regelbalk

   

S'rî Rûpa Manjari Pada

  

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 55

 

De Geschiedenis van Pradyumna

(1) S'rî S'uka zei: 'Cupido [Kâmadeva], een expansie van Vâsudeva die voorheen door de woede van Rudra werd verbrand, keerde, ten einde een nieuw lichaam te verkrijgen, daadwerkelijk naar Hem terug [zie ook 3.1: 28 en 8.10: 32-34 en B.G. 10.28]. (2) Hij uit het zaad van Krishna verwekt in de dochter van de koning van Vidarbha [Rukminî] stond aldus bekend als Pradyumna ['de machtige boven alle anderen', zie ook vyûha's] en deed in geen enkel opzicht onder voor Zijn Vader. (3) S'ambara ['de goochelaar' zie 7.2: 4-5, 10.36: 36], die naar believen gedaanten kon aannemen, ging er vandoor met het kind dat nog geen tien dagen oud was, maar hij, Hem herkennend als zijn vijand, wierp Hem in zee en ging naar huis terug. (4) Hij werd opgeslokt door een grote vis die tezamen met anderen gevangen in een groot net werd meegenomen door vissers. (5) De vissers boden hem, verwonderlijk als ie was, aan S'ambara aan die het aangebodene door de koks naar de keuken liet brengen alwaar hij werd opengesneden met een mes. (6) Het kind in de buik aangetroffen werd aan Mâyâvatî gegeven aan wie verbijsterd als ze was Nârada uitleg verschafte over de geboorte van het kind en hoe het was beland in de buik van de vis. (7-8) Zij, die door S'ambara was aangesteld om rijst en groenten klaar te maken, was in feite Cupido's beroemde vrouw genaamd Rati die [na bij Heer S'iva te hebben gesmeekt naar S'ambara was gestuurd en daar] wachtte tot haar verbrandde echtgenoot een nieuw lichaam had verworven. Inziend dat het kind Kâmadeva was ontwikkelde ze genegenheid voor het kind. (9) Niet zo lang daarna gaf Hij, de zoon van Krishna, tot een jongeling uitgegroeid, aanleiding tot een grote bekoring bij de vrouwen die hem zagen. (10) Mijn beste, vol van liefde benaderde zij met een bedeesde glimlach, geheven wenkbrauwen en blikken en gebaren van sexuele aantrekking Hem, haar echtgenoot, de mooiste die er in de samenleving te vinden was met Zijn lange armen en ogen wijd open als een lotus. (11) Tot haar zei de Opperheer als Krishna's eigen zoon: 'O moeder in uw houding u afwijkend opstellend als een vriendin, gaat u de gemoedsgesteldheid van de moederlijke genegenheid te buiten.'

(12) Rati gaf ten antwoord: 'Jij bent de zoon van Nârâyana die bij Jouw thuis werd weggestolen door S'ambara en ik ben Je wettige echtgenote Rati, o Cupido mijn Meester! (13) Jij nog geen tien dagen oud werd door hem, die demon S'ambara, in de oceaan geworpen alwaar een vis Je verslond uit wiens buik we Je hier hebben gekregen! (14) AlsJeblieft, breng Je moeilijk te benaderen en lastig te verslane vijand ter dood die honderden van toverformules kent; dat kan Je doen met de begoocheling der magie en zo! (15) Je arme moeder met haar zoon verdwenen, zielig in tranen als een koe zonder haar kalf, is overweldigd door liefde voor haar kind aan het huilen als een visarend.'

(16) Zich aldus uitlatend gaf Mâyâvatî die grote ziel Pradyumna de mystieke kennis van Mahâmâyâ ['de grote verbijsterende macht'] die een einde maakt aan alle begoochelende bezweringen. (17) Hij S'ambara benaderend om te vechten, beschimpte hem toen met ondraaglijke beledigingen om een gevecht uit te lokken. (18) Hij beledigd door de krasse termen kwam woest met ogen rood als koper als was hij een slang geraakt door een voet naar buiten met een knots in zijn hand. (19) Hard ronddraaiend met zijn strijdknots wierp hij die naar Pradyumna de Grote Ziel, daarmee een geluid voortbrengend zo hard als dat van een blikseminslag. (20) Hij werd in zijn vlucht door de Opperheer met Zijn knots weggeslagen, o Koning, waarop Hij vertoornd Zijn eigen knots naar Zijn vijand slingerde. (21) Hij, de demon, zijn toevlucht nemend tot de daitya-magie die hij had opgestoken van Maya Dânava, liet van boven uit de hemel een stortvloed van wapens neerdalen over de zoon van Krishna [vergelijk: 3.19: 20]. (22) Geplaagd door de regen van wapentuig wendde de machtige strijder, de zoon van Rukminî, de grote bezweringsformule aan die wortelend in goedheid alle magie te boven gaat. (23) De demon zette toen honderden van wapens in die behoorden tot Kuvera's schatbewaarders [Guhyaka's], de zangers van de hemel [Gandharva's], de reuzen [Pis'âca's], de hemelslangen [Uraga's] en de menseneters [Râkshasa's], maar de zoon van Krishna haalde ze allen naar beneden. (24) Zijn scherpgeslepen zwaard trekkend scheidde Hij met geweld S'ambara's hoofd, compleet met zijn helm, oorringen en rode snor, van zijn romp. (25) Door de goden vol lof van boven bestrooid met een regen aan bloemen, werd Hij door Zijn vrouw reizend door de lucht naar de stad [Dvârakâ] gebracht. (26) De binnenruimten van het paleis zo zeer verfijnd, o Koning, en bevolkt met vele honderden vrouwen betrad Hij met Zijn vrouw vanuit de lucht aankomend als een wolk samen met de bliksem. (27-28) Hem ziend, donker als een regenwolk, gekleed in gele zijde, met lange armen, roze oogwit, een aangename glimlach, Zijn charmante voorkomen; Zijn fraai opgesierde lotusgelijke gezicht en de blauwzwarte krullende lokken, raakten de vrouwen, Hem voor Krishna houdend, bedeesd en gingen ze er vandoor om zich her en der te verbergen. (29) Geleidelijk aan bemerkten de dames kleine verschillen in Zijn uiterlijk en kwamen ze verrukt en verrast af op Hem daar samen met [Rati,] dat juweel onder de vrouwen. (30) De borsten van de zoetgevooisde en donker-ogige Rukminî, zich haar verloren zoon herinnerend, vloeiden daar toen van de genegenheid.

(31) [Zij dacht:] 'Wie dan wel zou dit sieraad onder de mannen zijn, wiens zoon is Hij en welke lotusogige vrouw heeft Hem in haar schoot gedragen, en daarenboven, wie is deze vrouw die Hij voor Zich won? (32) Als mijn zoon verdwenen uit de kinderkamer nog ergens in leven zou zijn, zou Hij van dezelfde leeftijd en verschijning zijn. (33) Hoe kan Hij tot de zelfde verschijning zijn gekomen qua lichaam, gang, leden, stem, glimlach en blik als die van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna's boog]? (34) Gezien mijn grote genegenheid voor Hem en gelet op het trillen in mijn linker arm, is Hij zonder twijfel - Hij moet het zijn - voorzeker het kind dat ik in mijn schoot gedragen heb!'

(35) Terwijl de dochter van de koning van Vidarbha zich dit zo afvroeg arriveerde de Heer Geprezen in de Geschriften aldaar tezamen met Devakî en Ânakadundhubi. (36) Alhoewel de Allerhoogste Heer van de zaak op de hoogte was hield Hij, Janârdana, zich stil; het was Nârada die verslag deed van alles, beginnende met de ontvoering door S'ambara. (37) De vrouwen van Krishna's paleis die over dat grote wonder vernamen juichten toen in extase over Hem die zo vele jaren verloren was gewaand als betrof het iemand die uit de dood was opgestaan. (38) Devakî, Vasudeva, Krishna, Balarâma als ook de vrouwen en Rukminî omhelsden het paar en vierden feest. (39) De inwoners van Dvârakâ verklaarden toen ze vernamen dat Pradyumna verloren was teruggekomen: 'O Voorzienigheid, het kind dat we dood waanden is werkelijk teruggekeerd!'

(40) Als in het geheel niet verbazingwekkend zij - zij die inderdaad bij herhaling dachten aan de gelijkenis van Zijn Vader als hun meester - als Zijn moeders in het volle van hun aantrekking terugdeinsden uit respect voor Hem, zoals Hij hun daadwerkelijk voor ogen kwam als de afspiegeling van de Toevlucht van de Godin van het Fortuin Zijn Gedaante, als Cupido de God van de Liefde in eigen persoon, wat zou men dan kunnen verwachten van andere vrouwen?

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het nederlands beschukbaar):

The History of Pradyumna

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'Cupido [Kâmadeva], een expansie van Vâsudeva die voorheen door de woede van Rudra werd verbrand, keerde, ten einde een nieuw lichaam te verkrijgen, daadwerkelijk naar Hem terug [zie ook 3.1: 28 en 8.10: 32-34 en B.G. 10.28].

S'ukadeva Gosvâmî said: Kâmadeva [Cupid], an expansion of Vâsudeva, had previously been burned to ashes by Rudra's anger. Now, to obtain a new body, he merged back into the body of Lord Vâsudeva.

 

Tekst 2:

Hij uit het zaad van Krishna verwekt in de dochter van de koning van Vidarbha [Rukminî] stond aldus bekend als Pradyumna ['de machtige boven alle anderen', zie ook vyûha's] en deed in geen enkel opzicht onder voor Zijn Vader.

He took birth in the womb of Vaidarbhî from the seed of Lord Krishna and received the name Pradyumna. In no respect was He inferior to His father.

 

Tekst 3:

S'ambara ['de goochelaar' zie 7.2: 4-5, 10.36: 36], die naar believen gedaanten kon aannemen, ging er vandoor met het kind dat nog geen tien dagen oud was, maar hij, Hem herkennend als zijn vijand, wierp Hem in zee en ging naar huis terug.

The demon S'ambara, who could assume any form he desired, kidnapped the infant before He was even ten days old. Understanding Pradyumna to be his enemy, S'ambara threw Him into the sea and then returned home.

 

Tekst 4:

Hij werd opgeslokt door een grote vis die tezamen met anderen gevangen in een groot net werd meegenomen door vissers.

A powerful fish swallowed Pradyumna, and this fish, along with others, was caught in a huge net and seized by fishermen.

 

Tekst 5:

De vissers boden hem, verwonderlijk als ie was, aan S'ambara aan die het aangebodene door de koks naar de keuken liet brengen alwaar hij werd opengesneden met een mes.

The fishermen presented that extraordinary fish to S'ambara, who had his cooks bring it to the kitchen, where they began cutting it up with a butcher knife.

 

Tekst 6:

Het kind in de buik aangetroffen werd aan Mâyâvatî gegeven aan wie verbijsterd als ze was Nârada uitleg verschafte over de geboorte van het kind en hoe het was beland in de buik van de vis.

Seeing a male child in the belly of the fish, the cooks gave the infant to Mâyâvatî, who was astonished. Nârada Muni then appeared and explained to her everything about the child's birth and His entering the fish's abdomen.

 

Tekst 7-8:

Zij, die door S'ambara was aangesteld om rijst en groenten klaar te maken, was in feite Cupido's beroemde vrouw genaamd Rati die [na bij Heer S'iva te hebben gesmeekt naar S'ambara was gestuurd en daar] wachtte tot haar verbrandde echtgenoot een nieuw lichaam had verworven. Inziend dat het kind Kâmadeva was ontwikkelde ze genegenheid voor het kind.

Mâyâvatî was in fact Cupid's renowned wife, Rati. While waiting for her husband to obtain a new body - his previous one having been burnt up - she had been assigned by S'ambara to prepare vegetables and rice. Mâyâvatî understood that this infant was actually Kâmadeva, and thus she began to feel love for Him.

 

Tekst 9:

Niet zo lang daarna gaf Hij, de zoon van Krishna, tot een jongeling uitgegroeid, aanleiding tot een grote bekoring bij de vrouwen die hem zagen.

After a short time, this son of Krishna - Pradyumna - attained His full youth. He enchanted all women who gazed upon Him.

 

Tekst 10:

Mijn beste, vol van liefde benaderde zij met een bedeesde glimlach, geheven wenkbrauwen en blikken en gebaren van sexuele aantrekking Hem, haar echtgenoot, de mooiste die er in de samenleving te vinden was met Zijn lange armen en ogen wijd open als een lotus.

My dear King, with a bashful smile and raised eyebrows, Mâyâvatî exhibited various gestures of conjugal attraction as she lovingly approached her husband, whose eyes were broad like the petals of a lotus, whose arms were very long and who was the most beautiful of men.

 

Tekst 11:

Tot haar zei de Opperheer als Krishna's eigen zoon: 'O moeder in uw houding u afwijkend opstellend als een vriendin, gaat u de gemoedsgesteldheid van de moederlijke genegenheid te buiten.'

Lord Pradyumna told her, "O mother, your attitude has changed. You are overstepping the proper feelings of a mother and behaving like a lover."

 

Tekst 12:

Rati gaf ten antwoord: 'Jij bent de zoon van Nârâyana die bij Jouw thuis werd weggestolen door S'ambara en ik ben Je wettige echtgenote Rati, o Cupido mijn Meester!

Rati said: You are the son of Lord Nârâyana and were kidnapped from Your parents' home by S'ambara. I, Rati, am Your legitimate wife, O master, because You are Cupid.

 

Tekst 13:

Jij nog geen tien dagen oud werd door hem, die demon S'ambara, in de oceaan geworpen alwaar een vis Je verslond uit wiens buik we Je hier hebben gekregen!

That demon, S'ambara, threw You into the sea when You were not even ten days old, and a fish swallowed You. Then in this very place we recovered You from the fish's abdomen, O master.

  

Tekst 14:

AlsJeblieft, breng Je moeilijk te benaderen en lastig te verslane vijand ter dood die honderden van toverformules kent; dat kan Je doen met de begoocheling der magie en zo!

Now kill this dreadful S'ambara, Your formidable enemy. Although he knows hundreds of magic spells, You can defeat him with bewildering magic and other techniques.

 

Tekst 15:

Je arme moeder met haar zoon verdwenen, zielig in tranen als een koe zonder haar kalf, is overweldigd door liefde voor haar kind aan het huilen als een visarend.'

Your poor mother, having lost her son, cries for You like a kurarî bird. She is overwhelmed with love for her child, just like a cow that has lost its calf.

 

Tekst 16

Zich aldus uitlatend gaf Mâyâvatî die grote ziel Pradyumna de mystieke kennis van Mahâmâyâ ['de grote verbijsterende macht'] die een einde maakt aan alle begoochelende bezweringen.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Speaking thus, Mâyâvatî gave to the great soul Pradyumna the mystic knowledge called Mahâmâyâ, which vanquishes all other deluding spells.

  

Tekst 17

Hij S'ambara benaderend om te vechten, beschimpte hem toen met ondraaglijke beledigingen om een gevecht uit te lokken.

Pradyumna approached S'ambara and called him to battle, hurling intolerable insults at him to foment a conflict.

   

Tekst 18

Hij beledigd door de krasse termen kwam woest met ogen rood als koper als was hij een slang geraakt door een voet naar buiten met een knots in zijn hand.

Offended by these harsh words, S'ambara became as agitated as a kicked snake. He came out, club in hand, his eyes red with rage.

 

Tekst 19

Hard ronddraaiend met zijn strijdknots wierp hij die naar Pradyumna de Grote Ziel, daarmee een geluid voortbrengend zo hard als dat van een blikseminslag.

S'ambara whirled his club swiftly about and then hurled it at the wise Pradyumna, producing a sound as sharp as a thunder crack.

 

Tekst 20

Hij werd in zijn vlucht door de Opperheer met Zijn knots weggeslagen, o Koning, waarop Hij vertoornd Zijn eigen knots naar Zijn vijand slingerde.

As S'ambara's club came flying toward Him, Lord Pradyumna knocked it away with His own. Then, O King, Pradyumna angrily threw His club at the enemy.

 

Tekst 21

Hij, de demon, zijn toevlucht nemend tot de daitya-magie die hij had opgestoken van Maya Dânava, liet van boven uit de hemel een stortvloed van wapens neerdalen over de zoon van Krishna [vergelijk: 3.19: 20].

Resorting to the black magic of the Daityas taught to him by Maya Dânava, S'ambara suddenly appeared in the sky and released a downpour of weapons upon Krishna's son.

  

Tekst 22

Geplaagd door de regen van wapentuig wendde de machtige strijder, de zoon van Rukminî, de grote bezweringsformule aan die wortelend in goedheid alle magie te boven gaat.

Harassed by this rain of weapons, Lord Raukmineya, the greatly powerful warrior, made use of the mystic science called Mahâ-mâyâ, which was created from the mode of goodness and which could defeat all other mystic power.

  

Tekst 23

De demon zette toen honderden van wapens in die behoorden tot Kuvera's schatbewaarders [Guhyaka's], de zangers van de hemel [Gandharva's], de reuzen [Pis'âca's], de hemelslangen [Uraga's] en de menseneters [Râkshasa's], maar de zoon van Krishna haalde ze allen naar beneden.

The demon then unleashed hundreds of mystic weapons belonging to the Guhyakas, Gandharvas, Pis'âcas, Uragas and Râkshasas, but Lord Kârshni, Pradyumna, struck them all down.

  

Tekst 24

Zijn scherpgeslepen zwaard trekkend scheidde Hij met geweld S'ambara's hoofd, compleet met zijn helm, oorringen en rode snor, van zijn romp.

Drawing His sharp-edged sword, Pradyumna forcefully cut off S'ambara's head, complete with red mustache, helmet and earrings.

 

Tekst 25

Door de goden vol lof van boven bestrooid met een regen aan bloemen, werd Hij door Zijn vrouw reizend door de lucht naar de stad [Dvârakâ] gebracht.

As the residents of the higher planets showered Pradyumna with flowers and chanted His praises, His wife appeared in the sky and transported Him through the heavens, back to the city of Dvârakâ.

 

 Tekst 26

De binnenruimten van het paleis zo zeer verfijnd, o Koning, en bevolkt met vele honderden vrouwen betrad Hij met Zijn vrouw vanuit de lucht aankomend als een wolk samen met de bliksem.

O King, Lord Pradyumna and His wife resembled a cloud accompanied by lightning as they descended from the sky into the inner quarters of Krishna's most excellent palace, which were crowded with lovely women.

 

Tekst 27-28

Hem ziend, donker als een regenwolk, gekleed in gele zijde, met lange armen, roze oogwit, een aangename glimlach, Zijn charmante voorkomen; Zijn fraai opgesierde lotusgelijke gezicht en de blauwzwarte krullende lokken, raakten de vrouwen, Hem voor Krishna houdend, bedeesd en gingen ze er vandoor om zich her en der te verbergen.

The women of the palace thought He was Lord Krishna when they saw His dark- blue complexion the color of a rain cloud, His yellow silk garments, His long arms and red-tinged eyes, His charming lotus face adorned with a pleasing smile, His fine ornaments and His thick, curly blue hair. Thus the women became bashful and hid themselves here and there.

 

Tekst 29

Geleidelijk aan bemerkten de dames kleine verschillen in Zijn uiterlijk en kwamen ze verrukt en verrast af op Hem daar samen met [Rati,] dat juweel onder de vrouwen.

Gradually, from the slight differences between His appearance and Krishna's, the ladies realized He was not the Lord. Delighted and astonished, they approached Pradyumna and His consort, who was a jewel among women.

 

Tekst 30

De borsten van de zoetgevooisde en donker-ogige Rukminî, zich haar verloren zoon herinnerend, vloeiden daar toen van de genegenheid.

Seeing Pradyumna, sweet-voiced, dark-eyed Rukminî remembered her lost son, and her breasts became moist out of affection.

 

Tekst 31

[Zij dacht:] 'Wie dan wel zou dit sieraad onder de mannen zijn, wiens zoon is Hij en welke lotusogige vrouw heeft Hem in haar schoot gedragen, en daarenboven, wie is deze vrouw die Hij voor Zich won?

[S'rîmatî Rukminî-devî said:] Who is this lotus-eyed jewel among men? What man's son is He, and what woman carried Him in her womb? And who is this woman He has taken as His wife?

 

 Tekst 32

Als mijn zoon verdwenen uit de kinderkamer nog ergens in leven zou zijn, zou Hij van dezelfde leeftijd en verschijning zijn.

If my lost son, who was kidnapped from the maternity room, were still alive somewhere, He would be of the same age and appearance as this young man.

 

Tekst 33

Hoe kan Hij tot de zelfde verschijning zijn gekomen qua lichaam, gang, leden, stem, glimlach en blik als die van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna's boog]?

But how is it that this young man so much resembles my own Lord, Krishna, the wielder of S'ârnga, in His bodily form and His limbs, in His gait and the tone of His voice, and in His smiling glance?

 

Tekst 34

Gezien mijn grote genegenheid voor Hem en gelet op het trillen in mijn linker arm, is Hij zonder twijfel - Hij moet het zijn - voorzeker het kind dat ik in mijn schoot gedragen heb!'

Yes, He must be the same child I bore in my womb, since I feel great affection for Him and my left arm is quivering.

 

Tekst 35

Terwijl de dochter van de koning van Vidarbha zich dit zo afvroeg arriveerde de Heer Geprezen in de Geschriften aldaar tezamen met Devakî en Ânakadundhubi.

As Queen Rukminî conjectured in this way, Lord Krishna, the son of Devakî, arrived on the scene with Vasudeva and Devakî.

  

Tekst 36

Alhoewel de Allerhoogste Heer van de zaak op de hoogte was hield Hij, Janârdana, zich stil; het was Nârada die verslag deed van alles, beginnende met de ontvoering door S'ambara.

Although Lord Janârdana knew perfectly well what had transpired, He remained silent. The sage Nârada, however, explained everything, beginning with S'ambara's kidnapping of the child.

 

Tekst 37

De vrouwen van Krishna's paleis die over dat grote wonder vernamen juichten toen in extase over Hem die zo vele jaren verloren was gewaand als betrof het iemand die uit de dood was opgestaan.

When the women of Lord Krishna's palace heard this most amazing account, they joyfully greeted Pradyumna, who had been lost for many years but who had now returned as if from the dead.

 

Tekst 38

Devakî, Vasudeva, Krishna, Balarâma als ook de vrouwen en Rukminî omhelsden het paar en vierden feest.

Devakî, Vasudeva, Krishna, Balarâma and all the women of the palace, especially Queen Rukminî, embraced the young couple and rejoiced.

 

Tekst 39

De inwoners van Dvârakâ verklaarden toen ze vernamen dat Pradyumna verloren was teruggekomen: 'O Voorzienigheid, het kind dat we dood waanden is werkelijk teruggekeerd!'

Hearing that lost Pradyumna had come home, the residents of Dvârakâ declared, "Ah, providence has allowed this child to return as if from death!"

 

Tekst 40

Als in het geheel niet verbazingwekkend zij - zij die inderdaad bij herhaling dachten aan de gelijkenis van Zijn Vader als hun meester - als Zijn moeders in het volle van hun aantrekking terugdeinsden uit respect voor Hem, zoals Hij hun daadwerkelijk voor ogen kwam als de afspiegeling van de Toevlucht van de Godin van het Fortuin Zijn Gedaante, als Cupido de God van de Liefde in eigen persoon, wat zou men dan kunnen verwachten van andere vrouwen?

It is not astonishing that the palace women, who should have felt maternal affection for Pradyumna, privately felt ecstatic attraction for Him as if He were their own Lord. After all, the son exactly resembled His father. Indeed, Pradyumna was a perfect reflection of the beauty of Lord Krishna, the shelter of the goddess of fortune, and appeared before their eyes as Cupid Himself. Since even those on the level of His mother felt conjugal attraction for Him, then what to speak of how other women felt when they saw Him?

 

 

 

 

 

 

 Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties