Canto
10
Hoofdstuk 10: De Verlossing van de Zoons van Kuvera
(1) De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.'
(2-3) S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen. (4) De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes.(5) En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (6) Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet. (7) Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend. (8) Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte, [een fraai lijf, scholing en rijkdom] en dat alles waarin men belangstelt in vrouwen,wijn en gokken. (9) In die positie dieren dodend denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (10) Het lichaam echter, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die dermate [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]? (11) Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs? (12) De vraag is: wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen [de dieren] zouden, het lichaam voor hun ware zelf houdend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]? (13) Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen, omdat een behoeftig man, vergeleken met anderen, veel beter in staat is om de dingen te zien zoals ze zijn [*]. (14) Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt. (15) Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan erover; dat, de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen is voor hem inderdaad de beste verzaking. (16) Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de keerzijde vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen. (17) Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (18) Zou het de zaak van de heiligen [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15] (19) Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, deze bedriegelijke eigenwaan wegnemen. (20-22) Omdat deze twee zonen vanweghe hun wereldse gemakken dermate in beslag werden genomen door de geaardheid onwetendheid en zich er in hun trots, onverschillig naar getuigen toe, niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun hemelse leven kunnen oppakken met het herleven van hun bhakti.'
(23) S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen. (24) [en nu..] Om de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden. (25) [Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee werden geboren in het huis van een rijkaard zal Ik niettemin alleen om die reden gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.' (26) Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten.(27) De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4]. (28) En op diezelfde plek kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten: (29) 'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante. (30-31) U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken. (32) Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond? (33) Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het Brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen. (34-35) Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies! (36) Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon. (37) Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante? (38) Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U, de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de Vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!'
(39) S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met touwen was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's. (40) De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde toen hij u vervloekte vanwege uw blind gevallen zijn in het verzot zijn op de weelde. (41) Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg bevrijdt door in de aanwezigheid te verkeren van de gelouterden die allen gelijkgezind zijn, van de personen geheel aan Mij overgegeven die verlost zijn van alle gebondenheid. (42) Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men nimmer meer terugkeert [zie ook B.G. 5: 17].'
(43) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee terwijl ze voortdurend baden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].'
Tweede editie, geladen 27 maart 2008.
Bronteksten:
Krishna verlost de Yamala-arjuna bomen
De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.'Koning Parîkshit vroeg S'ukadeva Gosvâmî: O grote en machtige heilige, waarom werden Nalakûvara en Manigrîva door Nârada Muni vervloekt? Wat hadden ze voor afschuwelijks gedaan dat zelfs Nârada, de grote wijze, kwaad op hen werd? Beschrijf me dat alstublieft. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen.
S'ukadeva Gosvâmî zei: O koning Parîkshit, omdat de twee zonen van Kuvera de eer genoten met Heer Siva te mogen omgaan, waar ze ontzettend trots op waren, hadden ze toegang tot een tuin die aan de Kailâsa-heuvel grenst, op de oever van de rivier de Mandâkinî. Daar maakten ze graag gebruik van en dronken een soort sterke drank met de naam Vârunî. In het gezelschap van vrouwen die met hun meezongen en achter hen aanliepen, dwaalden ze dan door die tuin vol bloemen, met ogen die rolden van dronkenschap. (Vedabase)
De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes.
In het water van de Mandâkinî Ganges, dat overdekt was met velden van lotussen, amuseerden de twee zonen van Kuvera zich dan met jonge meisjes, net als twee mannetjesolifanten die in het water van het gezelschap van hun wijfjes genieten. (Vedabase)
En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden.
O Mahârâja Parîkshit, deze twee jongens waren op de een of andere manier zo fortuinlijk dat de grote heilige Devarishi Nârada daar op een keer toevallig verscheen. Toen hij zag dat ze dronken waren en hun ogen rolden, begreep hij in wat voor toestand ze verkeerden. (Vedabase)
Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet.
Toen ze Nârada zagen, schaamden de naakte jonge meisjes van de halfgoden zich ontzettend. Bang om vervloekt te worden, bedekten ze hun lichaam met hun gewaden. De twee zonen van Kuvera deden dat echter niet; in plaats daarvan trokken ze zich niets aan van Nârada en bleven naakt voor hem staan. (Vedabase)
Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend.
Toen Devarishi Nârada de twee zonen van de halfgoden naakt en dronken van weelde en vals prestige voor zich zag staan, wilde hij ze speciale genade betonen, en besloot ze op een speciale manier te vervloeken. Daarom sprak hij als volgt. (Vedabase)
Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte, [een fraai lijf, scholing en rijkdom] en dat alles waarin men belangstelt in vrouwen,wijn en gokken.
Nârada Muni zei: Van alle vormen van materieel genot verwart de bekoring van rijkdom iemands verstand nog meer dan het bezitten van een prachtig uiterlijk, het geboren zijn in een aristocratische familie, of het zeer geleerd zijn. Wie weinig ontwikkeld is, maar door rijkdom ten onrechte verwaand, zal zijn rijkdom gebruiken voor het genieten van drank, vrouwen en gokken. (Vedabase)
In die positie dieren dodend denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26].
Schurken die niet in staat zijn hun zintuigen te beheersen en ten onrechte trots zijn op hun rijkdom of hun geboorte in een aristocratische familie, gedragen zich zo wreed dat ze voor de instandhouding van hun vergankelijke lichaam, waarvan ze denken dat het nooit oud zal worden of zal sterven, genadeloos arme dieren afslachten. Soms doden ze zelfs dieren louter omwille van een plezierig uitstapje. (Vedabase)
Het lichaam echter, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die dermate [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]?
Tijdens het leven kan men trots zijn op het lichaam en denken dat men een verheven persoon is - een minister, een president of zelfs een halfgod - maar wat men ook is, na de dood zal dit lichaam veranderen in wormen, ontlasting of as. Als men onschuldige dieren doodt om aan de tijdelijke grillen van dit lichaam tegemoet te komen, beseft men niet dat men in zijn volgende leven zal moeten lijden, want zo'n goddeloze zondaar gaat naar de hel om daar onder de gevolgen van zijn daden te lijden. (Vedabase)
Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs?
Behoort dit lichaam, zolang het leeft, toe aan zijn werkgever, aan het zelf, aan de vader, aan de moeder of aan de vader van de moeder? Behoort het toe aan degene die het met geweld wegneemt, aan de slavenhandelaar die het koopt, of aan de zonen die het in het vuur verbranden? Of behoort het, als het niet verbrand wordt, toe aan de honden die het opeten? Wie van de vele levende wezens die er aanspraak op kunnen maken is de rechtmatige eigenaar? Het is niet goed als men daar niet achter probeert te komen en het lichaam in plaats daarvan door middel van zondige activiteiten instandhoudt. (Vedabase)
De vraag is: wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen [de dieren] zouden, het lichaam voor hun ware zelf houdend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]?
Dit lichaam is per slot van rekening een produkt van de ongeopenbaarde natuur en wordt weer vernietigd en opgenomen in de natuurlijke elementen. Daarom is het ieders gemeenschappelijke bezit. Wie behalve een onverlaat zal onder de gegeven omstandigheden dit bezit voor zichzelf opeisen en, louter om aan zijn grillen te voldoen, voor de instandhouding ervan dergelijke zondige activiteiten begaan als het doden van dieren? Men kan dergelijke zonden niet begaan tenzij men een schurk is. (Vedabase)
Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen, omdat een behoeftig man, vergeleken met anderen, veel beter in staat is om de dingen te zien zoals ze zijn [*].
Atheïstische dwazen en schurken, die vreselijk trots zijn op hun rijkdom, kunnen de dingen niet zien zoals ze zijn. Als men ze daarom weer in armoede stort, is dat juiste zalf voor hun ogen, zodat ze de dingen kunnen zien zoals ze zijn. Een arme kan zich tenminste nog realiseren hoe pijnlijk armoede is, en daarom zal hij niet willen dat anderen in dezelfde pijnlijke toestand terechtkomen. (Vedabase)
Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt.
Door gewoon hun gezichten te aanschouwen, kan iemand die met spelden gestoken is de pijn begrijpen van anderen die met spelden gestoken worden. Omdat hij zich realiseert dat deze pijn voor iedereen hetzelfde is, wil hij niet dat anderen op dezelfde manier lijden. Iemand die echter nog nooit met spelden gestoken is, kan deze pijn niet begrijpen. (Vedabase)
Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan erover; de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen is voor hem inderdaad de beste verzaking.
Daar hij de rijkdom niet heeft om iets te bezitten, moet een arme vanzelf ascese en boetedoeningen ondergaan. Daardoor wordt zijn gevoel van vals prestige tenietgedaan. Omdat hij voortdurend behoefte heeft aan voedsel, onderdak en kleding, moet hij tevreden zijn met wat hij door de genade van de voorzienigheid krijgt. Het ondergaan van zulke gedwongen ascese is goed voor hem omdat dit hem zuivert en volledig vrij maakt van vals ego. (Vedabase)
Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de tegenhanger vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen.
Omdat een arme altijd honger heeft en voortdurend naar voldoende voedsel verlangt, wordt hij geleidelijk aan zwakker. Zijn zintuigen komen dan vanzelf tot rust omdat ze de extra kracht missen. Een arme is daarom niet in staat tot schadelijke en kwaadaardige activiteiten. Zo iemand krijgt, met andere woorden, vanzelf de resultaten van de ascese en boetedoeningen waaraan heiligen zich vrijwillig onderwerpen. (Vedabase)
Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4].
Heiligen kunnen vrij omgaan met de armen, maar niet met de rijken. Een arme verliest door zijn omgang met heiligen al spoedig elke interesse in materiële verlangens, en het vuil in het binnenste van zijn hart wordt weggewassen. (Vedabase)
Zou het de zaak van de heiligen [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15]
Heiligen [sâdhu's] denken vierentwintig uur per dag aan Krishna. Ze zijn nergens anders in geïnteresseerd. Waarom zouden mensen het gezelschap van zulke verheven geestelijke persoonlijkheden dan vermijden en proberen met materialisten om te gaan, waarbij ze hun toevlucht nemen tot niet-toegewijden, die voor het merendeel trots en rijk zijn? (Vedabase)
Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, deze bedriegelijke eigenwaan wegnemen.
Aangezien deze twee figuren, dronken van de drank met de naam Vârunî, of Mâdhvî, en niet in staat hun zintuigen te beheersen, verblind geraakt zijn door hun trots op hun hemelse weelde en aan vrouwen gehecht geraakt zijn, zal ik ze van hun vals prestige verlossen. (Vedabase)
Omdat deze twee zonen vanweghe hun wereldse gemakken dermate in beslag werden genomen door de geaardheid onwetendheid en zich er in hun trots, onverschillig naar getuigen toe, niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun hemelse leven kunnen oppakken met het herleven van hun bhakti.'
Deze twee jongemannen, Nalakûvara en Manigrîva, hebben het geluk dat ze zonen van de grote halfgod Kuvera zijn, maar door vals prestige en krankzinnigheid na het drinken van sterke drank zijn ze zo diep gevallen dat ze naakt rondlopen zonder het te beseffen. Daarom, omdat ze leven als bomen (want bomen zijn naakt maar niet bewust), verdienen ze het lichaam van een boom. Dat is een passende straf. Ze zullen zich niettemin, vanaf het moment dat ze bomen geworden zijn totdat ze bevrijd zijn, door mijn genade hun vroegere zondige activiteiten kunnen herinneren. Bovendien schenk ik ze de speciale gunst dat ze na het verstrijken van honderd jaar volgens de tijdrekening van de halfgoden de Allerhoogste Godspersoon, Vâsudeva, rechtstreeks zullen zien en daarmee weer tot hun werkelijke positie als toegewijden zullen komen. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na deze woorden gesproken te hebben vertrok Devarishi Nârada naar zijn âs'rama, die bekendstaat als de Nârâyana-âs'rama, en werden Nalakûvara en Manigrîva twee arjuna-bomen. (Vedabase)
[en nu..] Om de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden.
De Allerhoogste Godspersoon, S'rî Krishna, wilde de waarachtigheid van de woorden van de grootste toegewijde, Nârada, waarmaken en bewoog Zich daarom langzaam naar de plek waar de twee arjuna-bomen stonden. (Vedabase)
[Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee werden geboren in het huis van een rijkaard zal Ik niettemin alleen om die reden gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.'
"Deze twee jongemannen zijn de zonen van de ontzettend rijke Kuvera en Ik heb niets met ze te maken. Devarishi Nârada is echter Mijn zeer dierbare en toegenegen toegewijde, en omdat hij wilde dat Ik oog in oog met ze zou komen te staan, moet Ik dat omwille van hun verlossing doen." (Vedabase)
Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten.
Na deze woorden kroop Krishna zonder aarzelen tussen de twee arjuna-bomen door, waardoor de grote vijzel waaraan Hij vastgebonden was er overdwars tussen bleef steken. (Vedabase)
De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4].
Door de houten vijzel die aan Zijn buik gebonden was met grote kracht achter Zich aan te slepen, ontwortelde Krishna de twee bomen. Door de enorme kracht van de Allerhoogste Persoon begonnen de stammen, bladeren en takken van de twee bomen namelijk heftig te schudden en vielen met veel gekraak tegen de grond. (Vedabase)
En op diezelfde plek kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten:
Vervolgens kwamen er precies op de plek waar de twee arjuna-bomen neergevallen waren, twee verheven en volmaakte persoonlijkheden uit tevoorschijn die op het vuur in persoon leken. De uitstraling van hun schoonheid verlichtte alle richtingen. Met gebogen hoofden brachten ze Krishna hun eerbetuigingen en spraken vervolgens met gevouwen handen de volgende woorden. (Vedabase)
'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante.
O Heer Krishna, Heer Krishna, de grootsheid van Uw mystiek is onvoorstelbaar. U bent de allerhoogste, oorspronkelijke persoon, de oorzaak van alle oorzaken, zowel de onmiddellijke als de uiteindelijke, en U staat boven deze materiële schepping. Geleerde brâhmana's weten [op basis van de vedische verklaring, sarvam khalv idam brahma] dat U alles bent en dat deze kosmische openbaring, in al haar grofstoffelijke en fijnstoffelijke aspecten, Uw gedaante is. (Vedabase)
U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken.
U bent de Allerhoogste Godspersoon, de bestuurder van alles. Het lichaam, het leven, het ego en de zintuigen van ieder levend wezen zijn allemaal Uw eigen Zelf. U bent de Allerhoogste Persoon, Vishnu, de onvergankelijke bestuurder. U bent de tijd, de onmiddellijke oorzaak, en U bent de materiële natuur, die uit de drie geaardheden hartstocht, goedheid en onwetendheid bestaat. U bent de oorspronkelijke oorzaak van deze materiële openbaring. U bent de Superziel, en daarom weet U precies wat er in het diepst van het hart van ieder levend wezen leeft. (Vedabase)
Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond?
O Heer, U bestaat al vóór de schepping. Wie kan U dus begrijpen, gevangen als we zijn in deze materiële wereld in een lichaam met een materiële aard? (Vedabase)
Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het Brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen.
O Heer, Uw heerlijkheid wordt door Uw eigen energie verhuld, en U bent de Allerhoogste Godspersoon. U bent Sankarshana, de oorsprong van de schepping, en U bent Vâsudeva, de oorsprong van de catur-vyûha. Omdat U alles bent, en dus het Allerhoogste Brahman, brengen we U maar gewoon nederig onze eerbetuigingen. (Vedabase)
Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies!
Als U verschijnt in lichamen als van een gewone vis, schildpad en ever, laat U activiteiten zien die dergelijke wezens onmogelijk kunnen verrichten. Buitengewone, onvergelijkbare, transcendentale activiteiten met een onbegrensde macht en kracht. Die lichamen van U bestaan daarom niet uit materiële elementen, maar zijn incarnaties van Uw Allerhoogste Persoonlijkheid. U bent dezelfde Allerhoogste Persoonlijkheid die nu met al Zijn vermogen verschenen is voor het welzijn van alle levende wezens in deze materiële wereld. (Vedabase)
Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon.
O meest zegenrijke, we brengen U, die de allerhoogste goedheid bent, onze nederige eerbetuigingen. O meest beroemde afstammeling en bestuurder van de Yadu-dynastie, o zoon van Vasudeva, o meest vreedzame, laat ons onze eerbetuigingen brengen aan Uw lotusvoeten. (Vedabase)
Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante?
O allerhoogste gedaante, we zijn altijd de dienaren van Uw dienaren, en met name van Nârada Muni. Geef ons nu alstublieft toestemming om naar huis te gaan. Het is dankzij de genade van Nârada Muni dat we U rechtstreeks hebben kunnen aanschouwen. (Vedabase)
Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U, de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de Vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!'
Mogen van nu af aan al onze woorden Uw spel en vermaak beschrijven, mogen onze oren Uw heerlijkheid horen, mogen onze handen, benen en andere zintuigen alleen activiteiten verrichten die U plezier schenken, en moge onze geest altijd aan Uw lotusvoeten denken. Moge ons hoofd eer betuigen aan alles wat er in deze wereld bestaat, want U bent in alles aanwezig, en mogen onze ogen de gedaanten van de vaishnava's zien, die niet van U verschillen. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met touwen was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Zo baden de twee jonge halfgoden tot de Allerhoogste Godspersoon. Hoewel S'rî Krishna, de Allerhoogste God, de meester van alles is en zeker Gokules'vara, de heer van Gokula, was Hij met de touwen van de gopî's aan de houten vijzel vastgebonden, en daarom sprak Hij de zonen van Kuvera met een grote glimlach als volgt toe. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde toen hij u vervloekte vanwege uw blind gevallen zijn in het verzot zijn op de weelde.
De Allerhoogste Godspersoon zei: De grote heilige Nârada Muni is zeer genadig. Met zijn vloek heeft hij jullie beiden, die zo verzot waren op materiële rijkdom dat jullie blind geworden waren, de grootst mogelijke gunst bewezen. Dus hoewel jullie van de hogere planeet Svargaloka naar beneden vielen en bomen werden, zijn jullie toch uitermate door hem begunstigd. Ik was al vanaf het begin van deze gebeurtenissen op de hoogte. (Vedabase)
Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg bevrijdt door in de aanwezigheid te verkeren van de gelouterden die allen gelijkgezind zijn, van de personen geheel aan Mij overgegeven die verlost zijn van alle gebondenheid.
Als men naar de zon kijkt, is er voor de ogen geen sprake meer van duisternis. Zo is ook iemand die oog in oog komt te staan met een sâdhu, een uiterst vastberaden en volledig aan de Allerhoogste Godspersoon overgegeven toegewijde, niet langer aan de materie gebonden. (Vedabase)
Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men nimmer meer terugkeert [zie ook B.G. 5: 17].'
O Nalakûvara en Manigrîva, nu kunnen jullie naar huis terugkeren. Aangezien jullie graag voor altijd willen opgaan in toegewijde dienst aan Mij, zal jullie verlangen om liefde en genegenheid voor Mij te ontwikkelen vervuld worden, en zullen jullie nooit meer van dat niveau terugvallen. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee terwijl ze voortdurend baden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].'
S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen de Allerhoogste Godspersoon, die aan de houten vijzel vastgebonden was, dit gezegd had, liepen de twee halfgoden in een cirkel om de Heer heen en brachten Hem hun eerbetuigingen. Met de toestemming van Heer Krishna keerden ze naar hun eigen woonplaatsen terug. (Vedabase)
*: Hierbij geeft Prabhupâda het commentaar: 'Er is een verhelderend verhaal genaamd punar mûshiko bhava, "Opnieuw een Muis Worden." Er was er eens een muis die zeer geplaagd werd door een kat, en daarom benaderde die muis een geheiligde persoon om te vragen of hij een kat mocht worden. Toen de muis een kat werd, werd hij geplaagd door een hond, en toen hij een hond werd, werd hij belaagd door een tijger. Maar toen hij een tijger werd staarde hij naar die heilige, en toen de gelouterde ziel hem vroeg, "Wat wil je nu?" zei de tijger, "Ik wil u opvreten." Toen vervloekte die gezuiverde persoon hem, zeggende, "Moge u weer een muis worden".'
**: In feite is systematische honger of geregeld vasten voor de toegewijden een standaardprocedure. Ze vasten geregeld voor de duur van een dag zoals met ekâdas'i: iedere elfde dag na de nieuwe en volle maan vast de Vaishnava van granen en bonen en chant hij. De moderne medische wetenschap bevestigt dat regelmatig vasten, of systematische honger iemands levensduur verlengt. Zie ook 8.16: payo vrata, het vasten van vast voedsel als het beste van alle offers.
***: Arjuna bomen treft men nog steeds in de bossen aan. De bast word door cardiologen gebruikt om medicijnen te vervaardigen tegen hartaandoeningen.
*4: Het is vanwege deze dâmodara-lîlâ dat Heer Krishna als kleuter soms Dâmodara wordt genoemd: aan de buik gebonden [zie ook de bhajan Damodarâshthaka].
*5: 'Rieten' heeft betrekking op het hol zijn van de overgave.
![]()
Voor
deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda
van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Râmanatha
dâsa
en het tweede van Parîkshit
dâsa
(Doug
Ball).
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd