshanâ een zoon geboren genaamd Tvashthâ en Tvashthâ's vrouw Virocanâ gaf geboorte aan een zoon genaamd Viraja. Uit Viraja's echtgenote Vishûcî namen een honderdtal zonen [en kleinzonen] en één dochter hun geboorte met S'atajit als de eerste.

Uit zijn vrouw Gayantî werden drie zoons Citraratha, Sugati en Avarodhana geboren, uit Citraratha zijn vrouw Ûrnâ werd Samrâth geboren en van hem was er uit Utkalâ Marîci. Uit Marîci's vrouw Bindumatî was er een kind genaamd Bindu en van Bindu zijn vrouw Saraghâ was er een kind genaamd Madhu, waarop van Madhu zijn vrouw Sumanâ er een zoon kwam Vîravrata geheten. Uit Vîravrata's echtgenote Bhojâ werden twee zoons geboren met de namen Manthu en Pramanthu en van Manthu's vrouw Satyâ was er Bhauvana. Van hem werd er uit Dûshanâ een zoon genaamd Tvashthâ geboren, en uit Tvashthâ zijn vrouw Virocanâ was er een zoon genaamd Viraja. Uit Viraja zijn echtgenote Vishûcî namen, met S'atajit aan het hoofd, een honderdtal zonen zowel als een dochter hun geboorte. (Vedabase)

 

Tekst 16

Over Viraja bestaat er het volgende vers: 'Koning Viraja, die een honderdtal zoons verwekte, vormt met zijn reputatie een juweel, voor deze dynastie afstammend van Priyavrata [zie 5.1],  zo groots als Heer Vishnu onder de halfgoden.'

Van deze dynastie afstammend van Priyavrata [zie 5.1] is er het volgende vers: 'In zijn vermaardheid is Viraja, die een honderdtal zonen had, een zinnebeeld zo groot als Heer Vishnu dat is voor de halfgoden.' (Vedabase)

 

 

 

 

 
 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding is getiteld: 'A Vaishnava priest in conversation with two devotees',
Bundikalam, einde 18 eeuw.
Bron.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties