regelbalk


 

Canto 10

Jaya Râdhe Jaya

 

   

(c) Hoofdstuk 62: Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Bâna's dochter Ûshâ ['ochtendgloren'] geheten huwde de beste van de Yadu's [Aniruddha] en om die reden vond er een enorme, verschrikkelijke veldslag plaats tussen de Heer en S'ankara [S'iva als 'de goedgunstige']; o grote yogî, ik geef het u dit alles te verklaren.'

(2) S'rî S'uka zei: 'Bâna ['pijl'], de oudste zoon van de honderd zoons geboren uit het zaad van Bali ['gift'] - de grote ziel die de aarde wegschonk aan de Heer die was verschenen in de gedaante van Vâmana [zie 8.19-22] -, was, respectabel en grootmoedig, intelligent en waarachtig in zijn geloften, altijd standvastig in zijn toewijding voor Heer S'iva. In de fraaie stad die bekend staat als S'onita ['hars'] stichtte hij zijn koninkrijk, alwaar de onsterfelijken hem van dienst waren alsof ze zijn bedienden waren. Dat deden ze omdat in het verleden S'ambhu ['de weldoener' ofwel S'iva] door hem tevreden was gesteld toen hij, met duizenden armen uitgerust, muziekinstrumenten had bespeeld terwijl Mrida [S'iva als 'de genadige'] aan het dansen was. (3) Hij, de grote heer en meester van alle geschapen wezens, de mededogende die zijn toegewijden toevlucht biedt, beloonde hem met een zegen naar zijn keuze en hij koos voor hem [S'iva] als de behoeder van zijn stad. (4) Hij, begoocheld door zijn kracht, met een helm zo helder als de zon eens aanwezig aan zijn zijde zei tot Giris'a [S'iva als de heer van de berg] terwijl hij zijn voeten beroerde: (5) 'Ik buig me voor u neer o Mahâdeva [grote god], o beheerser en geestelijk leraar van de drie werelden die als een boom uit de hemel alle wensen vervult van de mensen die onvoldaan zijn. (6) Het duizendtal armen die u me gaf zijn me enkel tot last geworden en behalve u kan ik in de drie werelden geen tegenstander vinden die mijn gelijke is. (7) Met een lust in mijn armen om bergen te verpulveren ging ik heen om strijd te leveren tegen de olifanten uit alle windrichtingen o oerheer, maar verschrikt sloegen ze allen voor mij op de vlucht.'

(8) Dat aanhorend zei de grote heer geërgerd: 'Je vaandel zal worden gebroken als, o dwaas, je trots teniet wordt gedaan in de strijd met iemand gelijk aan mij.' (9) Met dat in zijn oren ging de arme van geest opgetogen naar huis, o koning, om aldaar niet bijster intelligent de ondergang van zijn heldhaftigheid af te wachten zoals Giris'a die had voorspeld [vergelijk 2.1: 4].

(10) Zijn maagdelijke dochter genaamd Ûshâ had in een droom een romantische ontmoeting met de zoon van Pradyumna, en dat terwijl ze de minnaar die ze zo vond nog nooit eerder had ontmoet of zelfs maar kende van horen zeggen [zie *]. (11) Zij, hem niet [langer] in haar droom ziend, kwam verstoord overeind terwijl ze zich temidden van haar vriendinnen bevond en zat toen enorm met zichzelf verlegen toen ze zichzelf hoorde zeggen 'Waar ben je mijn liefste?'(12) De dochter Citralekhâ ['de prima portrettiste'] van een minister van Bâna genaamd Kumbhânda, hoorde toen hoogst nieuwsgierig Ûshâ, haar vriendin en metgezel, uit. (13) 'Wie is dat naar wie je verlangt o mooie wenkbrauwtjes, en wat verwacht je van hem, want tot dusverre hebben we nog niemand gezien die je hand heeft verworven, o prinses.'

(14) 'In mijn droom zag ik een zekere man met een donkere huidskleur, lotusblaadjesogen, gele kleren en machtige armen - een van de soort die een vrouw het hart op hol doet slaan. (15) Hem zoek ik, die minnaar die me de honing van Zijn lippen deed drinken en die, naar elders vertrokken, mij, hunkerend naar Hem, in een zee van lijden heeft achtergelaten.'

(16) Citralekhâ zei: 'Ik zal je leed wegnemen; als Hij ergens te vinden is in de drie werelden, zal ik Hem naar je toe brengen, die echtgenoot in spé, die dief van je hart - alsjeblieft zeg me hoe Hij eruit ziet.'

(17) Toen ze dit had gezegd tekende ze natuurgetrouw voor haar de halfgod en de zanger van de hemel, de vervolmaakte, de achtenswaardige en de laag-bij-de-grondse slang, de demon, de magiër, de bovennatuurlijke en de mens. (18-19) Van de mensen tekende ze Vrishni's als S'ûrasena, Vasudeva, Balarâma en Krishna maar toen ze Pradyumna zag raakte Ûshâ bedeesd en met het tekenen van Aniruddha boog ze haar hoofd in verlegenheid o grote heer, en zei ze glimlachend: 'Dat is ie, HIj hier!'. (20) Citralekhâ, de yoginî, Hem herkennend als Krishna's kleinzoon [Aniruddha] begaf zich toen, o Koning, via de hogere sferen [op een mystieke manier] naar Dvârakâ, de stad onder de hoede van Krishna. (21) Pradyumna's zoon slapend op een prima bed voerde ze, gebruik makend van haar yogakrachten, vandaar mee naar S'onitapura om haar vriendin haar Geliefde te tonen. (22) Toen ze Hem zag, die allermooiste man, klaarde haar gezicht op en had ze het fijn met de zoon van Pradyumna in haar privévertrekken, een plek die verboden terrein was voor het oog van mannen. (23-24) Met de kostbaarste kledingstukken, bloemenslingers, geuren, lampen, zitplaatsen en dergelijke; met dranken, vloeibaar en vast voedsel en met woorden aanbad ze Hem toen in een gewetensvol dienstverlenen. En aldus Hem verborgen houdend in de maagdenverblijven verloor Hij, met haar groots toenemende genegenheid, de dagen uit het oog met al de afleiding die ze Zijn zinnen verschafte. (25-26) Zij aldus, met het breken van haar gelofte [van kuisheid] genoten door de Yadu-held, kon niet de symptomen verhullen van haar zinderende geluk die werden opgemerkt door haar gouvernantes die er verslag van deden [aan Bâna, haar vader]: 'O Koning, we hebben gemerkt dat uw dochter van een voor een ongetrouwd meisje onbetamelijke manier van doen is die de familie bezoedelt. (27) Goed in de gaten gehouden door ons in het paleis is ze er nimmer tussenuit geweest, o meester. We hebben er dan ook geen idee van hoe zij, die door geen man kon worden gezien, haar maagdelijkheid kon verliezen.'

(28) Toen Bâna hoorde dat zijn dochter was onteerd begaf hij zich hoogst verstoord terstond naar de maagdenkwartieren alwaar hij bij aankomst de meest excellente van de Yadu's aantrof. (29-30) Hij stond versteld toen hij zag hoe, recht voor haar zittend, die zoon van Cupido, de uitzonderlijkste schoonheid van al de werelden, donker van huid in gele kleren met Zijn lotusogen, machtige armen, oorsieraden en haarlokken, glimlachend met de gloed en de blikken van Zijn opgesierde gezicht, druk aan het dobbelen was met Zijn o zo genadige lieveling, waarvan het rood van de kunkuma van haar borsten kleefde aan de door haar vervaardigde slinger van lentejasmijn die tussen Zijn armen hing. (31) Hem binnen zien komend omringd door menig een gewapende wacht hief de Lieve Heer Zijn strijdknots van muru [een soort ijzer] en zette zich schrap, klaar om als de dood in eigen persoon toe te slaan met de roede der bestraffing. (32) Toen ze Hem van alle kanten insloten om Hem in te rekenen, viel Hij hen als een dominant zwijn geplaatst voor een roedel honden aan zodat ze allen getroffen het op een rennen zetten om uit het paleis weg te komen met hun hoofden, armen en benen kapotgeslagen. (33) Maar terwijl Hij de wachters neermaaide, nam de zoon van Bali Hem woedend zelf gevangen met de [mystieke] slangenkoorden [van Varuna, zie ook 8.21: 28]. Toen Ûshâ hoorde dat Hij was gevangengenomen weende ze compleet verslagen en ontmoedigd, overweldigd door verdriet bittere tranen.

next                        

 
 

Tweede editie, geladen 9 oktober 2008

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

The Meeting of Ûshâ and Aniruddha

Tekst 1

De achtenswaardige koning zei: 'Bâna's dochter Ûshâ ['ochtendgloren'] geheten huwde de beste van de Yadu's [Aniruddha] en om die reden vond er een enorme, verschrikkelijke veldslag plaats tussen de Heer en S'ankara [S'iva als 'de goedgunstige']; o grote yogî, ik geef het u dit alles te verklaren.'

King Parîkchit said: The best of the Yadus married Bânâsura's daughter, Ûshâ, and as a result a great, fearsome battle occurred between Lord Hari and Lord S'ankara. Please explain everything about this incident, O most powerful of mystics. (Vedabase)

 

Tekst 2

S'rî S'uka zei: 'Bâna ['pijl'], de oudste zoon van de honderd zoons geboren uit het zaad van Bali ['gift'] - de grote ziel die de aarde wegschonk aan de Heer die was verschenen in de gedaante van Vâmana [zie 8.19-22] -, was, respectabel en grootmoedig, intelligent en waarachtig in zijn geloften, altijd standvastig in zijn toewijding voor Heer S'iva. In de fraaie stad die bekend staat als S'onita ['hars'] stichtte hij zijn koninkrijk, alwaar de onsterfelijken hem van dienst waren alsof ze zijn bedienden waren. Dat deden ze omdat in het verleden S'ambhu ['de weldoener' ofwel S'iva] door hem tevreden was gesteld toen hij, met duizenden armen uitgerust, muziekinstrumenten had bespeeld terwijl Mrida [S'iva als 'de genadige'] aan het dansen was.

S'ukadeva Gosvâmî said: Bâna was the oldest of the hundred sons fathered by the great saint Bali Mahârâja, who gave the whole earth in charity to Lord Hari when He appeared as Vâmanadeva. Bânâsura, born from Bali's semen, became a great devotee of Lord S'iva. His behavior was always respectable, and he was generous, intelligent, truthful and firm in his vows. The beautiful city of S'onitapura was under his dominion. Because Lord S'iva had favored him, the very demigods waited on Bânâsura like menial servants. Once, when S'iva was dancing his tândava-nritya, Bâna especially satisfied the lord by playing a musical accompaniment with his one thousand arms. (Vedabase)

 

Tekst 3

Hij, de grote heer en meester van alle geschapen wezens, de mededogende die zijn toegewijden toevlucht biedt, beloonde hem met een zegen naar zijn keuze en hij koos voor hem [S'iva] als de behoeder van zijn stad.

The lord and master of all created beings, the compassionate refuge of his devotees, gladdened Bânâsura by offering him the benediction of his choice. Bâna chose to have him, Lord S'iva, as the guardian of his city. (Vedabase)

 

Tekst 4

Hij, begoocheld door zijn kracht, met een helm zo helder als de zon eens aanwezig aan zijn zijde zei tot Giris'a [S'iva als de heer van de berg] terwijl hij zijn voeten beroerde:

Bânâsura was intoxicated with his strength. One day, when Lord S'iva was standing beside him, Bânâsura touched the lord's lotus feet with his helmet, which shone like the sun, and spoke to him as follows. (Vedabase)

 

Tekst 5

'Ik buig me voor u neer o Mahâdeva [grote god], o beheerser en geestelijk leraar van de drie werelden die als een boom uit de hemel alle wensen vervult van de mensen die onvoldaan zijn.

[Bânâsura said:] O Lord Mahâdeva, I bow down to you, the spiritual master and controller of the worlds. You are like the heavenly tree that fulfills the desires of those whose desires are unfulfilled. (Vedabase)

 

Tekst 6

Het duizendtal armen die u me gaf zijn me enkel tot last geworden en behalve u kan ik in de drie werelden geen tegenstander vinden die mijn gelijke is.

These one thousand arms you bestowed upon me have become merely a heavy burden. Besides you, I find no one in the three worlds worthy to fight. (Vedabase)

 

Tekst 7

Met een lust in mijn armen om bergen te verpulveren ging ik heen om strijd te leveren tegen de olifanten uit alle windrichtingen o oerheer, maar verschrikt sloegen ze allen voor mij op de vlucht.'

Eager to fight with the elephants who rule the directions, O primeval lord, I went forth, pulverizing mountains with my arms, which were itching for battle. But even those great elephants fled in fear. (Vedabase)

 

Tekst 8

Dat aanhorend zei de grote heer geërgerd: 'Je vaandel zal worden gebroken als, o dwaas, je trots teniet wordt gedaan in de strijd met iemand gelijk aan mij.'

Hearing this, Lord S'iva became angry and replied, "Your flag will be broken, fool, when you have done battle with one who is my equal. That fight will vanquish your conceit." (Vedabase)

 

Tekst 9

Met dat in zijn oren ging de arme van geest opgetogen naar huis, o koning, om aldaar niet bijster intelligent de ondergang van zijn heldhaftigheid af te wachten zoals Giris'a die had voorspeld [vergelijk 2.1: 4].

Thus advised, unintelligent Bânâsura was delighted. The fool then went home, O King, to wait for that which Lord Giris'a had predicted: the destruction of his prowess. (Vedabase)

    

Tekst 10

Zijn maagdelijke dochter genaamd Ûshâ had in een droom een romantische ontmoeting met de zoon van Pradyumna, en dat terwijl ze de minnaar die ze zo vond nog nooit eerder had ontmoet of zelfs maar kende van horen zeggen [zie *].

In a dream Bâna's daughter, the maiden Ûshâ, had an amorous encounter with the son of Pradyumna, though she had never before seen or heard of her lover. (Vedabase)

 

Tekst 11

Zij, hem niet [langer] in haar droom ziend, kwam verstoord overeind terwijl ze zich temidden van haar vriendinnen bevond en zat toen enorm met zichzelf verlegen toen ze zichzelf hoorde zeggen 'Waar ben je mijn liefste?'

Losing sight of Him in her dream, Ûshâ suddenly sat up in the midst of her girlfriends, crying out "Where are You, my lover?" She was greatly disturbed and embarrassed. (Vedabase)

 

Tekst 12

De dochter Citralekhâ ['de prima portrettiste'] van een minister van Bâna genaamd Kumbhânda, hoorde toen hoogst nieuwsgierig Ûshâ, haar vriendin en metgezel, uit.

Bânâsura had a minister named Kumbhânda, whose daughter was Citralekhâ. A companion of Ûshâ's, she was filled with curiosity, and thus she inquired from her friend. (Vedabase)

 

Tekst 13

'Wie is dat naar wie je verlangt o mooie wenkbrauwtjes, en wat verwacht je van hem, want tot dusverre hebben we nog niemand gezien die je hand heeft verworven, o prinses.'

[Citralekhâ said:] Who are you searching for, O fine-browed one? What is this hankering you're feeling? Until now, O princess, I haven't seen any man take your hand in marriage. (Vedabase)

 

Tekst 14

'In mijn droom zag ik een zekere man met een donkere huidskleur, lotusblaadjesogen, gele kleren en machtige armen - een van de soort die een vrouw het hart op hol doet slaan.

[Ûshâ said:] In my dream I saw a certain man who had a darkblue complexion, lotus eyes, yellow garments and mighty arms. He was the kind who touches women's hearts. (Vedabase)

 

Tekst 15

Hem zoek ik, die minnaar die me de honing van Zijn lippen deed drinken en die, naar elders vertrokken, mij, hunkerend naar Hem, in een zee van lijden heeft achtergelaten.'

It is that lover I search for. After making me drink the honey of His lips, He has gone elsewhere, and thus He has thrown me, hankering fervently for Him, into the ocean of distress. (Vedabase)

 

Tekst 16

Citralekhâ zei: 'Ik zal je leed wegnemen; als Hij ergens te vinden is in de drie werelden, zal ik Hem naar je toe brengen, die echtgenoot in spé, die dief van je hart - alsjeblieft zeg me hoe Hij eruit ziet.'

Citralekhâ said: I will remove your distress. If He is to be found anywhere in the three worlds, I will bring this future husband of yours who has stolen your heart. Please show me who He is. (Vedabase)

    

Tekst 17

Toen ze dit had gezegd tekende ze natuurgetrouw voor haar de halfgod en de zanger van de hemel, de vervolmaakte, de achtenswaardige en de laag-bij-de-grondse slang, de demon, de magiër, de bovennatuurlijke en de mens.

Saying this, Citralekhâ proceeded to draw accurate pictures of various demigods, Gandharvas, Siddhas, Câranas, Pannagas, Daityas, Vidyâdharas, Yakshas and humans. (Vedabase)

 

Tekst 18-19

Van de mensen tekende ze Vrishni's als S'ûrasena, Vasudeva, Balarâma en Krishna maar toen ze Pradyumna zag raakte Ûshâ bedeesd en met het tekenen van Aniruddha boog ze haar hoofd in verlegenheid o grote heer, en zei ze glimlachend: 'Dat is ie, HIj hier!'.

O King, among the humans, Citralekhâ drew pictures of the Vrishnis, including S'ûrasena, Ânakadundubhi, Balarâma and Krishna. When Ûshâ saw the picture of Pradyumna she became bashful, and when she saw Aniruddha's picture she bent her head down in embarrassment. Smiling, she exclaimed, "He's the one! It's Him!" (Vedabase)

 

Tekst 20

Citralekhâ, de yoginî, Hem herkennend als Krishna's kleinzoon [Aniruddha] begaf zich toen, o Koning, via de hogere sferen [op een mystieke manier] naar Dvârakâ, de stad onder de hoede van Krishna.

Citralekhâ, endowed with mystic powers, recognized Him as Krishna's grandson [Aniruddha]. My dear King, she then traveled by the mystic skyway to Dvârakâ, the city under Lord Krishna's protection. (Vedabase)

  

Tekst 21

Pradyumna's zoon slapend op een prima bed voerde ze, gebruik makend van haar yogakrachten, vandaar mee naar S'onitapura om haar vriendin haar Geliefde te tonen.

There she found Pradyumna's son Aniruddha sleeping upon a fine bed. With her yogic power she took Him away to S'onitapura, where she presented her girlfriend Ûshâ with her beloved. (Vedabase)

  

Tekst 22

Toen ze Hem zag, die allermooiste man, klaarde haar gezicht op en had ze het fijn met de zoon van Pradyumna in haar privévertrekken, een plek die verboden terrein was voor het oog van mannen.

When Ûshâ beheld Him, the most beautiful of men, her face lit up with joy. She took the son of Pradyumna to her private quarters, which men were forbidden even to see, and there enjoyed with Him. (Vedabase)

 

Tekst 23-24

Met de kostbaarste kledingstukken, bloemenslingers, geuren, lampen, zitplaatsen en dergelijke; met dranken, vloeibaar en vast voedsel en met woorden aanbad ze Hem toen in een gewetensvol dienstverlenen. En aldus Hem verborgen houdend in de maagdenverblijven verloor Hij, met haar groots toenemende genegenheid, de dagen uit het oog met al de afleiding die ze Zijn zinnen verschafte.

Ûshâ worshiped Aniruddha with faithful service, offering Him priceless garments, along with garlands, fragrances, incense, lamps, sitting places and so on. She also offered Him beverages, all types of food, and sweet words. As He thus remained hidden in the young ladies' quarters, Aniruddha did not notice the passing of the days, for His senses were captivated by Ûshâ, whose affection for Him ever increased. (Vedabase)

 

Tekst 25-26

Zij aldus, met het breken van haar gelofte [van kuisheid] genoten door de Yadu-held, kon niet de symptomen verhullen van haar zinderende geluk die werden opgemerkt door haar gouvernantes die er verslag van deden [aan Bâna, haar vader]: 'O Koning, we hebben gemerkt dat uw dochter van een voor een ongetrouwd meisje onbetamelijke manier van doen is die de familie bezoedelt.

The female guards eventually noticed unmistakable symptoms of romantic involvement in Ûshâ, who, having broken her maiden vow, was being enjoyed by the Yadu hero and showing signs of conjugal happiness. The guards went to Bânâsura and told him, "O King, we have detected in your daughter the kind of improper behavior that spoils the reputation of a young girl's family. (Vedabase)

 

 Tekst 27

Goed in de gaten gehouden door ons in het paleis is ze er nimmer tussenuit geweest, o meester. We hebben er dan ook geen idee van hoe zij, die door geen man kon worden gezien, haar maagdelijkheid kon verliezen.'

"We have been carefully watching over her, never leaving our posts, O master, so we cannot understand how this maiden, whom no man can even see, has been corrupted within the palace." (Vedabase)

 

Tekst 28

Toen Bâna hoorde dat zijn dochter was onteerd begaf hij zich hoogst verstoord terstond naar de maagdenkwartieren alwaar hij bij aankomst de meest excellente van de Yadu's aantrof.

Very agitated to hear of his daughter's corruption, Bânâsura rushed at once to the maidens' quarters. There he saw the pride of the Yadus, Aniruddha. (Vedabase)

  

Tekst 29-30

Hij stond versteld toen hij zag hoe, recht voor haar zittend, die zoon van Cupido, de uitzonderlijkste schoonheid van al de werelden, donker van huid in gele kleren met Zijn lotusogen, machtige armen, oorsieraden en haarlokken, glimlachend met de gloed en de blikken van Zijn opgesierde gezicht, druk aan het dobbelen was met Zijn o zo genadige lieveling, waarvan het rood van de kunkuma van haar borsten kleefde aan de door haar vervaardigde slinger van lentejasmijn die tussen Zijn armen hing.

Bânâsura saw before him Cupid's own son, possessed of unrivaled beauty, with dark-blue complexion, yellow garments, lotus eyes and formidable arms. His face was adorned with effulgent earrings and hair, and also with smiling glances. As He sat opposite His most auspicious lover, playing with her at dice, there hung between His arms a garland of spring jasmines that had been smeared with kunkuma powder from her breasts when He had embraced her. Bânâsura was astonished to see all this. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Hem binnen zien komend omringd door menig een gewapende wacht hief de Lieve Heer Zijn strijdknots van muru [een soort ijzer] en zette zich schrap, klaar om als de dood in eigen persoon toe te slaan met de roede der bestraffing.

Seeing Bânâsura enter with many armed guards, Aniruddha raised His iron club and stood resolute, ready to strike anyone who attacked Him. He resembled death personified holding his rod of punishment. (Vedabase)

  

Tekst 32

Toen ze Hem van alle kanten insloten om Hem in te rekenen, viel Hij hen als een dominant zwijn geplaatst voor een roedel honden aan zodat ze allen getroffen het op een rennen zetten om uit het paleis weg te komen met hun hoofden, armen en benen kapotgeslagen.

As the guards converged on Him from all sides, trying to capture Him, Aniruddha struck them just as the leader of a pack of boars strikes back at dogs. Hit by His blows, the guards fled the palace, running for their lives with shattered heads, thighs and arms. (Vedabase)

 

Tekst 33

Maar terwijl Hij de wachters neermaaide, nam de zoon van Bali Hem woedend zelf gevangen met de [mystieke] slangenkoorden [van Varuna, zie ook 8.21: 28]. Toen Ûshâ hoorde dat Hij was gevangengenomen weende ze compleet verslagen en ontmoedigd, overweldigd door verdriet bittere tranen.

But even as Aniruddha was striking down the army of Bâna, that powerful son of Bali angrily caught Him with the mystic nâga-pâs'a ropes. When Ûshâ heard of Aniruddha's capture, she was overwhelmed with grief and depression; her eyes filled with tears, and she wept. (Vedabase)

 

* Hier haalt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thâkura de volgende verzen aan uit de Vishnu Purâna, die uitleg verschaffen over Ûshâ's droom: 'O brâhmana, toen Ûshâ, de dochter van Bâna, toevallig Pârvatî zag spelen met haar echtgenoot, Heer S'ambhu, verlangde Ûshâ er hevig naar dezelfde gevoelens te ondergaan. Op dat ogenblik zei de Godin Gaurî [Pârvatî], die ieders hart kent, tegen het gevoelige jonge meisje, 'Wees er niet door verstoord! Je zal de kans krijgen te genieten samen met je echtgenoot.' Dit horend, dacht Ûshâ bij zichzelf, 'Maar wanneer dan? En wie zal mijn echtgenoot zijn?' In reactie hierop, richtte Pârvatî nogmaals het woord tot haar: 'De man die je benadert in je droom op de twaalfde dag van de heldere maandhelft van de maand Vais'âkha zal je echtgenoot worden, o prinses.'

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties