regelbalk

   

Sarvasva Tomâra

  

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 63

 

De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, o zoon van Bharata, brachten Aniruddha's verwanten, hem aldus niet meer ziend, de vier maanden van het regenseizoen door in weeklagen. (2) Met van Nârada het nieuws horend over wat Hij had gedaan en dat Hij gevangen was genomen, gingen de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, naar S'onitapura. (3-4) De besten der Sâtvata's te weten Pradyumna, Yuyudhâna [Sâtyaki], Gada, Sâmba, en Sârana; Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen Râma en Krishna volgend bijeen met twaalf akshauhinî's en belegerden van alle zijden het geheel van Bâna's stad. (5) Toen hij zag hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden vernield kwam hij, vol van woede, voor hen naar buiten met een leger dat net zo groot was. (6) Bhagavân S'iva reed uit op Nandi, zijn stier, tezamen met zijn zoon [Kârtikeya, zijn generaal] en werd vergezeld door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke toegehorigen] om terwille van Bâna te vechten met Râma en Krishna. (7) Wat zich toen voordeed, o Koning, was een heftige, ontstellende, strijd die je de haren te berge deed rijzen waarbij Krishna in het geweer kwam tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kârtikeya. (8) Kumbhânda en Kûpakarna hadden een gevecht met Balarâma, Sâmba met de zoon van Bâna en Satyâki met Bâna zelf. (9) Met Heer Brahmâ aan het hoofd kwamen om er getuige van te zijn in hun hemelse voertuigen de leiders van de goddelijken, de wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen; de zangers en dansmeisjes van de hemel zowel als de geesten. (10-11) Scherpgepunte pijlen afschietend met Zijn boog, de S'arnga, verdreef S'auri [Krishna] de Bhûta's [geesten der overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de Dâkinî's [de vrouwelijke demonen van Kâli], de Yâtudhâna's [beoefenaren van de zwarte magie], de Vetâla's [de vampieren], de Vinâyaka's [demonen van scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en gnomen], de Mâtâ's [demonische moeders], de Pis'âca's [duivelskinderen], de Kushmânda's [meditatieverstoorders, ziekmakers] en de Brahma-râkshasa's [gevallen brahmanen als in 9.9: 25] die S'ankara allemaal volgden. (12) De hanteerder van de drietand [Pinâkî ofwel S'iva] zich bedienend van verschillende soorten wapens tegen Hem die de S'arnga Spande zag ze allemaal geneutraliseerd met wapens van afweer; ze konden de Drager van de S'arnga niet van Zijn stuk brengen. (13) Hij zette een brahmâstra in tegen een brahmâstra, een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn nârâyanâstra [Zijn persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke] pâs'upatâstra [het 'beestenriem'-wapen]. (14) Daarop heer S'iva begoochelend, door hem aan het gapen te brengen met een gaapwapen, trof S'auri Bâna's leger met Zijn zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen. (15) Kârtikeya geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem neerregenden, vluchtte op zijn pauwe-voertuig weg van het slagveld, met zijn ledematen stromend van het bloed. (16) Kumbhânda en Kûpakarna geteisterd door de knots vielen en hun legers, van wie de leiders nu dood waren, vluchtten in alle richtingen.

(17) Bâna geplaatst voor zijn uiteengeslagen troepen, liet Sâtyaki die hij bevocht voor wat hij was, stak in zijn strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna aan. (18) Bâna buiten zichzelf van het vechten spande met twee pijlen op ieder aanleggend, in één keer het geheel van zijn vijfhonderd bogen. (19) Deze bogen werden door Bhagavân allen tegelijk doorkliefd en nadat de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner waren geraakt, blies Hij op Zijn schelphoorn. (20) [toen...] In de hoop het leven van haar zoon te redden, plaatste zijn moeder, genaamd Kotharâ, zichzelf naakt, met haar haar losgemaakt, pal voor Krishna. (21) Toen Heer Gadâgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bâna zonder zijn wagen en met zijn boog gebroken, de kans waar om de stad in te vluchten. (22) Maar met S'iva's volgelingen verdreven wierp Jvara, de [verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie hoofden en drie voeten, zich naar voren op de afstammeling van Dâs'arha af alsof hij de tien windrichtingen in vuur en vlam zou zetten [zie *]. (23) Heer Nârâyana, hem ziend, liet daarop Zijn koorts los [extreem koud daarentegen] zodat de twee Jvara's van Mâhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten. (24) Die van Mâhes'vara schreeuwde het uit gepijnigd door de kracht van die van Vishnu en nergens een veilig heenkomen vindend begon Mâhes'vara's Jvara dorstend naar bescherming devoot Hrishîkes'a te prijzen met gevouwen handen. (25) De Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en handhaving van het het universum; U de Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede waaraan de Veda's indirect refereren. (26) U als de loochening van deze mâyâ van de tijd, het lot, de karmische werklast, de geneigdheden daaromtrent, de subtiele elementen, het veld dat het lichaam vormt, de levensadem, het idee van een ik, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bijeen tezamen [als het subtiele lichaam, de linga], dat er allemaal is in een constante stroom van zaad en spruit, U benader Ik. (27) U met verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies ten uitvoer te brengen van goddelijke aard [lîlâ's] ten einde de godbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8]. (28) Door Uw almacht die onverdraaglijk koud niettemin verschroeit, ben ik voor lang geplaagd met deze hoogst verschrikkelijke koorts, daar inderdaad zolang de belichaamde zielen niet Uw voetzolen van dienst zijn ze moeten lijden, onafgebroken gebonden aan begeerten.'

(29) De Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over U, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten; een ieder die zich ons gesprek herinnert zal geen reden hebben u te vrezen.'

(30) Aldus toegesproken boog Mâhes'vara's Jvara zich voorover voor Acyuta en ging hij weg, maar Bâna, rijdend in zijn strijdwagen, kwam naar voren met het voornemen om de strijd met Janârdana aan te binden. (31) Daarop, o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend, schoot de demon, kokend van woede, pijlen weg naar Hem Wiens wapen de Cakra is. (32) Van hem, die keer op keer wapens wegslingerde, sneed de Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf de armen af als waren het de takken van een boom. (33) Terwijl Bâna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de Hanteerder van de Schijf. (34) S'rî Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van het Allerhoogste schuil gaand in de taal [in de Veda's] gebruikt voor het Absolute; zij wiens harten zonder een smet zijn zien U, die zo zuiver bent als de blauwe lucht. (35-36) U met de atmosfeer als Uw navel; het vuur als Uw gezicht, het water als Uw zaad, de hemel als Uw hoofd, de richtingen als Uw gehoorzin, de aarde als Uw voet, de maan als Uw geest; Wiens zien de zon is, Wiens bewustzijn van een zelf ik ben, met de oceaan als Uw onderbuik en Indra als Uw arm; U met de planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, met Viriñca als Uw intelligentie, met de prajâpati als Uw geslachtsdelen, Wiens hart de religie is; Uw goede Zelf voorwaar is de Purusha uit wie al de werelden voortkwamen. (37) U van een onbegrensde heerlijkheid bent in deze nederdaling er om het dharma te verdedigen ten voordele van het Geheel van het Levende Wezen en wij allen manifesteren en ontwikkelen door U verlicht de zeven werelden [zie dvîpa]. (38) U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U, ter wille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, even zo goed waargenomen in de uiteenlopende transformaties [van de verschillende levensvormen, goden en avatâra's] van Uw begoochelende vermogen. (39) Net zoals de zon in zijn eigen schaduw onttrokken aan het zicht de zichtbare vormen uitlicht, werpt U, o Almachtige, net zo oplichtend vanuit Uzelf, licht op de kwaliteiten van de overdekkende geaardheden der materie voor de wezens behept met deze kwaliteiten. (40) Zij die volledig verstrikt zijn in het respect voor hun kinderen, vrouw, een huis en zo voorts, stijgen in hun intelligentie verbijsterd door mâyâ [afwisselend] naar de oppervlakte van de oceaan der misère en zinken [dan weer, zie B.G. 9: 21]. (41) Bij de genade van God deze mensenwereld bereikend is hij, die onbeheerst in zijn zinnen niet bereid is Uw voeten te eren, inderdaad beklagenswaardig iemand die zichzelf voor de gek houdt. (42) De sterveling die in oppositie terwille van de zinsobjecten U afwijst, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman, eet het vergif en mijdt de nectar. (43) Ik, Brahmâ als ook de halfgoden en de wijzen hebben een bewustzijn dat zuiver is met ons hele hart van overgave zijnd voor U, de Meester, het hoogst beminde Zelf. (44) Laten we van aanbidding zijn voor de Godheid die U bent, de oorzaak van het zich opwerpen, het handhaven en de neergang van het Levende Wezen dat het Universum is; Hij, die volmaakt in vrede gelijkmoedig de unieke, ongeëvenaarde Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de zielen is, de toevlucht voor de vervolmaking van een materieel leven. (45) Deze hier [Bâna] is mijn gunsteling en meest dierbare volgeling, die door mij beloond is met onbevreesdheid, o Heer, alstUblieft vergun hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade was voor de meester der daitya's [Prahlâda].'

(46) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat U ons gezegd hebt, o grote heer, zullen We ten uitvoer brengen, Ik sluit me volledig aan bij wat u bepaalde als zijnde uw genoegen. (47) Hij, deze zoon van Virocana [Bali], zal voorzeker door Mij gespaard worden, daar Ik Prahlâda de volgende zegen gaf: 'Jouw afstammelingen zullen niet door Mij gedood worden' [zie ook 7.10: 21]. (48) Om zijn trots te onderwerpen werden zijn armen er door Mij afgesneden en werd de enorme militaire macht vernietigd die de aarde een last geworden was. (49) De asura met behoud van vier van zijn armen, zal, niet ouder wordend en onsterfelijk, als één van uw belangrijkste metgezellen iemand zijn die niets van welke zijde ook te vrezen heeft.'

(50) Aldus de vrijheid van angst bereikend boog de asura zijn hoofd voorover naar Krishna, plaatste de zoon van Pradyumna met Zijn vrouw op Zijn strijdwagen en leidde hem naar voren. (51) Hij [Krishna] met het Hem en Zijn vrouw, opgesierd en met de fijnste kleren aan, op kop plaatsen, vertrok toen met de toestemming van S'iva, omringd door een aksauhinî. (52) Zijn hoofdstad, volledig opgesierd met vlaggen, erebogen en met de straten en kruispunten besprenkeld, binnenkomend, werd Hij respectvol onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige trommels en pauken verwelkomd door de mensen van de stad, Zijn verwanten en de tweemaal geborenen. (53) Voor diegene die, bij het krieken van de dag opstaand, zich aldus de overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal er geen nederlaag zijn.  

 

next        

 
 

 

 

Source Texts:

Lord Krishna Fights with Bânâsura

Text 1:

S'rî S'uka zei: 'Toen, o zoon van Bharata, brachten Aniruddha's verwanten, hem aldus niet meer ziend, de vier maanden van het regenseizoen door in weeklagen.

S'ukadeva Gosvâmî said: O descendant of Bharata, the relatives of Aniruddha, not seeing Him return, continued to lament as the four rainy months passed.

 

Text 2:

Met van Nârada het nieuws horend over wat Hij had gedaan en dat Hij gevangen was genomen, gingen de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, naar S'onitapura.

After hearing from Nârada the news of Aniruddha's deeds and His capture, the Vrishnis, who worshiped Lord Krishna as their personal Deity, went to S'onitapura.

 

Text 3-4:

De besten der Sâtvata's te weten Pradyumna, Yuyudhâna [Sâtyaki], Gada, Sâmba, en Sârana; Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen Râma en Krishna volgend bijeen met twaalf akshauhinî's en belegerden van alle zijden het geheel van Bâna's stad.

With Lord Balarâma and Lord Krishna in the lead, the chiefs of the Sâtvata clan - Pradyumna, Sâtyaki, Gada, Sâmba, Sârana, Nanda, Upananda, Bhadra and others - converged with an army of twelve divisions and laid siege to Bânasura's capital, completely surrounding the city on all sides.

  

Text 5:

Toen hij zag hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden vernield kwam hij, vol van woede, voor hen naar buiten met een leger dat net zo groot was.

Bânâsura became filled with anger upon seeing them destroy his city's suburban gardens, ramparts, watchtowers and gateways, and thus he went out to confront them with an army of equal size.

 

Text 6:

Bhagavân S'iva reed uit op Nandi, zijn stier, tezamen met zijn zoon [Kârtikeya, zijn generaal] en werd vergezeld door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke toegehorigen] om terwille van Bâna te vechten met Râma en Krishna.

Lord Rudra, accompanied by his son Kârtikeya and the Pramathas, came riding on Nandi, his bull carrier, to fight Balarâma and Krishna on Bâna's behalf.

 

Text 7:

Wat zich toen voordeed, o Koning, was een heftige, ontstellende, strijd die je de haren te berge deed rijzen waarbij Krishna in het geweer kwam tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kârtikeya.

A most astonishing, tumultuous and hair-raising battle then commenced, with Lord Krishna matched against Lord S'ankara, and Pradyumna against Kârtikeya.

 

Text 8:

Kumbhânda en Kûpakarna hadden een gevecht met Balarâma, Sâmba met de zoon van Bâna en Satyâki met Bâna zelf.

Lord Balarâma fought with Kumbhânda and Kûpakarna, Sâmba with Bâna's son, and Sâtyaki with Bâna.

 

Text 9:

Met Heer Brahmâ aan het hoofd kwamen om er getuige van te zijn in hun hemelse voertuigen de leiders van de goddelijken, de wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen; de zangers en dansmeisjes van de hemel zowel als de geesten.

Brahmâ and the other ruling demigods, along with Siddhas, Câranas and great sages, as well as Gandharvas, Apsarâs and Yakshas, all came in their celestial airplanes to watch.

    

Text 10-11:

Scherpgepunte pijlen afschietend met Zijn boog, de S'arnga, verdreef S'auri [Krishna] de Bhûta's [geesten der overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de Dâkinî's [de vrouwelijke demonen van Kâli], de Yâtudhâna's [beoefenaren van de zwarte magie], de Vetâla's [de vampieren], de Vinâyaka's [demonen van scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en gnomen], de Mâtâ's [demonische moeders], de Pis'âca's [duivelskinderen], de Kushmânda's [meditatieverstoorders, ziekmakers] en de Brahma-râkshasa's [gevallen brahmanen als in 9.9: 25] die S'ankara allemaal volgden.

With sharp-pointed arrows discharged from His bow S'ârnga, Lord Krishna drove away the various followers of Lord S'iva - Bhûtas, Pramathas, Guhyakas, Dâkinîs, Yâtudhânas, Vetâlas, Vinâyakas, Pretas, Mâtâs, Pis'âcas, Kushmândas and Brahma-râkshasas.

  

Text 12:

De hanteerder van de drietand [Pinâkî ofwel S'iva] zich bedienend van verschillende soorten wapens tegen Hem die de S'arnga Spande zag ze allemaal geneutraliseerd met wapens van afweer; ze konden de Drager van de S'arnga niet van Zijn stuk brengen.

Lord S'iva, wielder of the trident, shot various weapons at Lord Krishna, wielder of S'ârnga. But Lord Krishna was not in the least perplexed: He neutralized all these weapons with appropriate counterweapons.

 

Text 13:

Hij zette een brahmâstra in tegen een brahmâstra, een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn nârâyanâstra [Zijn persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke] pâs'upatâstra [het 'beestenriem'-wapen].

Lord Krishna counteracted a brahmâstra with another brahmâstra, a wind weapon with a mountain weapon, a fire weapon with a rain weapon, and Lord S'iva's personal pâs'upatâstra weapon with His own personal weapon, the nârâyanâstra.

 

Text 14:

Daarop heer S'iva begoochelend, door hem aan het gapen te brengen met een gaapwapen, trof S'auri Bâna's leger met Zijn zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen.

After bewildering Lord S'iva by making him yawn with a yawning weapon, Lord Krishna proceeded to strike down Bânâsura's army with His sword, club and arrows.

 

Text 15:

Kârtikeya geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem neerregenden, vluchtte op zijn pauwe-voertuig weg van het slagveld, met zijn ledematen stromend van het bloed.

Lord Kârtikeya was distressed by the flood of Pradyumna's arrows raining down from all sides, and thus he fled the battlefield on his peacock as blood poured from his limbs.

 

Text 16:

Kumbhânda en Kûpakarna geteisterd door de knots vielen en hun legers, van wie de leiders nu dood waren, vluchtten in alle richtingen.

Kumbhânda and Kûpakarna, tormented by Lord Balarâma's club, fell down dead. When the soldiers of these two demons saw that their leaders had been killed, they scattered in all directions.

    

Text 17

Bâna geplaatst voor zijn uiteengeslagen troepen, liet Sâtyaki die hij bevocht voor wat hij was, stak in zijn strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna aan.

Bânâsura was furious to see his entire military force being torn apart. Leaving his fight with Sâtyaki, he charged across the battlefield on his chariot and attacked Lord Krishna.

 

Text 18

Bâna buiten zichzelf van het vechten spande met twee pijlen op ieder aanleggend, in één keer het geheel van zijn vijfhonderd bogen.

Excited to a frenzy by the fighting, Bâna simultaneously pulled taut all the strings of his five hundred bows and fixed two arrows on each string.

 

Text 19

Deze bogen werden door Bhagavân allen tegelijk doorkliefd en nadat de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner waren geraakt, blies Hij op Zijn schelphoorn.

Lord S'rî Hari split every one of Bânâsura's bows simultaneously, and also struck down his chariot driver, chariot and horses. The Lord then sounded His conchshell.

  

Text 20

[toen...] In de hoop het leven van haar zoon te redden, plaatste zijn moeder, genaamd Kotharâ, zichzelf naakt, met haar haar losgemaakt, pal voor Krishna.

Just then Bânâsura's mother, Kotharâ, desiring to save her son's life, appeared before Lord Krishna naked and with her hair undone.

  

Text 21

Toen Heer Gadâgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bâna zonder zijn wagen en met zijn boog gebroken, de kans waar om de stad in te vluchten.

Lord Gadâgraja turned His face away to avoid seeing the naked woman, and Bânâsura - deprived of his chariot, his bow shattered - took the opportunity to flee into his city.

 

Text 22

Maar met S'iva's volgelingen verdreven wierp Jvara, de [verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie hoofden en drie voeten, zich naar voren op de afstammeling van Dâs'arha af alsof hij de tien windrichtingen in vuur en vlam zou zetten [zie *].

After Lord S'iva's followers had been driven away, the S'iva-jvara, who had three heads and three feet, pressed forward to attack Lord Krishna. As the S'iva-jvara approached, he seemed to burn everything in the ten directions.

 

Text 23

Heer Nârâyana, hem ziend, liet daarop Zijn koorts los [extreem koud daarentegen] zodat de twee Jvara's van Mâhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten.

Seeing this personified weapon approach, Lord Nârâyana then released His own personified fever weapon, the Vishnu-jvara. The S'iva-jvara and Vishnu- jvara thus battled each other.

 

Text 24

Die van Mâhes'vara schreeuwde het uit gepijnigd door de kracht van die van Vishnu en nergens een veilig heenkomen vindend begon Mâhes'vara's Jvara dorstend naar bescherming devoot Hrishîkes'a te prijzen met gevouwen handen.

The S'iva-jvara, overwhelmed by the strength of the Vishnu-jvara, cried out in pain. But finding no refuge, the frightened S'iva-jvara approached Lord Krishna, the master of the senses, hoping to attain His shelter. Thus with joined palms he began to praise the Lord.

 

 Text 25

De Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en handhaving van het het universum; U de Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede waaraan de Veda's indirect refereren.

The S'iva-jvara said: I bow down to You of unlimited potencies, the Supreme Lord, the Supersoul of all beings. You possess pure and complete consciousness and are the cause of cosmic creation, maintenance and dissolution. Perfectly peaceful, You are the Absolute Truth to whom the Vedas indirectly refer.

 

Text 26

U als de loochening van deze mâyâ van de tijd, het lot, de karmische werklast, de geneigdheden daaromtrent, de subtiele elementen, het veld dat het lichaam vormt, de levensadem, het idee van een ik, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bijeen tezamen [als het subtiele lichaam, de linga], dat er allemaal is in een constante stroom van zaad en spruit, U benader Ik.

Time; fate; karma; the jîva and his propensities; the subtle material elements; the material body; the life air; false ego; the various senses; and the totality of these as reflected in the living being's subtle body - all this constitutes your material illusory energy, mâyâ, an endless cycle like that of seed and plant. I take shelter of You, the negation of this mâyâ.

  

Text 27

U met verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies ten uitvoer te brengen van goddelijke aard [lîlâ's] ten einde de godbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8].

With various intentions, You perform pastimes to maintain the demigods, the saintly persons and the codes of religion for this world. By these pastimes You also kill those who stray from the right path and live by violence. Indeed, your present incarnation is meant to relieve the earth's burden.

 

 Text 28

Door Uw almacht die onverdraaglijk koud niettemin verschroeit, ben ik voor lang geplaagd met deze hoogst verschrikkelijke koorts, daar inderdaad zolang de belichaamde zielen niet Uw voetzolen van dienst zijn ze moeten lijden, onafgebroken gebonden aan begeerten.'

I am tortured by the fierce power of Your terrible fever weapon, which is cold yet burning. All embodied souls must suffer as long as they remain bound to material ambitions and thus averse to serving Your feet.

  

Text 29

De Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over U, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten; een ieder die zich ons gesprek herinnert zal geen reden hebben u te vrezen.'

The Supreme Lord said: O three-headed one, I am pleased with you. May your fear of My fever weapon be dispelled, and may whoever remembers our conversation here have no reason to fear you.

 

Text 30

Aldus toegesproken boog Mâhes'vara's Jvara zich voorover voor Acyuta en ging hij weg, maar Bâna, rijdend in zijn strijdwagen, kwam naar voren met het voornemen om de strijd met Janârdana aan te binden.

Thus addressed, the Mâhes'vara-jvara bowed down to the infallible Lord and went away. But Bânâsura then appeared, riding forth on his chariot to fight Lord Krishna.

 

Text 31

Daarop, o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend, schoot de demon, kokend van woede, pijlen weg naar Hem Wiens wapen de Cakra is.

Carrying numerous weapons in his thousand hands, O King, the terribly infuriated demon shot many arrows at Lord Krishna, the carrier of the disc weapon.

 

Text 32

Van hem, die keer op keer wapens wegslingerde, sneed de Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf de armen af als waren het de takken van een boom.

As Bâna continued hurling weapons at Him, the Supreme Lord began using His razor-sharp cakra to cut off Bânâsura's arms as if they were tree branches.

 

Text 33

Terwijl Bâna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de Hanteerder van de Schijf.

Lord S'iva felt compassion for his devotee Bânâsura, whose arms were being cut off, and thus he approached Lord Cakrâyudha [Krishna] and spoke to Him as follows.

 

Text 34

S'rî Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van het Allerhoogste schuil gaand in de taal [in de Veda's] gebruikt voor het Absolute; zij wiens harten zonder een smet zijn zien U, die zo zuiver bent als de blauwe lucht.

S'rî Rudra said: You alone are the Absolute Truth, the supreme light, the mystery hidden within the verbal manifestation of the Absolute. Those whose hearts are spotless can see You, for You are uncontaminated, like the sky.

 

Text 35-36

U met de atmosfeer als Uw navel; het vuur als Uw gezicht, het water als Uw zaad, de hemel als Uw hoofd, de richtingen als Uw gehoorzin, de aarde als Uw voet, de maan als Uw geest; Wiens zien de zon is, Wiens bewustzijn van een zelf ik ben, met de oceaan als Uw onderbuik en Indra als Uw arm; U met de planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, met Viriñca als Uw intelligentie, met de prajâpati als Uw geslachtsdelen, Wiens hart de religie is; Uw goede Zelf voorwaar is de Purusha uit wie al de werelden voortkwamen.

The sky is Your navel, fire Your face, water Your semen, and heaven Your head. The cardinal directions are Your sense of hearing, herbal plants the hairs on Your body, and water-bearing clouds the hair on Your head. The earth is Your foot, the moon Your mind, and the sun Your vision, while I am Your ego. The ocean is Your abdomen, Indra Your arm, Lord Brahmâ Your intelligence, the progenitor of mankind Your genitals, and religion Your heart. You are indeed the original purusha, creator of the worlds.

 

Text 37

U van een onbegrensde heerlijkheid bent in deze nederdaling er om het dharma te verdedigen ten voordele van het Geheel van het Levende Wezen en wij allen manifesteren en ontwikkelen door U verlicht de zeven werelden [zie dvîpa].

Your current descent into the material realm, O Lord of unrestricted power, is meant for upholding the principles of justice and benefiting the entire universe. We demigods, each depending on Your grace and authority, develop the seven planetary systems.

 

Text 38

U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U, ter wille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, even zo goed waargenomen in de uiteenlopende transformaties [van de verschillende levensvormen, goden en avatâra's] van Uw begoochelende vermogen.

You are the original person, one without a second, transcendental and self- manifesting. Uncaused, you are the cause of all, and You are the ultimate controller. You are nonetheless perceived in terms of the transformations of matter effected by Your illusory energy - transformations You sanction so that the various material qualities can fully manifest.

 

Text 39

Net zoals de zon in zijn eigen schaduw onttrokken aan het zicht de zichtbare vormen uitlicht, werpt U, o Almachtige, net zo oplichtend vanuit Uzelf, licht op de kwaliteiten van de overdekkende geaardheden der materie voor de wezens behept met deze kwaliteiten.

O almighty one, just as the sun, though hidden by a cloud, illuminates the cloud and all other visible forms as well, so You, although hidden by the material qualities, remain self-luminous and thus reveal all those qualities, along with the living entities who possess them.

 

Text 40

Zij die volledig verstrikt zijn in het respect voor hun kinderen, vrouw, een huis en zo voorts, stijgen in hun intelligentie verbijsterd door mâyâ [afwisselend] naar de oppervlakte van de oceaan der misère en zinken [dan weer, zie B.G. 9: 21].

Their intelligence bewildered by Your mâyâ, fully attached to children, wife, home and so on, persons immersed in the ocean of material misery sometimes rise to the surface and sometimes sink down.

 

Text 41

Bij de genade van God deze mensenwereld bereikend is hij, die onbeheerst in zijn zinnen niet bereid is Uw voeten te eren, inderdaad beklagenswaardig iemand die zichzelf voor de gek houdt.

One who has attained this human form of life as a gift from God, yet who fails to control his senses and honor Your feet, is surely to be pitied, for he is only cheating himself.

 

Text 42

De sterveling die in oppositie terwille van de zinsobjecten U afwijst, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman, eet het vergif en mijdt de nectar.

That mortal who rejects You - his true Self, dearmost friend, and Lord - for the sake of sense objects, whose nature is just the opposite, refuses nectar and instead consumes poison.

 

Text 43

Ik, Brahmâ als ook de halfgoden en de wijzen hebben een bewustzijn dat zuiver is met ons hele hart van overgave zijnd voor U, de Meester, het hoogst beminde Zelf.

I, Lord Brahmâ, the other demigods and the pure-minded sages have all surrendered wholeheartedly unto You, our dearmost Self and Lord.

 

Text 44

Laten we van aanbidding zijn voor de Godheid die U bent, de oorzaak van het zich opwerpen, het handhaven en de neergang van het Levende Wezen dat het Universum is; Hij, die volmaakt in vrede gelijkmoedig de unieke, ongeëvenaarde Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de zielen is, de toevlucht voor de vervolmaking van een materieel leven.

Let us worship You, the Supreme Lord, to be freed from material life. You are the maintainer of the universe and the cause of its creation and demise. Equipoised and perfectly at peace, You are the true friend, Self and worshipable Lord. You are one without a second, the shelter of all the worlds and all souls.

 

Text 45

Deze hier [Bâna] is mijn gunsteling en meest dierbare volgeling, die door mij beloond is met onbevreesdheid, o Heer, alstUblieft vergun hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade was voor de meester der daitya's [Prahlâda].'

This Bânâsura is my dear and faithful follower, and I have awarded him freedom from fear. Therefore, my Lord, please grant him Your mercy, just as You showed mercy to Prahlâda, the lord of the demons.

 

Text 46

De Allerhoogste Heer zei: 'Wat U ons gezegd hebt, o grote heer, zullen We ten uitvoer brengen, Ik sluit me volledig aan bij wat u bepaalde als zijnde uw genoegen.

The Supreme Lord said: My dear lord, for your pleasure We must certainly do what you have requested of Us. I fully agree with your conclusion.

 

Text 47

Hij, deze zoon van Virocana [Bali], zal voorzeker door Mij gespaard worden, daar Ik Prahlâda de volgende zegen gaf: 'Jouw afstammelingen zullen niet door Mij gedood worden' [zie ook 7.10: 21].

I will not kill this demonic son of Vairocani, for I gave Prahlâda Mahârâja the benediction that I would not kill any of his descendants.

 

Text 48

Om zijn trots te onderwerpen werden zijn armen er door Mij afgesneden en werd de enorme militaire macht vernietigd die de aarde een last geworden was.

It was to subdue Bânâsura's false pride that I severed his arms. And I slew his mighty army because it had become a burden upon the earth.

 

Text 49

De asura met behoud van vier van zijn armen, zal, niet ouder wordend en onsterfelijk, als één van uw belangrijkste metgezellen iemand zijn die niets van welke zijde ook te vrezen heeft.'

This demon, who still has four arms, will be immune to old age and death, and he will serve as one of your principal attendants. Thus he will have nothing to fear on any account.

 

Text 50

Aldus de vrijheid van angst bereikend boog de asura zijn hoofd voorover naar Krishna, plaatste de zoon van Pradyumna met Zijn vrouw op Zijn strijdwagen en leidde hem naar voren.

Thus attaining freedom from fear, Bânâsura offered obeisances to Lord Krishna by touching his head to the ground. Bâna then seated Aniruddha and His bride on their chariot and brought them before the Lord.

 

Text 51

Hij [Krishna] met het Hem en Zijn vrouw, opgesierd en met de fijnste kleren aan, op kop plaatsen, vertrok toen met de toestemming van S'iva, omringd door een aksauhinî.

At the front of the party Lord Krishna then placed Aniruddha and His bride, both beautifully adorned with fine clothes and ornaments, and surrounded them with a full military division. Thus Lord Krishna took His leave of Lord S'iva and departed.

 

Text 52

Zijn hoofdstad, volledig opgesierd met vlaggen, erebogen en met de straten en kruispunten besprenkeld, binnenkomend, werd Hij respectvol onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige trommels en pauken verwelkomd door de mensen van de stad, Zijn verwanten en de tweemaal geborenen.

The Lord then entered His capital. The city was lavishly decorated with flags and victory arches, and its avenues and crossways were all sprinkled with water. As conchshells, ânakas and dundubhi drums resounded, the Lord's relatives, the brâhmanas and the general populace all came forward to greet Him respectfully.

 

Text 53

Voor diegene die, bij het krieken van de dag opstaand, zich aldus de overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal er geen nederlaag zijn.  

Whoever rises early in the morning and remembers Lord Krishna's victory in His battle with Lord S'iva will never experience defeat.

 

* Hier citeert S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thâkura de volgende beschrijving van de S'iva-jvara: "De verschrikkelijke S'iva-jvara had drie benen, drie hoofden, zes armen en negen ogen. As rondstrooiend leek hij op Yamarâja ten tijde van de ondergang van het universum."

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties