bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere links




Afbeeldingen Canto 11 - pagina 1 - 2

Hoofdstuk 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13

 

Hoofdstuk 8: Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

(23) De dienaren van Indra troffen op die plek hem daar aan die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve.


(33-34) Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond er uit drie. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk stralend van het licht, de verzaking.


Hoofdstuk 9: Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

(21) Op een tak van die boom in de richting van het noordoosten zag hij bovendien een baby jongetje liggen in de vouw van een blad dat de duisternis met zijn uitstraling opslokte.


Hoofdstuk 10: S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

(3) Sûta zei: "De grote heer [S'iva] vergezeld door Rudranî [Umâ] en omringd door zijn gevolg, zag, reizend door de hemel op zijn stier, hem aldus in trance verzonken.


Hoofdstuk 11: Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

(11-12) Zijn materiële energie samengesteld uit de verschillende geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor de vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor het drie letters tellende AUM. Het proces van sânkhya en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara ['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die voor al de werelden de onbevreesdheid brengt, vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke] positie.


(45) Dezen vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die op de keerpunten van de dag zich hen heugen, de terugslagen van de zonde weg.


Hoofdstuk 12: De Onderwerpen van het S'rîmad-Bhâgavatam Samengevat

(5-6) Uitvoerig zijn besproken de bhakti-yoga en de verzaking die erbij hoort [in 1.2, 7.5-10 & canto 11.29], evenals de geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het verhaal van Parîkchit: het tot de dood vasten van Parîkchit, de wijze onder de koningen, vanwege zijn door een [zoon van een] geleerde vervloekt zijn en het gesprek tussen Parîkchit en S'uka, de beste der brahmanen [zie canto 1.8-18].


(31-33) [Verslag werd gedaan van] het onderwerpen van de slang Kâliya [10: 16-17]; de geloften die naar de tevredenheid van de Onfeilbare in acht werden genomen door de jonge gopî's [10.21 & 22]; de genade voor de de spijtige brahmaanse vrouwen [10.23]; het optillen van de berg Govardhana [10.25] en de aanbidding en het rituele baden vervolgens uitgevoerd door Indra and Surabhi [10.27]; Krishna's spel en vermaak met de gopî's gedurende de nachten [10.29-33], het redden van Nanda Mahârâja [uit de bek] van een groot serpent [10.34] en het doden van de dwaze S'ankhacûda [10.34], Arishtha [10.36] en Kes'î [10.37].


(55) De heugenis van Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige te niet, leidt tot goed geluk, tot zuivering van het hart en, verbonden in de wijsheid en onthechting, tot spiritueel weten en toewijding tot de Allerhoogste Ziel.


Hoofdstuk 13: De Heerlijkheden van het S'rîmad-Bhâgavatam

(19) Ik mediteer op het onvergelijkelijke licht van de toorts van de Onvergankelijke Waarheid Vrij van Zorgen, lang geleden geopenbaard aan de goddelijkheid ['Ka' ofwel Brahmâ], door welke deze transcendentale kennis zuiver en onbesmet werd uitgesproken voor Nârada, de grote wijze die hem in de gedaante van zijn persoon overdroeg aan Krishna-dvaipâyana Vyâsa, die hem toen uiteenzette voor de koning van de yogî's [S'ukadeva] die uit mededogen toen [Parîkchit] de genade van de Fortuinlijke er mee voorlichtte.




N.B. Als u een van deze afbeeldingen op uw eigen website wilt gebruiken,
plaats ze dan a.u.b. op uw eigen server. Steel geen bandbreedte.

volgende pagina