
Source
Texts:
Rukminî's
Message to Lord Krishna
Text
1:
S'rî
S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen
waren] bestegen in grote woede in kuras hun
transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen
troepen, achter hen aan, met hun bogen klaar.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having thus spoken, all those
infuriated kings donned their armor and mounted their
conveyances. Each king, bow in hand, was surrounded by his
own army as he went after Lord Krishna.
Text
2:
Toen het
Yâdava-leger ze er aan zag komen in hun achtervolging,
stopten de officieren om ze tegemoet te treden, o Koning, en
lieten ze hun bogen klinken.
The
commanders of the Yâdava army, seeing the enemy racing
to attack, turned to face them and stood firm, O King,
twanging their bows.
Text
3:
Vanaf hun
paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun
posities in hun wagens schoten die [vijandige]
wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water
dat doet over de bergen.
Mounted
on the backs of horses, the shoulders of elephants and the
seats of chariots, the enemy kings, expert with weapons,
rained down arrows upon the Yadus like clouds pouring rain
on mountains.
Text
4:
Toen het
volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd bedekt
door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in verlegenheid
met ogen vol angst in het gelaat.
Slender-waisted
Rukminî, seeing her Lord's army covered by torrents of
arrows, shyly looked at His face with fear-stricken
eyes.
Text
5:
De Opperheer
zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu meteen zal
deze strijdmacht door jouw troepen worden
vernietigd'.
In
response the Lord laughed and assured her, "Do not be
afraid, beautiful- eyed one. This enemy force is about to be
destroyed by your soldiers."
Text
6:
Dat
machtsvertoon van hen kon door de helden Gada [Krishna's
jongere broer], Sankarshana en de anderen niet worden
getolereerd en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun paarden,
olifanten en wagens neer.
The
heroes of the Lord's army, headed by Gada and Sankarshana,
could not tolerate the aggression of the opposing kings.
Thus with iron arrows they began to strike down the enemy's
horses, elephants and chariots.
Text
7:
Van hen die op
de wagens, de paarden en de olifanten zaten vielen bij
duizenden de hoofden op de grond, compleet met oorringen,
helmen en tulbanden.
The
heads of soldiers fighting on chariots, horses and elephants
fell to the ground by the millions; some heads wore earrings
and helmets, others turbans.
Text
8:
Er waren
mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren, olifanten
en kamelen zowel als [afgeschoten] handen met zwaarden,
knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen en hele
benen.
Lying
all around were thighs, legs and fingerless hands, along
with hands clutching swords, clubs and bows, and also the
heads of horses, donkeys, elephants, camels, wild asses and
humans.
Text
9:
De koningen
aangevoerd door Jarâsandha die begerig de overwinning te
behalen hun troepen vernietigd zagen door de Vrishni's, dropen
toen ontmoedigd af.
Seeing
their armies being struck down by the Vrishnis, who were
eager for victory, the kings headed by Jarâsandha were
discouraged and left the battlefield.
Text
10:
Ze gingen naar
en spraken met S'is'upâla die met zijn aanstaande bruid
weggestolen, ontgoocheld verstoord was met een hangend gezicht
waar alle kleur uit was verdwenen.
The
kings approached S'is'upâla, who was disturbed like a
man who has lost his wife. His complexion was drained of
color, his enthusiasm was gone, and his face appeared dried
up. The kings spoke to him as follows.
Text
11:
[Jarâsandha
zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft
deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met het
gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te
vinden.
[Jarâsandha
said:] Listen, S'is'upâla, O tiger among men, give
up your depression. After all, embodied beings' happiness
and unhappiness is never seen to be permanent, O
King.
Text
12:
Zoals een vrouw
vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van een
poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld, begaan met
vreugde en verdriet, beheerst door de
Beheerser.
Just
as a puppet in the form of a woman dances by the desire of
the puppeteer, so this world, controlled by the Supreme
Lord, struggles in both happiness and misery.
Text
13:
Ik zelf verloor
met drieëntwintig legers zeventien keer het in veldslagen
van S'auri [Krishna] en ik won slechts
éénmaal.
In
battle with Krishna I and my twenty-three armies lost
seventeen times; only once did I defeat Him.
Text
14:
Niettemin
beklaag of verheug ik mij niet - nooit en te nimmer; wetende
dat de wereld wordt voortgedreven door de tijd in combinatie
met het lot.
But
still I never lament or rejoice, because I know this world
is driven by time and fate.
Text
15
Zelfs nu zijn
wij allen, leiders van de aanvoerders van helden, verslagen
door de weinige toegehorigen van de Yadu's onder de bescherming
van Krishna.
And
now all of us, great commanders of military leaders, have
been defeated by the Yadus and their small entourage, who
are protected by Krishna.
Text
16
Momenteel, nu
onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en
dan weer zullen wij overwinnen als de tijd zich ten gunste van
ons keert.'
Now
our enemies have conquered because time favors them, but in
the future, when time is auspicious for us, we shall
conquer.
Text
17
S'rî
S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging
S'is'upâla met hen van zijn volgelingen die van de
slachting waren overgebleven terug naar zijn stad en zo keerde
ook ieder van de koningen terug naar zijn stad.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus persuaded by his friends,
S'is'upâla took his followers and went back to his
capital. The surviving warriors also returned to their
respective cities.
Text
18
De machtige
Rukmî echter, die, Krishna hatend, de
râkshasa-manier waarop zijn zuster was getrouwd niet kon
verdragen, achtervolgde Krishna omringd door een complete
akshauhinî.
Powerful
Rukmî, however, was especially envious of Krishna. He
could not bear the fact that Krishna had carried off his
sister to marry her in the Râkshasa style. Thus he
pursued the Lord with an entire military division.
Text
19-20
Rukmî,
machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, had hoogst
kwaad in het bijzijn van alle koningen gezworen: 'Laat me
jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar Kundina
terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood gebracht te
hebben en Rukminî te hebben teruggehaald'.
Frustrated
and enraged, mighty-armed Rukmî, dressed in armor and
wielding his bow, had sworn before all the kings, "I shall
not again enter Kundina if I do not kill Krishna in battle
and bring Rukminî back with me. I swear this to
you."
Text
21
Zich aldus
uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn
wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich
ophoud, er moet een gevecht plaats vinden tussen Hem en
mij.
Having
said this, he had mounted his chariot and told his
charioteer, "Drive the horses quickly to where Krishna is.
He and I must fight.
Text
22
Vandaag zal ik
met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt toeroepen van die
grootste ondeugd, die Koeherder die het lef had om met geweld
mijn zuster te ontvoeren!'
"This
wicked-minded cowherd boy, infatuated with His prowess, has
violently abducted my sister. But today I will remove His
pride with my sharp arrows."
Text
23
Aldus dwaas
opsnijdend niet wetend waar Krishna allemaal toe in staat was,
zei hij vervolgens vanuit een enkele strijdwagen naar Krishna
roepend: 'Kom op en vecht!'
Boasting
thus, foolish Rukmî, ignorant of the true extent of
the Supreme Lord's power, approached Lord Govinda in his
lone chariot and challenged Him, "Just stand and
fight!"
Text
24
Zijn boog
aanspannend trof hij ferm Krishna [ofwel Zijn wagen]
met drie pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij bederf van de
Yadu-dynastie!
Rukmî
drew his bow with great strength and struck Lord Krishna
with three arrows. Then he said, "Stand here for a moment, O
defiler of the Yadu dynasty!
Text
25
Waarheen Je Je
ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je een kraai
bent er vandoor met de offerboter; vandaag nog zal ik een eind
maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze bedrieger, Jij
slinkse strijder!!'
"Wherever
You go, carrying off my sister like a crow stealing
sacrificial butter, I will follow. This very day I shall
relieve You of Your false pride, You fool, You deceiver, You
cheater in battle!
Text
26
Als je niet
wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij zitten en
laat het meisje gaan', maar Krishna, met een glimlach, trof
Rukmî, met zes pijlen zijn boog aan stukken
schietend.
"Release
the girl before You are struck dead by my arrows and made to
lie down!" In response to this, Lord Krishna smiled, and
with six arrows He struck Rukmî and broke his
bow.
Text
27
Met acht pijlen
voor zijn vier paarden, met twee voor zijn wagenmenner en met
drie voor zijn vlag, greep hij een andere boog ter hand en
doorboorde hij er Krishna met vijf.
The
Lord struck Rukmî's four horses with eight arrows, his
chariot driver with two, and the chariot's flag with three.
Rukmî grabbed another bow and struck Lord Krishna with
five arrows.
Text
28
Hoewel
getroffen door deze vloed aan pijlen brak Krishna de boog
opnieuw net zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak die
hij opnam.
Although
hit by these many arrows, Lord Acyuta again broke
Rukmî's bow. Rukmî picked up yet another bow,
but the infallible Lord broke that one to pieces as
well.
Text
29
De gepunte
knots, de drietand, de lans, het schild en het zwaard, de piek,
de speer of welk wapen hij ook ter hand nam werd ieder door
Hem, de Heer, gebroken.
Iron
bludgeon, three-pointed spear, sword and shield, pike,
javelin - whatever weapon Rukmî picked up, Lord Hari
smashed it to bits.
Text
30
Toen van zijn
wagen springend met het zwaard in de hand rende hij, van zins
Krishna te doden, naar voren zo verbeten als een vogel in de
wind.
Then
Rukmî leaped down from his chariot and, sword in hand,
rushed furiously toward Krishna to kill Him, like a bird
flying into the wind.
Text
31
Met Zijn
pijlen, het zwaard en het schild brekend van hem die aanviel,
nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn eigen
scherpe zwaard ter hand.
As
Rukmî attacked Him, the Lord shot arrows that broke
Rukmî's sword and shield into small pieces. Krishna
then took up His own sharp sword and prepared to kill
Rukmî.
Text
32
Getuige van de
inspanning haar broer te doden, viel de vrome Rukminî in
angst verzet haar echtgenoot ten voeten en sprak ze
lamenterend.
Seeing
Lord Krishna ready to kill her brother, saintly
Rukminî was filled with alarm. She fell at her
husband's feet and piteously spoke as follows.
Text
33
S'rî
Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o
Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het
Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet
om, o Machtig-gearmde.'
S'rî
Rukminî said: O controller of all mystic power,
immeasurable one, Lord of lords, master of the universe! O
all auspicious and mighty-armed one, please do not kill my
brother!
Text
34
S'rî
S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie in
de volle angst de leden beefden, de mond droog werd in haar
leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in haar
opwinding uit positie lag, zag Hij er in mededogen van
af.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Rukminî's utter fear caused
her limbs to tremble and her mouth to dry up, while her
throat choked up out of sorrow. And in her agitation her
golden necklace scattered. She grasped Krishna's feet, and
the Lord, feeling compassionate, desisted.
Text
35
Met een stuk
stof hem vastbindend, schoor Hij de booswicht, er een zooi van
makend met slechts wat plukken van zijn haar en snor
overlatend, terwijl ondertussen het uitzonderlijke leger van de
Yadu-helden hun tegenstanders hadden verpletterd zoals
olifanten een lotusbloem plattrappen [vergelijk
1.7].
Lord
Krishna tied up the evildoer with a strip of cloth. He then
proceeded to disfigure Rukmî by comically shaving him,
leaving parts of his mustache and hair. By that time the
Yadu heroes had crushed the extraordinary army of their
opponents, just as elephants crush a lotus flower.
Text
36
Bij Krishna
aangeland zagen ze daar Rukmî voor dood in zijn
jammerlijke toestand, waarop de almachtige Opperheer
Sankarshana, door medelijden bewogen, de gevangene bevrijdde en
tot Krishna zei:
As
the Yadus approached Lord Krishna, they saw Rukmî in
this sorry condition, practically dying of shame. When the
all-powerful Lord Balarâma saw Rukmî, He
compassionately released him and spoke the following to Lord
Krishna.
Text
37
Hoe
onbehoorlijk van Je, o Krishna; dit afsnijden door Jouw, van
zijn snor en haar zo slecht gedaan; het is net zo
verschrikkelijk als het overlijden van een
familielid!'
[Lord
Balarâma said:] My dear Krishna, You have acted
improperly! This deed will bring shame on Us, for to
disfigure a close relative by shaving off his mustache and
hair is as good as killing him.
Text
38
[Tot
Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over dat
We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de zaak
wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders
verantwoordelijk, daar een mens de vruchten plukt van zijn
eigen handelen.'
Saintly
lady, please do not be displeased with Us out of anxiety for
your brother's disfigurement. No one but oneself is
responsible for one's joy and grief, for a man experiences
the result of his own deeds.
Text
39
[En weer
tot Krishna:] Ookal verdient een verwant het vanwege zijn
wandaden te worden gedood, behoort hij door een familielid niet
ter dood gebracht te worden, maar in plaats daarvan te worden
uitgebannen [uit de familie]; waarom zou hij die door
zijn eigen fout de dood vond, voor een tweede keer ter dood
moeten worden gebracht?'
[Again
addressing Krishna, Balarâma said:] A relative
should not be killed even if his wrongdoing warrants capital
punishment. Rather, he should be thrown out of the family.
Since he has already been killed by his own sin, why kill
him again?
Text
40
[Tot
Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren zoals
ingesteld door de vader der oorsprong [Brahmâ] is
dat een broeder zelfs zijn eigen broeder moet doden; hetgeen
dan ook iets zeer afschrikwekkends is.'
[Turning
to Rukminî, Balarâma continued: ] The code
of sacred duty for warriors established by Lord Brahmâ
enjoins that one may have to kill even his own brother. That
is indeed a most dreadful law.
Text
41
[En weer
terug tot Krishna:] Zij die prat gaan op een koninkrijk,
land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets anders
[anders dan de ziel] begaan, verblind in hun dwaasheid
met de weelde, om die reden inderdaad
overtredingen.'
[Again
Balarâma addressed Krishna:] Blinded by conceit
with their personal opulences, proud men offend others for
the sake of such things as kingdom, land, wealth, women,
honor and power.
Text
42
[En weer
tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou jegens alle
levende wezens, met het zij die vijandig zijn het kwade toe te
wensen en zij die je gunstig gezind zijn het goede toe te
denken, ben je partijdig als een onwetende
persoon.
[To
Rukminî Balarâma said:] Your attitude is
unfair, for like an ignorant person you wish good to those
who are inimical to all living beings and who have done evil
to your true well-wishers.
Text
43
Door de
begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de mensen
in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over het Ware
Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor de ziel,
spreken in termen van het hebben van een vriend, een vijand of
iemand neutraal.
The
Supreme Lord's Mâyâ makes men forget their real
selves, and thus, taking the body for the self, they
consider others to be friends, enemies or neutral
parties.
Text
44
Zij die
begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alles en
Iedereen met een Lichaam waar als zijnde een veelvoud, precies
zoals men dat doet met de sterren [ze niet herkennend als
een samenhangend sterrenstelsel] of de lucht
[verschillend bezien als eveneens ergens buiten bestaand,
zie ook B.G.
18: 20-21 en
1.2:
32].
Those
who are bewildered perceive the one Supreme Soul, who
resides in all embodied beings, as many, just as one may
perceive the light in the sky, or the sky itself, as
many.
Text
45
Het fysieke
lichaam dat een begin en een einde kent is - samengesteld uit
de materiële elementen, de zinnen en de geaardheden der
natuur - in haar door materiële onwetendheid opgelegd zijn
aan het zelf oorzaak van het ervaren van de kringloop van dood
en geboorte.
This
material body, which has a beginning and an end, is composed
of the physical elements, the senses and the modes of
nature. The body, imposed on the self by material ignorance,
causes one to experience the cycle of birth and
death.
Text
46
Voor de ziel
die in contact staat met onverschillig wat, o kuise, bestaat er
geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen [zoals
met een individuele ziel] of onwaarheid vanwege het er door
onthuld zijn [als een fysieke gedaante]; zoals dat ook
is met de zon in verhouding tot het zien en de vorm
waargenomen.
O
intelligent lady, the soul never undergoes contact with or
separation from insubstantial, material objects, because the
soul is their very origin and illuminator. Thus the soul
resembles the sun, which neither comes in contact with nor
separates from the sense of sight and what is seen.
Text
47
Geboren worden
en dergelijke zijn enkel transformaties van het lichaam, nooit
en te nimmer van de ziel, net als de fasen van de maan niet
inhouden dat die is dood gegaan op de dag van de nieuwe
maan.
Birth
and other transformations are undergone by the body but
never by the self, just as change occurs for the moon's
phases but never for the moon, though the new-moon day may
be called the moon's "death."
Text
48
Zoals een
slapende persoon zichzelf ervaart, zinsobjecten en resultaten
van handelen ookal zijn ze niet echt, ondergaat op dezelfde
manier de onintelligente persoon zijn materiële bestaan
[zie ook 6.16:
55-56].
As
a sleeping person perceives himself, the objects of sense
enjoyment and the fruits of his acts within the illusion of
a dream, so one who is unintelligent undergoes material
existence.
Text
49
Derhalve, o jij
met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer [als de
godin van het geluk] met de kennis van de essentie die de
droefenis resulterend uit onwetendheid verdrijft en die je
liefde deed opdrogen en je verwarde.'
Therefore,
with transcendental knowledge dispel the grief that is
weakening and confounding your mind. Please resume your
natural mood, O princess of the pristine smile.
Text
50
S'rî
S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door
Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en
kreeg met intelligentie zichzelf weer in de
hand.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus enlightened by Lord
Balarâma, slender Rukminî forgot her depression
and steadied her mind by spiritual intelligence.
Text
51
Met slechts
zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn vijanden en
verstoken van zijn kracht en luister was hij
[Rukmî] bij de herinnering aan zijn toetakeling
gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens en bouwde hij als
zijn verblijfplaats een grote stad genaamd Bhojakatha ['de
eed ondergaan hebben'].
Left
with only his life air, cast out by his enemies and deprived
of his strength and bodily radiance, Rukmî could not
forget how he had been disfigured. In frustration he
constructed for his residence a large city, which he called
Bhojakatha.
Text
52
Met het gezegd
hebben van 'Zonder de slechtgeaarde Krishna te doden, zonder
mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar Kundina
terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek zijn
verblijfplaats op.
Because
he had promised "I will not reenter Kundina until I have
killed wicked Krishna and brought back my younger sister,"
in a mood of angry frustration Rukmî took up residence
at that very place.
Text
53
De Allerhoogste
Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht de dochter van
Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en trouwde met haar
overeenkomstig de vidhi, o beschermer van de
Kuru's.
Thus
defeating all the opposing kings, the Supreme Personality of
Godhead brought the daughter of Bhîshmaka to His
capital and married her according to the Vedic injunctions,
O protector of the Kurus.
Text
54
Te dien tijde
was er een grote feestvreugde in iedere woning in de yadu-stad
waar, o Koning, de mensen niemand anders dan Krishna, de leider
van de Yadu's, als het voorwerp van hun liefde
hadden.
At
that time, O King, there was great rejoicing in all the
homes of Yadupurî, whose citizens loved only Krishna,
chief of the Yadus.
Text
55
De mannen en
vrouwen boden blij met glimmende juwelen en oorhangers
respectvol huwelijksgeschenken aan de gevierden, die prachtig
waren uitgedost.
All
the men and women, full of joy and adorned with shining
jewels and earrings, brought wedding presents, which they
reverently offered to the exquisitely dressed groom and
bride.
Text
56
De stad van de
Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen die waren
opgericht, de keur aan bloemenslingers, de vaandels, de
edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur een schikking
van zegenrijke zaken als potten vol met water, aguru wierook en
lampen.
The
city of the Vrishnis appeared most beautiful: there were
tall, festive columns, and also archways decorated with
flower garlands, cloth banners and precious gems.
Arrangements of auspicious, full waterpots, aguru- scented
incense, and lamps graced every doorway.
Text
57
Haar
straten werden besprenkeld met behulp van de van bronst
druipende olifanten van de populaire persoonlijkheden die waren
uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de pracht
nog toe te voegen, plataan- en betelnoot stammen geplaatst.
The
city's streets were cleansed by the intoxicated elephants
belonging to the beloved kings who were guests at the
wedding, and these elephants further enhanced the beauty of
the city by placing trunks of plantain and betel-nut trees
in all the doorways.
Text
58
De leden van de
Kuru, Sriñjaya, Kaikeya, Vidarbha, Yadu en
Kunti-families genoten ervan daarin elkaar te ontmoeten
temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer
was.
Those
who belonged to the royal families of the Kuru,
Sriñjaya, Kaikeya, Vidarbha, Yadu and Kunti clans
joyfully met one another in the midst of the crowds of
people excitedly running here and there.
Text
59
Vernemend over
de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen, raakten
de koningen en hun dochters hoogst onder de
indruk.
The
kings and their daughters were totally astonished to hear
the story of Rukminî's abduction, which was being
glorified in song everywhere.
Text
60
O Koning, in
Dvârakâ waren al de burgers van de stad dolblij om
te zien dat Krishna, de Meester van alle Weelde zich had
verbonden met Rukminî, de godin van het
geluk.
Dvârakâ's
citizens were overjoyed to see Krishna, the Lord of all
opulence, united with Rukminî, the goddess of
fortune.
