regelbalk



 
Canto 5
S'rî Râdhika Stava
 
 

Hoofdstuk 14: De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

(1) De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan, verschillend bezig met de geaardheid goedheid en zo, uit van het verkeerde standpunt. Zich baserend op de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze, afwisselend gunstig, ongunstig of half om half tewerk gaand, te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing door verschillende reeksen lichamelijke omhulsels heen, die ze telkens weer opnieuw moeten opgeven en weer oppakken. In relatie tot Vishnu, de Transcendentale Persoonlijkheid die de Heer is, is de gebonden ziel, die handelend onder invloed van de begoocheling van de materie mâyâ zich beweegt op dat zware pad door het moeilijk door te komen woud van het materiële bestaan, bezig als een koopman die geld wil verdienen met dingen die mensen graag willen. Hij die zijn lichaam inzet ter wille van het profijt, ervaart de materiële wereld waarin hij terechtkwam als een begraafplaats [een doodlopende weg voor zijn zelfverwerkelijking] alwaar hij veel weerstand ondervindt zolang hij er niet in slaagt te vorderen naar het volgen van het voorbeeld van de hommels, de toegewijden aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers, die een einde maken aan de moeilijkheid om Zijn juweel [Zijn glorie] te bereiken. (2) In dat bos krijgt hij gegarandeerd te maken met de zes zinnen en de geest die men, door hun activiteiten, zijn plunderaars mag noemen. Ze beroven de begeertige ziel, die als iemand zonder zelfbeheersing op het verkeerde pad is geraakt, van ieder beetje, met plichtsgetrouwe inspanning, verworven weelde dat zich zo goed leent voor het brengen van offers. De verworven weelde die men, thuis uit op het bevredigen van zijn zinnen, koestert in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken, leidt, zo zeggen de wijzen, alleen maar tot een beter leven in het hiernamaals als men die rechtstreeks inzet voor de religieuze [varnâs'rama] praktijk van de principes, een praktijk die zich kenmerkt door het aanbidden van de Hoogste Persoonlijkheid. (3) In dit opzicht zijn de leden van zijn familie, beginnend bij degenen die voor zijn vrouw en kinderen doorgaan, tijgers en jakhalzen in hun handelingen; ze beroven hem, ondanks zijn verweer ertegen, van de weelde die hij vrekkig niet wil delen, net zoals een lam voor ogen van de herder midden uit de kudde wordt weggestolen [door roofdieren]. (4) Net zoals in een akker, die ieder jaar omgeploegd wordt, de zaden van de bosjes, het gras en de klimplanten die niet verbrandden, worden behouden en weer, samen met de ingezaaide planten, opschieten zoals in iedere andere tuin, verdwijnen ook in het veld van handelen van iemands gezinsleven de vruchtdragende handelingen niet. Daarom noemt men deze wereld een bewaarplaats van verlangens. (5) Verloren in dat bestaan, zich soms op deze materiële weg door het bestaan bewegend in de sferen van de weelde - zijn levensadem bij wijze van spreken, wordt hij [die het valse aanhangt] verstoord door karakters van een laag allooi, gelijk aan horzels en muggen, alsook door dieven [die zijn als] ratten, sprinkhanen en roofvogels. Op basis van een begerige geest onwetend bezig in zijn baatzuchtige motieven, heeft hij een verkeerde kijk op deze menselijke wereld waarin men nooit zijn doel bereikt: hij ziet luchtkastelen. (6) Daar [in die menselijke wereld] is hij, die soms bezig is een fata morgana na te jagen in zijn ijver te eten, te drinken en seks te hebben en dergelijke, bijgevolg een losbol, iemand die een slaaf is van zijn zinnen. (7) Soms op zoek naar goud, is hij, geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel - dat eveneens een onuitputtelijke bron van kwaad vormt - als iemand die [in het donker] smachtend naar vuur een dwaallicht najaagt. (8) Een persoon wordt, in dit materiële woud, bij tijden aldus volkomen in beslag genomen door het van hot naar haar rennen ter wille van de verschillende zaken, van een plaats om te leven, water en weelde, die men noodzakelijk acht voor het levensonderhoud. (9) Soms copuleert hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, als een bezetene, in een totaal veronachtzamen van de regels. Verblind door de kracht van die passie, verliest hij dan, in weerwil van de goddelijkheid [van de zon en de maan, van regelmaat en orde], iedere notie, overmand geraakt door een geest vol lust. (10) Zo nu en dan ontwakend ziet hij de betekenisloosheid in van het lichamelijk begrip van zijn zelf dat zijn geheugen wist en waardoor hij de zaken najaagt als ging het om het water van een luchtspiegeling. (11) Precies als met de typische doordringende, herhaalde geluiden van uilen en krekels, is er soms de irritatie die, direct of indirect, wordt opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden een kwelling vormen voor het oor en het hart. (12) Als de geconditioneerde ziel de [verdienste van zijn] goede daden in zijn voorgaande leven heeft uitgeput en op dat moment [voor financiële ondersteuning] de rijken met hun dode zielen benadert, is hij zelf vanbinnen net zo dood, omdat ze zijn als de kâraskara, kâkatunda en meer van dat soort [niet-vruchtdragende] bomen. Net als bedorven putten zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken. (13) Bij gelegenheid omgaand met onoprechte lieden met een beperkt bevattingsvermogen, is het alsof hij in een ondiepe rivier duikt [en zijn nek breekt]; het maakt hem in beide opzichten [zowel geestelijk als lichamelijk] erg ongelukkig als hij atheïsten opzoekt. (14) Als het hem niet lukt met [het vergaren van] de weelde van anderen, bezorgt hij vervolgens zijn vader of zijn zoon moeilijkheden om ook maar het geringste dat zijn vader of zoon bezit. (15) Afgebrand met de vlammen van verdriet ervaart hij, hoogst teleurgesteld rakend, nu en dan zijn leven thuis als een bosbrand die niets goeds oplevert maar slechts steeds droeviger maakt. (16) Soms steelt een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, de weelde die hij koesterde weg zodat hij, verstoken van heel zijn goede leventje, als een lijk achterblijft dat zijn laatste levensadem uitblies. (17) Dan weer denkend dat zijn vader, grootvader en anderen, die al lang overleden zijn, er echt weer zijn [in de vorm van een incarnatie], ervaart de geconditioneerde ziel een geluk van het soort dat men in dromen voelt. (18) Een andere keer wil hij, als een huishouder met een geest die fanatiek materiële zaken najaagt, de berg van voorschriften voor het [brengen van offers ter wille van het] vruchtdragend handelen beklimmen en vervolgens treurt hij dan [gefrustreerd rakend over alle vereisten] alsof hij een veld vol met stenen en doornen heeft betreden. (19) Nu en dan [religieus vastend maar] niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, verliest hij zijn geduld en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden. (20) Herhaaldelijk verzwolgen door de python van de slaap, is hij, in de greep van de onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat eenzaam in het woud is achtergelaten en daar maar ligt zonder nog langer bij kennis te zijn [zie ook B.G. 6: 16 & 14: 8]. (21) Zo nu en dan met de tanden van zijn eer gebroken door [de afgunst van] zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de overwoekerde put van illusie met een bewustzijn dat steeds meer verzwakt als gevolg van een [door uitputtend gepieker] verstoord hart. (22) En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete, begeerlijke [honing]druppels van de vrouw en rijkdom van een ander, hij zich die toe-eigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en hij aldus in een onvergelijkelijk hels bestaan beland. (23) Dit is er nu de reden van dat de Vedische autoriteit stelt dat de vruchtdragende bezigheid [het karma] de oorzaak vormt voor zowel dit leven als een volgend bestaan in deze oceaan van materie. (24) Als hij erin slaagt niet te worden bestraft, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] hem op zijn beurt dat geld afhandig, en zo verandert de rijkdom [als onderdeel van de volheid van de Heer] dan steeds van eigenaar. (25) Ook gebeurt het dat men, vanwege verschillende natuurlijke oorzaken als hitte en kou, andere levende wezens en de werking van zijn eigen lichaam en geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8], niet in staat is de levensomstandigheden de baas te worden, zodat men geplaagd blijft door ernstige angsten en depressies. (26) Soms, als men handel drijft met elkaar, ontstaat er om het kleinste beetje geld of kleinigheidje dat men zich met bedrog toe-eigent, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege de oneerlijkheid.

 (27) Op het pad van het materieel bestaan krijgt men te maken met deze vormen van ellende gepaard aan [materieel] geluk en ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood, enzovoorts. (28) Onder de invloed van de begoochelende energie mâyâ, raakt men soms, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgang van alle intelligentie en wijsheid. In het verlangen haar te behagen en een geschikte woning voor haar te regelen, vergrooft het hart in die zorg waarin het bewustzijn in beslag wordt genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoontjes en dochtertjes onder de hoede van moeder de vrouw. Met de regie over zichzelf kwijt wordt men dan in de eindeloze duisternis geworpen van een leven beheerst door onwetendheid.

(29)
Zo kan het gebeuren dat, als gevolg van de cakra van de Beheerser, de schijf van de Tijd van de Allerhoogste Heer Vishnu, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding van atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van zijn roteren. Met die draaiing vergaan in de loop van de tijd, in een oogwenk [van de eeuwigheid], snel voor iemands ogen, alle levens van de levende wezens - van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet. Rechtstreeks voor Hem, de Heer, wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, koestert men daarom vrees. Zich bijgevolg niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt men voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zelfverzonnen goden die, werkend als buizerds, gieren, reigers en kraaien, door de geschriften van de beschaving worden ontkend. (30) Als men als een geconditioneerde ziel door de atheïsten, die zelf bedrogen zijn, zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt men zijn heil bij de leerschool van de brahmanen. Maar met hen [vanwege hun eisen] geen bevrediging vindend in het goede karakter van het met de heilige draad tewerk gaan overeenkomstig de beginselen en de Schrift, noch in de vertrouwde cultuur van het plichtsgetrouw aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering, wendt men zich tot het gezelschap van karmi's [karma gemotiveerde mensen of s'ûdra's], die niet gezuiverd zijn door zich te gedragen overeenkomstig de Vedische voorschriften. Met hen, in een materialistisch seksleven de familie instandhoudend, treft men zichzelf dan aan in het gezelschap van lieden die denken dat ze van de apen afstammen [in plaats van geestelijk leraren]. (31) In die toestand ongeremd, ongelimiteerd genietend [als de apen] met een ernstig tekort aan kennis en inzicht, vergeet men hoe kortstondig het bestaan is met het, naar elkaars gezicht en zo meer starende, enkel maar smachten naar bevrediging en materieel voordeel. (32) Soms, zoals een aap met zijn boom, in de weer met het verbeteren van zijn huis, brengt men zijn tijd door met het zorgen voor en plezier maken met de vrouw en kinders. (33) Beperkt tot dit pad schikt men zich, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis zo diep als van een berggrot. (34-35) In relatie tot de zinsobjecten raakt men soms, [zoals gezegd] in zijn onvermogen om de onoverkomelijke ellende tegen te gaan van de hitte en de kou van de natuur, andere levende wezens en het eigen bestaan, gevangen in droefenis vanwege [de vijandschap naar aanleiding van] welke kleine hoeveelheid weelde men ook in wederzijdse transacties toevallig wist te vergaren door middel van bedrog. (36) Nu en dan zonder geld zittend en verstoken zijnd van het genot van voorzieningen om te slapen, te zitten en te eten, moet men de minachting en zo meer verduren van de mensen die ontstond als gevolg van wat men, zo zonder succes, heeft besloten in zijn verlangen om het op een oneerlijke manier voor elkaar te krijgen. (37) Hoewel men zich, vanwege financieel bepaalde betrekkingen, meer en meer verhoudt in vijandschap, gaat men niettemin huwelijken aan die, op basis van dit verlangen [om er materieel op vooruit te gaan], consequent weer in scheidingen eindigen. (38) Op dit pad door de oceaan van materie wordt men geplaagd door de verschillende vormen van ellende van het materieel bestaan. Daarbij denkt een ieder de ene keer het gewonnen te hebben en dan weer dat hij het verloren heeft. Men ervaart dan, met het afscheid nemen van [overleden] verwanten en het verwelkomen van nieuw geborenen, in zijn gebondenheid soms een hoop verdriet, illusie en vrees waarover men dan hard huilt, terwijl men een andere keer weer zo verheugd is dat men ervan aan het zingen raakt. Met uitzondering van de heilige zielen is tot op de dag van vandaag niemand, van die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang, teruggekeerd naar de ene [plaats van God]  waaruit deze materiële levenswandel zijn aanvang nam en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt. (39) Zij [deze materieel gemotiveerde mensen] volgen niet de instructies op van de yoga, noch bereiken ze dit [hoogste verblijf] dat met gemak wordt bereikt door de wijzen die, natuurlijk levend en in vrede verkerend, steeds hun geest en zinnen onder controle hebben. (40) Zelfs al behoort men tot de heiligste koningen, is men zegerijk in ieder opzicht en deskundig in het brengen van al de offers, men is slechts een aardse persoon die het leven weer moet verlaten, de strijd moet opgeven, het onderspit moet delven vanwege de zelf opgeroepen vijandigheid met anderen en die er mee moet ophouden om 'mijn' te zeggen tegen de dingen [vergelijk 1.2: 13]. (41) Als men zijn heil zoekt bij de klimplant van het karma [als men gelooft in vruchtdragend handelen], kan men op deze of gene manier [deugdzaam levend] bevrijd raken van het ongeluk van een helse positie [van verstrikt zijn in de materiële wereld], maar tot welke hogere wereld men dan ook bevorderd raakt, men betreedt, op die manier het werelds pad bewandelend, toch weer het veld van het [conflictueuze] menselijk eigenbelang.

(42)
Er is niet één koning in staat om, zelfs maar in gedachten, het pad te volgen dat we hier bezongen als de weg van de grote ziel Jada Bharata, de zoon van de grote heilige koning Rishabhadeva, net zo min als een vlieg er toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen. (43) Het was hij die de zo moeilijk te verloochenen weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf. Met veel liefde voor Uttamas'loka, de Heer geprezen in de verzen, verzaakte hij die nog maar jong was dat wat hij in zijn hart had, als betrof het ontlasting. (44) Voor hen wiens geesten zijn aangetrokken tot de liefdevolle dienstverlening aan de doder van Madhu [Krishna] verricht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op is te geven, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen, de genadige blikken van de beste halfgoden en zelfs vrijheid van wedergeboorte (bevrijding), van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning. (45) 'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de Heerser over de Schepping, Nârâyana, de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari, bied ik mijn eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad met een glimlach, zelfs toen hij zich ophield in het lichaam van een hert. (46) Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal lang leven, fortuinlijk zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken dan wel de zaligheid [uiteindelijke bevrijding] vinden. Het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal iemand alle mogelijke zegen brengen en hem niets meer te wensen overlaten in relatie tot anderen.'

 

next                   

 
Derde herziene editie, geladen 4 mei 2018. 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan, verschillend bezig met de geaardheid goedheid en zo, uit van het verkeerde standpunt. Zich baserend op de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze, afwisselend gunstig, ongunstig of half om half tewerk gaand, te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing door verschillende reeksen lichamelijke omhulsels heen, die ze telkens weer opnieuw moeten opgeven en weer oppakken. In relatie tot Vishnu, de Transcendentale Persoonlijkheid die de Heer is, is de gebonden ziel, die handelend onder invloed van de begoocheling van de materie mâyâ zich beweegt op dat zware pad door het moeilijk door te komen woud van het materiële bestaan, bezig als een koopman die geld wil verdienen met dingen die mensen graag willen. Hij die zijn lichaam inzet ter wille van het profijt, ervaart de materiële wereld waarin hij terechtkwam als een begraafplaats [een doodlopende weg voor zijn zelfverwerkelijking] alwaar hij veel weerstand ondervindt zolang hij er niet in slaagt te vorderen naar het volgen van het voorbeeld van de hommels, de toegewijden aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers, die een einde maken aan de moeilijkheid om Zijn juweel [Zijn glorie] te bereiken.

De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan, met name redenerend naar de geaardheden der goedheid en dergelijke, uit van het verkeerde standpunt; soms krijgen ze het gunstige, soms het ongunstige en soms hebben ze een co
mbinatie van beide. Op basis van de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing dat zich kenmerkt door het telkens opnieuw opgeven van het ene lichaam en het weer oppakken van een nieuw lichaam. Op dat moeizame pad zich door het dichte woud van het materiële bestaan bewegend kan het zo gebeuren dat van Vishnu, de Opperheer die de Beheerser is, de gebonden ziel die handelt onder invloed van mâyâ, het illusoire van de materie, in dezen precies als een koopman is met een verlangd object die uit is op het geld. Met zijn lichaam optredend terwille van de baten, ervaart hij de materiële wereld waarin hij is beland als was het een begraafplaats, daar hij tot op dat moment niet succesvol is geweest en allerlei moeilijkheden ondervond in het niet vorderen op de weg van het navolgen der toegewijden, de hommels, aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers die aan de ervaren ellende een einde zouden maken. (Vedabase)

 

Tekst 2

In dat bos krijgt hij gegarandeerd te maken met de zes zinnen en de geest die men, door hun activiteiten, zijn plunderaars mag noemen. Ze beroven de begeertige ziel, die als iemand zonder zelfbeheersing op het verkeerde pad is geraakt, van ieder beetje, met plichtsgetrouwe inspanning, verworven weelde dat zich zo goed leent voor het brengen van offers. De verworven weelde die men, thuis uit op het bevredigen van zijn zinnen, koestert in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken, leidt, zo zeggen de wijzen, alleen maar tot een beter leven in het hiernamaals als men die rechtstreeks inzet voor de religieuze [varnâs'rama] praktijk van de principes, een praktijk die zich kenmerkt door het aanbidden van de Hoogste Persoonlijkheid.

Op basis van de gegarandeerde activiteit van de zinnen lijdt het geen twijfel dat dezen, met welk klein beetje welvaart ook dat een persoon zich zo plichtsgetrouw verwierf na zo veel zware arbeid, zijn plunderaars zouden kunnen worden genoemd. Zonder pardon plunderen ze de begeertige ziel die de controle kwijt is en op het verkeerde pad is geraakt, met de manier waarop hij het vanuit zijn thuissituatie houdt op zinsbevrediging in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken van al het goed verworven; een kwestie waarvan de wijzen uitroepen dat het, religieus de praktijk der principes aanhoudend, alleen maar leidt tot een beter leven in het hiernamaals als men, met het brengen van offers, trouw is in het aanbidden van de Heer. (Vedabase)


Tekst 3

In dit opzicht zijn de leden van zijn familie, beginnend bij degenen die voor zijn vrouw en kinderen doorgaan, tijgers en jakhalzen in hun handelingen; ze beroven hem, ondanks zijn verweer ertegen, van de weelde die hij vrekkig niet wil delen, net zoals een lam voor ogen van de herder midden uit de kudde wordt weggestolen [door roofdieren].

In dezen doen de leden van zijn familie, beginnend bij zijn vrouw en kinderen, zich voor als tijgers en jakhalzen daar voorzeker, temidden van het gezin dat hij boven alles tracht te beschermen, hij ellendig pogend zijn weelde niet te vergooien, zich als een lam voelt dat gewelddadig wordt gegrepen. (Vedabase)

 

Tekst 4

Net zoals in een akker, die ieder jaar omgeploegd wordt, de zaden van de bosjes, het gras en de klimplanten die niet verbrandden, worden behouden en weer, samen met de ingezaaide planten, opschieten zoals in iedere andere tuin, verdwijnen ook in het veld van handelen van iemands gezinsleven de vruchtdragende handelingen niet. Daarom noemt men deze wereld een bewaarplaats van verlangens.

Zo zeker als een akker die jaarlijks wordt omgeploegd nog steeds de zaden van de struiken, grassen en het onkruid bevat dat opnieuw, net als in welke tuin ook, opschiet met de ingezaaide planten, zal zich dit zeer zeker ook voordoen in het handelingsgebied van het gezinsleven, als men er niet zeker van is dat alle karma is overwonnen; daarom wordt deze wereld de bewaarplaats van het baatzuchtig verlangen genoemd. (Vedabase)


Tekst 5

Verloren in dat bestaan, zich soms op deze materiële weg door het bestaan bewegend in de sferen van de weelde - zijn levensadem bij wijze van spreken, wordt hij [die het valse aanhangt] verstoord door karakters van een laag allooi, gelijk aan horzels en muggen, alsook door dieven [die zijn als] ratten, sprinkhanen en roofvogels. Op basis van een begerige geest onwetend bezig in zijn baatzuchtige motieven, heeft hij een verkeerde kijk op deze menselijke wereld waarin men nooit zijn doel bereikt: hij ziet luchtkastelen.

Verloren in dat bestaan, zich somtijds op deze materiële weg door het bestaan rondbewegend in de sferen der weelde, wordt hij [die het valse volgt] verstoord door karakters van een laag allooi gelijk aan horzels en muggen en door dieven gelijk aan ratten, sprinkhanen en roofvogels. Vanwege een beluste geest onwetend in haar baatzuchtige motieven, heeft hij op deze menselijke wereld, waarin men nooit zijn doel bereikt, een verkeerde kijk: hij ziet luchtkastelen. (Vedabase)

 

Tekst 6

Daar [in die menselijke wereld] is hij, die soms bezig is een fata morgana na te jagen in zijn ijver te eten, te drinken en seks te hebben en dergelijke, bijgevolg een losbol, iemand die een slaaf is van zijn zinnen.

Daar [in die menselijke wereld] is hij dan ook, soms alsof hij een fata morgana najaagt in zijn ijver te eten en te drinken en sex te hebben en dergelijke, een libertijn die verslaafd is aan zijn zinnen. (Vedabase)

  

Tekst 7

Soms op zoek naar goud, is hij, geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel - dat eveneens een onuitputtelijke bron van kwaad vormt - als iemand die [in het donker] smachtend naar vuur een dwaallicht najaagt.

Somtijds, als iemand geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel dat eveneens een eindeloze bron van fouten is, probeert hij zich goud toe te eigenen, precies als iemand die op zoek naar een vuur een oplichtend dwaallicht aan het volgen is. (Vedabase)

 

Tekst 8

Een persoon wordt, in dit materiële woud, bij tijden aldus volkomen in beslag genomen door het van hot naar haar rennen ter wille van de verschillende zaken, van een plaats om te leven, water en weelde, die men noodzakelijk acht voor het levensonderhoud. 

Op deze manier wordt een persoon in dit materiële woud bij tijden volledig in beslag genomen in het zich van hot naar haar spoeden terwille van de verschillende zaken van een plaats om te leven, water en weelde, die voor het levensonderhoud noodzakelijk worden geacht. (Vedabase)

 

Tekst 9

Soms copuleert hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, als een bezetene, in een totaal veronachtzamen van de regels. Verblind door de kracht van die passie, verliest hij dan, in weerwil van de goddelijkheid [van de zon en de maan, van regelmaat en orde], iedere notie, overmand geraakt door een geest vol lust.

Soms beklimt hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, een verleidelijke vrouw; in een totaal veronachtzamen van een hogere kijk verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid van de zon en de maan, iedere notie in zijn overmand zijn door een geest vol lust. (Vedabase)

 

Tekst 10

Zo nu en dan ontwakend ziet hij de betekenisloosheid in van het lichamelijk begrip van zijn zelf dat zijn geheugen wist en waardoor hij de zaken najaagt als ging het om het water van een luchtspiegeling.

Zo nu en dan, voor een ogenblik, ontwaakt hij voor de werkelijkheid van de betekenisloosheid van het lichamelijk begrip van zichzelf dat zijn heugenis vernietigde en waarvan hij zeker op de voorwerpen van zijn zinnen uitwas als betrof het het water van een luchtspiegeling. (Vedabase)

 

Tekst 11

Precies als met de typische doordringende, herhaalde geluiden van uilen en krekels, is er soms de irritatie die, direct of indirect, wordt opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden een kwelling vormen voor het oor en het hart.

Soms, precies als met de doordringende, herhaalde, typische, geluiden van uilen en krekels, is er direct of indirect de irritatie opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden het oor en het hart verdriet bezorgen. (Vedabase)

 

Tekst 12

Als de geconditioneerde ziel de [verdienste van zijn] goede daden in zijn voorgaande leven heeft uitgeput en op dat moment [voor financiële ondersteuning] de rijken met hun dode zielen benadert, is hij zelf vanbinnen net zo dood, omdat ze zijn als de kâraskara, kâkatunda en meer van dat soort [niet-vruchtdragende] bomen. Net als bedorven putten zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken.

Als de geconditioneerde ziel [dat wat hij verkreeg door] zijn goede daden in zijn voorgaande leven(s) heeft uitgeput en te dien tijde de rijken benadert met hun dode zielen, dan is hij zelve van binnen net zo dood, daar ze gelijk de kâraskara, kâkatunda en dergelijke [niet vruchtdragende bomen] zijn; net als bedorven putten, zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken. (Vedabase)

 

Tekst 13

Bij gelegenheid omgaand met onoprechte lieden met een beperkt bevattingsvermogen, is het alsof hij in een ondiepe rivier duikt [en zijn nek breekt]; het maakt hem in beide opzichten [zowel geestelijk als lichamelijk] erg ongelukkig als hij atheïsten opzoekt.

Zo gauw hij, in minachting voor het gezag, uit is op de omgang met het onware, gedraagt hij zich alsof hij in ondiepe wateren duikt en begeeft hij, vanaf welke kant hij de prong ook waagt, zich op het pad der goddeloosheid, ondanks het leed dat dat met zich meebrengt. (Vedabase)


Tekst 14

Als het hem niet lukt met [het vergaren van] de weelde van anderen, bezorgt hij vervolgens zijn vader of zijn zoon moeilijkheden om ook maar het geringste dat zijn vader of zoon bezit.

Als hij, andere plannen ten spijt armlastig zijnde, blind voor zichzelf van zijn vader en zijn zoons niet zijn deel kan krijgen, zal hij dan zeker met zijn familie en verwanten moeilijk doen over zaken zo onbeduidend als een grasspriet. (Vedabase)


Tekst 15

Afgebrand met de vlammen van verdriet ervaart hij, hoogst teleurgesteld rakend, nu en dan zijn leven thuis als een bosbrand die niets goeds oplevert maar slechts steeds droeviger maakt. 

Bij tijden het leven thuis ervarend als een bosbrand die niets goeds oplevert en alleen maar meer en meer verdriet bezorgt, belandt hij, verteerd door het vuur van verdriet, in de diepste ontgoocheling. (Vedabase)

Tekst 16

Soms steelt een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, de weelde die hij koesterde weg zodat hij, verstoken van heel zijn goede leventje, als een lijk achterblijft dat zijn laatste levensadem uitblies.

Soms door een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, wordt de gekoesterde weelde weggekaapt en blijft hij, verstoken van heel zijn goede leventje, achter als een lijk dat zijn laatste levensadem uitblies. (Vedabase)


Tekst 17

Dan weer denkend dat zijn vader, grootvader en anderen, die al lang overleden zijn, er echt weer zijn [in de vorm van een incarnatie], ervaart de geconditioneerde ziel een geluk van het soort dat men in dromen voelt.

Het doet zich ook voor dat hij zich inbeeldt dat het niet langer bestaande van zijn overleden vader en grootvader weer bestaat, en zo denkend vindt hij die de materie najaagt dan het geluk van schijnwerelden.  (Vedabase)

 

Tekst 18

Een andere keer wil hij, als een huishouder met een geest die fanatiek materiële zaken najaagt, de berg van voorschriften voor het [brengen van offers ter wille van het] vruchtdragend handelen beklimmen en vervolgens treurt hij dan [gefrustreerd rakend over alle vereisten] alsof hij een veld vol met stenen en doornen heeft betreden.

Soms, als een huishouder de gedragsregels volgend voor het baatzuchtig handelen, wil hij de steilste berg beklimmen en weeklaagt hij, heetgebakerd met een geest uit op de materie, alsof hij beland is in een veld vol van doornen en scherpe stenen. (Vedabase)

 

Tekst 19

Nu en dan [religieus vastend maar] niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, verliest hij zijn geduld en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden.

Nu en dan niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, raakt zijn geduld op en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden. (Vedabase)

 

Tekst 20

Herhaaldelijk verzwolgen door de python van de slaap, is hij, in de greep van de onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat eenzaam in het woud is achtergelaten en daar maar ligt zonder nog langer bij kennis te zijn [zie ook B.G. 6: 16 & 14: 8].

Hij die zo zeker bij herhaling is verzwolgen door de python van de slaap is, in beslag genomen door onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat, eenzaam in het woud achtergelaten, daar ligt zonder nog langer ook maar iets te weten. (Vedabase)

 

Tekst 21

Zo nu en dan met de tanden van zijn eer gebroken door [de afgunst van] zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de overwoekerde put van illusie met een bewustzijn dat steeds meer verzwakt als gevolg van een [door uitputtend gepieker] verstoord hart.

Zo nu en dan met zijn tanden gebroken op de afgunst met zijn slang-gelijke vijanden, kan hij de slaap niet vatten en komt hij terecht in de blinde put der illusie met een bewustzijn dat gestaag inboet op het gepieker dat zijn hart kwelt. (Vedabase)

 

Tekst 22

En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete, begeerlijke [honing]druppels van de vrouw en rijkdom van een ander, hij zich die toe-eigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en hij aldus in een onvergelijkelijk hels bestaan beland

En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete druppels van verlangen van een andere vrouw of de rijkdom van iemand anders, hij zich die toeëigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en aldus beland in een onvergelijkelijk hels bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 23

Dit is er nu de reden van dat de Vedische autoriteit stelt dat de vruchtdragende bezigheid [het karma] de oorzaak vormt voor zowel dit leven als een volgend bestaan in deze oceaan van materie.

Welnu, om deze reden is het zo dat de vedische autoriteit beweert dat het geen twijfel lijdt dat het baatzuchtig handelen van een levend wezen er de reden van is dat hij vastzit in deze oceaan der materie. (Vedabase)


Tekst 24

Als hij erin slaagt niet te worden bestraft, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] hem op zijn beurt dat geld afhandig, en zo verandert de rijkdom [als onderdeel van de volheid van de Heer] dan steeds van eigenaar.

Daarvan vrijgekomen, als hij erin slaagt aan de bestraffing te ontkomen, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt op zijn beurt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] dat hem weer afhandig, en aldus gaat de rijkdom van de een over naar de ander. (Vedabase)

 

Tekst 25

Ook gebeurt het dat men, vanwege verschillende natuurlijke oorzaken als hitte en kou, andere levende wezens en de werking van zijn eigen lichaam en geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8], niet in staat is de levensomstandigheden de baas te worden, zodat men geplaagd blijft door ernstige angsten en depressies.

Het doet zich ook voor dat men door de verschillende oorzaken der natuur, zoals hitte en kou, van andere levende wezens en van het eigen lichaam en de eigen geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8] men niet in staat is de ellendige omstandigheden het hoofd te bieden, zodat men zwaar gehinderd blijft zitten met angsten en depressies. (Vedabase)

 

Tekst 26

Soms, als men handel drijft met elkaar, ontstaat er om het kleinste beetje geld of kleinigheidje dat men zich met bedrog toe-eigent, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege de oneerlijkheid.

Soms, handel drijvend met elkaar, ontstaat er, om het kleinste beetje geld of kleinigheidje zich toegeëigend, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege het bedrog. (Vedabase)

 

Tekst 27

Op het pad van het materieel bestaan krijgt men te maken met deze vormen van ellende gepaard aan [materieel] geluk en ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood, enzovoorts.

Op die weg van het materieel bestaan treft men al deze eindeloze moeilijkheden aan die men zo heeft met geluk, ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood en zo voorts. (Vedabase)

 

Tekst 28

Onder de invloed van de begoochelende energie mâyâ, raakt men soms, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgang van alle intelligentie en wijsheid. In het verlangen haar te behagen en een geschikte woning voor haar te regelen, vergrooft het hart in die zorg waarin het bewustzijn in beslag wordt genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoontjes en dochtertjes onder de hoede van moeder de vrouw. Met de regie over zichzelf kwijt wordt men dan in de eindeloze duisternis geworpen van een leven beheerst door onwetendheid.

Ergens, onder de invloed van de bedrieglijke energie, mâyâ, raakt hij, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgaan van alle intelligentie en wijsheid; in de wens haar te behagen en voor haar een geschikte woning te regelen, vergrooft zijn hart in die zorg en wordt zijn bewustzijn in beslag genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoons en dochters onder de hoede van moeder de vrouw. De regie over zichzelf kwijt wordt hij in de eindeloze duisternis van een leven in onwetendheid geworpen. (Vedabase)

 

Tekst 29

Zo kan het gebeuren dat, als gevolg van de cakra van de Beheerser, de schijf van de Tijd van de Allerhoogste Heer Vishnu, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding van atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van zijn roteren. Met die draaiing vergaan in de loop van de tijd, in een oogwenk [van de eeuwigheid], snel voor iemands ogen, alle levens van de levende wezens - van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet. Rechtstreeks voor Hem, de Heer, wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, koestert men daarom vrees. Zich bijgevolg niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt men voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zelfverzonnen goden die, werkend als buizerds, gieren, reigers en kraaien, door de geschriften van de beschaving worden ontkend.

Zo gebeurt het dat van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn cakra of schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van het ronddraaien ervan, waarmee na de nodige tijd, gezwind voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Direct voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men zeker bang van hart ['de leeuw']. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt hij voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zijn zelfverzonnen goden die door de geschriften der beschaving worden ontkend en die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien. (Vedabase)

 

Tekst 30

Als men als een geconditioneerde ziel door de atheïsten, die zelf bedrogen zijn, zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt men zijn heil bij de leerschool van de brahmanen. Maar met hen [vanwege hun eisen] geen bevrediging vindend in het goede karakter van het met de heilige draad tewerk gaan overeenkomstig de beginselen en de Schrift, noch in de vertrouwde cultuur van het plichtsgetrouw aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering, wendt men zich tot het gezelschap van karmi's [karma gemotiveerde mensen of s'ûdra's], die niet gezuiverd zijn door zich te gedragen overeenkomstig de Vedische voorschriften. Met hen, in een materialistisch seksleven de familie instandhoudend, treft men zichzelf dan aan in het gezelschap van lieden die denken dat ze van de apen afstammen [in plaats van geestelijk leraren].

Als de geconditioneerde ziel door de atheïsten die zelf bedrogen zijn zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt hij zijn heil bij de school der brahmanen, maar met hen als moeilijke mensen geen bevrediging vindend in het goede karakter van het te werk gaan met de heilige draad naar principe en de Schrift, noch het vindend in de zekere cultuur van het met het vervullen van de plichten aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering, wendt hij zich tot het gezelschap van werknemers die niet gezuiverd zijn in het zich gedragen naar de vedische voorschriften, en van hen in een materialistisch seksleven de familie in standhoudend, treft hij zichzelf dan aan in het gezelschap van die lieden die denken dat ze zich hebben ontwikkeld uit de apen. (Vedabase)

 

Tekst 31

In die toestand ongeremd, ongelimiteerd genietend [als de apen] met een ernstig tekort aan kennis en inzicht, vergeet men hoe kortstondig het bestaan is met het, naar elkaars gezicht en zo meer starende, enkel maar smachten naar bevrediging en materieel voordeel.

In die omstandigheid zonder de geringste twijfel naar eigen gezag genietend als apen traag van begrip, vergeten ze hoe kortstondig het bestaan is in hun, enkel voor het fraaie uiterlijk van elkaar, smachten naar bevrediging en materieel voordeel. (Vedabase)

 

Tekst 32

Soms, zoals een aap met zijn boom, in de weer met het verbeteren van zijn huis, brengt men zijn tijd door met het zorgen voor en plezier maken met de vrouw en kinders.

Verrukt in hun huizen waarin als in bomen, ze precies als apen naar een groter gemak uitzien, brengen ze hun tijd door met het zorgen voor en plezier maken met hun vrouw en kinderen. (Vedabase)

 

Tekst 33

Beperkt tot dit pad schikt men zich, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis zo diep als van een berggrot.

Aldus is geconditioneerde ziel gevangen op het pad der zinnelijkheid en verwijlt hij, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis zo diep als die van een berggrot. (Vedabase)

 

Tekst 34-35

In relatie tot de zinsobjecten raakt men soms, [zoals gezegd] in zijn onvermogen om de onoverkomelijke ellende tegen te gaan van de hitte en de kou van de natuur, andere levende wezens en het eigen bestaan, gevangen in droefenis vanwege [de vijandschap naar aanleiding van] welke kleine hoeveelheid weelde men ook in wederzijdse transacties toevallig wist te vergaren door middel van bedrog.

Soms raakt hij [zoals gezegd] door zijn onvermogen het onoverkomelijke van de vele ellende van de hitte en kou der natuur, andere wezens en zijn eigen bestaan, bevangen door droefenis vanwege de zinsbevrediging - ongeacht wat voor beetje weelde hij ook in transacties, soms met bedrog, verworven moge hebben. (Vedabase)


Tekst 36

Nu en dan zonder geld zittend en verstoken zijnd van het genot van voorzieningen om te slapen, te zitten en te eten, moet men de minachting en zo meer verduren van de mensen die ontstond als gevolg van wat men, zo zonder succes, heeft besloten in zijn verlangen om het op een oneerlijke manier voor elkaar te krijgen.

Nu en dan zonder geld zittend en verstoken van voorzieningen om te slapen, te zitten, en te eten, heeft hij, zo lang als hij niet succesvol is, als gevolg van wat hij in zijn vastbeslotenheid op een oneerlijke manier verwierf, in zijn verlangen, de beledigingen en bestraffingen van de mensen te verduren als gevolg daarvan. (Vedabase)

 

Tekst 37

Hoewel men zich, vanwege financieel bepaalde betrekkingen, meer en meer verhoudt in vijandschap, gaat men niettemin huwelijken aan die, op basis van dit verlangen [om er materieel op vooruit te gaan], consequent weer in scheidingen eindigen.

Hoewel men zich door financieel bepaalde betrekkingen meer en meer verhoudt in vijandigheid, gaat men niettemin huwelijken aan die daaropvolgend, op die basis van de valse noties, consequent weer in scheidingen eindigen. (Vedabase)


Tekst 38

Op dit pad door de oceaan van materie wordt men geplaagd door de verschillende vormen van ellende van het materieel bestaan. Daarbij denkt een ieder de ene keer het gewonnen te hebben en dan weer dat hij het verloren heeft. Men ervaart dan, met het afscheid nemen van [overleden] verwanten en het verwelkomen van nieuw geborenen, in zijn gebondenheid soms een hoop verdriet, illusie en vrees waarover men dan hard huilt, terwijl men een andere keer weer zo verheugd is dat men ervan aan het zingen raakt. Met uitzondering van de heilige zielen is tot op de dag van vandaag niemand, van die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang, teruggekeerd naar de ene [plaats van God] waaruit deze materiële levenswandel zijn aanvang nam en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt.

Op dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd door de ellende van het bestaan, waarbij de geconditioneerde ziel zelf of iemand anders soms denkt gewonnen te hebben en soms denkt het verloren te hebben, verwanten opgevend en nieuw geborenen aanvaardend. Daarin vindt men een hoop verdriet, illusie en vrees, waarover men hardop huilt bij tijden en somtijds in vreugde aan het zingen is. Met uitzondering van de heilige zielen keert die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang, tot op de dag van vandaag zelfs niet terug naar de ene [plaats van God] van waaruit deze materiële levensgang zijn bestaan vond en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt. (Vedabase)

 

Tekst 39

Zij [deze materieel gemotiveerde mensen] volgen niet de instructies op van de yoga, noch bereiken ze dit [hoogste verblijf] dat met gemak wordt bereikt door de wijzen die, natuurlijk levend en in vrede verkerend, steeds hun geest en zinnen onder controle hebben.

Niet de instructies van de yoga opvolgend noch dit pad wordt [door hen] dit verblijf nooit verworven, dat door de wijzen, die deemoedig in vrede levend de geest en de zinnen onder controle hebben, met gemak wordt bereikt. (Vedabase)


Tekst 40

Zelfs al behoort men tot de heiligste koningen, is men zegerijk in ieder opzicht en deskundig in het brengen van al de offers, men is slechts een aardse persoon die het leven weer moet verlaten, de strijd moet opgeven, het onderspit moet delven vanwege de zelf opgeroepen vijandigheid met anderen en die er mee moet ophouden om 'mijn' te zeggen tegen de dingen [vergelijk 1.2: 13].

Hoe zegerijk ook op allerlei gebied, hoe deskundig ze ook waren in alle offers; allen die waarlijk de wijste koningen waren, waren slechts van de aarde in het laten van hun levens, ze opgevend in de strijd, in het inderdaad gedood worden door de gecreëerde vijandigheid met anderen en door het zeggen van 'mijn' tegen dingen. [vergelijk 1.2: 13]. (Vedabase)

 

Tekst 41

Als men zijn heil zoekt bij de klimplant van het karma [als men gelooft in vruchtdragend handelen], kan men op deze of gene manier [deugdzaam levend] bevrijd raken van het ongeluk van een helse positie [van verstrikt zijn in de materiële wereld], maar tot welke hogere wereld men dan ook bevorderd raakt, men betreedt, op die manier het werelds pad bewandelend, toch weer het veld van het [conflictueuze] menselijk eigenbelang.

De toevlucht zoekend van de omhelzing der baatzuchtige arbeid belandt men, met die riskante positie op de een of andere manier gevrijwaard van een hels bestaan, op die wijze zich bevindend op het pad der materiële behartiging, opnieuw in de wereld van het menselijke eigenbelang, ook al schopte men het tot een hoger bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 42

Er is niet één koning in staat om, zelfs maar in gedachten, het pad te volgen dat we hier bezongen als de weg van de grote ziel Jada Bharata, de zoon van de grote heilige koning Rishabhadeva, net zo min als een vlieg er toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen.

Er is niet één koning in staat het pad te volgen van dit wat hier is bezongen van die grote ziel Jada Bharata die de zoon is van Rishabhadeva, de grote heilige koning; net zoals een vlieg er niet toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen. (Vedabase)

 

Tekst 43

Het was hij die de zo moeilijk te verloochenen weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf. Met veel liefde voor Uttamas'loka, de Heer geprezen in de verzen, verzaakte hij die nog maar jong was dat wat hij in zijn hart had, als betrof het ontlasting.

Het was hij die de weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf; verzot op Uttamas'loka, de Heer geprezen, verzaakte hij, alsof het uitwerpselen betrof, nog maar in zijn jonge jaren dat wat in de kern van het hart ligt besloten. (Vedabase)

 

Tekst 44

Voor hen wiens geesten zijn aangetrokken tot de liefdevolle dienstverlening aan de doder van Madhu [Krishna] verricht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op is te geven, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen, de genadige blikken van de beste halfgoden en zelfs vrijheid van wedergeboorte (bevrijding), van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning.

Voor hen wiens geesten worden aangetrokken tot de liefdevolle dienst aan de doder van Madhu [Krishna] opgebracht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op te geven is, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen en het beste van de genadige blikken van de halfgoden, van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning. (Vedabase)

 

Tekst 45

'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de Heerser over de Schepping, Nârâyana, de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari, bied ik mijn eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad met een glimlach, zelfs toen hij zich ophield in het lichaam van een hert.

'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de heerser over de Schepping, Nârâyana de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad, zelfs toen hij verkeerde in het lichaam van een hert. (Vedabase)

 

Tekst 46

Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal lang leven, fortuinlijk zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken dan wel de zaligheid [uiteindelijke bevrijding] vinden. Het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal iemand alle mogelijke zegen brengen en hem niets meer te wensen overlaten in relatie tot anderen.'

Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal langer leven, fortuinlijker zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken of het pad van de bevrijding vinden; het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal voorzeker iemand alle mogelijke zegen brengen en hem in relatie tot anderen niets meer te verlangen overlaten. (Vedabase)

 

 

 

 
 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De eerste afbeelding is een digitale focus van een illustratie van William Blake,
horende bij Dante's Inferno: Hell XII.
Source.
De tweede afbeelding is een Hindu afbeelding van Krishna Zijn cakra tijd wapen hanterend.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties