regelbalk



 

 

Canto 10

Râdhâ Mâdhava 2

 

 

Hoofdstuk 18: Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba

(1) S'rî S'uka zei: 'Daarna [na de bosbrand] ging Krishna omringd door Zijn vrolijk geaarde volkje dat Zijn heerlijkheden bezong Vraja binnen dat zo prachtig was met zijn kudden koeien. (2) Terwijl de twee [Heren Balarâma en Krishna] aldus vermomd als een koeherder Hun spel speelden in Vraja, brak het zomerseizoen aan dat door de levende wezens niet zo prettig gevonden wordt. (3) Niettemin was het vanwege de [bijzondere] kwaliteiten van Vrindâvana zo dat deze plek, waar de Allerhoogste Heer Kes'ava zich samen met Râma persoonlijk ophield, kenmerken vertoonde als die van de lentetijd. (4) Het voortdurende geraas van de watervallen aldaar overstemde het geluid van de krekels terwijl de groepjes bomen die het gebied sierden bevochtigd werden door hun waterdamp. (5) Vanaf de golven van de meren en de stromen der rivieren voerden koele briesjes het stuifmeel mee van de kahlâra-, kañja- en utpalalotussen. Daarom was er voor de mensen die in het bos leefden niet de kwellende hitte van de zon of waren er de bosbranden van het zomerseizoen, maar was er wel een weelderige groei van gras. (6) Het water van de zeer diepe rivieren doordrenkte de oevers, hetgeen aan alle kanten zorgde voor modderige zandbanken. De felle zon die daarop brandde met zijn giftige stralen was niet in staat al het vocht van de aarde en het groen te verdrijven. (7) In het bos dat prachtig volstond met bloemen maakten allerlei dieren hun geluiden, vogels zongen, pauwen [schreeuwden], bijen [zoemden] en koekoeken en kraanvogels koerden. (8) Terwijl Hij Zijn fluit liet weerklinken ging Krishna, de Allerhoogste Heer met het plan er te spelen, dat bosgebied binnen vergezeld door Balarâma, de gopa's en de koeien. (9) Met verse blaadjes, pauwenveren, bosjes kleine bloemen, bloemenslingers en kleurige steentjes versierd waren de gopa's die werden aangevoerd door Krishna en Râma aan het zingen, dansen en rondstoeien. (10) Terwijl Krishna danste, zongen sommigen van hen, speelden er een paar op fluiten, schelletjes en hoorns terwijl anderen de loftrompet staken. (11) De halfgoden verkleed als het koeherdersvolkje o Koning, bewezen  [zie 10.1: 22] Krishna en Râma de eer in Hun gedaante als koeienbeschermers, net zoals professionele dansers dat doen als ze een andere danser aanmoedigen. (12) In een kringetje draaiend, een eind springend, met dingen gooiend, zich op de armen slaand en touwtrekkend speelden ze samen en hielden ze soms, als ze worstelden, elkaar bij hun haarlokken vast. (13) Als af en toe anderen dan Zijzelf dansten waren Zij de zangers, bespeelden Zij de instrumenten en waren Ze zelf vol van lof o Koning, door te zeggen: 'Wat goed, wat goed is dat!' (14) Soms speelden ze met bilvavruchten en dan weer met kumbhavruchten of met handen vol met âmalakavruchten [myrobalaan]. Ze speelden tikkertje [aspris'ya] of blindemannetje [netra-bandha] en dat soort spelletjes en soms deden ze de dieren en vogels na. (15) Dan sprongen ze als kikkers, vertelden ze allerlei grappen en dan weer waren ze aan het schommelen of speelden ze koninkje. (16) De Twee die aldus speelden als gewone mensenkinderen trokken rond door de bossen, de bergen, de rivieren en dalen, de schaduwrijke plekken, de meren en de bosjes die er waren.

(17) [Op een dag], toen Râma en Krishna samen met de gopa's de dieren in dat bos aan het hoeden waren, verscheen daar de demon Pralamba in de gedaante van een gopa die Hen wilde ontvoeren. (18) Omdat Hij die van het huis Das'ârha stamde de Alwetende Opperheer was, had Hij hem door. Erop zinnend hem ter dood te brengen, aanvaardde Hij het om vriendjes met hem te zijn. (19) Krishna, Hij die alle spelletjes kent, riep daarop de gopa's bijeen en zei: 'O gopa's, laten we spelen en ons in twee gelijke teams verdelen.' (20) Daartoe riepen de gopa's Râma en Janârdana uit tot hun aanvoerders zodat sommigen bij Krishna's groep hoorden terwijl anderen zich aansloten bij Râma. (21) Ze gingen over tot verschillende spelletjes hakkepak [harinâkrîdanam] die werden bepaald door de regel dat de winnaars op de rug mochten klimmen van degenen die verslagen waren en dan door hen moesten worden gedragen. (22) Terwijl ze droegen en gedragen werden, hoedden ze de koeien. Onder leiding van Krishna gingen ze naar een banyanboom die Bhândîraka werd genoemd [*]. (23) Toen Râma's partij bestaande uit S'rîdâmâ, Vrishabha en anderen de wedstrijd had gewonnen, werd ieder van hen gedragen door Krishna en de leden van Zijn team o Koning. (24) Omdat Krishna, de Allerhoogste Heer, verslagen was, droeg Hij S'rîdâmâ, Bhadrasena droeg Vrishabha en Pralamba [de Asura] droeg de zoon van Rohinî [Râma]. (25) Krishna als onoverwinnelijk beschouwend zette die demon nummer één het in grote vaart op een rennen om [zijn passagier Râma] weg te dragen voorbij de finish waar moest worden afgestapt. (26) Hem hoog optillend verloor de demon echter vaart omdat Râma zo zwaar werd als de koning van de aarde en de planeten [de berg Meru]. Bijgevolg nam hij weer zijn oorspronkelijke gedaante aan die was bedekt met gouden sieraden. Hij straalde als een wolk die flitsend van de bliksem de maan draagt. (27) Toen Râma dat lichaam zich snel door de ruimte zag bewegen met vuurschietende ogen, een gefronst voorhoofd, rijen verschrikkelijke tanden, woest haar, met banden om zijn armen, met zijn kroon en met zijn oorhangers, raakte de Drager van de Ploeg die versteld stond over de gloed, een beetje beduusd. (28) Balarâma die werd weggedragen van Zijn gezelschap alsof Hij werd ontvoerd, kwam tot zichzelf en sloeg toen Zijn vijand onbevreesd boos hard met Zijn vuist op zijn kop. Dat ging er zo hevig aan toe als de koning der goden [Indra] die een berg raakt met zijn bliksemschicht. (29) Getroffen spleet zijn schedel ter plekke open en stortte de demon, bloed opgevend uit zijn mond, levenloos ter aarde met een luid geluid dat weerklonk alsof er een berg getroffen werd door Indra's wapen. (30) Toen de gopa's zagen hoe Pralamba gedood werd door de kracht van Balarâma's machtsvertoon, waren ze zeer verrast en riepen ze uit: 'Goed zo, goed gedaan!' ['sâdhu, sâdhu']. (31) Zegeningen uitsprekend prezen ze Hem voor Zijn verdienstelijke optreden. Met hun harten overweldigd door liefde sloten ze Hem in hun armen alsof Hij uit de dood was opgestaan. (32) Nadat de zondige Pralamba was gedood bedolven de halfgoden Hem hoogst voldaan onder bloemenslingers en brachten ze gebeden terwijl ze 'Bravo, uitstekend!' riepen.'

 

next          

 
 

 

Derde herziene editie, geladen 16 augustus, 2013

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Daarna [na de bosbrand] ging Krishna omringd door Zijn vrolijk geaarde volkje dat Zijn heerlijkheden bezong Vraja binnen dat zo prachtig was met zijn kudden koeien.
(1) S'rî S'uka zei: 'Daarna [na de bosbrand] ging Krishna omringd door zijn vrolijk geaarde volkje dat Zijn heerlijkheden bezong Vraja binnen zo prachtig met zijn kudden koeien. (Vedabase)

 

Tekst 2

Terwijl de twee [Heren Balarâma en Krishna] aldus vermomd als een koeherder Hun spel speelden in Vraja, brak het  zomerseizoen aan dat door de levende wezens niet zo prettig gevonden wordt.

Op die manier rondspelend in Vraja bij de illusie van de koeherders-vermomming, brak het seizoen van de zomer aan dat door de levende wezens niet zo prettig gevonden wordt. (Vedabase)

 

Tekst 3

Niettemin was het vanwege de [bijzondere] kwaliteiten van Vrindâvana zo dat deze plek, waar de Allerhoogste Heer Kes'ava zich samen met Râma persoonlijk ophield, kenmerken vertoonde als die van de lentetijd.

Desalniettemin toonde Vrindâvana, waar de Allerhoogste Heer Kes'ava tezamen met Râma Zich persoonlijk ophield, de kwaliteiten van de lentetijd. (Vedabase)

     

Tekst 4

Het voortdurende geraas van de watervallen aldaar overstemde het geluid van de krekels terwijl de groepjes bomen die het gebied sierden bevochtigd werden door hun waterdamp.

Aldaar overstemde het voortdurende geraas van de watervallen dat van de krekels en werden de groepjes bomen daar zo fraai aanwezig bevochtigd door hun waterdamp. (Vedabase)

 

Tekst 5

Vanaf de golven van de meren en de stromen der rivieren voerden koele briesjes het stuifmeel mee van de kahlâra-, kañja- en utpalalotussen. Daarom was er voor de mensen die in het bos leefden niet de kwellende hitte van de zon of waren er de bosbranden van het zomerseizoen, maar was er wel een weelderige groei van gras.

Van de rivieren en meren voerden de briesjes over de golven en stroompjes het stuifmeel mee van de kahlâra, kan'ja en utpala lotussen zodat er, voor de mensen die in het bos leefden, niet de kwellende hitte was van de zon of de bosbranden naar het zomerseizoen, maar de groei van een overvloed aan gras. (Vedabase)

 

Tekst 6

Het water van de zeer diepe rivieren doordrenkte de oevers, hetgeen aan alle kanten zorgde voor modderige zandbanken. De felle zon die daarop brandde met zijn giftige stralen was niet in staat al het vocht van de aarde en het groen te verdrijven.

Het water van de zeer diepe rivieren doordrenkte de oevers, hetgeen modderige zandbanken gaf aan alle kanten, waarover de felle zon met zijn giftige stralen niet het vocht en het groen van de aarde kon wegnemen. (Vedabase)

   

Tekst 7

In het bos dat prachtig volstond met bloemen maakten allerlei dieren hun geluiden, vogels zongen, pauwen [schreeuwden], bijen [zoemden] en koekoeken en kraanvogels koerden.

Het bos zeer prachtig vol met bloemen weerklonk van allerhande dieren en zingende vogels, pauwen en bijen en de roepen van de koekoeken en de kraanvogels. (Vedabase)

 

Tekst 8

Terwijl Hij Zijn fluit liet weerklinken ging Krishna, de Allerhoogste Heer met het plan er te spelen, dat bosgebied binnen vergezeld door Balarâma, de gopa's en de koeien.

Met zin om te spelen trad Krishna, de Allerhoogste Heer, die Zijn fluit liet weerklinken in het gezelschap van Balarâma, de gopa's en de koeien, daar naar binnen. (Vedabase)

  

Tekst 9

Met verse blaadjes, pauwenveren, bosjes kleine bloemen, bloemenslingers en kleurige steentjes versierd waren de gopa's die werden aangevoerd door Krishna en Râma aan het zingen, dansen en rondstoeien.

Met verse blaadjes, pauwenveren, bosjes kleine bloemen, bloemenslingers en kleurige steentjes als hun versieringen waren Krishna, Râma en de gopa's aan het zingen, dansen en rondstoeien. (Vedabase)

 

Tekst 10

Terwijl Krishna danste, zongen sommigen van hen, speelden er een paar op fluiten, schelletjes en hoorns terwijl anderen de loftrompet staken.

Als Krishna danste, zongen enkelen van hen, speelden sommigen op fluiten, schelletjes en hoorns terwijl anderen de loftrompet staken. (Vedabase)

 

Tekst 11

De halfgoden verkleed als het koeherdersvolkje o Koning, bewezen  [zie 10.1: 22] Krishna en Râma de eer in Hun gedaante als koeienbeschermers, net zoals professionele dansers dat doen als ze een andere danser aanmoedigen.

Verkleed als het koeherdersvolkje betoonden de halfgoden [zie 10.1: 22] Krishna en Râma de eer in Hun gedaante van koeienbeschermers, precies zoals professionele dansers een andere danser aanmoedigen, o Koning. (Vedabase)

   

Tekst 12

In een kringetje draaiend, een eind springend, met dingen gooiend, zich op de armen slaand en touwtrekkend speelden ze samen en hielden ze soms, als ze worstelden, elkaar bij hun haarlokken vast.

Ronddraaiend, springend, gooiend, elkaar op de rug slaand en rondslepend speelden ze, somtijds, worstelend, terwijl ze elkaar bij hun haarlokken vasthielden. (Vedabase)

 

Tekst 13

Als af en toe anderen dan Zijzelf dansten waren Zij de zangers, bespeelden Zij de instrumenten en waren Ze zelf vol van lof o Koning, door te zeggen: 'Wat goed, wat goed is dat!'

Bij tijden als de anderen dansten waren Zij de zangers en bespeelden Zij de instrumenten, zelf van lofprijzing zijnde, o Koning, en zeiden Ze: 'Wat goed, wat goed is dat!'. (Vedabase)

 

Tekst 14

Soms speelden ze met bilvavruchten en dan weer met kumbhavruchten of met handen vol met âmalakavruchten [myrobalaan]. Ze speelden tikkertje [aspris'ya] of blindemannetje [netra-bandha] en dat soort spelletjes en soms deden ze de dieren en vogels na.

Nu en dan speelden ze met bilvavruchten en dan weer met kumbavruchten of met handen vol met âmalaka [myrobalaan] vruchten; ze speelden tikkertje [aspris'a] of blindemannetje [netra-banda] en dat soort spelletjes en soms deden ze de dieren en vogels na. (Vedabase)

 

Tekst 15

Dan sprongen ze als kikkers, vertelden ze allerlei grappen en dan weer waren ze aan het schommelen of speelden ze koninkje.

Dan sprongen ze als kikkers, vertelden ze allerlei grappen en dan waren ze aan het schommelen of speelden ze koninkje. (Vedabase)

  

Tekst 16

De Twee die aldus speelden als gewone mensenkinderen trokken rond door de bossen, de bergen, de rivieren en dalen, de schaduwrijke plekken, de meren en de bosjes die er waren.

De twee op deze manier gewoon menselijk spelend trokken rond door de bossen, de bergen, de rivieren en dalen, de schaduwrijke plekken, meren en perken alom. (Vedabase)

 

Tekst 17

[Op een dag], toen Râma en Krishna samen met de gopa's de dieren in dat bos aan het hoeden waren, verscheen daar de demon Pralamba in de gedaante van een gopa die Hen wilde ontvoeren.

Terwijl Râma en Krishna samen met de gopa's de dieren in dat bos aan het hoeden waren, kwam er daar de demon Pralamba in de gedaante van een gopa met het voornemen Hen te ontvoeren. (Vedabase)

 

Tekst 18

Omdat Hij die van het huis Das'ârha stamde de Alwetende Opperheer was, had Hij hem door. Erop zinnend hem ter dood te brengen, aanvaardde Hij het om vriendjes met hem te zijn.

Hem kennende, aangezien Hij van Das'ârha de Alwetende Opperheer was, aanvaardde Hij het, erop zinnend hem ter dood te brengen, om vriendjes te zijn. (Vedabase)

 

Tekst 19

Krishna, Hij die alle spelletjes kent, riep daarop de gopa's bijeen en zei: 'O gopa's, laten we spelen en ons in twee gelijke teams verdelen.'

Daarop de gopa's bijeenroepend zei Krishna, die alle spelletjes kent: 'O gopa's, laten we spelen en ons in twee gelijke teams verdelen'. (Vedabase)

 

  Tekst 20

Daartoe riepen de gopa's Râma en Janârdana uit tot hun aanvoerders zodat sommigen bij Krishna's groep hoorden terwijl anderen zich aansloten bij Râma.

=Daartoe benoemden de gopa's Râma en Janârdana als hun aanvoerders zodat sommigen bij Krishna's groep hoorden terwijl de anderen zich aansloten bij Râma. (Vedabase)

 

Tekst 21

Ze gingen over tot verschillende spelletjes hakkepak [harinâkrîdanam] die werden bepaald door de regel dat de winnaars op de rug mochten klimmen van degenen die verslagen waren en dan door hen moesten worden gedragen.

Ze gingen over tot verschillende spelletjes hakkepak [harinâkrîdanam] die bekend stonden onder de regel dat de winnaars degenen die verslagen waren mochten beklimmen en door hen moesten worden gedragen. (Vedabase)

 

Tekst 22

Terwijl ze droegen en gedragen werden, hoedden ze de koeien. Onder leiding van Krishna gingen ze naar een banyanboom die Bhândîraka werd genoemd [*].

Dragend en gedragen wordend hoedden zij onderwijl de koeien en gingen ze, geleid door Krishna, naar een banyanboom genaamd Bhândîraka [*]. (Vedabase)

 

Tekst 23

Toen Râma's partij bestaande uit S'rîdâmâ, Vrishabha en anderen de wedstrijd had gewonnen, werd ieder van hen gedragen door Krishna en de leden van Zijn team o Koning.

Toen Râma's partij met S'rîdâmâ, Vrishabha en anderen de wedstrijd had gewonnen, werd ieder van hen gedragen door Krishna en de leden van Zijn team, o Koning. (Vedabase)

 

Tekst 24

Omdat Krishna, de Allerhoogste Heer, verslagen was, droeg Hij S'rîdâmâ, Bhadrasena droeg Vrishabha en Pralamba [de Asura] droeg de zoon van Rohinî [Râma].

Verslagen droeg Krishna, de Allerhoogste Heer, S'rîdâmâ; Vrishabha werd door Bhadrasena gedragen en Pralamba [de asura] droeg de zoon van Rohinî [Râma]. (Vedabase)

 

Tekst 25

Krishna als onoverwinnelijk beschouwend zette die demon nummer één het in grote vaart op een rennen om [zijn passagier Râma] weg te dragen voorbij de finish waar moest worden afgestapt.

Krishna voor onverslaanbaar houdend zette die demon nummer één het in grote vaart op een rennen [zijn passagier Râma] wegdragend voorbij de finish waar moest worden afgestapt. (Vedabase)

 

Tekst 26

Hem hoog optillend verloor de demon echter vaart omdat Râma zo zwaar werd als de koning van de aarde en de planeten [de berg Meru]. Bijgevolg nam hij weer zijn oorspronkelijke gedaante aan die was bedekt met gouden sieraden. Hij straalde als een wolk die flitsend van de bliksem de maan draagt.

Maar toen hij Hem omhoog hield verloor de demon zijn gang met Hem zo zwaar [wordend] als de koning van de aarde en de planeten [de berg Meru], zodat hij weer zijn oorspronkelijke lichaam vertoonde overdekt met gouden sierselen, stralend als een wolk flitsend van de bliksem die de maan meevoert. (Vedabase)

 

Tekst 27

Toen Râma dat lichaam zich snel door de ruimte zag bewegen met vuurschietende ogen, een gefronst voorhoofd, rijen verschrikkelijke tanden, woest haar, met banden om zijn armen, met zijn kroon en met zijn oorhangers, raakte de Drager van de Ploeg die versteld stond over de gloed, een beetje beduusd.

Toen Hij dat lichaam zich snel door de ruimte zag bewegen met zijn laaiende ogen, een gefronst voorhoofd, rijen verschrikkelijke tanden, zijn woeste haar, met de banden om zijn armen, zijn kroon en zijn oorhangers, raakte de Drager van de Ploeg, versteld over de gloed, een beetje beduusd. (Vedabase)

 

Tekst 28

Balarâma die werd weggedragen van Zijn gezelschap alsof Hij werd ontvoerd, kwam tot zichzelf en sloeg toen Zijn vijand onbevreesd boos hard met Zijn vuist op zijn kop. Dat ging er zo hevig aan toe als de koning der goden [Indra] die een berg raakt met zijn bliksemschicht.

ZichZelf weer herinnerend, sloeg de onbevreesde Balarâma, die Zich wegbewoog van Zijn gezelschap alsof Hij werd ontvoerd, hem boos hard met Zijn vuist op zijn kop, zo hevig als de koning der goden dat zou met het treffen van een berg met zijn bliksemschicht. (Vedabase)

 

Tekst 29

Getroffen spleet zijn schedel ter plekke open en stortte de demon, bloed opgevend uit zijn mond, levenloos ter aarde met een luid geluid dat weerklonk alsof er een berg getroffen werd door Indra's wapen.

Getroffen spleet ter plekke zijn schedel open en stortte hij, bloed opgevend uit zijn mond, levenloos ter aarde met een luid geluid dat klonk als een berg geraakt door Indra's wapen. (Vedabase)

 

Tekst 30

Toen de gopa's zagen hoe Pralamba gedood werd door de kracht van Balarâma's machtsvertoon, waren ze zeer verrast en riepen ze uit: 'Goed zo, goed gedaan!' ['sâdhu, sâdhu'].

Toen ze Pralamba gedood zagen door de vanzelfsprekende kracht van Balarâma waren de gopa's zeer verrast en drukten ze zich uit met de woorden 'Goed zo, goed gedaan!' ['sâdhu, sâdhu']. (Vedabase)

 

Tekst 31

Zegeningen uitsprekend prezen ze Hem voor Zijn verdienstelijke optreden. Met hun harten overweldigd door liefde sloten ze Hem in hun armen alsof Hij uit de dood was opgestaan.

Zegeningen uitsprekend prezen ze hem, die zo verdienstelijk was, als was Hij teruggekeerd uit de dood en omarmden ze Hem in hun harten overweldigd door liefde. (Vedabase)

 

Tekst 32

Nadat de zondige Pralamba was gedood bedolven de halfgoden Hem hoogst voldaan onder bloemenslingers en brachten ze gebeden terwijl ze 'Bravo, uitstekend!' riepen.' 

Met de zondige Pralamba gedood overlaadden de halfgoden, hoogst voldaan, Hem met bloemenslingers, en brachten ze gebeden uitroepend 'Bravo, uitstekend!' (Vedabase)

 

* S'rîla Sanâtana Gosvâmî haalt de volgende verzen aan van de S'rî Harivams'a (Vishnu-parva 11.18 - 22), waarin de banyan wordt beschreven:

dadars'a vipulodagra-
s'âkhinam s'âkhinâm varam
sthitam dharanyâm meghâbham
nibidam dala-sañcayaih

gaganârdhocchritâkâram
parvatâbhoga-dhârinam
nîla-citrânga-varnais' ca
sevitam bahubhih khagaih

phalaih pravâlais' ca ghanaih
sendracâpa-ghanopamam
bhavanâkâra-vithapam
latâ-pushpa-sumanditam

vis'âla-mûlâvanatam
pâvanâmbhoda-dhârinam
âdhipatyam ivânyeshâm
tasya des'asya s'âkhinâm

kurvânam s'ubha-karmânam
nirâvarsham anâtapam
nyagrodham parvatâgrâbham
bhândîram nâma nâmatah

"Zij zagen die beste van alle bomen, welke vele lange takken had. Met zijn dichte bladerdek leek het wel een wolk die op de aarde rustte. Daadwerkelijk was hij dermate groot dat hij de halve hemel leek te beslaan. Vele vogels met bekoorlijke blauwe vleugels kwamen daar regelmatig in die grote boom waarvan de vele vruchten en bladeren hem er uit deden zien als een wolk met een regenboog ernaast of als een huis gesierd met klimop en bloemen. Hij reikte met zijn wortels naar beneden en droeg op zijn rug de geheiligde wolken. Die banyanboom was als de Hoogste Heer en Meester van alle andere bomen daar in de buurt, omdat hij zorg droeg voor de alleszins gunstige functies van het afweren van de regen en de hitte van de zon. Aldus zag de nyagrodha boom die bekend stond als Bhândîra er net zo uit als de top van een berg."

 

 








 

 

Creative
                    Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

Het schilderij van de spelende gopa's is © van Vrindavan das, gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties