regelbalk

   

S'rî Nâma-kîrtana

  

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 54

 

Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

(1) S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen waren] bestegen in grote woede in kuras hun transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen troepen, achter hen aan, met hun bogen klaar. (2) Toen het Yâdava-leger ze er aan zag komen in hun achtervolging, stopten de officieren om ze tegemoet te treden, o Koning, en lieten ze hun bogen klinken. (3) Vanaf hun paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun posities in hun wagens schoten die [vijandige] wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water dat doet over de bergen. (4) Toen het volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd bedekt door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in verlegenheid met ogen vol angst in het gelaat. (5) De Opperheer zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu meteen zal deze strijdmacht door jouw troepen worden vernietigd'. (6) Dat machtsvertoon van hen kon door de helden Gada [Krishna's jongere broer], Sankarshana en de anderen niet worden getolereerd en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun paarden, olifanten en wagens neer. (7) Van hen die op de wagens, de paarden en de olifanten zaten vielen bij duizenden de hoofden op de grond, compleet met oorringen, helmen en tulbanden. (8) Er waren mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren, olifanten en kamelen zowel als [afgeschoten] handen met zwaarden, knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen en hele benen. (9) De koningen aangevoerd door Jarâsandha die begerig de overwinning te behalen hun troepen vernietigd zagen door de Vrishni's, dropen toen ontmoedigd af. (10) Ze gingen naar en spraken met S'is'upâla die met zijn aanstaande bruid weggestolen, ontgoocheld verstoord was met een hangend gezicht waar alle kleur uit was verdwenen. (11) [Jarâsandha zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met het gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te vinden. (12) Zoals een vrouw vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van een poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld, begaan met vreugde en verdriet, beheerst door de Beheerser. (13) Ik zelf verloor met drieëntwintig legers zeventien keer het in veldslagen van S'auri [Krishna] en ik won slechts éénmaal. (14) Niettemin beklaag of verheug ik mij niet - nooit en te nimmer; wetende dat de wereld wordt voortgedreven door de tijd in combinatie met het lot. (15) Zelfs nu zijn wij allen, leiders van de aanvoerders van helden, verslagen door de weinige toegehorigen van de Yadu's onder de bescherming van Krishna. (16) Momenteel, nu onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en dan weer zullen wij overwinnen als de tijd zich ten gunste van ons keert.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging S'is'upâla met hen van zijn volgelingen die van de slachting waren overgebleven terug naar zijn stad en zo keerde ook ieder van de koningen terug naar zijn stad. (18) De machtige Rukmî echter, die, Krishna hatend, de râkshasa-manier waarop zijn zuster was getrouwd niet kon verdragen, achtervolgde Krishna omringd door een complete akshauhinî. (19-20) Rukmî, machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, had hoogst kwaad in het bijzijn van alle koningen gezworen: 'Laat me jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar Kundina terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood gebracht te hebben en Rukminî te hebben teruggehaald'. (21) Zich aldus uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich ophoud, er moet een gevecht plaats vinden tussen Hem en mij. (22) Vandaag zal ik met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt toeroepen van die grootste ondeugd, die Koeherder die het lef had om met geweld mijn zuster te ontvoeren!' 

(23) Aldus dwaas opsnijdend niet wetend waar Krishna allemaal toe in staat was, zei hij vervolgens vanuit een enkele strijdwagen naar Krishna roepend: 'Kom op en vecht!' (24) Zijn boog aanspannend trof hij ferm Krishna [ofwel Zijn wagen] met drie pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij bederf van de Yadu-dynastie! (25) Waarheen Je Je ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je een kraai bent er vandoor met de offerboter; vandaag nog zal ik een eind maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze bedrieger, Jij slinkse strijder!!' (26) Als je niet wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij zitten en laat het meisje gaan', maar Krishna, met een glimlach, trof Rukmî, met zes pijlen zijn boog aan stukken schietend. (27) Met acht pijlen voor zijn vier paarden, met twee voor zijn wagenmenner en met drie voor zijn vlag, greep hij een andere boog ter hand en doorboorde hij er Krishna met vijf. (28) Hoewel getroffen door deze vloed aan pijlen brak Krishna de boog opnieuw net zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak die hij opnam. (29) De gepunte knots, de drietand, de lans, het schild en het zwaard, de piek, de speer of welk wapen hij ook ter hand nam werd ieder door Hem, de Heer, gebroken. (30) Toen van zijn wagen springend met het zwaard in de hand rende hij, van zins Krishna te doden, naar voren zo verbeten als een vogel in de wind. (31) Met Zijn pijlen, het zwaard en het schild brekend van hem die aanviel, nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn eigen scherpe zwaard ter hand. (32) Getuige van de inspanning haar broer te doden, viel de vrome Rukminî in angst verzet haar echtgenoot ten voeten en sprak ze lamenterend. 

(33) S'rî Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet om, o Machtig-gearmde.' 

(34) S'rî S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie in de volle angst de leden beefden, de mond droog werd in haar leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in haar opwinding uit positie lag, zag Hij er in mededogen van af. (35) Met een stuk stof hem vastbindend, schoor Hij de booswicht, er een zooi van makend met slechts wat plukken van zijn haar en snor overlatend, terwijl ondertussen het uitzonderlijke leger van de Yadu-helden hun tegenstanders hadden verpletterd zoals olifanten een lotusbloem plattrappen [vergelijk 1.7]. (36) Bij Krishna aangeland zagen ze daar Rukmî voor dood in zijn jammerlijke toestand, waarop de almachtige Opperheer Sankarshana, door medelijden bewogen, de gevangene bevrijdde en tot Krishna zei: (37) Hoe onbehoorlijk van Je, o Krishna; dit afsnijden door Jouw, van zijn snor en haar zo slecht gedaan; het is net zo verschrikkelijk als het overlijden van een familielid!' 

(38) [Tot Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over dat We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de zaak wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders verantwoordelijk, daar een mens de vruchten plukt van zijn eigen handelen.' 

(39) [En weer tot Krishna:] Ookal verdient een verwant het vanwege zijn wandaden te worden gedood, behoort hij door een familielid niet ter dood gebracht te worden, maar in plaats daarvan te worden uitgebannen [uit de familie]; waarom zou hij die door zijn eigen fout de dood vond, voor een tweede keer ter dood moeten worden gebracht?'

(40) [Tot Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren zoals ingesteld door de vader der oorsprong [Brahmâ] is dat een broeder zelfs zijn eigen broeder moet doden; hetgeen dan ook iets zeer afschrikwekkends is.'

(41) [En weer terug tot Krishna:] Zij die prat gaan op een koninkrijk, land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets anders [anders dan de ziel] begaan, verblind in hun dwaasheid met de weelde, om die reden inderdaad overtredingen.' 

(42) [En weer tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou jegens alle levende wezens, met het zij die vijandig zijn het kwade toe te wensen en zij die je gunstig gezind zijn het goede toe te denken, ben je partijdig als een onwetende persoon. (43) Door de begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de mensen in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over het Ware Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor de ziel, spreken in termen van het hebben van een vriend, een vijand of iemand neutraal. (44) Zij die begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alles en Iedereen met een Lichaam waar als zijnde een veelvoud, precies zoals men dat doet met de sterren [ze niet herkennend als een samenhangend sterrenstelsel] of de lucht [verschillend bezien als eveneens ergens buiten bestaand, zie ook B.G. 18: 20-21 en 1.2: 32]. (45) Het fysieke lichaam dat een begin en een einde kent is - samengesteld uit de materiële elementen, de zinnen en de geaardheden der natuur - in haar door materiële onwetendheid opgelegd zijn aan het zelf oorzaak van het ervaren van de kringloop van dood en geboorte. (46) Voor de ziel die in contact staat met onverschillig wat, o kuise, bestaat er geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen [zoals met een individuele ziel] of onwaarheid vanwege het er door onthuld zijn [als een fysieke gedaante]; zoals dat ook is met de zon in verhouding tot het zien en de vorm waargenomen. (47) Geboren worden en dergelijke zijn enkel transformaties van het lichaam, nooit en te nimmer van de ziel, net als de fasen van de maan niet inhouden dat die is dood gegaan op de dag van de nieuwe maan. (48) Zoals een slapende persoon zichzelf ervaart, zinsobjecten en resultaten van handelen ookal zijn ze niet echt, ondergaat op dezelfde manier de onintelligente persoon zijn materiële bestaan [zie ook 6.16: 55-56]. (49) Derhalve, o jij met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer [als de godin van het geluk] met de kennis van de essentie die de droefenis resulterend uit onwetendheid verdrijft en die je liefde deed opdrogen en je verwarde.' 

(50) S'rî S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en kreeg met intelligentie zichzelf weer in de hand. (51) Met slechts zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn vijanden en verstoken van zijn kracht en luister was hij [Rukmî] bij de herinnering aan zijn toetakeling gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens en bouwde hij als zijn verblijfplaats een grote stad genaamd Bhojakatha ['de eed ondergaan hebben']. (52) Met het gezegd hebben van 'Zonder de slechtgeaarde Krishna te doden, zonder mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar Kundina terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek zijn verblijfplaats op. (53) De Allerhoogste Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht de dochter van Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en trouwde met haar overeenkomstig de vidhi, o beschermer van de Kuru's. (54) Te dien tijde was er een grote feestvreugde in iedere woning in de yadu-stad waar, o Koning, de mensen niemand anders dan Krishna, de leider van de Yadu's, als het voorwerp van hun liefde hadden. (55) De mannen en vrouwen boden blij met glimmende juwelen en oorhangers respectvol huwelijksgeschenken aan de gevierden, die prachtig waren uitgedost. (56) De stad van de Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen die waren opgericht, de keur aan bloemenslingers, de vaandels, de edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur een schikking van zegenrijke zaken als potten vol met water, aguru wierook en lampen. (57) Haar straten werden besprenkeld met behulp van de van bronst druipende olifanten van de populaire persoonlijkheden die waren uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de pracht nog toe te voegen, plataan- en betelnoot stammen geplaatst.  (58) De leden van de Kuru, Sriñjaya, Kaikeya, Vidarbha, Yadu en Kunti-families genoten ervan daarin elkaar te ontmoeten temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer was. (59) Vernemend over de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen, raakten de koningen en hun dochters hoogst onder de indruk. (60) O Koning, in Dvârakâ waren al de burgers van de stad dolblij om te zien dat Krishna, de Meester van alle Weelde zich had verbonden met Rukminî, de godin van het geluk.

 

next        

 
 

 

 

Source Texts:

Rukminî's Message to Lord Krishna

 

Text 1:

S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen waren] bestegen in grote woede in kuras hun transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen troepen, achter hen aan, met hun bogen klaar.

S'ukadeva Gosvâmî said: Having thus spoken, all those infuriated kings donned their armor and mounted their conveyances. Each king, bow in hand, was surrounded by his own army as he went after Lord Krishna.

 

Text 2:

Toen het Yâdava-leger ze er aan zag komen in hun achtervolging, stopten de officieren om ze tegemoet te treden, o Koning, en lieten ze hun bogen klinken.

The commanders of the Yâdava army, seeing the enemy racing to attack, turned to face them and stood firm, O King, twanging their bows.

 

Text 3:

Vanaf hun paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun posities in hun wagens schoten die [vijandige] wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water dat doet over de bergen.

Mounted on the backs of horses, the shoulders of elephants and the seats of chariots, the enemy kings, expert with weapons, rained down arrows upon the Yadus like clouds pouring rain on mountains.

 

Text 4:

Toen het volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd bedekt door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in verlegenheid met ogen vol angst in het gelaat.

Slender-waisted Rukminî, seeing her Lord's army covered by torrents of arrows, shyly looked at His face with fear-stricken eyes.

 

Text 5:

De Opperheer zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu meteen zal deze strijdmacht door jouw troepen worden vernietigd'.

In response the Lord laughed and assured her, "Do not be afraid, beautiful- eyed one. This enemy force is about to be destroyed by your soldiers."

 

Text 6:

Dat machtsvertoon van hen kon door de helden Gada [Krishna's jongere broer], Sankarshana en de anderen niet worden getolereerd en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun paarden, olifanten en wagens neer.

The heroes of the Lord's army, headed by Gada and Sankarshana, could not tolerate the aggression of the opposing kings. Thus with iron arrows they began to strike down the enemy's horses, elephants and chariots.

 

Text 7:

Van hen die op de wagens, de paarden en de olifanten zaten vielen bij duizenden de hoofden op de grond, compleet met oorringen, helmen en tulbanden.

The heads of soldiers fighting on chariots, horses and elephants fell to the ground by the millions; some heads wore earrings and helmets, others turbans.

 

Text 8:

Er waren mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren, olifanten en kamelen zowel als [afgeschoten] handen met zwaarden, knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen en hele benen. 

Lying all around were thighs, legs and fingerless hands, along with hands clutching swords, clubs and bows, and also the heads of horses, donkeys, elephants, camels, wild asses and humans.

 

Text 9:

De koningen aangevoerd door Jarâsandha die begerig de overwinning te behalen hun troepen vernietigd zagen door de Vrishni's, dropen toen ontmoedigd af. 

Seeing their armies being struck down by the Vrishnis, who were eager for victory, the kings headed by Jarâsandha were discouraged and left the battlefield.

 

Text 10:

Ze gingen naar en spraken met S'is'upâla die met zijn aanstaande bruid weggestolen, ontgoocheld verstoord was met een hangend gezicht waar alle kleur uit was verdwenen.

The kings approached S'is'upâla, who was disturbed like a man who has lost his wife. His complexion was drained of color, his enthusiasm was gone, and his face appeared dried up. The kings spoke to him as follows.

 

Text 11:

[Jarâsandha zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met het gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te vinden.

[Jarâsandha said:] Listen, S'is'upâla, O tiger among men, give up your depression. After all, embodied beings' happiness and unhappiness is never seen to be permanent, O King.

 

Text 12:

Zoals een vrouw vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van een poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld, begaan met vreugde en verdriet, beheerst door de Beheerser. 

Just as a puppet in the form of a woman dances by the desire of the puppeteer, so this world, controlled by the Supreme Lord, struggles in both happiness and misery.

  

Text 13:

Ik zelf verloor met drieëntwintig legers zeventien keer het in veldslagen van S'auri [Krishna] en ik won slechts éénmaal.

In battle with Krishna I and my twenty-three armies lost seventeen times; only once did I defeat Him.

 

Text 14:

Niettemin beklaag of verheug ik mij niet - nooit en te nimmer; wetende dat de wereld wordt voortgedreven door de tijd in combinatie met het lot.

But still I never lament or rejoice, because I know this world is driven by time and fate.

 

Text 15

Zelfs nu zijn wij allen, leiders van de aanvoerders van helden, verslagen door de weinige toegehorigen van de Yadu's onder de bescherming van Krishna. 

And now all of us, great commanders of military leaders, have been defeated by the Yadus and their small entourage, who are protected by Krishna.    

 

Text 16

Momenteel, nu onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en dan weer zullen wij overwinnen als de tijd zich ten gunste van ons keert.'

Now our enemies have conquered because time favors them, but in the future, when time is auspicious for us, we shall conquer.

 

Text 17

S'rî S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging S'is'upâla met hen van zijn volgelingen die van de slachting waren overgebleven terug naar zijn stad en zo keerde ook ieder van de koningen terug naar zijn stad.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus persuaded by his friends, S'is'upâla took his followers and went back to his capital. The surviving warriors also returned to their respective cities.

   

Text 18

De machtige Rukmî echter, die, Krishna hatend, de râkshasa-manier waarop zijn zuster was getrouwd niet kon verdragen, achtervolgde Krishna omringd door een complete akshauhinî.

Powerful Rukmî, however, was especially envious of Krishna. He could not bear the fact that Krishna had carried off his sister to marry her in the Râkshasa style. Thus he pursued the Lord with an entire military division.

 

Text 19-20

Rukmî, machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, had hoogst kwaad in het bijzijn van alle koningen gezworen: 'Laat me jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar Kundina terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood gebracht te hebben en Rukminî te hebben teruggehaald'.

Frustrated and enraged, mighty-armed Rukmî, dressed in armor and wielding his bow, had sworn before all the kings, "I shall not again enter Kundina if I do not kill Krishna in battle and bring Rukminî back with me. I swear this to you."

 

Text 21

Zich aldus uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich ophoud, er moet een gevecht plaats vinden tussen Hem en mij. 

Having said this, he had mounted his chariot and told his charioteer, "Drive the horses quickly to where Krishna is. He and I must fight.

 

Text 22

Vandaag zal ik met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt toeroepen van die grootste ondeugd, die Koeherder die het lef had om met geweld mijn zuster te ontvoeren!' 

"This wicked-minded cowherd boy, infatuated with His prowess, has violently abducted my sister. But today I will remove His pride with my sharp arrows."

  

Text 23

Aldus dwaas opsnijdend niet wetend waar Krishna allemaal toe in staat was, zei hij vervolgens vanuit een enkele strijdwagen naar Krishna roepend: 'Kom op en vecht!'

Boasting thus, foolish Rukmî, ignorant of the true extent of the Supreme Lord's power, approached Lord Govinda in his lone chariot and challenged Him, "Just stand and fight!"

  

Text 24

Zijn boog aanspannend trof hij ferm Krishna [ofwel Zijn wagen] met drie pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij bederf van de Yadu-dynastie! 

Rukmî drew his bow with great strength and struck Lord Krishna with three arrows. Then he said, "Stand here for a moment, O defiler of the Yadu dynasty!

  

Text 25

Waarheen Je Je ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je een kraai bent er vandoor met de offerboter; vandaag nog zal ik een eind maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze bedrieger, Jij slinkse strijder!!'

"Wherever You go, carrying off my sister like a crow stealing sacrificial butter, I will follow. This very day I shall relieve You of Your false pride, You fool, You deceiver, You cheater in battle!

 

Text 26

Als je niet wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij zitten en laat het meisje gaan', maar Krishna, met een glimlach, trof Rukmî, met zes pijlen zijn boog aan stukken schietend.

"Release the girl before You are struck dead by my arrows and made to lie down!" In response to this, Lord Krishna smiled, and with six arrows He struck Rukmî and broke his bow.

 

 Text 27

Met acht pijlen voor zijn vier paarden, met twee voor zijn wagenmenner en met drie voor zijn vlag, greep hij een andere boog ter hand en doorboorde hij er Krishna met vijf.

The Lord struck Rukmî's four horses with eight arrows, his chariot driver with two, and the chariot's flag with three. Rukmî grabbed another bow and struck Lord Krishna with five arrows.  

 

Text 28

Hoewel getroffen door deze vloed aan pijlen brak Krishna de boog opnieuw net zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak die hij opnam.

Although hit by these many arrows, Lord Acyuta again broke Rukmî's bow. Rukmî picked up yet another bow, but the infallible Lord broke that one to pieces as well.

 

Text 29

De gepunte knots, de drietand, de lans, het schild en het zwaard, de piek, de speer of welk wapen hij ook ter hand nam werd ieder door Hem, de Heer, gebroken.

Iron bludgeon, three-pointed spear, sword and shield, pike, javelin - whatever weapon Rukmî picked up, Lord Hari smashed it to bits.

 

Text 30

Toen van zijn wagen springend met het zwaard in de hand rende hij, van zins Krishna te doden, naar voren zo verbeten als een vogel in de wind. 

Then Rukmî leaped down from his chariot and, sword in hand, rushed furiously toward Krishna to kill Him, like a bird flying into the wind.

 

Text 31

Met Zijn pijlen, het zwaard en het schild brekend van hem die aanviel, nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn eigen scherpe zwaard ter hand. 

As Rukmî attacked Him, the Lord shot arrows that broke Rukmî's sword and shield into small pieces. Krishna then took up His own sharp sword and prepared to kill Rukmî.

 

Text 32

Getuige van de inspanning haar broer te doden, viel de vrome Rukminî in angst verzet haar echtgenoot ten voeten en sprak ze lamenterend. 

Seeing Lord Krishna ready to kill her brother, saintly Rukminî was filled with alarm. She fell at her husband's feet and piteously spoke as follows.

 

 Text 33

S'rî Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet om, o Machtig-gearmde.' 

S'rî Rukminî said: O controller of all mystic power, immeasurable one, Lord of lords, master of the universe! O all auspicious and mighty-armed one, please do not kill my brother!

 

Text 34

S'rî S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie in de volle angst de leden beefden, de mond droog werd in haar leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in haar opwinding uit positie lag, zag Hij er in mededogen van af. 

S'ukadeva Gosvâmî said: Rukminî's utter fear caused her limbs to tremble and her mouth to dry up, while her throat choked up out of sorrow. And in her agitation her golden necklace scattered. She grasped Krishna's feet, and the Lord, feeling compassionate, desisted.

 

Text 35

Met een stuk stof hem vastbindend, schoor Hij de booswicht, er een zooi van makend met slechts wat plukken van zijn haar en snor overlatend, terwijl ondertussen het uitzonderlijke leger van de Yadu-helden hun tegenstanders hadden verpletterd zoals olifanten een lotusbloem plattrappen [vergelijk 1.7].

Lord Krishna tied up the evildoer with a strip of cloth. He then proceeded to disfigure Rukmî by comically shaving him, leaving parts of his mustache and hair. By that time the Yadu heroes had crushed the extraordinary army of their opponents, just as elephants crush a lotus flower.

  

Text 36

Bij Krishna aangeland zagen ze daar Rukmî voor dood in zijn jammerlijke toestand, waarop de almachtige Opperheer Sankarshana, door medelijden bewogen, de gevangene bevrijdde en tot Krishna zei: 

As the Yadus approached Lord Krishna, they saw Rukmî in this sorry condition, practically dying of shame. When the all-powerful Lord Balarâma saw Rukmî, He compassionately released him and spoke the following to Lord Krishna.

 

Text 37

Hoe onbehoorlijk van Je, o Krishna; dit afsnijden door Jouw, van zijn snor en haar zo slecht gedaan; het is net zo verschrikkelijk als het overlijden van een familielid!' 

[Lord Balarâma said:] My dear Krishna, You have acted improperly! This deed will bring shame on Us, for to disfigure a close relative by shaving off his mustache and hair is as good as killing him.

 

Text 38

[Tot Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over dat We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de zaak wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders verantwoordelijk, daar een mens de vruchten plukt van zijn eigen handelen.' 

Saintly lady, please do not be displeased with Us out of anxiety for your brother's disfigurement. No one but oneself is responsible for one's joy and grief, for a man experiences the result of his own deeds.

 

Text 39

[En weer tot Krishna:] Ookal verdient een verwant het vanwege zijn wandaden te worden gedood, behoort hij door een familielid niet ter dood gebracht te worden, maar in plaats daarvan te worden uitgebannen [uit de familie]; waarom zou hij die door zijn eigen fout de dood vond, voor een tweede keer ter dood moeten worden gebracht?'

[Again addressing Krishna, Balarâma said:] A relative should not be killed even if his wrongdoing warrants capital punishment. Rather, he should be thrown out of the family. Since he has already been killed by his own sin, why kill him again?

 

Text 40

[Tot Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren zoals ingesteld door de vader der oorsprong [Brahmâ] is dat een broeder zelfs zijn eigen broeder moet doden; hetgeen dan ook iets zeer afschrikwekkends is.'

[Turning to Rukminî, Balarâma continued: ] The code of sacred duty for warriors established by Lord Brahmâ enjoins that one may have to kill even his own brother. That is indeed a most dreadful law.

  

Text 41

[En weer terug tot Krishna:] Zij die prat gaan op een koninkrijk, land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets anders [anders dan de ziel] begaan, verblind in hun dwaasheid met de weelde, om die reden inderdaad overtredingen.' 

[Again Balarâma addressed Krishna:] Blinded by conceit with their personal opulences, proud men offend others for the sake of such things as kingdom, land, wealth, women, honor and power.

 

Text 42

[En weer tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou jegens alle levende wezens, met het zij die vijandig zijn het kwade toe te wensen en zij die je gunstig gezind zijn het goede toe te denken, ben je partijdig als een onwetende persoon.

[To Rukminî Balarâma said:] Your attitude is unfair, for like an ignorant person you wish good to those who are inimical to all living beings and who have done evil to your true well-wishers.

 

Text 43

Door de begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de mensen in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over het Ware Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor de ziel, spreken in termen van het hebben van een vriend, een vijand of iemand neutraal.

The Supreme Lord's Mâyâ makes men forget their real selves, and thus, taking the body for the self, they consider others to be friends, enemies or neutral parties.

 

Text 44

Zij die begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alles en Iedereen met een Lichaam waar als zijnde een veelvoud, precies zoals men dat doet met de sterren [ze niet herkennend als een samenhangend sterrenstelsel] of de lucht [verschillend bezien als eveneens ergens buiten bestaand, zie ook B.G. 18: 20-21 en 1.2: 32].

Those who are bewildered perceive the one Supreme Soul, who resides in all embodied beings, as many, just as one may perceive the light in the sky, or the sky itself, as many.

 

Text 45

Het fysieke lichaam dat een begin en een einde kent is - samengesteld uit de materiële elementen, de zinnen en de geaardheden der natuur - in haar door materiële onwetendheid opgelegd zijn aan het zelf oorzaak van het ervaren van de kringloop van dood en geboorte.

This material body, which has a beginning and an end, is composed of the physical elements, the senses and the modes of nature. The body, imposed on the self by material ignorance, causes one to experience the cycle of birth and death.

 

Text 46

Voor de ziel die in contact staat met onverschillig wat, o kuise, bestaat er geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen [zoals met een individuele ziel] of onwaarheid vanwege het er door onthuld zijn [als een fysieke gedaante]; zoals dat ook is met de zon in verhouding tot het zien en de vorm waargenomen.

O intelligent lady, the soul never undergoes contact with or separation from insubstantial, material objects, because the soul is their very origin and illuminator. Thus the soul resembles the sun, which neither comes in contact with nor separates from the sense of sight and what is seen.

 

Text 47

Geboren worden en dergelijke zijn enkel transformaties van het lichaam, nooit en te nimmer van de ziel, net als de fasen van de maan niet inhouden dat die is dood gegaan op de dag van de nieuwe maan.

Birth and other transformations are undergone by the body but never by the self, just as change occurs for the moon's phases but never for the moon, though the new-moon day may be called the moon's "death."

 

Text 48

Zoals een slapende persoon zichzelf ervaart, zinsobjecten en resultaten van handelen ookal zijn ze niet echt, ondergaat op dezelfde manier de onintelligente persoon zijn materiële bestaan [zie ook 6.16: 55-56].

As a sleeping person perceives himself, the objects of sense enjoyment and the fruits of his acts within the illusion of a dream, so one who is unintelligent undergoes material existence.

 

Text 49

Derhalve, o jij met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer [als de godin van het geluk] met de kennis van de essentie die de droefenis resulterend uit onwetendheid verdrijft en die je liefde deed opdrogen en je verwarde.' 

Therefore, with transcendental knowledge dispel the grief that is weakening and confounding your mind. Please resume your natural mood, O princess of the pristine smile.

 

Text 50

S'rî S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en kreeg met intelligentie zichzelf weer in de hand.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus enlightened by Lord Balarâma, slender Rukminî forgot her depression and steadied her mind by spiritual intelligence.

 

Text 51

Met slechts zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn vijanden en verstoken van zijn kracht en luister was hij [Rukmî] bij de herinnering aan zijn toetakeling gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens en bouwde hij als zijn verblijfplaats een grote stad genaamd Bhojakatha ['de eed ondergaan hebben']. 

Left with only his life air, cast out by his enemies and deprived of his strength and bodily radiance, Rukmî could not forget how he had been disfigured. In frustration he constructed for his residence a large city, which he called Bhojakatha.

 

Text 52

Met het gezegd hebben van 'Zonder de slechtgeaarde Krishna te doden, zonder mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar Kundina terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek zijn verblijfplaats op.

Because he had promised "I will not reenter Kundina until I have killed wicked Krishna and brought back my younger sister," in a mood of angry frustration Rukmî took up residence at that very place.

 

Text 53

De Allerhoogste Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht de dochter van Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en trouwde met haar overeenkomstig de vidhi, o beschermer van de Kuru's.

Thus defeating all the opposing kings, the Supreme Personality of Godhead brought the daughter of Bhîshmaka to His capital and married her according to the Vedic injunctions, O protector of the Kurus.

 

Text 54

Te dien tijde was er een grote feestvreugde in iedere woning in de yadu-stad waar, o Koning, de mensen niemand anders dan Krishna, de leider van de Yadu's, als het voorwerp van hun liefde hadden. 

At that time, O King, there was great rejoicing in all the homes of Yadupurî, whose citizens loved only Krishna, chief of the Yadus.

 

Text 55

De mannen en vrouwen boden blij met glimmende juwelen en oorhangers respectvol huwelijksgeschenken aan de gevierden, die prachtig waren uitgedost.

All the men and women, full of joy and adorned with shining jewels and earrings, brought wedding presents, which they reverently offered to the exquisitely dressed groom and bride.

 

Text 56

De stad van de Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen die waren opgericht, de keur aan bloemenslingers, de vaandels, de edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur een schikking van zegenrijke zaken als potten vol met water, aguru wierook en lampen.

The city of the Vrishnis appeared most beautiful: there were tall, festive columns, and also archways decorated with flower garlands, cloth banners and precious gems. Arrangements of auspicious, full waterpots, aguru- scented incense, and lamps graced every doorway.

 

Text 57

Haar straten werden besprenkeld met behulp van de van bronst druipende olifanten van de populaire persoonlijkheden die waren uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de pracht nog toe te voegen, plataan- en betelnoot stammen geplaatst.

The city's streets were cleansed by the intoxicated elephants belonging to the beloved kings who were guests at the wedding, and these elephants further enhanced the beauty of the city by placing trunks of plantain and betel-nut trees in all the doorways.

 

Text 58

De leden van de Kuru, Sriñjaya, Kaikeya, Vidarbha, Yadu en Kunti-families genoten ervan daarin elkaar te ontmoeten temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer was. 

Those who belonged to the royal families of the Kuru, Sriñjaya, Kaikeya, Vidarbha, Yadu and Kunti clans joyfully met one another in the midst of the crowds of people excitedly running here and there.

 

Text 59

Vernemend over de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen, raakten de koningen en hun dochters hoogst onder de indruk.

The kings and their daughters were totally astonished to hear the story of Rukminî's abduction, which was being glorified in song everywhere.

 

Text 60

O Koning, in Dvârakâ waren al de burgers van de stad dolblij om te zien dat Krishna, de Meester van alle Weelde zich had verbonden met Rukminî, de godin van het geluk.

Dvârakâ's citizens were overjoyed to see Krishna, the Lord of all opulence, united with Rukminî, the goddess of fortune.
 

 

 

 

 

 Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties