(23) De
dienaren van Indra troffen op die plek hem daar aan die,
met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten
ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur
zelve.
(33-34) Van Hen twee
was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als
bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun
kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun
handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte
staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond er uit
drie. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke
wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van
bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de
belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang
van stuk stralend van het licht, de verzaking.

Hoofdstuk
9:
Mârkandeya
Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen
Getoond

(21) Op een tak van die
boom in de richting van het noordoosten zag hij bovendien
een baby jongetje liggen in de vouw van een blad dat de
duisternis met zijn uitstraling opslokte.

Hoofdstuk
10:
S'iva,
Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya
Rishi

(11-12)
Zijn
materiële energie samengesteld uit de verschillende
geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn
bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor
de vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor
het drie letters tellende AUM. Het proces van
sânkhya
en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara
['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die
voor al de werelden de onbevreesdheid brengt,
vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke]
positie.

(45)
Dezen vormen de
heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid
van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen
die op de keerpunten van de dag zich hen heugen, de
terugslagen van de zonde weg.

Hoofdstuk
12:
De
Onderwerpen van het S'rîmad-Bhâgavatam
Samengevat

(5-6) Uitvoerig zijn
besproken de bhakti-yoga en de verzaking die erbij hoort
[in 1.2, 7.5-10 & canto 11.29], evenals de
geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het
verhaal van Parîkchit: het tot de dood vasten van
Parîkchit, de wijze onder de koningen, vanwege zijn
door een [zoon van een] geleerde vervloekt zijn
en het gesprek tussen Parîkchit en S'uka, de beste
der brahmanen [zie canto 1.8-18].

(31-33) [Verslag
werd gedaan van] het onderwerpen van de slang
Kâliya [10: 16-17]; de geloften die naar de
tevredenheid van de Onfeilbare in acht werden genomen
door de jonge gopî's [10.21 & 22]; de
genade voor de de spijtige brahmaanse vrouwen
[10.23]; het optillen van de berg Govardhana
[10.25] en de aanbidding en het rituele baden
vervolgens uitgevoerd door Indra and Surabhi
[10.27]; Krishna's spel en vermaak met de
gopî's gedurende de nachten [10.29-33], het
redden van Nanda Mahârâja [uit de
bek] van een groot serpent [10.34] en het
doden van de dwaze S'ankhacûda [10.34],
Arishtha [10.36] en Kes'î
[10.37].

(55) De heugenis van
Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige te
niet, leidt tot goed geluk, tot zuivering van het hart
en, verbonden in de wijsheid en onthechting, tot
spiritueel weten en toewijding tot de Allerhoogste
Ziel.

Hoofdstuk
13:
De
Heerlijkheden van het
S'rîmad-Bhâgavatam