regelbalk

 

 

Manah S'ikshâ

 

 

 

 

Canto 12

 

Hoofdstuk 12

 

De Onderwerpen van het S'rîmad-Bhâgavatam Samengevat

(1) Sûta zei: "Met het brengen van eerbetuigingen voor Heer Krishna, voor de schepper, voor de brahmanen en voor het allerhoogste van het dharma, zal ik het nu hebben over de duurzame aard ervan [in termen van de onderwerpen besproken in het Bhâgavatam]. (2) Ik vertelde u, o wijzen, over deze prachtige wederwaardigheden van Heer Vishnu die zich bij uitstek lenen voor mensen met respect voor de persoon. (3) In dit [verhalen] is rechtstreeks verheerlijkt de Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nârâyana, de Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester van de Sâtvata's. (4) Hierin wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande Allerhoogste Geest besproken, tezamen met de wijsheid en haar cultivering.

(5-6) Uitvoerig zijn besproken de bhakti-yoga en de verzaking die erbij hoort [in 1.2, 7.5-10 & canto 11.29], evenals de geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het verhaal van Parîkchit: het tot de dood vasten van Parîkchit, de wijze onder de koningen, vanwege zijn door een [zoon van een] geleerde vervloekt zijn en het gesprek tussen Parîkchit en S'uka, de beste der brahmanen [zie canto 1.8-18]. (7) [Vervolgens is besproken] het door zich in de yoga te concentreren bereiken van de bevrijding als men doodgaat [2.2: 15-21], het gesprek tussen Nârada en Brahmâ [2.5], de reeks van avatâra's [1.3 & 2.7] en het scheppingsproces vanuit de primaire natuur [de pradhâna, 3.26: 10-72]. (8) Er is het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava [3.1: 25-3.4], het gesprek dat Vidura had met Maitreya [3.5- 4.31], en toen wat de purâna inhoudt [in algemene zin, zie 2.10: 1 en 12.7: 9-10], en vervolgens zijn er de onderzoekingen aangaande het weer in Zich opnemen van de schepping door de Mahâpurusha [2.10: 6, 3.11: 30, 8.5: 35, 11.3: 8-15, 12.4]. (9) Wat volgt is de vorming uit de [geaardheden van de] materiële natuur en het voortbrengen van de zeven afgeleiden [van mahat, ahamkâra en de tanmâtra's, zie 3.20: 12-17], die zich uitbreiden met de constructie van het ei van het universum van waaruit zich de universele gedaante van de Heer opwerpt [3.6]. (10) De grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11], [komen eveneens aan bod als ook] het genereren van de lotus [3.8] en het doden van Hiranyâksha in samenhang met het bevrijden van de aarde uit de oceaan [3.17-19]. (11) [En zo zijn er] de schepping van de hogere wezens, de dieren en de lagere schepselen [3.12: 37-48], de geboorte van Rudra [3.12] en het verschijnen van Svâyambhuva Manu als de mannelijke en vrouwelijke wederhelften van de Heer [zie 3.12: 49-53, 4.1]. (12-13) [Besproken zijn de] de nakomelingen van de uitnemende gemalin, de eerste vrouw die S'atarûpâ was, en het nageslacht van [de negen dochters van] de vrome echtgenote [Devahûti] van de stamvader Kardama [zie 3.24: 20-25 en 4.1], het nederdalen van de Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer Kapila, en de conversatie van de geleerde Kapila met Devahûti [3.25-33]. (14-15) De afstammelingen van de negen brahmanen [die met Kardama's dochters trouwden, 4.1], de vernietiging van Daksha's offerplechtigheid [4.2-7] en de geschiedenis van Dhruva [4.8-13] wordt dan gevolgd door de verhalen over Prithu [4.15-23] en Prâcînabarhi [4.24-29], zijn gesprek met Nârada [4.29], de verhalen van Priyavrata [5.1], o brahmanen, Nâbhi [5.3], het leven van Rishabha [5.3-6], en Bharata Mahârâja [5.7-13]. (16) De continenten, subcontinenten en de oceanen, de bergen en rivieren worden in detail beschreven [5.19-20], het uitspansel [5.21-23] en hoe de lagere werelden en de hel zijn geregeld [5.24-26]. (17) [Beschreven zijn] Daksha's (weder-)geboorte als de zoon van de Pracetâ's [6.4] en de nakomelingen van zijn dochters van wie er de halfgoden, de demonen en de menselijke wezens zijn, de [zoog-]dieren, de serpenten, de vogels en de andere diersoorten [6.6]. (18) [Ook is er] de geboorte en dood van [Vritra, 6.9-12] de zoon van Tvashthâ en de twee zoons van Diti, Hiranyâksha [3.14-19] en Hiranyakas'ipu, o brahmanen, tezamen met de geschiedenis van de grote ziel Prahlâda, de beheerser van de Daitya's [7.2-8]. (19-20) In detail zijn beschreven de regeerperioden van de Manu's [8.1], de verlossing van de koning der olifanten [Gajendra, 8.2-4] en de avatâra's van Heer Vishnu voor iedere periode van Manu [8.5 & 13] zoals Hayas'îrshâ [8.24: 8 & 57; 5.18: 1], Nrisimha [7.9-10], Vâmana [8.18-22], Mâtsya [8.24] en Kûrma die er was voor het doel van het karnen van de nectar uit de melkoceaan door de bewoners van de hemel [8.7-8]. (21) De grote oorlog tussen de demonen en de goden wordt beschreven [8.10] als ook systematisch de dynastieën van de koningen [9.2, 7, 9, 12, 13, 17, 20 -24]; de dynastie van Sudyumna [9.1] en de geboorte van Ikshvâku en zijn dynastie [9.6]. (22) Er is verslag gedaan van de verhalen over Ilâ [9.1. 16-27] en Târâ [9.14: 4-13] als ook een vertelling over de afstammelingen van de sûrya-vams'a, zoals S'as'âda [Vikukshi, 9.6: 6-11] en Nriga [9.1: 11-12, 9.2: 17 & 10: 64]. (23) Er zijn de verhalen over Sukanyâ [9.3], [de dochter van] S'aryâti, de intelligente Kakutstha [Purañjaya, 9.6: 12-19], Mândhâtâ [9.6: 33-37 & 9.7], Saubhari [9.6], Sagara [9.8] en Khathvânga [9.9: 41-47]. (24) [Gepresenteerd zijn] de wederwaardigheden van Heer Râmacandra, de Koning van Kosala, welke alle zonde verdrijven [9.10 & 11], Nimi, die zijn materiële lichaam opgaf [9.13], en het verschijnen van de nakomelingen van koning Janaka [of S'îradhvaja, 9.13: 18-27]. (25-26) [Gesproken is over] het uitroeien van de heersende klasse door Heer Paras'urâma, de Grootste van Bhrigu [9.15 & 16]; over Aila [Purûravâ, 9.14 & 15], Nahusha [9.18: 1], Yayâti [9.18 & 19], Dushmanta's zoon Bharata [9.20], S'ântanu [9.22: 12-13] en S'ântanu's zoon Bhîshma [9.22: 19-19] van de candra-vams'a, als ook over de gevierde dynastie van Yadu, de oudste zoon van Yayâti [9.23: 19-29]. (27) [Het is] de dynastie waarin in het huis van Vasudeva de Opperheer bekend staande als Krishna, de Beheerser van het Levende Wezen, nederdaalde; [vervolgens wordt beschreven] Zijn geboorte [10-3] en hoe Hij opgroeide in Gokula [10.4-10]. (28-30) Zijn talloze wapenfeiten worden [vervolgens] verheerlijkt [in de beschrijvingen van]: hoe Hij de melk samen met de levensadem wegzoog uit Pûtanâ [10.6], hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en Trinâvarta eronder kreeg [10.7], en Hij Baka, Vatsa [10.11] en Agha doodde [10.12], [hoe Hij tewerk ging met] Brahmâ die de kalveren en de jongens had weggeborgen [10.13 & 14], hoe Hij een eind maakte aan Dhenuka [10.15] en Pralamba [10.18] met Zijn metgezellen, en hoe Hij hen redde uit een bosbrand die hen had ingesloten [10.17 & 19]. (31-33) [Verslag werd gedaan van] het onderwerpen van de slang Kâliya [10: 16-17]; de geloften die naar de tevredenheid van de Onfeilbare in acht werden genomen door de jonge gopî's [10.21 & 22]; de genade voor de spijtige brahmaanse vrouwen [10.23]; het optillen van de berg Govardhana [10.25] en de aanbidding en het rituele baden vervolgens uitgevoerd door Indra en Surabhi [10.27]; Krishna's spel en vermaak met de gopî's gedurende de nachten [10.29-33], het redden van Nanda Mahârâja [uit de bek] van een groot serpent [10.34] en het doden van de dwaze S'ankhacûda [10.34], Arishtha [10.36] en Kes'î [10.37]. (34) Daarna arriveert Akrûra [10.38] en is er het vertrek van Râma en Krishna, het treuren van de vrouwen van Vraja [10.39] en de rondgang door Mathurâ [10.41]. (35) Er is het doden van de olifant Kuvalayâpîda [10.43], de worstelaars Mushthika, Cânûra, en Kamsa en anderen [10.44], als ook het weer terughalen van de zoon van Sândîpani, de goeroe [10.45]. (36) Verblijvend in Mathurâ in het gezelschap van Uddhava en Balarâma, werden door de Heer, o brahmanen, avonturen aan de dag gelegd om de kring der Yadu's een plezier te doen [10.48]. (37) [Vervolgens is er] de vele malen herhaalde vernietiging van de troepen bijeengebracht door Jarasândha [10.50], het grondvesten van Dvârakâ en het doden van de barbaarse koning [10.51]. (38) Er is de ontvoering van Rukminî waarbij de Heer Zijn rivalen in de strijd versloeg [10.53] en het [van Indra, 10.50: 54] in ontvangst nemen van de pârijâta uit de hemel samen met de Sudharmâ-vergaderzaal. (39) Het ter dood brengen van de meester van Prâgjyotishapura [Bhauma ofwel Naraka] en het redden van de jonge maagden [komt ter sprake in 10.59] met vervolgens het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met Bâna en het wegsnijden van Bâna's armen [10.63]. (40-41) Het [Bhâgavatam zet zich ook uiteen met] het kunnen en de dood van Pañcajana [10.45: 40-41], S'ambara [10.55], Pîthha [10.59], Mura [10.59], Dvivida [10.67], de koning van Cedi [10.74], S'âlva [10.76-77], de dwaze Dantavakra [10.78], en anderen; hoe de Pândava's de directe aanleiding vormden [voor Krishna] om de last van de aarde weg te nemen [10.49], en het afbranden van Vârânasî [10.66]. (42-43) [Ook kwam aan bod] het terugtrekken van Zijn eigen familie [11.30] onder het voorwendsel van de vloek van de geleerden [11.1] en de schitterende conversatie die Vâsudeva had met Uddhava waarin de wetenschap van het ware zelf zijn volle uitdrukking vond met het vaststellen van het dharma [van hoe men moet leven met Krishna niet meer lijfelijk aanwezig, zie 11.6-29], met daarop Zijn verzaken van de wereld der sterfelijken bij machte van Zijn eigen mystieke vermogen [11.31]. (44) [Ook besproken zijn] de kenmerken van de verschillende yuga's en de handelingen die daarmee overeenkomen [11.17 & 12.3], de algehele verstoordheid van de mensen in Kali-yuga [12.1-3] en de vier typen van vernietiging en drie [guna] soorten van schepping [12.4]. (45) [tenslotte is er een verslag van] Vishnurata [Parîkchit], de intelligente godvruchtige koning, die zijn lichaam moest opgeven [12.6-7], hoe de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende takken van de Veda overdroegen [12.6-7], de vrome geschiedenis van Mârkandeya [12.8-10] en de regeling naar de zon [zoals begrepen] van de Mahâpurusha, het Zelf van het levende wezen dat het Universum is [12.11].

(46) Aldus zijn door Mij, naar aanleiding van uw vragen, o beste van de tweemaal geborenen, in dezen de handelingen besproken van de lîlâ-avatâra's naar het volle van hun glorie. (47) Als men, met vallen, struikelen, zich bezeren of niezen spontaan hardop uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari), raakt men bevrijd van al de oorzaken van een val. (48) Van personen, die naar behoren zingen over de Opperheer en vernemen over het vermogen van de Onbegrensde, wordt de ellende die in het hart doordringt geheel weggewassen, precies zoals de zon de duisternis wegneemt of een sterke wind de wolken verdrijft. (49) IJdel inderdaad zijn die woorden over en besprekingen van de relatieve waarheid waarin van Hem die in het Bezit is van de Volheden, de Heer in het Voorbije, geen melding wordt gemaakt; enkel dat is waar, alleen dat is goedgunstig, enkel dat is verdienstelijk wat de kwaliteiten van de Fortuinlijke naar boven haalt. (50) Datgene voorzeker is aantrekkelijk, is nieuwer en nieuwer; dat inderdaad is een voortdurend, groot feest voor de geest; dat [zich uitdrukken] in feite legt voor personen de oceaan der misère droog, waarin de heerlijkheden van de Beste van de Verzen, Uttamas'loka, bij herhaling worden bezongen. (51) Die uitdrukking in illustratieve termen welke nimmer de zegenende heerlijkheden van de Heer beschrijft is als een bedevaartsoord voor kraaien en wordt nimmer gediend door de zwaangelijken, de heiligen zuiver die enkel in zijn voor Acyuta [als in 1.5: 10]. (52) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn [identiek aan 1.5: 11]. (53) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit verstoken van genegenheid. Zou inderdaad het werken voor een resultaat ook maar enig goed doen als men mislukt in het ongeëvenaarde werk dat wordt verricht voor de Heer [als in 1.5: 11]? (54) Met boete en het luisteren naar de geschriften en zo voorts is men, terwille van reputatie en een materieel resultaat, van grote inspanning in het dienen van het varnâs'rama systeem, maar door het luisteren naar en respecteren van, enzovoorts, de lotusvoeten van de Handhaver van de Godin van het Fortuin, is men, levend in bevestiging van de kwaliteiten, van heugenis. (55) De heugenis van Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige te niet, leidt tot goed geluk, tot zuivering van het hart en, verbonden in de wijsheid en onthechting, tot spiritueel weten en toewijding tot de Allerhoogste Ziel. (56) U allen o hoogst eminente brahmanen, bent waarlijk uitzonderlijk fortuinlijk met het constant zijn met Nârâyana, de Oorspronkelijke Ziel en Godheid van allen, de Heer van de Hemel Voorbij Wie er Geen Andere te Vinden is; daarom moet u, met onversaagde liefde van aanbidding zijnd, Hem in uw harten plaatsen. (57) Ook mij werd deze wetenschap van de Ziel weer in herinnering gebracht welke ik, [eveneens] in een vergadering van grote wijzen die allen toehoorden, voorheen vernam uit de mond van S'uka, de grootste der wijzen, tijdens het tot de dood toe vasten van koning Parîkchit. (58) Dit wat ik u, o geschoolden, vertelde over de heerlijkheden van Vâsudeva, Hij van de Grote daden Allerwaardigst om te Worden Beschreven, maakt geheel en al een einde aan al het ongunstige. (59) Hij die met een niet aflatende aandacht iedere yâma [periode van drie uur] en iedere kshana [een moment of 1.6 seconde] met geloof anderen doet luisteren of trouw zelf luistert naar slechts een enkel vers of een half vers, een enkele versregel of een halve, hij inderdaad zuivert zich de eigenlijke ziel. (60) Als men, niet gegeten hebbend, nauwlettend reciteert uit of luistert [naar het Bhâgavatam] op de elfde dan wel de twaalfde dag [van een vijftiendaagse halve maandmaand, zie 3.11.10], zal een hoge leeftijd bereiken en gezuiverd raken van alles wat hem ten val brengt. (61) Zelfbeheerst niet gegeten hebbend, deze verzameling van verzen reciterend in [de heilige plaatsen] Pushkara, Mathurâ of Dvârakâ, zal men bevrijd raken van de angst [voor de Tijd, of een materieel leven, zie ook 1.13: 19]. (62) Met het chanten over of luisteren naar wat van die verheerlijking is, zullen de halfgoden en de wijzen, de vervolmaakten en de voorvaderen, de stamvaders en de koningen, vergunnen wat wordt verlangd. (63) Een tweemaal geboren ziel die [op deze tekst] studeert verkrijgt als resultaat de rivieren van honing, ghee en melk die men heeft met het bestuderen van de Rig-, Yayur- en Sâma-verzen. (64) IJverig deze essentiële verzameling van klassieke verhalen bestuderend zal een tweemaal geborene bijgevolg de allerhoogste positie bereiken zoals die werd beschreven door de Allerhoogste Persoonlijkheid. (65) Een man van scholing die het bestudeert bereikt geestelijk inzicht, een koning aldus bereikt het overwicht, een zakenman de heerlijkheid der schatten en een werknemer het uitzuiveren van alle oorzaken van het ten val komen. (66) Omdat in Kali-yuga Hari, de Heer van een Ieder en de Vernietiger van de Besmetting, niet [werkelijk of in die mate] ergens anders dan hier wordt beschreven, wordt, om dat tegenwicht te bieden, Bhagavân zich expanderend in talloze gedaanten, in ieder vers beschreven in de vorm van de verhalen zoals verteld. (67) Voor Hem het Ongeboren, Onbegrensde, Ware Zelf bij wiens energieën er de schepping, handhaving en vernietiging van het universum is, voor Hem die niet te doorgronden is in Zijn heerlijkheid voor [zelfs] de meester van de hemel onder leiding van de ongeziene [Aja of Brahmâ], de machtige [S'akra of Indra], en de goedgunstige [S'ankara of S'iva]; voor de Heer Onfeilbaar, ben ik voorover gebogen. (68) Mijn eerbetuigingen voor de Eeuwige Heer, de beste van Al de Goden, voor de Fortuinlijke wiens Manifestatie Zuiver bewustzijn is en die middels Zijn negen machten [s'akti's of vermogens] voorzag in Zijn eigen Zelf als het thuis voor de zich bewegende en niet bewegende levende wezens.

(69) Ik verbuig me voor hem, de zoon van Vyâsa die al het ongunstige verslaat, die, aangetrokken in zijn hart door de wederwaardigheden van Zijn handelingen, ten einde de Onoverwinnelijke te behagen, met het ontkennen van ieder ander type van bewustzijn zo intelligent was zijn solitaire geluk op te geven en genadevol de [Bhagavata] Purâna, het licht van de werkelijkheid, te openbaren.

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Topics of S'rîmad-Bhâgavatam Summarized

 

Tekst 1:

Sûta zei: "Met het brengen van eerbetuigingen voor Heer Krishna, voor de schepper, voor de brahmanen en voor het allerhoogste van het dharma, zal ik het nu hebben over de duurzame aard ervan [in termen van de onderwerpen besproken in het Bhâgavatam].

Sûta Gosvâmî said: Offering my obeisances to the supreme religious principle, devotional service; to Lord Krishna, the supreme creator; and to all the brâhmanas, I shall now describe the eternal principles of religion.

 

Tekst 2:

Ik vertelde u, o wijzen, over deze prachtige wederwaardigheden van Heer Vishnu die zich bij uitstek lenen voor mensen met respect voor de persoon.

O great sages, I have narrated to you the wonderful pastimes of Lord Vishnu, as you inquired about them from me. Hearing such narrations is the suitable engagement for a person who is actually a human being.

 

Tekst 3:

In dit [verhalen] is rechtstreeks verheerlijkt de Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nârâyana, de Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester van de Sâtvata's. (4) Hierin wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande Allerhoogste Geest besproken, tezamen met de wijsheid en haar cultivering.

O great sages, I have narrated to you the wonderful pastimes of Lord Vishnu, as you inquired about them from me. Hearing such narrations is the suitable engagement for a person who is actually a human being.

   

Tekst 4

Hierin wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande Allerhoogste Geest besproken, tezamen met de wijsheid en haar cultivering.

This literature describes the mystery of the Supreme Absolute Truth, the source of the creation and annihilation of this universe. Also presented are divine knowledge of Him together with the process of its cultivation, and the transcendental realization one achieves.

 

Tekst 5-6

Uitvoerig zijn besproken de bhakti-yoga en de verzaking die erbij hoort [in 1.2, 7.5-10 & canto 11.29], evenals de geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het verhaal van Parîkchit: het tot de dood vasten van Parîkchit, de wijze onder de koningen, vanwege zijn door een [zoon van een] geleerde vervloekt zijn en het gesprek tussen Parîkchit en S'uka, de beste der brahmanen [zie canto 1.8-18].

The following topics are also narrated: the process of devotional service together with its subsidiary feature of renunciation, and the histories of Mahârâja Parîkshit and the sage Nârada. Also described are saintly King Parîkshit's sitting down to fast until death in response to the curse of a brâhmana's son, and the conversations between Parîkshit and S'ukadeva Gosvâmî, who is the best of all brâhmanas.

 

Tekst 7

[Vervolgens is besproken] het door zich in de yoga te concentreren bereiken van de bevrijding als men doodgaat [2.2.15-21], het gesprek tussen Nârada en Brahmâ [2.5], de reeks van avatâra's [1.3 & 2.7] en het scheppingsproces vanuit de primaire natuur [de pradhâna, 3.26.10-72].

The Bhâgavatam explains how one can attain liberation at the time of death by practicing fixed meditation in yoga. It also contains a discussion between Nârada and Brahmâ, an enumeration of the incarnations of the Supreme Personality of Godhead, and a description of how the universe was created in progressive sequence, beginning from the unmanifest stage of material nature.

 

Tekst 8

Er is het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava [3.1.25-3.4], het gesprek dat Vidura had met Maitreya [3.5- 4.31], en toen wat de purâna inhoudt [in algemene zin, zie 2.10: 1 en 12.7: 9-10], en vervolgens zijn er de onderzoekingen aangaande het weer in Zich opnemen van de schepping door de Mahâpurusha [2.10: 6, 3.11: 30, 8.5: 35, 11.3: 8-15, 12.4].

This scripture also relates the discussions Vidura had with Uddhava and with Maitreya, inquiries about the subject matter of this Purâna, and the winding up of creation within the body of the Supreme Lord at the time of annihilation.

 

Tekst 9

Wat volgt is de vorming uit de [geaardheden van de] materiële natuur en het voortbrengen van de zeven afgeleiden [van mahat, ahamkâra en de tanmâtra's, zie 3.20: 12-17], die zich uitbreiden met de constructie van het ei van het universum van waaruit zich de universele gedaante van de Heer opwerpt [3.6].

The creation effected by the agitation of the modes of material nature, the seven stages of evolution by elemental transformation, and the construction of the universal egg, from which arises the universal form of the Supreme Lord-all these are thoroughly described.

 

Tekst 10

De grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11], [komen eveneens aan bod als ook] het genereren van de lotus [3.8] en het doden van Hiranyâksha in samenhang met het bevrijden van de aarde uit de oceaan [3.17-19].

Other topics include the subtle and gross movements of time, the generation of the lotus from the navel of Garbhodakas'âyî Vishnu, and the killing of the demon Hiranyâksha when the earth was delivered from the Garbhodaka Ocean.

 

Tekst 11

[En zo zijn er] de schepping van de hogere wezens, de dieren en de lagere schepselen [3.12: 37-48], de geboorte van Rudra [3.12] en het verschijnen van Svâyambhuva Manu als de mannelijke en vrouwelijke wederhelften van de Heer [zie 3.12: 49-53, 4.1].

The Bhâgavatam also describes the creation of demigods, animals and demoniac species of life; the birth of Lord Rudra; and the appearance of Svâyambhuva Manu from the half-man, half-woman Îs'vara.

 

Tekst 12-13

[Besproken zijn de] de nakomelingen van de uitnemende gemalin, de eerste vrouw die S'atarûpâ was, en het nageslacht van [de negen dochters van] de vrome echtgenote [Devahûti] van de stamvader Kardama [zie 3.24: 20-25 en 4.1], het nederdalen van de Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer Kapila, en de conversatie van de geleerde Kapila met Devahûti [3.25-33].

Also related are the appearance of the first woman, S'atarûpâ, who was the excellent consort of Manu, and the offspring of the pious wives of Prajâpati Kardama. The Bhâgavatam describes the incarnation of the Supreme Personality of Godhead as the exalted sage Kapila and records the conversation between that greatly learned soul and His mother, Devahûti.

 

Tekst 14-15

De afstammelingen van de negen brahmanen [die met Kardama's dochters trouwden, 4.1], de vernietiging van Daksha's offerplechtigheid [4.2-7] en de geschiedenis van Dhruva [4.8-13] wordt dan gevolgd door de verhalen over Prithu [4.15-23] en Prâcînabarhi [4.24-29], zijn gesprek met Nârada [4.29], de verhalen van Priyavrata [5.1], o brahmanen, Nâbhi [5.3], het leven van Rishabha [5.3-6], en Bharata Mahârâja [5.7-13].

Also described are the progeny of the nine great brâhmanas, the destruction of Daksha's sacrifice, and the history of Dhruva Mahârâja, followed by the histories of King Prithu and King Prâcînabarhi, the discussion between Prâcînabarhi and Nârada, and the life of Mahârâja Priyavrata. Then, O brâhmanas, the Bhâgavatam tells of the character and activities of King Nâbhi, Lord Rishabha and King Bharata.

 

Tekst 16

De continenten, subcontinenten en de oceanen, de bergen en rivieren worden in detail beschreven [5.19-20], het uitspansel [5.21-23] en hoe de lagere werelden en de hel zijn geregeld [5.24-26].

The Bhâgavatam gives an elaborate description of the earth's continents, regions, oceans, mountains and rivers. Also described are the arrangement of the celestial sphere and the conditions found in the subterranean regions and in hell.

 

Tekst 17

[Beschreven zijn] Daksha's (weder-)geboorte als de zoon van de Pracetâ's [6.4] en de nakomelingen van zijn dochters van wie er de halfgoden, de demonen en de menselijke wezens zijn, de [zoog-]dieren, de serpenten, de vogels en de andere diersoorten [6.6].

The rebirth of Prajâpati Daksha as the son of the Pracetâs, and the progeny of Daksha's daughters, who initiated the races of demigods, demons, human beings, animals, serpents, birds and so on-all this is described.

 

Tekst 18

[Ook is er] de geboorte en dood van [Vritra, 6.9-12] de zoon van Tvashthâ en de twee zoons van Diti, Hiranyâksha [3.14-19] en Hiranyakas'ipu, o brahmanen, tezamen met de geschiedenis van de grote ziel Prahlâda, de beheerser van de Daitya's [7.2-8].

O brâhmanas, also recounted are the births and deaths of Vritrâsura and of Diti's sons Hiranyâksha and Hiranyakas'ipu, as well as the history of the greatest of Diti's descendants, the exalted soul Prahlâda.

 

Tekst 19-20

In detail zijn beschreven de regeerperioden van de Manu's [8.1], de verlossing van de koning der olifanten [Gajendra, 8.2-4] en de avatâra's van Heer Vishnu voor iedere periode van Manu [8.5 & 13] zoals Hayas'îrshâ [8.24: 8 & 57; 5.18: 1], Nrisimha [7.9-10], Vâmana [8.18-22], Mâtsya [8.24] en Kûrma die er was voor het doel van het karnen van de nectar uit de melkoceaan door de bewoners van de hemel [8.7-8].

The reign of each Manu, the liberation of Gajendra, and the special incarnations of Lord Vishnu in each manv-antara, such as Lord Hayas'îrshâ, are described as well.

 

Tekst 21

De grote oorlog tussen de demonen en de goden wordt beschreven [8.10] als ook systematisch de dynastieën van de koningen [9.2, 7, 9, 12, 13, 17, 20 -24]; de dynastie van Sudyumna [9.1] en de geboorte van Ikshvâku en zijn dynastie [9.6].

An account of the great battle fought between the demigods and the demons, a systematic description of the dynasties of various kings, and narrations concerning Ikshvâku's birth, his dynasty and the dynasty of the pious Sudyumna-all are presented within this literature.

 

Tekst 22

Er is verslag gedaan van de verhalen over Ilâ [9.1. 16-27] en Târâ [9.14: 4-13] als ook een vertelling over de afstammelingen van de sûrya-vams'a, zoals S'as'âda [Vikukshi, 9.6: 6-11] en Nriga [9.1: 11-12, 9.2: 17 & 10: 64].

Also related are the histories of Ilâ and Târâ, and the description of the descendants of the sun-god, including such kings as S'as'âda and Nriga.

  

Tekst 23

Er zijn de verhalen over Sukanyâ [9.3], [de dochter van] S'aryâti, de intelligente Kakutstha [Purañjaya, 9.6: 12-19], Mândhâtâ [9.6: 33-37 & 9.7], Saubhari [9.6], Sagara [9.8] en Khathvânga [9.9: 41-47].

The histories of Sukanyâ, S'aryâti, the intelligent Kakutstha, Khathvânga, Mândhâtâ, Saubhari and Sagara are narrated.

 

Tekst 24

[Gepresenteerd zijn] de wederwaardigheden van Heer Râmacandra, de Koning van Kosala, welke alle zonde verdrijven [9.10 & 11], Nimi, die zijn materiële lichaam opgaf [9.13], en het verschijnen van de nakomelingen van koning Janaka [of S'îradhvaja, 9.13: 18-27].

The Bhâgavatam narrates the sanctifying pastimes of Lord Râmacandra, the King of Kosala, and also explains how King Nimi abandoned his material body. The appearance of the descendants of King Janaka is also mentioned.

 

Tekst 25-26

[Gesproken is over] het uitroeien van de heersende klasse door Heer Paras'urâma, de Grootste van Bhrigu [9.15 & 16]; over Aila [Purûravâ, 9.14 & 15], Nahusha [9.18: 1], Yayâti [9.18 & 19], Dushmanta's zoon Bharata [9.20], S'ântanu [9.22: 12-13] en S'ântanu's zoon Bhîshma [9.22: 19-19] van de candra-vams'a, als ook over de gevierde dynastie van Yadu, de oudste zoon van Yayâti [9.23: 19-29].

The S'rîmad-Bhâgavatam describes how Lord Paras'urâma, the greatest descendant of Bhrigu, annihilated all the kshatriyas on the face of the earth. It further recounts the lives of glorious kings who appeared in the dynasty of the moon-god-kings such as Aila, Yayâti, Nahusha, Dushmanta's son Bharata, S'ântanu and S'ântanu's son Bhîshma. Also described is the great dynasty founded by King Yadu, the eldest son of Yayâti.

  

Tekst 27

[Het is] de dynastie waarin in het huis van Vasudeva de Opperheer bekend staande als Krishna, de Beheerser van het Levende Wezen, nederdaalde; [vervolgens wordt beschreven] Zijn geboorte [10-3] en hoe Hij opgroeide in Gokula [10.4-10].

How S'rî Krishna, the Supreme Personality of Godhead and Lord of the universe, descended into this Yadu dynasty, how He took birth in the home of Vasudeva, and how He then grew up in Gokula-all this is described in detail.

  

Tekst 28-30

Zijn talloze wapenfeiten worden [vervolgens] verheerlijkt [in de beschrijvingen van]: hoe Hij de melk samen met de levensadem wegzoog uit Pûtanâ [10.6], hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en Trinâvarta eronder kreeg [10.7], en Hij Baka, Vatsa [10.11] en Agha doodde [10.12], [hoe Hij tewerk ging met] Brahmâ die de kalveren en de jongens had weggeborgen [10.13 & 14], hoe Hij een eind maakte aan Dhenuka [10.15] en Pralamba [10.18] met Zijn metgezellen, en hoe Hij hen redde uit een bosbrand die hen had ingesloten [10.17 & 19].

Also glorified are the innumerable pastimes of S'rî Krishna, the enemy of the demons, including His childhood pastimes of sucking out Pûtanâ's life air along with her breast-milk, breaking the cart, trampling down Trinâvarta, killing Bakâsura, Vatsâsura and Aghâsura, and the pastimes He enacted when Lord Brahmâ hid His calves and cowherd boyfriends in a cave. The S'rîmad-Bhâgavatam tells how Lord Krishna and Lord Balarâma killed the demon Dhenukâsura and his companions, how Lord Balarâma destroyed Pralambâsura, and also how Krishna saved the cowherd boys from a raging forest fire that had encircled them.

 

Tekst 31-33

[Verslag werd gedaan van] het onderwerpen van de slang Kâliya [10: 16-17]; de geloften die naar de tevredenheid van de Onfeilbare in acht werden genomen door de jonge gopî's [10.21 & 22]; de genade voor de spijtige brahmaanse vrouwen [10.23]; het optillen van de berg Govardhana [10.25] en de aanbidding en het rituele baden vervolgens uitgevoerd door Indra en Surabhi [10.27]; Krishna's spel en vermaak met de gopî's gedurende de nachten [10.29-33], het redden van Nanda Mahârâja [uit de bek] van een groot serpent [10.34] en het doden van de dwaze S'ankhacûda [10.34], Arishtha [10.36] en Kes'î [10.37].

The chastisement of the serpent Kâliya; the rescue of Nanda Mahârâja from a great snake; the severe vows performed by the young gopîs, who thus satisfied Lord Krishna; the mercy He showed the wives of the Vedic brâhmanas, who felt remorse; the lifting of Govardhana Hill followed by the worship and bathing ceremony performed by Indra and the Surabhi cow; Lord Krishna's nocturnal pastimes with the cowherd girls; and the killing of the foolish demons S'ankhacûda, Arishtha and Kes'î-all these pastimes are elaborately recounted.

 

Tekst 34

Daarna arriveert Akrûra [10.38] en is er het vertrek van Râma en Krishna, het treuren van de vrouwen van Vraja [10.39] en de rondgang door Mathurâ [10.41].

The Bhâgavatam describes the arrival of Akrûra, the subsequent departure of Krishna and Balarâma, the lamentation of the gopîs and the touring of Mathurâ.

 

Tekst 35

Er is het doden van de olifant Kuvalayâpîda [10.43], de worstelaars Mushthika, Cânûra, en Kamsa en anderen [10.44], als ook het weer terughalen van de zoon van Sândîpani, de goeroe [10.45].

Also narrated are how Krishna and Balarâma killed the elephant Kuvalayâpîda, the wrestlers Mushthika and Cânûra, and Kamsa and other demons, as well as how Krishna brought back the dead son of His spiritual master, Sândîpani Muni.

 

Tekst 36

Verblijvend in Mathurâ in het gezelschap van Uddhava en Balarâma, werden door de Heer, o brahmanen, avonturen aan de dag gelegd om de kring der Yadu's een plezier te doen [10.48].

Then, O brâhmanas, this scripture recounts how Lord Hari, while residing in Mathurâ in the company of Uddhava and Balarâma, performed pastimes for the satisfaction of the Yadu dynasty.

 

Tekst 37

[Vervolgens is er] de vele malen herhaalde vernietiging van de troepen bijeengebracht door Jarasândha [10.50], het grondvesten van Dvârakâ en het doden van de barbaarse koning [10.51].

Also described are the annihilation of each of the many armies brought by Jarâsandha, the killing of the barbarian king Kâlayavana and the establishment of Dvârakâ City.

 

Tekst 38

Er is de ontvoering van Rukminî waarbij de Heer Zijn rivalen in de strijd versloeg [10.53] en het [van Indra, 10.50: 54] in ontvangst nemen van de pârijâta uit de hemel samen met de Sudharmâ-vergaderzaal.

This work also describes how Lord Krishna brought from heaven the pârijâta tree and the Sudharmâ assembly hall, and how He kidnapped Rukminî by defeating all His rivals in battle.

 

Tekst 39

Het ter dood brengen van de meester van Prâgjyotishapura [Bhauma ofwel Naraka] en het redden van de jonge maagden [komt ter sprake in 10.59] met vervolgens het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met Bâna en het wegsnijden van Bâna's armen [10.63].

Also narrated are how Lord Krishna, in the battle with Bânâsura, defeated Lord S'iva by making him yawn, how the Lord cut off Bânâsura's arms, and how He killed the master of Prâgjyotishapura and then rescued the young princesses held captive in that city.

 

Tekst 40-41

Het [Bhâgavatam zet zich ook uiteen met] het kunnen en de dood van Pañcajana [10.45: 40-41], S'ambara [10.55], Pîthha [10.59], Mura [10.59], Dvivida [10.67], de koning van Cedi [10.74], S'âlva [10.76-77], de dwaze Dantavakra [10.78], en anderen; hoe de Pândava's de directe aanleiding vormden [voor Krishna] om de last van de aarde weg te nemen [10.49], en het afbranden van Vârânasî [10.66].

There are descriptions of the powers and the deaths of the King of Cedi, Paundraka, S'âlva, the foolish Dantavakra, S'ambara, Dvivida, Pîthha, Mura, Pañcajana and other demons, along with a description of how Vârânasî was burned to the ground. The Bhâgavatam also recounts how Lord Krishna relieved the earth's burden by engaging the Pândavas in the Battle of Kurukshetra.

 

Tekst 42-43

[Ook kwam aan bod] het terugtrekken van Zijn eigen familie [11.30] onder het voorwendsel van de vloek van de geleerden [11.1] en de schitterende conversatie die Vâsudeva had met Uddhava waarin de wetenschap van het ware zelf zijn volle uitdrukking vond met het vaststellen van het dharma [van hoe men moet leven met Krishna niet meer lijfelijk aanwezig, zie 11.6-29], met daarop Zijn verzaken van de wereld der sterfelijken bij machte van Zijn eigen mystieke vermogen [11.31].

How the Lord withdrew His own dynasty on the preTekst of the brâhmanas' curse; Vasudeva's conversation with Nârada; the extraordinary conversation between Uddhava and Krishna, which reveals the science of the self in complete detail and elucidates the religious principles of human society; and then how Lord Krishna gave up this mortal world by His own mystic power-the Bhâgavatam narrates all these events.

 

Tekst 44

[Ook besproken zijn] de kenmerken van de verschillende yuga's en de handelingen die daarmee overeenkomen [11.17 & 12.3], de algehele verstoordheid van de mensen in Kali-yuga [12.1-3] en de vier typen van vernietiging en drie [guna] soorten van schepping [12.4].

This work also describes people's characteristics and behavior in the different ages, the chaos men experience in the age of Kali, the four kinds of annihilation and the three kinds of creation.

 

Tekst 45

[tenslotte is er een verslag van] Vishnurata [Parîkchit], de intelligente godvruchtige koning, die zijn lichaam moest opgeven [12.5-6], hoe de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende takken van de Veda overdroegen [12.6-7], de vrome geschiedenis van Mârkandeya [12.8-10] en de regeling naar de zon [zoals begrepen] van de Mahâpurusha, het Zelf van het levende wezen dat het Universum is [12.11].

There are also an account of the passing away of the wise and saintly King Vishnurâta [Parîkshit], an explanation of how S'rîla Vyâsadeva disseminated the branches of the Vedas, a pious narration concerning Mârkandeya Rishi, and a description of the detailed arrangement of the Lord's universal form and His form as the sun, the soul of the universe.

  

Tekst 46

Aldus zijn door Mij, naar aanleiding van uw vragen, o beste van de tweemaal geborenen, in dezen de handelingen besproken van de lîlâ-avatâra's naar het volle van hun glorie.

Thus, O best of the brâhmanas, I have explained herein what you have inquired from me. This literature has glorified in full detail the activities of the Lord's pastime incarnations.

 

Tekst 47

Als men, met vallen, struikelen, zich bezeren of niezen spontaan hardop uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari), raakt men bevrijd van al de oorzaken van een val.

If when falling, slipping, feeling pain or sneezing one involuntarily cries out in a loud voice, "Obeisances to Lord Hari!" one will be automatically freed from all his sinful reactions.

 

Tekst 48

Van personen, die naar behoren zingen over de Opperheer en vernemen over het vermogen van de Onbegrensde, wordt de ellende die in het hart doordringt geheel weggewassen, precies zoals de zon de duisternis wegneemt of een sterke wind de wolken verdrijft.

When people properly glorify the Supreme Personality of Godhead or simply hear about His power, the Lord personally enters their hearts and cleanses away every trace of misfortune, just as the sun removes the darkness or as a powerful wind drives away the clouds.

 

Tekst 49

IJdel inderdaad zijn die woorden over en besprekingen van de relatieve waarheid waarin van Hem die in het Bezit is van de Volheden, de Heer in het Voorbije, geen melding wordt gemaakt; enkel dat is waar, alleen dat is goedgunstig, enkel dat is verdienstelijk wat de kwaliteiten van de Fortuinlijke naar boven haalt.

Words that do not describe the transcendental Personality of Godhead but instead deal with temporary matters are simply false and useless. Only those words that manifest the transcendental qualities of the Supreme Lord are actually truthful, auspicious and pious.

 

Tekst 50

Datgene voorzeker is aantrekkelijk, is nieuwer en nieuwer; dat inderdaad is een voortdurend, groot feest voor de geest; dat [zich uitdrukken] in feite legt voor personen de oceaan der misère droog, waarin de heerlijkheden van de Beste van de Verzen, Uttamas'loka, bij herhaling worden bezongen.

Those words describing the glories of the all-famous Personality of Godhead are attractive, relishable and ever fresh. Indeed, such words are a perpetual festival for the mind, and they dry up the ocean of misery.

 

Tekst 51

Die uitdrukking in illustratieve termen welke nimmer de zegenende heerlijkheden van de Heer beschrijft is als een bedevaartsoord voor kraaien en wordt nimmer gediend door de zwaangelijken, de heiligen zuiver die enkel in zijn voor Acyuta [als in 1.5: 10].

Those words that do not describe the glories of the Lord, who alone can sanctify the atmosphere of the whole universe, are considered to be like unto a place of pilgrimage for crows, and are never resorted to by those situated in transcendental knowledge. The pure and saintly devotees take interest only in topics glorifying the infallible Supreme Lord.

 

Tekst 52

Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn [identiek aan 1.5: 11].

On the other hand, that literature which is full of descriptions of the transcendental glories of the name, fame, forms, pastimes and so on of the unlimited Supreme Lord is a different creation, full of transcendental words directed toward bringing about a revolution in the impious lives of this world's misdirected civilization. Such transcendental literatures, even though imperfectly composed, are heard, sung and accepted by purified men who are thoroughly honest.

 

Tekst 53

Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit verstoken van genegenheid. Zou inderdaad het werken voor een resultaat ook maar enig goed doen als men mislukt in het ongeëvenaarde werk dat wordt verricht voor de Heer [als in 1.5: 11]?

Knowledge of self-realization, even though free from all material affinity, does not look well if devoid of a conception of the Infallible [God]. What, then, is the use of even the most properly performed fruitive activities, which are naturally painful from the very beginning and transient by nature, if they are not utilized for the devotional service of the Lord?

 

Tekst 54

Met boete en het luisteren naar de geschriften en zo voorts is men, terwille van reputatie en een materieel resultaat, van grote inspanning in het dienen van het varnâs'rama systeem, maar door het luisteren naar en respecteren van, enzovoorts, de lotusvoeten van de Handhaver van de Godin van het Fortuin, is men, levend in bevestiging van de kwaliteiten, van heugenis.

The great endeavor one undergoes in executing the ordinary social and religious duties of the varnâs'rama system, in performing austerities, and in hearing from the Vedas culminates only in the achievement of mundane fame and opulence. But by respecting and attentively hearing the recitation