regelbalk


 

Canto 6

Govindam Âdi Purusham

 

Hoofdstuk 7: Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati

(1) De koning zei: 'Alstublieft, o grote wijze, beschrijf om welke reden de godsbewusten door hun leraar van het voorbeeld [Brihaspati] werden afgewezen; aan welke overtreding hadden de leerlingen zich jegens de geestelijk leraar schuldig gemaakt?'

(2-8) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Koning Indra genietend van de weelde der drie werelden was door de trots afgedwaald van het pad der waarheid. Omringd, o Koning, door de Maruts [van de glans], de Vasu's [der uitnemendheid], de Rudra's [van de woede], de Âditya's [van het onware], de Rihbu's [der inventiviteit, zie ook 4.4: 33], de Vis'vadeva's [van de koninklijke weelde], de Sâdhya's [der verfijning], de As'vinî-kumâra's [der hulpvaardigheid] en de Kumâra's [van het celibaat] en gediend door de Siddha's [der perfectie], de Cârana's [van het theater], Gandharva's [van de zang], de Muni's [der wijsheid], de Brahmavâdi's [der geleerdheid], de Vidyâdhara's [der wetenschap], Apsarâ's [van de hemel] en Kinnara's [van het bovenmenselijke], de Pataga's [van de vogels] en de Uraga's [der slangen], werd koning Indra in fraaie gezangen aanbeden o zoon van Bharata [vergelijk 2.3: 2-7]. In zijn ontvangstzaal zat hij op zijn troon en genoot hij de koninklijke weelde van een witte parasol zo mooi als de schijf van de maan en andere koninklijke zaken als yakstaarten om hem koelte toe te wuiven en meer van dat soort gemakken. Stralend met zijn vrouw S'acî die met hem de troon deelde, achtte hij zichzelf de hoogste en werd de verheven leraar van het voorbeeld, de geestelijk leidsman van al de goddelijken, toen hij in de bijeenkomst verscheen, niet door hem verwelkomt; hij stond niet op van zijn troon, bood hem geen zitplaats aan, noch groette hij de priester der godsbewusten, de beste der wijzen, die in gelijke mate door zowel de verlichte als onverlichte zielen werd hooggehouden. Alhoewel Indra hem binnen zag komen, toonde hij geen enkel respect.

(9) Brihaspati, de geleerde wijze en meester, die daarop meteen vertrok, keerde in stilte huiswaarts wel bekend als hij was met de vervreemding van het zich te veel verbeelden met de weelde. (10) Meteen zag Indra in dat hij zijn eigen goeroe had geminacht en oefende hij publiekelijk zelfkritiek: (11) 'O welk een ramp, hoe onbeschoft inderdaad was het wat ik gedaan heb; ik lijk wel gek geworden. Nu heb ik, vol van verbeelding over mijn welstand, temidden van deze vergadering de geestelijk leider onterecht behandeld!(12) Welke man van kennis zou ook van de weelde zijn; hoewel ik de koning verheven boven allen ben, heb ik, de heerser die van de goedheid zou zijn, me daardoor nu laten leiden door een demonische mentaliteit. (13) Hij die beweert dat op de koningstroon zitten inhoudt dat men niet voor enig ander hoeft op te staan, heeft geen idee van de hogere betekenis van het dharma [vergelijk 4.2]. (14) Zij die voorgaan op de verkeerde weg belanden zelf in het duister, en een ieder die geloof hecht aan hun woorden, zal eveneens tenondergaan, als een boot van steen in het water. (15) Derhalve zal ik me bemoeien de geestelijk leider der smetteloze tweemaal geborenen, wiens kennis zo diep gaat, gunstig te stemmen en zal ik zonder dubbelhartigheid zijn lotusvoeten met mijn hoofd beroeren.'

(16) Terwijl hij, Indra de machtigste van allen, zich aldus zorgen maakte, werd Brihaspati onzichtbaar voor hem als gevolg van de kracht van zijn hoogst verheven staat. (17) Verwoed overal op zoek nergens een spoor van zijn goeroe bekennend, kon de machtige Indra, vertrouwend op zijn eigen wijsheid en met de hulp van allen die bij hem betrokken waren, geestelijk geen rust vinden. (18) Toen dat de massa der onverlichten, die vasthielden aan de voorschriften van S'ukrâcârya, duidelijk werd namen ze, niet al te slim, hun wapens op en verklaarden ze de godsbewusten de oorlog. (19) Met hun rompen, armen en benen getroffen door de scherpe pijlen die ze afschoten, namen de goddelijken tezamen met Indra hun toevlucht tot Heer Brahmâ, en bogen ze voor hem het hoofd. (20) Toen die zag hoezeer ze werden geplaagd door de aanval op hen, sprak de god, de allerhoogste ongeborene die Brahmâ was, uit zijn grondeloze en onbegrensde genade tot hen om hun leed te verzachten. (21) Heer Brahmâ zei: 'Helaas, welk een onaangename verrassing, o besten der verlichting, jullie hebben daadwerkelijk een trouwe dienaar van de Absolute Waarheid, een brahmaan van volmaakte beheersing, een groot onrecht aangedaan; vanwege jullie goede doen hebben jullie gefaald hem naar behoren welkom te heten. (22) Het was vanwege deze minachting van jullie die zo succesvol zijn, dat de anderen, de vijanden door wie jullie zijn verslagen, er toe werden aangezet ondanks hun klaarblijkelijke zwakheid zich tegen jullie te keren, o getrouwen van God. (23) En u Indra Maghavan, Eer der Weelde, kijk nu eens hoe uw vijanden, voorheen zo zwak door het veronachtzamen van hun geestelijk leider, nu hun macht hebben herwonnen door met grote toewijding hun wijze de zoon van Bhrigu [S'ukrâcârya] te vereren, en wel in die mate dat ze zelfs mij naar de kroon steken in mijn eeuwige woning der waarheid! (24) In hun besluit de aanwijzingen op te volgen van de Bhrigumeesters [als S'ukrâcârya] zijn ze onverdeeld in hun plannen en valt het ze makkelijk de scepter te zwaaien over dat waar al de goden zich om bezorgen; noch zij, noch de menselijke heersers, noch een ander die van zorg en respect is voor de koeien, de brahmanen en voor Govinda, zullen, dit principe volgend, ook maar enige tegenslag ondervinden. (25) Weest derhalve zonder omhaal de zoon van Tvashthâ, Vis'varûpa toegewijd, die een onafhankelijke ['ongehuwde'] ziel van scholing, verzaking en boete is; op voorwaarde van uw tolerantie voor zijn werklast [van het ondersteunen van de Daitya's] zal hij uw belangen behartigen als u hem de eer gunt.'

(26) S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus geadviseerd door Heer Brahmâ, o Koning, gingen bevrijd van hun zorgen heenwaarts om de grote rishi, de zoon van Tvashthâ, in hun armen te sluiten en hem het volgende mede te delen. (27) De godsbewusten zeiden: 'Wij, hier bij uw verblijfplaats gearriveerd als uw gasten, wensen u alle geluk en voorspoed en zouden graag het verlangen onder woorden willen brengen, o beminde heer, dat, conform het gezag van onze voorvaderen, wat betreft de huidige situatie het een en ander recht wordt gezet. (28) Het is inderdaad de hoogste plicht van zonen naar hun beste vermogen hun ouders, en zelfs de ouden die zonder nageslacht zijn, te dienen, o brahmaan, om nog maar te zwijgen van de celibatairen [de brahmacârî's]. (29-30) De leraar van het voorbeeld verpersoonlijkt de vedische kennis, de vader staat voor de Oorspronkelijke Vader die God is, de broer is de representant van de heerser der goddelijken en de moeder is de rechtstreekse belichaming van de aarde. De zus is de personificatie van de genade, de gast is er als het ware zelf van het dharma, de genodigde is er als de vertegenwoordiger van het offervuur en alle levende wezens zijn er naar het model van de Allerhoogste van de Ziel. (31) Neem derhalve, bij machte van de verzaking in u, o allerbeste, vanwege van het bedreigde voorouderlijke belang, onze treurnis weg over de nederlaag die de vijanden ons bezorgden, wij die met wat we aan u hebben voorgelegd daar zo naar smachten. (32) Wij hebben u gekozen als onze leidsman van volmaaktheid aangaande het Allerhoogste Brahman, als onze brahmaan en onze geestelijk leraar, zodat bij machte van uw schittering we gemakkelijk onze rivalen mogen verslaan. (33) We weten dat het niet verboden is er belang aan te hechten om de voeten te respecteren van iemand die jonger is zoals u; het is van belang om vol van lof te zijn, o brahmaan, of men nu ouder is of niet telt niet echt mee in dit soort aangelegenheden [*].'

(34) De geachte rishi [S'uka] zei: 'Aldus op verzoek van de verlichten het priesterschap aanvaardend als de grote der verzaking, richtte hij, Vis'varûpa, verheugd over hun woorden van lof, het woord tot hen. (35) Vis'varûpa zei: 'Hoewel het door hen die zweren bij het dharma wordt veroordeeld als afbreuk doend aan iemands geesteskracht, kan nu op dit moment, o heren, o heersers over allen, een persoon als ik, wiens ware belang het in feite is om uw leerling te zijn, een dergelijk verzoek niet afwijzen. (36) Personen die zich uit de wereld terugtrekken mogen rekenen op de weelde der granen die zijn overgebleven in het veld en op de marktplaats [mogen van de 'sociale zekerheid' leven; s'iloñchana]; op die manier bereiken de sâdhu's, de waarheidzoekers, in alle vroomheid in deze wereld handelend, hun doel. Maar hoe afkeurenswaardig is het inderdaad voor mij, o heersers der werelden, om van de plicht van het priesterschap te zijn, een plicht die ervoor is ingesteld om de verstandsverbijsterden te laten jubelen. (37) Niettemin, kan ik het verzoek van jullie tezamen, als personen zo goed als de goeroe zelf, niet naast me neerleggen; omdat het verlangen naar mijn eigen leven en have er weinig toe doet, zal ik er mee instemmen.'

(38) De zoon van Vyâsa zei: 'Vis'varûpa, de grote der boetedoening die hen aldus zijn priesterschap beloofde, bracht in hun midden met grote aandacht toen het allerhoogste ten uitvoer. (39) Hoewel door de talenten van S'ukrâcârya de weelde van de vijanden der godsbewusten werd beschermd, slaagde de machtige wijze, middels een gebed voor Heer Vishnu [genaamd Nârâyana-kavaca], erin de weelde bijeen te brengen en te overhandigen aan de grote Indra [vergelijk B.G. 9: 31]. (40) Met deze lofzang die de ruimdenkende Vis'varûpa voor Mahendra ['de grote Indra'] onder woorden bracht was hij, de god met de duizend ogen, beschermd en was de militaire macht van degenen der duisternis, die tot een grote dreiging was uitgegroeid, verslagen.
 

 

 

 

next                      

 
Tweede editie, geladen 23 april 2007.
 

 

 

Bronteksten:

Indra beledigt zijn geestelijk leraar, Brihaspati

 

Text 1:

De koning zei: 'Alstublieft, o grote wijze, beschrijf om welke reden de godsbewusten door hun leraar van het voorbeeld [Brihaspati] werden afgewezen; aan welke overtreding hadden de leerlingen zich jegens de geestelijk leraar schuldig gemaakt?'

Mahârâja Parîkshit vroeg S'ukadeva Gosvâmî: O grote wijze, waarom verwierp Brihaspati, de geestelijk leraar van de halfgoden, zijn eigen leerlingen? Wat voor overtredingen hadden de halfgoden wel niet tegenover hun geestelijk leraar begaan? Vertelt u me alstublieft meer over dit voorval. (Vedabase)

 

Text 2-8:

De zoon van Vyâsadeva zei: 'Koning Indra genietend van de weelde der drie werelden was door de trots afgedwaald van het pad der waarheid. Omringd, o Koning, door de Maruts [van de glans], de Vasu's [der uitnemendheid], de Rudra's [van de woede], de Âditya's [van het onware], de Rihbu's [der inventiviteit, zie ook 4.4: 33], de Vis'vadeva's [van de koninklijke weelde], de Sâdhya's [der verfijning], de As'vinî-kumâra's [der hulpvaardigheid] en de Kumâra's [van het celibaat] en gediend door de Siddha's [der perfectie], de Cârana's [van het theater], Gandharva's [van de zang], de Muni's [der wijsheid], de Brahmavâdi's [der geleerdheid], de Vidyâdhara's [der wetenschap], Apsarâ's [van de hemel] en Kinnara's [van het bovenmenselijke], de Pataga's [van de vogels] en de Uraga's [der slangen], werd koning Indra in fraaie gezangen aanbeden o zoon van Bharata [vergelijk 2.3: 2-7]. In zijn ontvangstzaal zat hij op zijn troon en genoot hij de koninklijke weelde van een witte parasol zo mooi als de schijf van de maan en andere koninklijke zaken als yakstaarten om hem koelte toe te wuiven en meer van dat soort gemakken. Stralend met zijn vrouw S'acî die met hem de troon deelde, achtte hij zichzelf de hoogste en werd de verheven leraar van het voorbeeld, de geestelijk leidsman van al de goddelijken, toen hij in de bijeenkomst verscheen, niet door hem verwelkomt; hij stond niet op van zijn troon, bood hem geen zitplaats aan, noch groette hij de priester der godsbewusten, de beste der wijzen, die in gelijke mate door zowel de verlichte als onverlichte zielen werd hooggehouden. Alhoewel Indra hem binnen zag komen, toonde hij geen enkel respect.

S'ukadeva Gosvâmî zei: O koning, op een keer overtrad Indra, de hemelkoning, die er bijzonder trots op was dat hij alle rijkdom in de drie werelden bezat, de wet van de vedische etiquette. Hij zat op zijn troon, omringd door de Maruts, Vasu's, Rudra's, Âditya's, Ribhu's, Vis'vadeva's, Sâdhya's, As'vinî-kumâra's, Pataga's [vogels] en Uraga's [slangen], die Indra allemaal eer betoonden en hem hun diensten aanboden, terwijl de Apsarâ's en Gandharva's dansten en zongen op de zoete tonen van muziekinstrumenten. Boven Indra's hoofd hing een witte baldakijn, die straalde als de volle maan. Bewaaierd door yakstaarten en omringd door alle attributen van een grote koning, zat Indra daar zo samen met zijn vrouw, S'acîdevî, die de helft van de troon innam, toen de grote wijze Brihaspati zijn opwachting aan het hof maakte. Brihaspati, de beste der wijzen, was de geestelijk leraar van Indra en de andere halfgoden, en zowel de halfgoden als de demonen hadden respect voor hem. Hoewel Indra zijn geestelijk leraar wel degelijk zag, stond hij toch niet van zijn zetel op, noch bood hij zijn geestelijk leraar een zitplaats aan; ja, hij heette hem zelfs niet eens beleefd welkom. Hij betoonde hem gewoon op geen enkele manier respect. (Vedabase)

 

Text 9:

Brihaspati, de geleerde wijze en meester, die daarop meteen vertrok, keerde in stilte huiswaarts wel bekend als hij was met de vervreemding van het zich te veel verbeelden met de weelde.

Brihaspati wist alles wat er in de toekomst zou gaan gebeuren. Toen hij zag hoe Indra de regels van de etiquette overtrad, begreep hij heel goed dat de hemelkoning verwaand was geworden door zijn materiële rijkdom. Hoewel hij in staat was om Indra te vervloeken, deed hij dit niet. In plaats daarvan verliet hij het hof en keerde zonder iets te zeggen terug naar huis. (Vedabase)

 

Text 10:

Meteen zag Indra in dat hij zijn eigen goeroe had geminacht en oefende hij publiekelijk zelfkritiek:

Indra, de hemelkoning, realiseerde zijn vergissing meteen. In het besef dat hij zijn geestelijk leraar oneerbiedig behandeld had, veroordeelde hij zichzelf in bijzijn van iedereen die aan het hof aanwezig was. (Vedabase)

 

Text 11:

'O welk een ramp, hoe onbeschoft inderdaad was het wat ik gedaan heb; ik lijk wel gek geworden. Nu heb ik, vol van verbeelding over mijn welstand, temidden van deze vergadering de geestelijk leider onterecht behandeld!

Helaas, wat een betreurenswaardige daad heb ik begaan door mijn gebrek aan intelligentie en mijn trots op mijn materiële rijkdom. Toen mijn geestelijk leraar zijn opwachting maakte aan het hof, heb ik nagelaten om hem mijn respect te betuigen en hem op die manier beledigd. (Vedabase)

 

Text 12:

Welke man van kennis zou ook van de weelde zijn; hoewel ik de koning verheven boven allen ben, heb ik, de heerser die van de goedheid zou zijn, me daardoor nu laten leiden door een demonische mentaliteit.

Hoewel ik de koning ben van de halfgoden, die in de geaardheid goedheid zijn, was ik trots op een beetje rijkdom en bezoedeld door vals ego. Wie in deze wereld zou er onder deze omstandigheden zulke rijkdom aanvaarden, als hij daardoor het risico liep om ten val te komen? Helaas! Ik verdoem mijn rijkdom en weelde. (Vedabase)

   

Text 13:

Hij die beweert dat op de koningstroon zitten inhoudt dat men niet voor enig ander hoeft op te staan, heeft geen idee van de hogere betekenis van het dharma [vergelijk 4.2].

Als iemand zegt: "Wie op de koningstroon zit, hoeft niet op te staan om zijn respect te betonen aan een andere koning of brâhmana", dan is het duidelijk dat hij de hogere religieuze principes niet kent. (Vedabase)

 

Text 14:

Zij die voorgaan op de verkeerde weg belanden zelf in het duister, en een ieder die geloof hecht aan hun woorden, zal eveneens tenondergaan, als een boot van steen in het water.

Leiders die in onwetendheid gevallen zijn, die mensen misleiden en ze naar de vernietiging voeren [zoals in het vorige vers beschreven is], gaan in feite aan boord van een schip van steen, net als degenen die hen blindelings volgen. Een stenen schip kan niet blijven drijven en is gedoemd om met passagiers en al te zinken. Zo gaan mensen die anderen misleiden naar de hel, en hun volgelingen gaan met ze mee. (Vedabase)

 

Text 15:

Derhalve zal ik me bemoeien de geestelijk leider der smetteloze tweemaal geborenen, wiens kennis zo diep gaat, gunstig te stemmen en zal ik zonder dubbelhartigheid zijn lotusvoeten met mijn hoofd beroeren.'

Koning Indra zei: Daarom zal ik nu met grote eerlijkheid en zonder dubbelhartig te zijn, mijn hoofd buigen aan de lotusvoeten van Brihaspati, de geestelijk leraar van de halfgoden. Omdat hij in de geaardheid goedheid is, bezit hij alle kennis, en is hij de beste van de brâhmana's. Ik ga nu zijn lotusvoeten aanraken en hem mijn eerbetuigingen brengen om te proberen hem tevreden te stellen. (Vedabase)

 

Text 16:

Terwijl hij, Indra de machtigste van allen, zich aldus zorgen maakte, werd Brihaspati onzichtbaar voor hem als gevolg van de kracht van zijn hoogst verheven staat.

Terwijl Indra, de koning van de halfgoden, zich aan dergelijke gedachten overgaf en tegenover de leden van zijn hofhouding uiting gaf aan zijn berouw, begreep Brihaspati, zijn zeer machtige geestelijk leraar, wat er in hem omging. Daarom maakte hij zich onzichtbaar voor Indra en verliet zijn huis, want Brihaspati was geestelijk gesproken machtiger dan Indra. (Vedabase)

  

Text 17:

Verwoed overal op zoek nergens een spoor van zijn goeroe bekennend, kon de machtige Indra, vertrouwend op zijn eigen wijsheid en met de hulp van allen die bij hem betrokken waren, geestelijk geen rust vinden.

Hoewel Indra met hulp van de andere halfgoden naarstig naar Brihaspati zocht, kon hij hem niet vinden. Toen dacht Indra: Helaas, mijn geestelijk leraar is nu ontevreden over me, en dat betekent dat ik op geen enkele manier gelukkig zal kunnen zijn. Hoewel Indra omringd was door halfgoden, kon hij geen vrede vinden in zijn hart. (Vedabase)

 

Text 18:

Toen dat de massa der onverlichten, die vasthielden aan de voorschriften van S'ukrâcârya, duidelijk werd namen ze, niet al te slim, hun wapens op en verklaarden ze de godsbewusten de oorlog.

Toen de demonen hoorden in wat voor penibele situatie koning Indra zich bevond, rustten ze zich in navolging van de instructies van hun guru, S'ukrâcârya, met wapens uit en verklaarden de halfgoden de oorlog. (Vedabase)

 

Text 19:

Met hun rompen, armen en benen getroffen door de scherpe pijlen die ze afschoten, namen de goddelijken tezamen met Indra hun toevlucht tot Heer Brahmâ, en bogen ze voor hem het hoofd.

De scherpe pijlen van de demonen verwondden de halfgoden aan het hoofd, de benen, de armen en andere lichaamsdelen. Ze zagen geen andere oplossing meer dan zo snel mogelijk, met Indra voorop, met gebogen hoofd Heer Brahmâ te benaderen en hem om bescherming en goede raad te vragen. (Vedabase)
 
Text 20:

Toen die zag hoezeer ze werden geplaagd door de aanval op hen, sprak de god, de allerhoogste ongeborene die Brahmâ was, uit zijn grondeloze en onbegrensde genade tot hen om hun leed te verzachten.

Toen de zeer machtige Heer Brahmâ de halfgoden eraan zag komen, hun lichamen ernstig verwond door de pijlen van de demonen, kalmeerde hij hen uit zijn grondeloze genade en sprak als volgt. (Vedabase)

  

Text 21:

Heer Brahmâ zei: 'Helaas, welk een onaangename verrassing, o besten der verlichting, jullie hebben daadwerkelijk een trouwe dienaar van de Absolute Waarheid, een brahmaan van volmaakte beheersing, een groot onrecht aangedaan; vanwege jullie goede doen hebben jullie gefaald hem naar behoren welkom te heten.

Heer Brahmâ zei: O beste der halfgoden, verdwaasd door jullie materiële rijkdom hebben jullie helaas nagelaten om Brihaspati naar behoren te verwelkomen toen hij op audiëntie kwam. Omdat hij het Allerhoogste Brahman heeft gerealiseerd en volkomen meester is over zijn zinnen, is hij de beste der brâhmana's. Daarom is het heel verwonderlijk dat jullie je zo onbehoorlijk tegenover hem hebben gedragen. (Vedabase)

  

Text 22:

Het was vanwege deze minachting van jullie die zo succesvol zijn, dat de anderen, de vijanden door wie jullie zijn verslagen, er toe werden aangezet ondanks hun klaarblijkelijke zwakheid zich tegen jullie te keren, o getrouwen van God.

Jullie wangedrag tegenover Brihaspati is de reden dat jullie verslagen zijn door de demonen. Beste halfgoden, hoe anders hadden jullie, die over zoveel meer middelen beschikten, verslagen kunnen worden door de demonen, die zwak waren omdat jullie ze al verscheidene malen overwonnen hadden? (Vedabase)

 

Text 23:

En u Indra Maghavan, Eer der Weelde, kijk nu eens hoe uw vijanden, voorheen zo zwak door het veronachtzamen van hun geestelijk leider, nu hun macht hebben herwonnen door met grote toewijding hun wijze de zoon van Bhrigu [S'ukrâcârya] te vereren, en wel in die mate dat ze zelfs mij naar de kroon steken in mijn eeuwige woning der waarheid!

O Indra, je vijanden, de demonen, waren bijzonder zwak omdat ze oneerbiedig waren geweest tegenover S'ukrâcârya, maar omdat ze S'ukrâcârya nu met grote toewijding hebben vereerd, zijn ze weer machtig geworden. Door hun toewijding aan S'ukrâcârya hebben ze hun kracht zo opgevoerd dat ze nu zelfs met gemak mijn residentie van me af kunnen nemen. (Vedabase)

 

Text 24:

In hun besluit de aanwijzingen op te volgen van de Bhrigumeesters [als S'ukrâcârya] zijn ze onverdeeld in hun plannen en valt het ze makkelijk de scepter te zwaaien over dat waar al de goden zich om bezorgen; noch zij, noch de menselijke heersers, noch een ander die van zorg en respect is voor de koeien, de brahmanen en voor Govinda, zullen, dit principe volgend, ook maar enige tegenslag ondervinden.

 Door hun onwankelbare vastbeslotenheid om de instructies van S'ukrâcârya op te volgen, hoeven zijn leerlingen, de demonen, zich nu geen zorgen meer over de halfgoden te maken. In feite is de positie van koningen of anderen die een onwrikbaar vertrouwen in de genade van de brâhmana's, de koeien en de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, hebben en deze drie trouw vereren, altijd heel sterk. (Vedabase)

 

Text 25:

Weest derhalve zonder omhaal de zoon van Tvashthâ, Vis'varûpa toegewijd, die een onafhankelijke ['ongehuwde'] ziel van scholing, verzaking en boete is; op voorwaarde van uw tolerantie voor zijn werklast [van het ondersteunen van de Daitya's] zal hij uw belangen behartigen als u hem de eer gunt.'

O halfgoden, ik draag jullie op om Vis'varûpa te benaderen, de zoon van Tvashthâ, en hem als jullie guru te aanvaarden. Hij is een zuiver en zeer machtig brâhmana, die zich onderwerpt aan boetedoening en ascese. Als jullie eerbetoon hem bevalt, zal hij jullie wensen vervullen, vooropgesteld dat jullie zijn neiging om de kant van de demonen te kiezen dulden. (Vedabase)

 

Text 26:

S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus geadviseerd door Heer Brahmâ, o Koning, gingen bevrijd van hun zorgen heenwaarts om de grote rishi, de zoon van Tvashthâ, in hun armen te sluiten en hem het volgende mede te delen.

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat de halfgoden dit advies van Heer Brahmâ gekregen hadden en zo van hun angst en zorgen bevrijd waren, gingen ze allemaal naar de wijze Vis'varûpa, de zoon van Tvashthâ. Ze omhelsden hem, beste koning, en spraken als volgt. (Vedabase)

 

Text 27:

De godsbewusten zeiden: 'Wij, hier bij uw verblijfplaats gearriveerd als uw gasten, wensen u alle geluk en voorspoed en zouden graag het verlangen onder woorden willen brengen, o beminde heer, dat, conform het gezag van onze voorvaderen, wat betreft de huidige situatie het een en ander recht wordt gezet.

De halfgoden zeiden: Geliefde Vis'varûpa, moge alle geluk je op je pad vergezellen! Wij, de halfgoden, zijn als gasten naar je âs'rama gekomen. Probeer alsjeblieft gezien de omstandigheden onze wensen te vervullen, want we staan op het niveau van je ouders. (Vedabase)

 

Text 28:

Het is inderdaad de hoogste plicht van zonen naar hun beste vermogen hun ouders, en zelfs de ouden die zonder nageslacht zijn, te dienen, o brahmaan, om nog maar te zwijgen van de celibatairen [de brahmacârî's].

O brâhmana, de hoogste plicht van een zoon is om zijn ouders te dienen, ook al heeft hij zelf zoons, en als hij een brahmacârî is, spreekt het helemaal vanzelf dat hij dit doet. (Vedabase)

 

Text 29-30:

De leraar van het voorbeeld verpersoonlijkt de vedische kennis, de vader staat voor de Oorspronkelijke Vader die God is, de broer is de representant van de heerser der goddelijken en de moeder is de rechtstreekse belichaming van de aarde. De zus is de personificatie van de genade, de gast is er als het ware zelf van het dharma, de genodigde is er als de vertegenwoordiger van het offervuur en alle levende wezens zijn er naar het model van de Allerhoogste van de Ziel.

De âcârya, de geestelijk leraar die onderricht geeft in de vedische kennis en ons initieert door ons de heilige draad te schenken, is de verpersoonlijking van alle Veda's. Zo is de vader de verpersoonlijking van Heer Brahmâ; de broer van koning Indra; de moeder van de planeet aarde; en de zuster van de genade. Een gast is de verpersoonlijking van de religieuze principes, een genode gast van de halfgod Agni, en alle levende wezens zijn de verpersoonlijking van Heer Vishnu, de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Text 31:

Neem derhalve, bij machte van de verzaking in u, o allerbeste, vanwege van het bedreigde voorouderlijke belang, onze treurnis weg over de nederlaag die de vijanden ons bezorgden, wij die met wat we aan u hebben voorgelegd daar zo naar smachten.

Lieve zoon, we zijn verslagen door onze vijanden, en daarom voelen we ons erg gegriefd. Wees alsjeblieft zo genadig om onze wensen te vervullen en bevrijd ons door de kracht van je ascese van onze zorgen. Verhoor alsjeblieft onze gebeden. (Vedabase)

 

Text 32:

Wij hebben u gekozen als onze leidsman van volmaaktheid aangaande het Allerhoogste Brahman, als onze brahmaan en onze geestelijk leraar, zodat bij machte van uw schittering we gemakkelijk onze rivalen mogen verslaan.

Aangezien jij je volkomen bewust bent van het Allerhoogste Brahman, ben je een volmaakte brâhmana, en daarom de geestelijk leraar van alle levensordes. Wij aanvaarden je als onze geestelijk leraar en leider zodat we door de kracht van je ascese de vijanden die ons overwonnen hebben met gemak zullen kunnen verslaan. (Vedabase)

 

Text 33:

We weten dat het niet verboden is er belang aan te hechten om de voeten te respecteren van iemand die jonger is zoals u; het is van belang om vol van lof te zijn, o brahmaan, of men nu ouder is of niet telt niet echt mee in dit soort aangelegenheden [*].'

De halfgoden vervolgden: Wees niet bang voor kritiek omdat je jonger bent dan wij. Dergelijke etiquette gaat niet op als het om vedische mantra's gaat. Normaal gesproken bepaalt de leeftijd wie het oudste is, maar in dit geval kan men zelfs aan een jongere die gevorderd is in het chanten van vedische mantra's zijn nederige eerbetuigingen brengen. Hoewel je jonger bent dan wij, mag je daarom zonder aarzelen onze priester worden. (Vedabase)

 

Text 34:

De geachte rishi [S'uka] zei: 'Aldus op verzoek van de verlichten het priesterschap aanvaardend als de grote der verzaking, richtte hij, Vis'varûpa, verheugd over hun woorden van lof, het woord tot hen.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Toen alle halfgoden de grote Vis'varûpa verzochten om hun priester te worden, was Vis'varûpa, die zeer gevorderd was op het gebied van ascese, heel aangenaam getroffen. Hij antwoordde hun als volgt. (Vedabase)

 

Text 35:

Vis'varûpa zei: 'Hoewel het door hen die zweren bij het dharma wordt veroordeeld als afbreuk doend aan iemands geesteskracht, kan nu op dit moment, o heren, o heersers over allen, een persoon als ik, wiens ware belang het in feite is om uw leerling te zijn, een dergelijk verzoek niet afwijzen.

S'rî Vis'varûpa zei: O halfgoden, het aanvaarden van het priesterschap wordt afgeraden omdat het zou leiden tot verlies van eerder gewonnen brahmaanse macht, maar hoe kan iemand als ik weigeren om uw verzoek in te willigen? U bent allen verheven leiders van het universum. Ik ben uw leerling en er is veel dat ik van u leren moet. Daarom kan ik niet weigeren. Ik moet akkoord gaan voor mijn eigen bestwil. (Vedabase)

 

Text 36:

Personen die zich uit de wereld terugtrekken mogen rekenen op de weelde der granen die zijn overgebleven in het veld en op de marktplaats [mogen van de 'sociale zekerheid' leven; s'iloñchana]; op die manier bereiken de sâdhu's, de waarheidzoekers, in alle vroomheid in deze wereld handelend, hun doel. Maar hoe afkeurenswaardig is het inderdaad voor mij, o heersers der werelden, om van de plicht van het priesterschap te zijn, een plicht die ervoor is ingesteld om de verstandsverbijsterden te laten jubelen.

O verheven bestuurders van verschillende planeten, de ware brâhmana, die geen materiële bezittingen heeft, onderhoudt zichzelf door middel van de methode van s'iloñchana. Met andere woorden, hij raapt de graankorrels op die op het veld en op de marktplaats zijn blijven liggen. Op deze manier onderhouden gehuwde brâhmana's die zich werkelijk aan de principes van boetedoening en ascese houden, zichzelf en hun gezin en verrichten ze alle noodzakelijke vrome activiteiten. Een brâhmana die gelukkig wil worden door als professioneel priester rijkdom te vergaren, moet wel een zeer lage mentaliteit hebben. Hoe zou ik zo het priesterschap kunnen aanvaarden? (Vedabase)

 

Text 37:

Niettemin, kan ik het verzoek van jullie tezamen, als personen zo goed als de goeroe zelf, niet naast me neerleggen; omdat het verlangen naar mijn eigen leven en have er weinig toe doet, zal ik er mee instemmen.'

U bent allen mijn superieuren. Daarom, hoewel het in sommige gevallen afkeurenswaardig is om het ambt van priester te aanvaarden, kan ik u zelfs het minste verzoek niet weigeren. Ik ga ermee akkoord om uw priester te worden. Ik zal aan uw verzoek voldoen en mijn leven en bezittingen aan u opdragen. (Vedabase)

 

Text 38:

De zoon van Vyâsa zei: 'Vis'varûpa, de grote der boetedoening die hen aldus zijn priesterschap beloofde, bracht in hun midden met grote aandacht toen het allerhoogste ten uitvoer.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning, nadat de verheven Vis'varûpa de halfgoden deze belofte had gedaan, verrichtte hij, omringd door de halfgoden, de noodzakelijke priesterlijke activiteiten met grote geestdrift en aandacht. (Vedabase)

 

Text 39:

Hoewel door de talenten van S'ukrâcârya de weelde van de vijanden der godsbewusten werd beschermd, slaagde de machtige wijze, middels een gebed voor Heer Vishnu [genaamd Nârâyana-kavaca], erin de weelde bijeen te brengen en te overhandigen aan de grote Indra [vergelijk B.G. 9: 31].

De rijkdom van de demonen, die algemeen bekendstaan als de vijanden van de halfgoden, werd beschermd door de talenten en de taktieken van S'ukrâcârya, maar Vis'varûpa, die uiterst machtig was, schreef een beschermend gebed dat bekendstaat als de Nârâyana-kavaca. Met deze intelligente mantra nam hij de demonen hun rijkdom af en gaf die aan Mahendra, de hemelkoning. (Vedabase)

 

Text 40:

Met deze lofzang die de ruimdenkende Vis'varûpa voor Mahendra ['de grote Indra'] onder woorden bracht was hij, de god met de duizend ogen, beschermd en was de militaire macht van degenen der duisternis, die tot een grote dreiging was uitgegroeid, verslagen.

Vis'varûpa, die heel vrijgevig was, gaf koning Indra [Sahasrâksha] een geheime mantra die hem beschermde en in staat stelde om de militaire macht van de demonen te verslaan. (Vedabase)

 

 

*: S'rî Caitanya Mahâprabhu, de voorstander van dit Bhâgavatam, gaf uitdrukking aan zijn instemming in dezen toen hij zijn mening onder woorden bracht voor Râmânanda Râya (Cc. Madhya 8.128): kibâ vipra, kibâ nyâsî, s'ûdra kene naya yei krishna-tattva-vettâ, sei 'guru' haya: 'Het doet niet ter zake of men een brâhmana, s'ûdra, grihastha of een sannyâsî is. Dit zijn allemaal materiële aanduidingen. Een spiritueel gevorderd persoon heeft niets van doen met dergelijke aanduidingen. Derhalve, als men gevorderd is in de wetenschap van het Krishna-bewustzijn, kan men, ongeacht zijn positie in de samenleving, een geestelijk leraar worden.

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Jnananjana dasa; het tweede door Jadurani devî dâsî en het derde door Dinabandhu dasa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties