De
achtenswaardige koning zei: 'Bâna's dochter
Ûshâ ['ochtendgloren'] geheten huwde de
beste van de Yadu's [Aniruddha] en om die reden vond er
een enorme, verschrikkelijke veldslag plaats tussen de Heer en
S'ankara [S'iva als 'de goedgunstige']; o grote yogi,
ik geef het u dit alles te
verklaren.'
De
achtenswaardige koning zei: 'Bâna's dochter
Ûshâ ['ochtendgloren'] geheten huwde de
beste van de Yadu's [Aniruddha] waarbij er een
enorme, verschrikkelijke veldslag plaats vond tussen de Heer
en S'ankara [S'iva als 'de goedgunstige']; o grote
yogî, ik geef het u dit alles te
verklaren.'
(Vedabase)
Tekst
2
S'rî
S'uka zei: 'Bâna ['pijl'], de oudste zoon van de
honderd zoons geboren uit het zaad van Bali ['gift'] -
de grote ziel die de aarde wegschonk aan de Heer die was
verschenen in de gedaante van Vâmana [zie
8.19-22]
-, was, respectabel en grootmoedig, intelligent en waarachtig
in zijn geloften, altijd standvastig in zijn toewijding voor
Heer S'iva. In de fraaie stad die bekend staat als S'onita
['hars'] stichtte hij zijn koninkrijk, alwaar de
onsterfelijken hem van dienst waren alsof ze zijn bedienden
waren. Dat deden ze omdat in het verleden S'ambhu ['de
weldoener' ofwel S'iva] door hem tevreden was gesteld toen
hij, met duizenden armen uitgerust, muziekinstrumenten had
bespeeld terwijl Mrida [S'iva als 'de genadige'] aan
het dansen was.
S'rî
S'uka zei: 'Bâna ['pijl'], de oudste zoon van
de honderd zoons geboren uit het zaad van Bali
['gift'] - de grote ziel die de aarde wegschonk aan
de Heer in de gedaante van Vâmana [zie
8.19-22] -, was, respectabel en grootmoedig, intelligent
en waarachtig in zijn geloften, altijd gefixeerd in
toewijding tot Heer S'iva. In de fraaie stad die bekend
staat als S'onita ['hars'] stichtte hij zijn
koninkrijk, alwaar de onsterfelijken hem dienden alsof ze
zijn dienaren waren daar in het verleden S'ambhu ['de
weldoener' ofwel S'iva] door hem tevreden was gesteld
toen hij, met duizenden armen uitgerust, muziekinstrumenten
had bespeeld terwijl Mrida [S'iva als 'de genadige']
aan het dansen was.
(Vedabase)
Tekst
3
Hij, de grote
heer en meester van alle geschapen wezens, de mededogende die
zijn toegewijden toevlucht biedt, beloonde hem met een zegen
naar zijn keuze en hij koos voor hem [S'iva] als de
behoeder van zijn stad.
Hij,
de grote heer en meester van alle geschapen wezens, de
mededogende die zijn toegewijden toevlucht biedt, beloonde
hem met een zegen naar zijn keuze en hij koos voor hem
[S'iva] als de behoeder van zijn stad.
(Vedabase)
Tekst
4
Hij, begoocheld
door zijn kracht, met een helm zo helder als de zon eens
aanwezig aan zijn zijde zei tot Giris'a [S'iva als de heer
van de berg] terwijl hij zijn voeten
beroerde:
Hij,
begoocheld door zijn kracht, met een helm zo helder als de
zon eens aanwezig aan zijn zijde zei tot Giris'a [S'iva
als de heer van de berg] terwijl hij zijn voeten
beroerde:
(Vedabase)
Tekst
5
'Ik buig me
voor u neer o Mahâdeva [grote god], o beheerser
en geestelijk leraar van de drie werelden die als een boom uit
de hemel alle wensen vervult van de mensen die onvoldaan
zijn.
'Ik
buig me voor u neer o Mahâdeva [grote god], o
beheerser en geestelijk leraar van de drie werelden die als
een boom uit de hemel alle wensen vervult van de mensen die
onvoldaan zijn. (Vedabase)
Tekst
6
Het duizendtal
armen die u me gaf zijn me enkel tot last geworden en behalve u
kan ik in de drie werelden geen tegenstander vinden die mijn
gelijke is.
De
duizenden armen die u me gaf zijn me enkel tot last geworden
en behalve u kan ik in de drie werelden geen tegenstander
vinden die mijn gelijke is.
(Vedabase)
Tekst
7
Met een lust in
mijn armen om bergen te verpulveren ging ik heen om strijd te
leveren tegen de olifanten uit alle windrichtingen o oerheer,
maar verschrikt sloegen ze allen voor mij op de
vlucht.'
Met
mijn armen jeukend om de olifanten uit alle windrichtingen
te bestrijden, ging ik heen, o oerheer, om bergen te
vergruizen, maar zelfs zij gingen verschrikt voor mij op de
loop.'
(Vedabase)
Tekst
8
Dat aanhorend
zei de grote heer geërgerd: 'Je vaandel zal worden
gebroken als, o dwaas, je trots teniet wordt gedaan in de
strijd met iemand gelijk aan mij.'
Dat
aanhorend zei de grote heer geërgerd: 'Je vaandel zal
worden gebroken als, o dwaas, je trots te niet wordt gedaan
in de strijd met iemand gelijk aan mij.'
(Vedabase)
Tekst
9
Met dat in zijn
oren ging de arme van geest opgetogen naar huis, o koning, om
aldaar niet bijster intelligent de ondergang van zijn
heldhaftigheid af te wachten zoals Giris'a die had voorspeld
[vergelijk 2.1:
4].
Aldus
aangesproken ging de arme van geest zijn huis binnen, o
koning, niet zo intelligent de ondergang van zijn
heldhaftigheid afwachtend zoals Giris'a dat had voorspeld
[vergelijk 2.1: 4].
(Vedabase)
Tekst
10
Zijn
maagdelijke dochter genaamd Ûshâ had in een droom
een romantische ontmoeting met de zoon van Pradyumna, en dat
terwijl ze de minnaar die ze zo vond nog nooit eerder had
ontmoet of zelfs maar kende van horen zeggen [zie
*].
Zijn
maagdelijke dochter genaamd Ûshâ had in een
droom een romantische ontmoeting met de zoon van Pradyumna
terwijl ze nimmer tevoor had gezien of gehoord van de
minnaar die ze had gevonden [zie *].
(Vedabase)
Tekst
11
Zij, hem niet
[langer] in haar droom ziend, kwam verstoord overeind
terwijl ze zich temidden van haar vriendinnen bevond en zat
toen enorm met zichzelf verlegen toen ze zichzelf hoorde zeggen
'Waar ben je mijn liefste?'
Zij,
hem niet [langer] in haar droom ziend, kwam
verstoord overeind terwijl ze zich temidden van haar
vriendinnen bevond en zat toen met het zeggen van 'Waar ben
je mijn liefste?', hevig met zich zelf verlegen.
(Vedabase)
Tekst
12
De dochter
Citralekhâ ['de prima portrettiste'] van een
minister van Bâna genaamd Kumbhânda, hoorde toen
hoogst nieuwsgierig Ûshâ, haar vriendin en
metgezel, uit.
Een
minister van Bâna, Kumbhânda, zijn dochter
Citralekhâ ['de prima portrettiste'] hoorde
toen als een metgezel hoogst nieuwsgierig Ûshâ,
haar vriendin, uit. (Vedabase)
Tekst
13
'Wie is dat
naar wie je verlangt o mooie wenkbrauwtjes, en wat verwacht je
van hem, want tot dusverre hebben we nog niemand gezien die je
hand heeft verworven, o prinses.'
'Wie
is het naar wie je uitkijkt o mooie wenkbrauwtjes, wat is de
aard van je hunkering daar we tot dusverre nog niemand
hebben gezien die je hand heeft verworven, o prinses.'
(Vedabase)
Tekst
14
'In mijn droom
zag ik een zekere man met een donkere huidskleur,
lotusblaadjesogen, gele kleren en machtige armen - een van de
soort die een vrouw het hart op hol doet
slaan.
In
mijn droom zag ik een zekere man met een donkere huidskleur,
lotusgelijke ogen, gele kleren en machtige armen - een van
de soort die een vrouw het hart op hol doet
slaan.
(Vedabase)
Tekst
15
Hem zoek ik,
die minnaar die me de honing van Zijn lippen deed drinken en
die, naar elders vertrokken, mij, hunkerend naar Hem, in een
zee van lijden heeft achtergelaten.'
Hem
zoek ik, die minnaar die me de honing van Zijn lippen deed
drinken en die, naar elders vertrokken, mij, hunkerend naar
Hem, in een zee van lijden heeft
geworpen.'
(Vedabase)
Tekst
16
Citralekhâ
zei: 'Ik zal je leed wegnemen; als Hij ergens te vinden is in
de drie werelden, zal ik Hem naar je toe brengen, die
echtgenoot in spé, die dief van je hart - alsjeblieft
zeg me hoe Hij eruit ziet.'
Citralekhâ
zei: 'Ik zal je leed wegnemen; als Hij ergens te vinden is
in de drie werelden, zal ik Hem naar je toe brengen, die
echtgenoot in spé, die dief van je hart - alsjeblieft
wijs Hem mij maar aan.'
(Vedabase)
Tekst
17
Toen ze dit had
gezegd tekende ze natuurgetrouw voor haar de halfgod en de
zanger van de hemel, de vervolmaakte, de achtenswaardige en de
laag-bij-de-grondse slang, de demon, de magiër, de
bovennatuurlijke en de mens.
Zich
aldus uitlatend tekende ze natuurgetrouw halfgod en zanger
van de hemel, de vervolmaakte, de achtenswaardige en de
laag-bij-de-grondse slang, de demon, de magiër, de
bovennatuurlijke en de mens. (Vedabase)
Tekst
18-19
Van de mensen
tekende ze Vrishni's als S'ûrasena, Vasudeva,
Balarâma en Krishna maar toen ze Pradyumna zag raakte
Ûshâ bedeesd en met het tekenen van Aniruddha boog
ze haar hoofd in verlegenheid o grote heer, en zei ze
glimlachend: 'Dat is ie, Hij hier!'
Van
de mensen tekende ze Vrishni's als S'ûrasena,
Vasudeva, Balarâma en Krishna maar toen ze Pradyumna
zag raakte Ûshâ bedeesd en met het tekenen van
Aniruddha boog ze haar hoofd in verlegenheid, o grote heer,
en zei ze glimlachend: 'Dat is Hem, deze hier!'.
(Vedabase)
Tekst
20
Citralekhâ,
de yoginî, Hem herkennend als Krishna's kleinzoon
[Aniruddha] begaf zich toen, o Koning, via de hogere
sferen [op een mystieke manier] naar
Dvârakâ, de stad onder de hoede van
Krishna.
Citralekhâ,
de yoginî, Hem herkennend als Krishna's kleinzoon
[Aniruddha] ging toen, o Koning, door de hogere
sferen [op een mystieke manier] naar
Dvârakâ, de stad onder de hoede van Krishna.
(Vedabase)
Tekst
21
Pradyumna's
zoon slapend op een prima bed voerde ze, gebruik makend van
haar yogakrachten, vandaar mee naar S'onitapura om haar
vriendin haar Geliefde te tonen.
Pradyumna's
zoon slapend op een prima bed voerde ze, gebruik makend van
haar yogakrachten, vandaar mee naar S'onitapura om haar
vriendin haar Geliefde te tonen.
(Vedabase)
Tekst
22
Toen ze Hem
zag, die allermooiste man, klaarde haar gezicht op en had ze
het fijn met de zoon van Pradyumna in haar
privévertrekken, een plek die verboden terrein was voor
het oog van mannen.
Toen
ze Hem zag, die allermooiste man, klaarde haar gezicht op en
genoot ze in haar privé-vertrekken, een plek verboden
voor het oog van mannen, samen met de zoon van Pradyumna.
(Vedabase)
Tekst
23-24
Met de
kostbaarste kledingstukken, bloemenslingers, geuren, lampen,
zitplaatsen en dergelijke; met dranken, vloeibaar en vast
voedsel en met woorden aanbad ze Hem toen in een gewetensvol
dienstverlenen. En aldus Hem verborgen houdend in de
maagdenverblijven verloor Hij, met haar groots toenemende
genegenheid, de dagen uit het oog met al de afleiding die ze
Zijn zinnen verschafte.
Met
de kostbaarste kledingstukken, bloemenslingers, geuren,
lampen, zitplaatsen en dergelijke; met dranken, vloeibaar en
vast voedsel en met woorden aanbad ze Hem in een gewetensvol
dienstverlenen zodanig dat met het Hem verborgen houden in
de maagdenverblijven Hij, met haar groots toenemende
genegenheid, in Zijn zinnen afgeleid door Ûshâ
de dagen niet meer bijhield. (Vedabase)
Tekst
25-26
Zij aldus, met
het breken van haar gelofte [van kuisheid] genoten door
de Yadu-held, kon niet de symptomen verhullen van haar
zinderende geluk die werden opgemerkt door haar gouvernantes
die er verslag van deden [aan Bâna, haar vader]:
'O Koning, we hebben gemerkt dat uw dochter van een voor een
ongetrouwd meisje onbetamelijke manier van doen is die de
familie bezoedelt.
Zij
aldus, met het breken van haar gelofte [van
kuisheid] genoten door de Yadu-held, kon niet de
symptomen verhullen van haar zinderende geluk die werden
opgemerkt door haar gouvernantes die er verslag van deden
[aan Bâna, haar vader]: 'O Koning, we hebben
bij uw dochter het voor een ongetrouwd meisje onbehoorlijke
gedrag bemerkt dat de familie bezoedelt.
(Vedabase)
Tekst
27
Goed in de
gaten gehouden door ons in het paleis is ze er nimmer tussenuit
geweest, o meester. We hebben er dan ook geen idee van hoe zij,
die door geen man kon worden gezien, haar maagdelijkheid kon
verliezen.'
Goed
in de gaten gehouden door ons in het paleis en er nimmer van
tussen zijn geweest, o meester, hebben we er geen idee van
hoe zij, verborgen voor de blikken van mannen, nu bedorven
kon raken.'
(Vedabase)
Tekst
28
Toen Bâna
hoorde dat zijn dochter was onteerd begaf hij zich hoogst
verstoord terstond naar de maagdenkwartieren alwaar hij bij
aankomst de meest excellente van de Yadu's
aantrof.
Bâna
toen hij hoorde van de ontering van zijn dochter begaf zich
hoogst verstoord terstond naar de maagdenkwartieren alwaar
hij bij aankomst de meest excellente van de Yadu's
aantrof.
(Vedabase)
Tekst
29-30
Hij stond
versteld toen hij zag hoe, recht voor haar zittend, die zoon
van Cupido, de uitzonderlijkste schoonheid van al de werelden,
donker van huid in gele kleren met Zijn lotusogen, machtige
armen, oorsieraden en haarlokken, glimlachend met de gloed en
de blikken van Zijn opgesierde gezicht, druk aan het dobbelen
was met Zijn o zo genadige lieveling, waarvan het rood van de
kunkuma van haar borsten kleefde aan de door haar
vervaardigde slinger van lentejasmijn die tussen Zijn armen
hing.
Versteld
aanschouwde hij hoe, recht voor haar zittend, die zoon van
Cupido, de uitzonderlijkste schoonheid van al de werelden,
donker van huid in gele kleren met Zijn lotusogen, machtige
armen, oorsieraden en haarlokken, glimlachend met de gloed
en de blikken van Zijn opgesierde gezicht, druk aan het
dobbelen was met Zijn alles zegenende lieveling, met tussen
Zijn armen een bloemenslinger dragend gemaakt van
lentejasmijn onder de kunkuma door het beroeren van haar
borsten. (Vedabase)
Tekst
31
Hem binnen zien
komend omringd door menig een gewapende wacht hief de Lieve
Heer Zijn strijdknots van muru [een soort ijzer]
en zette Zich schrap, klaar om als de dood in eigen persoon toe
te slaan met de roede der
bestraffing.
Hem
binnen zien komend omringd door menig een gewapende wacht
hief de Lieve Heer Zijn strijdknots van muru [een soort
ijzer] en zette zich schrap, klaar om toe te slaan als
de dood in eigen persoon met de roede der bestraffing.
(Vedabase)
Tekst
32
Toen ze Hem van
alle kanten insloten om Hem in te rekenen, viel Hij hen als een
dominant zwijn geplaatst voor een roedel honden aan zodat ze
allen getroffen het op een rennen zetten om uit het paleis weg
te komen met hun hoofden, armen en benen
kapotgeslagen.
Hen
allen, Hem van alle kanten insluitend om Hem in te rekenen,
viel Hij als een dominant zwijn geplaatst voor een roedel
honden aan zodat ze allen getroffen het op een rennen zetten
om uit het paleis weg te komen met hun hoofden, armen en
benen kapotgeslagen.
(Vedabase)
Tekst
33
Maar terwijl
Hij de wachters neermaaide, nam de zoon van Bali Hem woedend
zelf gevangen met de [mystieke] slangenkoorden [van
Varuna, zie ook 8.21:
28]. Toen
Ûshâ hoorde dat Hij was gevangen genomen weende ze
compleet verslagen en ontmoedigd, overweldigd door verdriet
bittere tranen.'
Maar
terwijl Hij de wachters neermaaide, nam de zoon van Bali,
woedend, Hem zelf gevangen met de [mystieke]
slangenkoorden [van Varuna, zie ook 8.21: 28],
waarop Ûshâ compleet verslagen en ontmoedigd,
overweldigd door verdriet bittere tranen weende toen ze
hoorde van Zijn gevangenneming.
(Vedabase)
*
Hier haalt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî
Thhâkura de volgende verzen aan uit de Vishnu
Purâna, die uitleg verschaffen over Ûshâ's
droom:
'O
brâhmana, toen Ûshâ, de dochter van
Bâna, toevallig Pârvatî zag spelen met haar
echtgenoot, Heer S'ambhu, verlangde Ûshâ er hevig
naar dezelfde gevoelens te ondergaan. Op dat ogenblik zei de
Godin Gaurî [Pârvatî], die ieders
hart kent, tegen het gevoelige jonge meisje, 'Wees er niet door
verstoord! Je zal de kans krijgen te genieten samen met je
echtgenoot.' Dit horend, dacht Ûshâ bij zichzelf,
'Maar wanneer dan? En wie zal mijn echtgenoot zijn?' In reactie
hierop, richtte Pârvatî nogmaals het woord tot
haar: 'De man die je benadert in je droom op de twaalfde dag
van de heldere maandhelft van de maand Vais'âkha zal je
echtgenoot worden, o prinses.'