regelbalk



 

 

Canto 10

Guru Puja

  

 

Hoofdstuk 10: De Verlossing van de Zoons van Kuvera

(1) De koning zei: 'Alstublieft o machtige, kan u de wandaad beschrijven waardoor de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt?'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Er zeer trots op dat ze het zover gebracht hadden als tot de associatie van Rudra, wandelden zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde, [op een dag] in een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. In die tuin vol bloemen lieten ze zich geheel verdwaasd, met rollende ogen omdat ze bedwelmd waren door het drinken van vârunî, door vrouwen liedjes toezingen. (4) Omdat ze zich wilden vermaken gingen ze in het gezelschap van de jonge meisjes de Ganges in vol bedden lotusbloemen, als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes. (5) Het geval deed zich voor o zoon van Kuru, dat Nârada, de oppermachtige devarishi, ze te zien kreeg en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (6) Toen hun aanhang [de meisjes] hem zagen waren ze beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel hun naakte lichamen met hun kleding. Maar de twee bewakers van Kuvera's schatten [de S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren, deden dat niet. (7) Met voor ogen het dronken stel blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit door het volgende te zeggen. (8) Nârada zei: 'Voor degene die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet is er niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, een goede geboorte, [een fraai lijf, scholing, rijkdom] en dat alles, waarin men zich aangetrokken voelt tot vrouwen, wijn en gokken. (9) In die positie dieren dodend denken mensen zonder genade die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen en niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (10) Het lichaam, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as. Weet iemand met zo'n zelfzuchtige houding jegens andere levende wezens wel op wat voor een hel hij afstevent [zie ook 5.26: 17]? (11) Is dit lichaam het eigendom van degene die het voedsel verschaft, van jezelf, van je verwekker, van je moeder, of behoort het toe aan je schoonvader, aan het gezag van de staat, aan een koper, aan het vuur of zelfs aan de aaseters? (12) De vraag is: wie zou aldus die kenner [die eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij het lichaam hoort dat iedereen heeft en dat zich manifesteerde vanuit de ongemanifesteerde natuur om vervolgens weer te verdwijnen? Wie anders dan een dwaas zou het lichaam voor het ware zelf houden en [andere] levende wezens doden [zie ook 4.11: 10]? (13) Voor dwazen verblind door de trots op hun weelde is armoede de beste ogenzalf. Een arm iemand is het best in staat om andere levende wezens te zien als gelijkwaardig aan zichzelf [*]. (14) Iemand die zich prikt aan een naald wenst die pijn niet toe aan een andere, net zo belichaamde ziel, maar dat gaat niet op voor een persoon die zich nog nooit aan een naald heeft geprikt. (15) Een arm man is vrij van alle eigenwaan die hoort bij de valsheid van het zelf. De tegenslag [van de armoede] die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen, vormt voor hem de beste verzaking. (16) Altijd hongerig verliezen de zintuigen van het slanke lichaam van een arme persoon die naar voedsel verlangt [**], steeds meer hun dominantie en neemt ook het geweld af [dat de keerzijde vormt van de eetlust]. (17) De armen kunnen [in tegenstelling tot de rijken makkelijk] omgang hebben met de heiligen [die zich houden aan de gelofte van armoede] en allen gelijk gezind zijn. De [mentale] oorzaak van hun lijden alsook hun [fysieke] hunkering wordt door het ontmoeten van dergelijke oprechte mensen teruggedrongen zodat er daardoor snel zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (18) Waarom zou je de omgang vermijden met gelijkmoedige wereldverzakers [sadhu's] die Mukunda willen dienen en omgang zoeken met materialisten die trots op hun rijkdom hun toevlucht zoeken in het onware [zie ook B.G. 7: 15]? (19) Daarom zal ik de onwetende eigenwaan wegnemen van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van de zoete likeur vârunî, arrogant en verblind met de weelde zichzelf niet meer de baas zijn. (20-22) Omdat deze twee zonen van Kuvera, verzonken in duisternis zich, in hun trots onverschillig naar anderen toe, er niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het om onbeweeglijk te worden [als twee bomen]. Dit om te voorkomen dat ze dat nog eens zullen doen. Verder is het mijn genade dat ze zichzelf blijven herinneren en verleen ik ze de bijzondere gunst dat ze na een honderdtal godenjaren [een jaar is een dag] persoonlijke omgang krijgen met Vâsudeva. Met het herleven van hun bhakti kunnen ze dan weer hun hemelse leven oppakken.'

(23) S'rî S'uka zei: 'Nadat de devarishi dat gezegd had ging hij weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn verblijf], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen. (24) Teneinde de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen, bewoog de [aan het stampvat gebonden] Heer zich [nu] heel langzaam naar de plek waar deze twee arjunabomen stonden. (25) [Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar. Ofschoon deze twee werden geboren uit de lendenen van Kuvera [een rijkaard], zal Ik gevolg geven aan de woorden die de grote ziel heeft gesproken.' (26) Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten. (27) De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver. Door Zijn superieure macht schudden ze hevig en kwamen ze met stam, takken en bladeren, met een donderend geraas naar beneden met de wortels naar boven [*4]. (28) Ter plekke kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend als een opvlammend vuur, twee personen tevoorschijn die Krishna met gebogen hoofd en gevouwen handen hun eerbetuigingen brachten. Tot de Heer van de Ganse Wereld zeiden ze vrij van hartstocht en onwetendheid het volgende: (29) 'Krishna, o Krishna, o Hoogste Meester van de Yoga! U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping van grofstoffelijke en subtiele materie die de brahmanen kennen als Uw gedaante. (30-31) U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen. U bent de Tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Heerser. U als de Grootste, die zowel de kosmische schepping bent als het subtiele, U die bestaat uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de Supervisor en Kenner van de rusteloze geest in alle levensbereiken. (32) Wie die zit opgesloten in een lichaam met een geest in beroering gebracht door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen? Wie nu is U waardig, U die reeds vóór de schepping bestond, U die niet beperkt bent tot een lichaam en, nu overdekt door de geaardheden der natuur, hier aanwezig bent? (33) Daarom bieden wij U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, U wiens licht wordt overdekt door het geheel van Uw natuurlijke geaardheden, U het Brahman [zowel de binnen- als de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen. (34-35) U die onstoffelijk bent maar wordt gekend in de verschillende verschijningsvormen van de avatâra's, toont daarmee een onvergelijkelijke, onbegrensde macht in activiteiten die voor normaal belichaamde personen niet te volbrengen zijn. U diezelfde Goedheid en Meester van Alle Zegeningen, bent nu verschenen voor de verlossing en verheffing van iedereen, met al Uw vermogens en expansies! (36) Ons respect voor U o Hoogste Deugd, o Opperste Goedgunstigheid! Voor U o Vâsudeva, o Vreedzame en Meester der Yadu's, ons eerbetoon. (37) Hebben wij, o Onbegrensde, de dienaren die u o Allerhoogste persoonlijk mochten ontmoeten door de genade van Uw volgeling, de wijze [Nârada], nu Uw toestemming [om te vertrekken]? (38) Mogen onze woorden altijd Uw avonturen betreffen, mogen onze oren Uw verhalen horen, mogen onze ledematen voor U werken en mogen onze geesten zich steeds Uw lotusvoeten herinneren. Mogen onze hoofden zich buigen voor U die alles doordringt en mogen onze ogen steeds de waarachtigen zien [de heiligen, de Vaishnava's m.n.] die Uw gedeeltelijke belichamingen zijn.'

(39) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij aldus was verheerlijkt door de twee Guhyaka's, glimlachte de Opperheer, de Meester van Gokula die met touwen was vastgebonden aan het stampvat, en sprak Hij tot hen. (40) De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich van dit voorval met de zo aardige Nârada in het verleden voordeed is Mij bekend. Welk een grote gunst verleende hij u toen hij u vervloekte ten val te komen omdat u blind was in uw dwaasheid met de weelde. (41) Zoals de ogen van een persoon die zich keert naar de zon [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudig bevrijd van al zijn gehechtheid door in het gezelschap van heilige zielen te verkeren die allen gelijkgezind zijn, door om te gaan met personen die zich aan Mij hebben gewijd. (42) Nu jullie, rieten [*5] van Kuvera, doordrongen zijn van de liefde voor Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Ik die het Opperste vorm van uw verlangen en van wie men nimmer meer terugkeert [naar een werelds bestaan, zie ook B.G. 5: 17].'

(43) S'rî S'uka zei: 'Aldus door Hem toegesproken omliepen de twee Hem die was vastgebonden aan het stampvat. Ze brachten herhaaldelijk hun eerbetuigingen, namen afscheid en vertrokken toen in de noordelijke richting [waar Kailâsa ligt].'

   

 

next             

 
 

Derde herziene editie, geladen 19 juni, 2013

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De koning zei: 'Alstublieft o machtige, kan u de wandaad beschrijven waardoor de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt?'
De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.' (Vedabase)

 

Tekst 2-3

S'rî S'uka zei: 'Er zeer trots op dat ze het zover gebracht hadden als tot de associatie van Rudra, wandelden zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde, [op een dag] in een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. In die tuin vol bloemen lieten ze zich geheel verdwaasd, met rollende ogen omdat ze bedwelmd waren door het drinken van vârunî, door vrouwen liedjes toezingen.

S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen. (Vedabase)

    

Tekst 4

Omdat ze zich wilden vermaken gingen ze in het gezelschap van de jonge meisjes de Ganges in vol bedden lotusbloemen, als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes.

De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes. (Vedabase)

 

Tekst 5

Het geval deed zich voor o zoon van Kuru, dat Nârada, de oppermachtige devarishi, ze te zien kreeg en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden.

En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (Vedabase)

 

Tekst 6

Toen hun aanhang [de meisjes] hem zagen waren ze beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel hun naakte lichamen met hun kleding. Maar de twee bewakers van Kuvera's schatten [de S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren, deden dat niet.

Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet. (Vedabase)

  

Tekst 7

Met voor ogen het dronken stel blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit door het volgende te zeggen.

Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend. (Vedabase)

 

Tekst 8

Nârada zei: 'Voor degene die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet is er niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, een goede geboorte, [een fraai lijf, scholing, rijkdom] en dat alles, waarin men zich aangetrokken voelt tot vrouwen, wijn en gokken.

Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte en dat al [een fraai lijf, scholing en rijkdom] waarvan men de vrouwen krijgt, de wijn en het gokken. (Vedabase)

 

Tekst 9

In die positie dieren dodend denken mensen zonder genade die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen en niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26].

De dieren dodend in dezen denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam dat gedoemd is te vergaan niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (Vedabase)

    

Tekst 10

Het lichaam, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as. Weet iemand met zo'n zelfzuchtige houding jegens andere levende wezens wel op wat voor een hel hij afstevent [zie ook 5.26: 17]?

Het lichaam echter hoe zeer ook voor goddelijk gehouden is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die zo [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]? (Vedabase)

 

Tekst 11

Is dit lichaam het eigendom van degene die het voedsel verschaft, van jezelf, van je verwekker, van je moeder, of behoort het toe aan je schoonvader, aan het gezag van de staat, aan een koper, aan het vuur of zelfs aan de aaseters?

Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs? (Vedabase)

 

Tekst 12

De vraag is: wie zou aldus die kenner [die eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij het lichaam hoort dat iedereen heeft en dat zich manifesteerde vanuit de ongemanifesteerde natuur om vervolgens weer te verdwijnen? Wie anders dan een dwaas zou het lichaam voor het ware zelf houden en [andere] levende wezens doden [zie ook 4.11: 10]?

Wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen zouden, dit wetende, het als het hunne claimend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]? (Vedabase)

 

Tekst 13

Voor dwazen verblind door de trots op hun weelde is armoede de beste ogenzalf. Een arm iemand is het best in staat om andere levende wezens te zien als gelijkwaardig aan zichzelf. [*].

Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen daar een behoeftig man vergeleken met anderen de zaken veel beter kan zien zoals ze zijn [*]. (Vedabase)


Tekst 14

Iemand die zich prikt aan een naald wenst die pijn niet toe aan een andere, net zo belichaamde ziel, maar dat gaat niet op voor een persoon die zich nog nooit aan een naald heeft geprikt.

Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt. (Vedabase)

 

Tekst 15

Een arm man is vrij van alle eigenwaan die hoort bij de valsheid van het zelf. De tegenslag [van de armoede] die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen, vormt voor hem de beste verzaking.

Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan er over; dat, de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen, is voor hem inderdaad de beste verzaking. (Vedabase)

   

Tekst 16

Altijd hongerig verliezen de zintuigen van het slanke lichaam van een arme persoon die naar voedsel verlangt [**], steeds meer hun dominantie en neemt ook het geweld af [dat de keerzijde vormt van de eetlust].

Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de keerzijde vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen. (Vedabase)


Tekst 17

De armen kunnen [in tegenstelling tot de rijken makkelijk] omgang hebben met de heiligen [die zich houden aan de gelofte van armoede] en allen gelijk gezind zijn. De [mentale] oorzaak van hun lijden alsook hun [fysieke] hunkering wordt door het ontmoeten van dergelijke oprechte mensen teruggedrongen zodat er daardoor snel zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4].

Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (Vedabase)

 

Tekst 18

Waarom zou je de omgang vermijden met gelijkmoedige wereldverzakers [sadhu's] die Mukunda willen dienen en omgang zoeken met materialisten die trots op hun rijkdom hun toevlucht zoeken in het onware [zie ook B.G. 7: 15]?

Zou het de zaak van de geheiligden [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15] (Vedabase)


Tekst 19

Daarom zal ik de onwetende eigenwaan wegnemen van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van de zoete likeur vârunî, arrogant en verblind met de weelde zichzelf niet meer de baas zijn.

Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, dit bedrieglijke onbenul wegnemen. (Vedabase)

 

Tekst 20-22

Omdat deze twee zonen van Kuvera, verzonken in duisternis zich, in hun trots onverschillig naar anderen toe, er niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het om onbeweeglijk te worden [als twee bomen]. Dit om te voorkomen dat ze dat nog eens zullen doen. Verder is het mijn genade dat ze zichzelf blijven herinneren en verleen ik ze de bijzondere gunst dat ze na een honderdtal godenjaren [een jaar is een dag] persoonlijke omgang krijgen met Vâsudeva. Met het herleven van hun bhakti kunnen ze dan weer hun hemelse leven oppakken.'

Omdat deze twee zonen van het wereldse gemak zo in beslag zijn genomen in de geaardheid onwetendheid en in hun trots onverschillig naar getuigen toe zich niet bekommeren om enige kleding voor hun lichamen, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun bestaan kunnen inrichten naar het hemelse met het herleven van hun bhakti.' (Vedabase)

  

Tekst 23

S'rî S'uka zei: 'Nadat de devarishi dat gezegd had ging hij weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn verblijf], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen.

S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen. (Vedabase)

 

Tekst 24

Teneinde de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen, bewoog de [aan het stampvat gebonden] Heer zich [nu] heel langzaam naar de plek waar deze twee arjunabomen stonden.

[en nu..] Om de woorden van de ziener gestand te doen, Zijn allerbeste toegewijde, bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden.(Vedabase)

 

Tekst 25

[Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar. Ofschoon deze twee werden geboren uit de lendenen van Kuvera [een rijkaard], zal Ik gevolg geven aan de woorden die de grote ziel heeft gesproken.'

[Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee ter wereld kwamen uit de rijke man zal Ik enkel zo gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.' (Vedabase)


Tekst 26

Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten.

Aldus besloten ging Krishna tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten. (Vedabase)

 

Tekst 27

De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver. Door Zijn superieure macht schudden ze hevig en kwamen ze met stam, takken en bladeren, met een donderend geraas naar beneden met de wortels naar boven [*4].

De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4]. (Vedabase)

 

Tekst 28

Ter plekke kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend als een opvlammend vuur, twee personen tevoorschijn die Krishna met gebogen hoofd en gevouwen handen hun eerbetuigingen brachten. Tot de Heer van de Ganse Wereld zeiden ze vrij van hartstocht en onwetendheid het volgende:

(Precies daar kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten: (Vedabase)

 

Tekst 29

'Krishna, o Krishna, o Hoogste Meester van de Yoga! U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping van grofstoffelijke en subtiele materie die de brahmanen kennen als Uw gedaante.

'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante. (Vedabase)

 

Tekst 30-31

U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen. U bent de Tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Heerser. U als de Grootste, die zowel de kosmische schepping bent als het subtiele, U die bestaat uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de Supervisor en Kenner van de rusteloze geest in alle levensbereiken.

U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken. (Vedabase)

 

Tekst 32

Wie die zit opgesloten in een lichaam met een geest in beroering gebracht door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen? Wie nu is U waardig, U die reeds vóór de schepping bestond, U die niet beperkt bent tot een lichaam en, nu overdekt door de geaardheden der natuur, hier aanwezig bent?

Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is er om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond? (Vedabase)

 

Tekst 33

Daarom bieden wij U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, U wiens licht wordt overdekt door het geheel van Uw natuurlijke geaardheden, U het Brahman [zowel de binnen- als de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen.

Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het Brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 34-35

U die onstoffelijk bent maar wordt gekend in de verschillende verschijningsvormen van de avatâra's, toont daarmee een onvergelijkelijke, onbegrensde macht in activiteiten die voor normaal belichaamde personen niet te volbrengen zijn. U diezelfde Goedheid en Meester van Alle Zegeningen, bent nu verschenen voor de verlossing en verheffing van iedereen, met al Uw vermogens en expansies!

Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies! (Vedabase)


Tekst 36

Ons respect voor U o Hoogste Deugd, o Opperste Goedgunstigheid! Voor U o Vâsudeva, o Vreedzame en Meester der Yadu's, ons eerbetoon.

Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon. (Vedabase)


Tekst 37

Hebben wij, o Onbegrensde, de dienaren die u o Allerhoogste persoonlijk mochten ontmoeten door de genade van Uw volgeling, de wijze [Nârada], nu Uw toestemming [om te vertrekken]?

Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante? (Vedabase)


Tekst 38

Mogen onze woorden altijd Uw avonturen betreffen, mogen onze oren Uw verhalen horen, mogen onze ledematen voor U werken en mogen onze geesten zich steeds Uw lotusvoeten herinneren. Mogen onze hoofden zich buigen voor U die alles doordringt en mogen onze ogen steeds de waarachtigen zien [de heiligen, de Vaishnava's m.n.] die Uw gedeeltelijke belichamingen zijn.'

Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!' (Vedabase)

 

Tekst 39

S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij aldus was verheerlijkt door de twee Guhyaka's, glimlachte de Opperheer, de Meester van Gokula die met touwen was vastgebonden aan het stampvat, en sprak Hij tot hen.

S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met touw was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's. (Vedabase)

 

Tekst 40

De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich van dit voorval met de zo aardige Nârada in het verleden voordeed is Mij bekend. Welk een grote gunst verleende hij u toen hij u vervloekte ten val te komen omdat u blind was in uw dwaasheid met de weelde.

De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde in zijn vervloeking van uw gevallen zijn blind in waanzin over de weelde. (Vedabase)

 

Tekst 41

Zoals de ogen van een persoon die zich keert naar de zon [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudig bevrijd van al zijn gehechtheid door in het gezelschap van heilige zielen te verkeren die allen gelijkgezind zijn, door om te gaan met personen die zich aan Mij hebben gewijd.

Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg door in de aanwezigheid te verkeren van de geheiligden die allen gelijkgezind zijn, van personen mij ten volle toegedaan, verlost van alle gebondenheid. (Vedabase)

 

Tekst 42

Nu jullie, rieten [*5] van Kuvera, doordrongen zijn van de liefde voor Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Ik die het Opperste vorm van uw verlangen en van wie men nimmer meer terugkeert [naar een werelds bestaan, zie ook B.G. 5: 17].'

Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men niet meer terugkomt [zie ook B.G. 5: 17].' (Vedabase)

 

Tekst 43

S'rî S'uka zei: 'Aldus door Hem toegesproken omliepen de twee Hem die was vastgebonden aan het stampvat. Ze brachten herhaaldelijk hun eerbetuigingen, namen afscheid en vertrokken toen in de noordelijke richting [waar Kailâsa ligt].'

S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee onder een voortdurend bidden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].' (Vedabase)

 

*: Hierbij geeft Prabhupâda het commentaar: 'Er is een verhelderend verhaal genaamd punar mûshiko bhava, "Opnieuw een Muis Worden." Er was er eens een muis die zeer geplaagd werd door een kat, en daarom benaderde die muis een geheiligde persoon om te vragen of hij een kat mocht worden. Toen de muis een kat werd, werd hij geplaagd door een hond, en toen hij een hond werd, werd hij belaagd door een tijger. Maar toen hij een tijger werd staarde hij naar die heilige, en toen de gelouterde ziel hem vroeg, "Wat wil je nu?" zei de tijger, "Ik wil u opvreten." Toen vervloekte die gezuiverde persoon hem, zeggende, "Moge u weer een muis worden".'

**: In feite is systematische honger of geregeld vasten voor de toegewijden een standaardprocedure. Ze vasten geregeld voor de duur van een dag zoals met ekâdas'i: iedere elfde dag na de nieuwe en volle maan vast de Vaishnava van granen en bonen en chant hij. De moderne medische wetenschap bevestigt dat regelmatig vasten, of systematische honger iemands levensduur verlengt. Zie ook 8.16: payo vrata, het vasten van vast voedsel als het beste van alle offers.

***: Arjuna bomen treft men nog steeds in de bossen aan. De bast word door cardiologen gebruikt om medicijnen te vervaardigen tegen hartaandoeningen.

*4: Het is vanwege deze dâmodara-lîlâ dat Heer Krishna als kleuter soms Dâmodara wordt genoemd: aan de buik gebonden [zie ook de bhajan Damodarâshthaka].

*5: 'Rieten' heeft betrekking op het hol zijn van de overgave.

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

Het eerste schilderij verwijst naar de badende Kuvera's en is getiteld:
'The Woman Who Is Driven by Passion to Meet Her Lover' (Kamabhisarika Nayika)
Page from a dispersed series of the Rasikapriya (Connoisseur's Delights) of Keshavadasa
Made in Rajasthan, India, c. 1640-50n'
Bron:
Philadelphia Museum of Art.
Het tweede schilderij is getiteld: 'Krishna Splits the Double Arjuna Tree'
Page from a dispersed series of the Bhagavata Purana, Made in Surat, Gujarat, India, c. 1720.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties