regelbalk



 

Canto 5

Hari Harye Namah

 
 

Hoofdstuk 20: De Structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

(1) S'rî S'uka zei: 'Laat me nu een beschrijving geven van de afmetingen, kenmerken en vorm van de onderverdelingen van Plaksha en de andere dvîpa's die men varsha's noemt [of landen, zie 5.1: 32]. (2) Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt die dvîpa zelf weer [zoals gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die net zo breed is. Die oceaan wordt, als een park rondom een gracht, omsloten door de dvîpa Plaksha die zich twee keer zo breed uitstrekt. Hij werd vernoemd naar de plakshaboom die net zo groot is als de jambû maar twee keer zo breed. Onder die boom die in zijn pracht schitterend ten hemel reikt, bevindt zich een vuur dat zeven vlammen telt. De heerser over die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva. Toen hij zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie verdeelde hij zijn dvîpa in zeven varsha's die hij de namen gaf van zijn zeven zoons. (3-4) S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's. Die hebben weer zeven verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De hoofdrivieren zijn de Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen die men aldaar [overeenkomstig hun levensroeping] de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's noemt [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, krijgen er kinderen en voeren Vedische rituelen uit aan de hemelpoort. Daarbij aanbidden ze overeenkomstig de schriftuurlijke bepalingen de Allerhoogste Heer, de Superziel in de gedaante van de zonnegod als volgt: (5) 'Laten we onze toevlucht nemen tot Sûrya, de god van de zon die een manifestatie is van Heer Vishnu, de oorspronkelijke Ziel van de waarheid der rechtschapenheid, van Brahman en van het eeuwige leven en de dood.'
Jambhudvipa
(6) Op Plaksha en de andere vier dvîpa's worden de mensen zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijk en geestelijk uithoudingsvermogen, lichaamskracht, intelligentie en heldhaftigheid. (7) Omringd door een oceaan van suikerrietsap die net zo breed is, bevindt zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa genaamd S'âlmala die twee maal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ*]. (8) Die dvîpa ontleent zijn naam aan de s'âlmalîboom die net zo groot is als een plakshaboom en daarin, zo zegt men, huist Garuda de draagvogel van Vedische gebeden jegens Heer Vishnu. (9) De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde hem in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta. (10) De zeven bergen staan bekend onder de namen de Svarasa, S'atas'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti. De zeven rivieren heten de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ. (11) De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [zij die luisteren, heldhaftig zijn, van de weelde zijn en gehoorzaam zijn]. Goed doorkneed in de Vedische kennis, aanbidden zij de Allerhoogste Heer in de gedaante van Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' ofwel de maangod]: (12) 'Met zijn straling verdeelt hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna].  Moge hij, die goddelijkheid van de maan en het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, moge die koning aller mensen ons goedgezind blijven.'

(13) Daaropvolgend is er buiten die oceaan van drank de dvîpa genaamd Kus'a die, zoals met de dvîpa ervoor, twee maal zo groot is en omringd wordt door een zee van ghee die even breed is. Het kus'agras daar geschapen door God gaf die dvîpa zijn naam omdat door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen worden verlicht als was het een ander soort vuur. (14) De zoon van Mahârâja Priyavrata genaamd Hiranyaretâ o Koning, verdeelde als de meester van dat eiland, toen hij zich terugtrok voor zijn boete, de dvîpa onder zijn zeven zoons met de namen Vasu, Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva. (15) De zeven berggebieden van die varsha's zijn de Cakra-, Catuhs'ringa-, Kapila-, Citrakûtha-, Devânîka-, Ûrdhvaromâ- en de Dravinabergen en de zeven rivieren zijn de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ. (16) Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [ofwel de graszitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen de Allerhoogste Heer in de gedaante van de vuurgod Jâtaveda ['hij die het loon toekent']: (17) 'Van al de halfgoden van het allerhoogste Brahman die de ledematen vormen van de Oorspronkelijke Persoon, bent u o god van het vuur, degene die persoonlijk de offergaven van ghee en granen [aan de Heer] overdraagt. [Alstublieft aanvaard] daarom ons offer voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'

(18) Net zoals Kus'advîpa wordt omringd door een oceaan van ghee, wordt Krauñcadvîpa daar weer buiten en twee keer zo groot, omringd door een oceaan van melk [of plantensap] van dezelfde afmeting. De dvîpa ontleent zijn naam aan de koning der bergen aldaar die Krauñca heet. (19) Hoewel Guha [de zoon van S'iva, Kârttikeya] er met zijn wapens de vegetatie kapot maakte, staat hij [die berg] daar onbevreesd omdat hij zich steeds baadt in de oceaan van melk en de bescherming geniet van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën]. (20) Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, de heerser over die dvîpa gaf de zeven secties, de varsha's, de namen van zijn zeven zoons die hij, allen net zo machtig als hij, aanstelde als hun heersers. Daarna nam hij zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo zegenrijk zijn. (21) Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadrabergen. De zeven rivieren waren de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ. (22) Geheiligd door te baden in het heldere water van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de autentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handen gevuld met water [de Heer in de gedaante van Varuna] de godheid van het water: (23) 'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs. Moge het beroeren van dit water, dat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'

(24) Voorbij die melkoceaan bevindt zich de dvîpa S'âka die 3.2 miljoen yojana's breed is. Hij wordt omringd door een oceaan van wei die even breed is en heeft zijn naam te danken aan een bijzonder geurige vijgenboom die over de hele dvîpa te ruiken is. (25) Een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi is er de heerser. Ook hij verdeelde zijn dvîpa in zeven varsha's die hij de namen gaf van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij er aanstelde als hun leiders. Daarna ging hij het woud in om boete te doen met zijn geest verzonken in de oneindigheid van de Allerhoogste Heer. (26) De zeven bergen die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de Îs'âna-, Urus'ringa-, Balabhadra,- S'atakesara-, Sahasrasrota-, Devapâla- en de Mahânasabergen en de zeven rivieren zijn de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (27) De mensen van die varsha's, de Ritavrata's,  Satyavrata's, Dânavrata's en Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, de gezworenen der waarheid, de verschaffers en de volgzamen] zuiveren zich van hun hartstochten en onwetendheid middels de praktijk van het reguleren van de ademhaling die beheerst wordt door de halfgod Vâyu. Verzonken in het bovenzinnelijke aanbidden ze hem als de vertegenwoordiger van de Hoogste Persoonlijkheid met: (28) 'U die alle levende wezens binnengaat bent de ene Superziel vanbinnen, de rechtstreekse heerser die handhaaft middels de functies van de adem. Alstublieft leidt ons, daar u over de gehele kosmos heerst.'

(29)
Zo ook is er buiten die oceaan van wei weer een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een even zo grote oceaan van zoet water. Daar bevindt zich een zeer grote lotusbloem die wel 100 miljoen bloembladen van puur goud heeft die zijn als de vlammen van een laaiend vuur. Die lotus houdt men voor de zetel van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ]. (30) Op die dvîpa treft men een bergketen aan genaamd Mânasottara die de scheiding vormt tussen de varsha's aan de binnenkant en de buitenkant. Hij herbergt, met een afmeting van 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier daar heersende halfgoden [Indra, Yama, Varuna en Soma]. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru omkruist door het voertuig van de zonnegod Sûrya in een baan die gerekend naar de dagen en nachten van de halfgoden [**] bestaat uit een heel jaar. (31) De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra, vernoemde de twee varsha's daar naar zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki en stelde hen aan als hun heersers toen hij, net zoals zijn andere broers dat deden, zich beperkte tot deugdzame daden om de Opperheer te behagen. (32) De mensen van die landen aanbidden voor de vervulling van hun wensen met rituele handelingen de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden het volgende: (33) 'Iemand met een vaste overtuiging moet vrij van dubbelhartigheid en vreedzaam door bewust met de illusie om te springen [middels rituele handelingen] de Allerhoogste Heer aanbidden in de gedaante van hem [Heer Brahmâ] die het allerhoogste Brahman openbaart. Die almachtige Heer brengen wij onze eerbetuigingen.'

(34) Buiten dat gebied [voorbij de oceaan van zoet water] bevindt zich aan alle kanten eromheen een formatie genaamd Lokâloka die men omschrijft als de afgrenzing tussen de wereld van het licht en de wereld zonder licht. (35) Het gebied [genaamd Loka-varsha tot aan die grens] is zo groot als het gebied tussen de berg Meru en de Mânasottara keten, [en gaat daarbuiten over in] een ander gebied [Aloka-varsha, het donkere gebied] dat van goud is en zo glad is als een spiegel. Alles wat daar terecht komt kan onmogelijk weer worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (36) De formatie Lokâloka [die de buitenste schil van het universum vormt] bevindt zich tussen de gebieden waarvan men spreekt als zijnde bewoond en niet bewoond. (37) Die uiterste begrenzing van de drie werelden die overal eromheen door de Heer werd geschapen, ligt zo ver weg dat het voor de stralen van al de hemellichamen - van de zon tot aan die van Dhruva's doel der bevrijding [het centrum van het universum, zie 4.12: 12] -,  niet mogelijk is om verder te reiken. (38) De geleerden die de posities, kenmerken en situaties onderzochten van de verschillende werelden [de planeten en sterren], becijferden dat het gebied tussen het centrum en de buitenste Lokâlokabegrenzing van het universum zoveel als een half biljoen yojana's beslaat, een kwart [van de totale omvang of energie] van het uitspansel.

(39) In de vier windrichtingen zijn bovenop [die formatie] door de bron van het zelf die de geestelijk leraar van het hele universum is [Brahmâ], de vier gaja-pati's  ['de besten der olifanten'] Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita aangesteld, om te zorgen voor de stabiliteit van de verschillende leefwerelden in het universum. (40) Hij [Heer Vishnu] is van al Zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden [Zijn 'olifanten'] en al de soorten van helden die expansies van Zijn vermogen vormen, de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle machten, de Ziel van alle zielen en het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Uitgerust met de verschillende wapens die Hij omhooghoudt met Zijn stoere armen en omringd door Vishvaksena en andere vertegenwoordigers en uitmuntende metgezellen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, Zijn gedaante aan alle zijden van die grootste van alle bergen. (41) Enkel en alleen maar om het leven te handhaven in de verschillende werelden die hij ontwikkelde op basis van Zijn uiterlijk vermogen, neemt de Hoogste Persoonlijkheid voor de duur van een kalpa deze verschijning aan. (42) Van het gebied voorbij het beschreven [onbewoonbare, donkere] gebied [Aloka-varsha] dat zich zo breed uitstrekt buiten Lokâloka als wat zich er binnen bevindt, beweert men dat het de bestemming vormt voor hen die vrij van alle smetten het pad van de Heer van de Yoga bewandelen.

(43) In het centrum van het universum treft men de zonnen aan die zich bevinden tussen de hemel en aarde. Die zonnige bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (44) Omdat hij de levenloze vorm van deze bol ten tijde van zijn schepping binnenging, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda ['de god der zonnen']. De aanduiding van Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmâ] kwam tot stand omdat hij zijn lichaam ontving van die [gouden  stralenpracht]. (45) Dankzij de zonnegod [Sûrya] zijn we in staat te differentiëren tussen de windrichtingen, de ether, de planeten erboven en de werelden er beneden, en kunnen we ook het verschil uitmaken tussen de hemelse verblijfplaatsen, de plaatsen voor de bevrijding en de helse plaatsen als Atala. (46) De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en de visie van de goden, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en rondbeweegt.'
 

next                   

 
Derde herziene editie, geladen 27 augustus, 2011. 
  

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Laat me nu een beschrijving geven van de afmetingen, kenmerken en vorm van de onderverdelingen van Plaksha en de andere dvîpa's die men varsha's noemt [of landen, zie 5.1: 32].
S'rî S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvîpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5-1-32]. (Vedabase)

 

Tekst 2

Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt die dvîpa zelf weer [zoals gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die net zo breed is. Die oceaan wordt, als een park rondom een gracht, omsloten door de dvîpa Plaksha die zich twee keer zo breed uitstrekt. Hij werd vernoemd naar de plakshaboom die net zo groot is als de  jambû maar twee keer zo breed. Onder die boom die in zijn pracht schitterend ten hemel reikt, bevindt zich een vuur dat zeven vlammen telt. De heerser over die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva. Toen hij zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie verdeelde hij zijn dvîpa in zeven varsha's die hij de namen gaf van zijn zeven zoons.

Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt zij zelf [gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die even zo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvîpa Plaksha welke, vernoemd naar de Plaksha-boom die zo groot is als een Jambû, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvîpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie. (Vedabase)

 

Tekst 3-4

S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's. Die hebben weer zeven verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De hoofdrivieren zijn de Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen  die men aldaar [overeenkomstig hun levensroeping] de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's noemt [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, krijgen er kinderen en voeren Vedische rituelen uit aan de hemelpoort. Daarbij aanbidden ze overeenkomstig de schriftuurlijke bepalingen de Allerhoogste Heer, de Superziel in de gedaante van de zonnegod als volgt:

S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang: (Vedabase)

 

Tekst 5

'Laten we onze toevlucht nemen tot Sûrya, de god van de zon die een manifestatie is van Heer Vishnu, de oorspronkelijke Ziel van de waarheid der rechtschapenheid, van Brahman en van het eeuwige leven en de dood.'

'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van Brahman, van de nektar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sûrya, de God van de Zon.' (Vedabase)


Tekst 6

Op Plaksha en de andere vier dvîpa's worden de mensen zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijk en geestelijk uithoudingsvermogen, lichaamskracht, intelligentie en heldhaftigheid.

Vanaf Plaksha worden op de vijf dvîpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid. (Vedabase)

  

Tekst 7

Omringd door een oceaan van suikerrietsap die net zo breed is, bevindt zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa genaamd S'âlmala die twee maal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ*].

Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa die bekend staat als S'âlmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ, zie voetnoot ]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Die dvîpa ontleent zijn naam aan de s'âlmalîboom die net zo groot is als een plakshaboom en daarin, zo zegt men, huist Garuda de draagvogel van Vedische gebeden jegens Heer Vishnu.

Die dvîpa ontleent haar naam aan de S'âlmali-boom zo groot als een Plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf. (Vedabase)

 

Tekst 9

De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde hem in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta.

De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta. (Vedabase)

 

Tekst 10

De zeven bergen staan bekend onder de namen de Svarasa, S'atas'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti. De zeven rivieren heten de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ.

De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ. (Vedabase)

 

Tekst 11

De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [zij die luisteren, heldhaftig zijn, van de weelde zijn en gehoorzaam zijn]. Goed doorkneed in de Vedische kennis, aanbidden zij de Allerhoogste Heer in de gedaante van Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' ofwel de maangod]:

De mensen die in die varsha's leven staan bekend als S'rutadhara, Vîryadhara, Vasundhara en Ishandhara [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]: (Vedabase)

 

Tekst 12

'Met zijn straling verdeelt hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna].  Moge hij, die goddelijkheid van de maan en het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, moge die koning aller mensen ons goedgezind blijven.'

'Door zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en Krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.' (Vedabase)

 

Tekst 13

Daaropvolgend is er buiten die oceaan van drank de dvîpa genaamd Kus'a die, zoals met de dvîpa ervoor, twee maal zo groot is en omringd wordt door een zee van ghee die even breed is. Het kus'agras daar geschapen door God gaf die dvîpa zijn naam omdat door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen worden verlicht als was het een ander soort vuur.

Daarop volgend is er buiten die oceaan van drank even breed en twee maal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvîpa ervoor, Kus'advîpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvîpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht. (Vedabase)


Tekst 14

De zoon van Mahârâja Priyavrata genaamd Hiranyaretâ o Koning, verdeelde als de meester van dat eiland, toen hij zich terugtrok voor zijn boete, de dvîpa onder zijn zeven zoons met de namen Vasu, Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva.

De meester van dat eiland, Hiranyaretâ, de zoon van Mahârâja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvîpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva. (Vedabase)

 

Tekst 15

De zeven berggebieden van die varsha's zijn de Cakra-, Catuhs'ringa-, Kapila-, Citrakûtha-, Devânîka-, Ûrdhvaromâ- en de Dravinabergen en de zeven rivieren zijn de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ.

De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakûtha, Devânîka, Ûrdhvaromâ en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ. (Vedabase)

 

Tekst 16

Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [ofwel de graszitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen de Allerhoogste Heer in de gedaante van de vuurgod Jâtaveda ['hij die het loon toekent']:

Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jâtaveda ['Hij die het Loon toekent']: (Vedabase)

 

Tekst 17

'Van al de halfgoden van het allerhoogste Brahman die de ledematen vormen van de Oorspronkelijke Persoon, bent u o god van het vuur, degene die persoonlijk de offergaven van ghee en granen [aan de Heer] overdraagt. [Alstublieft aanvaard] daarom ons offer voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'

'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstublieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.' (Vedabase)

 

Tekst 18

Net zoals Kus'advîpa wordt omringd door een oceaan van ghee, wordt Krauñcadvîpa daar weer buiten en twee keer zo groot, omringd door een oceaan van melk [of plantensap] van dezelfde afmeting. De dvîpa ontleent zijn naam aan de koning der bergen aldaar die Krauñca heet.

Zo wordt, net zoals Kus'advîpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauñcadvîpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauñca wordt aangetroffen die die dvîpa zijn naam gaf. (Vedabase)

 

Tekst 19

Hoewel Guha [de zoon van S'iva, Kârttikeya] er met zijn wapens de vegetatie kapot maakte, staat hij [die berg] daar onbevreesd omdat hij zich steeds baadt in de oceaan van melk en de bescherming geniet van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën].

Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kârttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën]. (Vedabase)

 

Tekst 20

Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, de heerser over die dvîpa gaf de zeven secties, de varsha's, de namen van zijn zeven zoons die hij, allen net zo machtig als hij, aanstelde als hun heersers. Daarna nam hij zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo zegenrijk zijn.

Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, heerser van die dvîpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen even zo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als meester van de varsha toen hij zelf zijn toevlucht nam tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harî, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn. (Vedabase)

 

Tekst 21

Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadrabergen. De zeven rivieren waren de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ. 

Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ. (Vedabase)

 

Tekst 22

Geheiligd door te baden in het heldere water van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de autentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handen gevuld met water [de Heer in de gedaante van Varuna] de godheid van het water:

Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water: (Vedabase)

 

Tekst 23

'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs. Moge het beroeren van dit water, dat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'

'O water, Heroïsche Persoonlijkheid, U heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs, moge onze beroering van dat water dat alle zonden vernietigt, aldus van het ware van U onze lichamen zuiveren.' (Vedabase)

  

Tekst 24

Voorbij die melkoceaan bevindt zich de dvîpa S'âka die 3.2 miljoen yojana's breed is. Hij wordt omringd door een oceaan van wei die even breed is en heeft zijn naam te danken aan een bijzonder geurige vijgenboom die over de hele dvîpa te ruiken is.

Logisch daarop volgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvîpa S'âka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yoyana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvîpa aromatiseert. (Vedabase)

  

Tekst 25

Een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi is er de heerser. Ook hij verdeelde zijn dvîpa in zeven varsha's die hij de namen gaf van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij er aanstelde als hun leiders. Daarna ging hij het woud in om boete te doen met zijn geest verzonken in de oneindigheid van de Allerhoogste Heer.

De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi verdeelde de dvîpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij daar aanstelde als hun leiders toen hijzelf, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer, het woud der boete inging. (Vedabase)

 

Tekst 26

De zeven bergen die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de Îs'âna-, Urus'ringa-, Balabhadra,- S'atakesara-, Sahasrasrota-, Devapâla- en de Mahânasabergen en de zeven rivieren zijn de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti.

De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de Îs'âna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapâla en de Mahânasa bergen en de rivieren de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (Vedabase)

 

Tekst 27

De mensen van die varsha's, de Ritavrata's,  Satyavrata's, Dânavrata's en Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, de gezworenen der waarheid, de verschaffers en de volgzamen] zuiveren zich van hun hartstochten en onwetendheid middels de praktijk van het reguleren van de ademhaling die beheerst wordt door de halfgod Vâyu. Verzonken in het bovenzinnelijke aanbidden ze hem als de vertegenwoordiger van de Hoogste Persoonlijkheid met:

De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dânavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vâyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met: (Vedabase)

 

Tekst 28

'U die alle levende wezens binnengaat bent de ene Superziel vanbinnen, de rechtstreekse heerser die handhaaft middels de functies van de adem. Alstublieft leidt ons, daar u over de gehele kosmos heerst.'

'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel van binnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de innerlijke lucht in stand houdt; alstublieft leidt ons; daar U over de gehele Kosmos heerst.' (Vedabase)

 

Tekst 29

Zo ook is er buiten die oceaan van wei weer een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een even zo grote oceaan van zoet water. Daar bevindt zich een zeer grote lotusbloem die wel 100 miljoen bloembladen van puur goud heeft die zijn als de vlammen van een laaiend vuur. Die lotus houdt men voor de zetel van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ].

Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ]. (Vedabase)

 

Tekst 30

Op die dvîpa treft men een bergketen aan genaamd Mânasottara die de scheiding vormt tussen de varsha's aan de binnenkant en de buitenkant. Hij herbergt, met een afmeting van 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier daar heersende halfgoden [Indra, Yama, Varuna en Soma]. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru omkruist door het voertuig van de zonnegod Sûrya in een baan die gerekend naar de dagen en nachten van de halfgoden [**] bestaat uit een heel jaar.

Binnen diedvîpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mânasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojanas hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara]. (Vedabase)

 

Tekst 31

De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra, vernoemde de twee varsha's daar naar zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki en stelde hen aan als hun heersers toen hij, net zoals zijn andere broers dat deden, zich beperkte tot deugdzame daden om de Opperheer te behagen.

De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen. (Vedabase)


Tekst 32

De mensen van die landen aanbidden voor de vervulling van hun wensen met rituele handelingen de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden het volgende:

De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden dit: (Vedabase)

 

Tekst 33

'Iemand met een vaste overtuiging moet vrij van dubbelhartigheid en vreedzaam door bewust met de illusie om te springen [middels rituele handelingen] de Allerhoogste Heer aanbidden in de gedaante van hem [Heer Brahmâ] die het allerhoogste Brahman openbaart. Die almachtige Heer brengen wij onze eerbetuigingen.'

'De gedaante die het allerhoogste Brahman onthult dat wordt gewonnen door het verwerken van de illusie [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die vol van geloof onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.' (Vedabase)


Tekst 34

Buiten dat gebied [voorbij de oceaan van zoet water] bevindt zich aan alle kanten eromheen een formatie genaamd Lokâloka die men omschrijft als de afgrenzing tussen de wereld van het licht en de wereld zonder licht.

Daarbuiten is er een berg genaamd Lokâloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiële en immateriële plaatsen. (Vedabase)

 

Tekst 35

Het gebied [genaamd Loka-varsha tot aan die grens] is zo groot als het gebied tussen de berg Meru en de Mânasottara keten, [en gaat daarbuiten over in] een ander gebied [Aloka-varsha, het donkere gebied] dat van goud is en zo glad is als een spiegel. Alles wat daar terecht komt kan onmogelijk weer worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens.

De aarde van al het land dat zich bevindt tussen Meru en de Mânasottara keten is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggebracht en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (Vedabase)


Tekst 36

De formatie Lokâloka [die de buitenste schil van het universum vormt] bevindt zich tussen de gebieden waarvan men spreekt als zijnde bewoond en niet bewoond.

Door de berg Lokâloka, die de buitenste schil is, worden op deze manier de toeschrijvingen van de werelden gevestigd waar materiële wezens leven en de werelden waar dergelijke wezens niet bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 37

Die uiterste begrenzing van de drie werelden die overal eromheen door de Heer werd geschapen, ligt zo ver weg dat het voor de stralen van al de hemellichamen - van de zon tot aan die van Dhruva's doel der bevrijding [het centrum van het universum, zie 4.12: 12] -,  niet mogelijk is om verder te reiken.

Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4-12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken. (Vedabase)

 

Tekst 38

De geleerden die de posities, kenmerken en situaties onderzochten van de verschillende werelden [de planeten en sterren], becijferden dat het gebied tussen het centrum en de buitenste Lokâlokabegrenzing van het universum zoveel als een half biljoen yojana's beslaat, een kwart [van de totale omvang of energie] van het uitspansel.

De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten wat betreft hun afmetingen en verschijningsvormen zowel als wat hun situaties betreft, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat in betrekking waarmee deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart beslaat [- van het volledige van alle materie die zich erin bevindt; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'zwarte materie' ]. (Vedabase)

 

Tekst 39

In de vier windrichtingen zijn bovenop [die formatie] door de bron van het zelf die de geestelijk leraar van het hele universum is [Brahmâ], de vier gaja-pati's  ['de besten der olifanten'] Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita aangesteld, om te zorgen voor de stabiliteit van de verschillende leefwerelden in het universum.

Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmâ], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkara, Vâmana en Aparâjita gevestigd, die aldus zorg dragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum. (Vedabase)

 

Tekst 40

Hij [Heer Vishnu] is van al Zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden [Zijn 'olifanten'] en al de soorten van helden die expansies van Zijn vermogen vormen, de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle machten, de Ziel van alle zielen en het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Uitgerust met de verschillende wapens die Hij omhooghoudt met Zijn stoere armen en omringd door Vishvaksena en andere vertegenwoordigers en uitmuntende metgezellen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, Zijn gedaante aan alle zijden van die grootste van alle bergen.

Van al zijn persoonlijke godheden die lokaal heersen en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3-15-45]; omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoutmoedige armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, Zijn gedaante op die grootste van alle bergen die overal er omheen bestaat. (Vedabase)

 

Tekst 41

Enkel en alleen maar om het leven te handhaven in de verschillende werelden die hij ontwikkelde op basis van Zijn uiterlijk vermogen, neemt de Hoogste Persoonlijkheid voor de duur van een kalpa deze verschijning aan.

Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven. (Vedabase)


Tekst 42

Van het gebied voorbij het beschreven [onbewoonbare, donkere] gebied [Aloka-varsha] dat zich zo breed uitstrekt buiten Lokâloka als wat zich er binnen bevindt, beweert men dat het de bestemming vormt voor hen die vrij van alle smetten het pad van de Heer van de Yoga bewandelen.

De onbewoonde, niet-materiële varsha strekt zich zover buiten Lokâloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is. (Vedabase)

 

Tekst 43

In het centrum van het universum treft men de zonnen aan die zich bevinden tussen de hemel en aarde. Die zonnige bol in het midden telt een kwart biljoen sterren.

In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (Vedabase)

 

Tekst 44

Omdat hij de levenloze vorm van deze bol ten tijde van zijn schepping binnenging, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda ['de god der zonnen']. De aanduiding van Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmâ] kwam tot stand omdat hij zijn lichaam ontving van die [gouden  stralenpracht].

Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hyranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmâ] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving. (Vedabase)

 

Tekst 45

Dankzij de zonnegod [Sûrya] zijn we in staat te differentiëren tussen de windrichtingen, de ether, de planeten erboven en de werelden er beneden, en kunnen we ook het verschil uitmaken tussen de hemelse verblijfplaatsen, de plaatsen voor de bevrijding en de helse plaatsen als Atala.

Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing als ook helse plaatsen als Atala. (Vedabase)

 

Tekst 46

De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en de visie van de goden, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en rondbeweegt.'

De zonnegod, de Beheerser, is van alle soorten van levende wezens, zoals daar zijn de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat kruipt en opklimt, het leven, de ziel en de visie. (Vedabase)

  

*: Volgens een bepaalde moderne interpretatie hebben deze zeeën betrekking op de lichaamssappen, met de dvîpa's als secties, in de virâth-rûpa universele lichaam van de Heer: Lavana of de zilte zee (urine), suikerrietsap, (transpiratie), Surâ of de oceaan van wijn (zinnen), Sarpi of de oceaan van ghee (zaad), Dadhi of karnemelk [wei, yogurt] (slijm), de oceaan van melk (speeksel), en de zee van zuiver water (tranen).

**: Een dag en een nacht van de halfgoden bestaat uit een z.g. Uttarâyana gang van de zon door het noorden en een Dakshinâyana gang door het zuiden van de zon, één zonnejaar dus. Een jaar van de goden bestaat uit 360 van dergelijke etmalen. 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding is getiteld: 'Jambhu Dvipa Cosmology'. Het is een diagram van de Jains over de verdeling van de ene cosmos,
met in het midden het hart en de mystieke berg Meru, omringd door oceanen en rivieren (15e eeuw).
Bron.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties