regelbalk


 

Canto 8

Pañca Tattva

 

 

Hoofdstuk 3: Gajendra's Gebeden van Overgave

 (1) De zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Aldus er verstandelijk toe besloten zich in zijn geest te concentreren op het hart, reciteerde hij [Gajendra] een allerverhevenst gebed dat hij in een voorgaande geboorte had beoefend [zie ook B.G. 6: 43-44]. (2) S'rî Gajendra zei: 'Mijn eerbetuigingen aan de Oorspronkelijke, de Allerhoogste Godheid door wie dit materieel bestaan zich beweegt in bewustzijn, laat me mediteren op Hem, die persoonlijkheid die de grondoorzaak is, de Allerhoogste Beheerser. (3) Op Hem rust het universum, van Hem zijn er al de elementen en door Hem is er de werkzaamheid ervan, aan Hem die Zelf de materiële wereld is qua gevolg zowel als wat betreft de bovenzinnelijke oorzaak, aan die Allerhoogste die in Zichzelf voorziet geef ik mezelf over. (4) Hij die vanuit Zichzelf, door Zijn eigen energie, deze kosmische manifestatie tentoonspreidde, die dan weer manifest en dan weer niet zichtbaar is, overziet in beide gevallen als de getuige alles en allen; die Ziel zonder voorgaande oorzaak, dat Allerhoogste van alle Bovenzinnelijkheid, smeek ik, alstUblieft bescherm mij! (5) Als na de nodige tijd alles, alle transformaties, alles wat is gedaan, al de werelden en al hun handhavers en bestuurders, tot niets is teruggebracht, is er de hechte en diepe duisternis waarachter en waarboven de Almachtige straalt. (6) Zoals met het uiterlijke van een uitvoerend kunstenaar die zelf dan niet kan worden doorgrond, kunnen Zijn bewegingen noch door de goden, de wijzen of de gewone schepselen worden begrepen of in woorden worden uitgedrukt; Hij zo moeilijk te bevatten, moge Hij me Zijn bescherming geven. (7) De Heer van hen die het verlangen Zijn algunstige lotusvoeten te zien, van hen die bevrijd zijn van alle gehechtheid, van die grote wijzen, zonder fouten in het woud, hoog verheven de geloften in praktijk brengend al naar gelang de verschillende posities [de âs'rama's], de Heer van hen die gelijk en vriendelijk voor allen zijn, Hij is mijn bestemming. (8-9) Van Hem is er geen geboorte, geen karma, geen naam of vorm, geen geaardheden en fouten zeker ook niet; niettemin komt Hij, die de vernietiging en schepping van deze kosmische manifestatie is, middels Zijn eigen vermogen keer op keer in actie [als een avatâra]. Hem, de Bovenzinnelijke die de Beheerser is, het Allerhoogste Brahman van een onbegrensd vermogen, die zonder een gedaante gedaanten heeft aangenomen, die van zo vele wonderbaarlijke daden is, biedt ik mijn respect. (10) Mijn eerbetoon voor Hem, de verlichting van de ziel, de getuige in allen, het Allerhoogste van het Zelf; Hij die alle beschrijving, de geest en zelfs het bewustzijn te boven gaat, geldt mijn eerbewijs. (11) Hij, het voorwerp der toewijding die door de geschoolden in transcendentale handelingen recht wordt gedaan, voor Hem, de meester der menswording, de verlener der genade, Hij die helemaal vrij is, mijn eerbiedwaardige respectbetoon. (12) Al mijn eerbetuigingen gelden die Ene der Vrede volledig geconcentreerd op het spirituele in gedaanten van geweld en het dierlijke [zoals Nrisimha en Varâha] naar de verschillende kwaliteiten van de materiële natuur; aan Hem die eveneens de kennis van het Brahman is, draag ik mijn gebed op. (13) Voor de kenner van het veld [zie B.G. 13: 1-5] mijn respect, U de baas over allen, de getuige en de Oorspronkelijke Persoon die de oerbron bent, aan U, de beweger van de materiële schepping, U als de primaire werkelijkheid, biedt ik mijn eerbetuigingen. (14) U bent het die ik respecteer, daar U overziet waar al de zinnen op uit zijn, U bent het einde van alle twijfel met het onware dat, omdat het er is als een afspiegeling van U, de werkelijkheid wordt genoemd; naar die reflectie, mijn eerbetoon aan U. (15) Mijn eerbetuigingen nogmaals gelden U, van al het bestaande de allerhoogste oorzaak zonder een oorzaak, de oorzaak van al het wonderbaarlijke, de bron van wat geleerd wordt in opeenvolging, de oceaan in ontvangst van al de rivieren van kennis; U eer ik, die de bevrijding schenkt en de toevlucht vormt van de transcendentalist. (16) Ik draag mijn handelingen op aan Hem wiens vuur van de kennis door de geaardheden van de natuur is overdekt zoals vuur dat is in hout, aan Hem die zich bevindt buiten de door de beroering der natuur aangedane geest, aan Hem die persoonlijk aanwezig is voor hen die vanuit hun stadium van spiritueel verstaan de formele benadering eraan gaven. (17) U betoon ik als een dier mijn respect in overgave aan Hem, de Onberispelijke van oneindige genade die bevrijdt uit de verstriktheid; door een enkel deel van Uw zelf [het Paramâtmâ, zie ook B.G. 10: 42] bent U immer aandachtig voor allen die belichaamd zijn, die Allerhoogste Heer zonder grenzen, in de geest gevierd als de directe waarnemer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (18) Voor allen zo zeer gehecht aan hun denken en lichaam, zoons en dochters, weelde en helpers, bent U moeilijk te bereiken, maar voor personen die, vrij van de invloed van de geaardheden der natuur, in het hart zijn vrijgemaakt bent U er reeds [zie B.G. 6: 47]; Hem op wie altijd wordt gemediteerd, het reservoir van alle spirituele kennis, die Allerhoogste Heer en Beheerser, geldt al mijn respect. (19) Door Hem te eerbiedigen kan dat worden bereikt waar men naar op zoek is met al het begeren overeenkomstig de religie, de economie, de bevrediging, en de bevrijding, om nog maar te zwijgen van de andere zegeningen die Hij eveneens verleent zoals het bovendien hebben van een geestelijk lichaam; moge Hij, oneindig van genade, mij de bevrijding van mijn ziel vergunnen [zie ook 2.3: 10 en 7.9: 27]. (20-21) Zij die niets anders dan Hem op het oog hebben verlangen niet naar deze of gene zegening - zij die het feitelijk brachten tot de toevlucht van de Allerhoogste Heer zijn verzonken in een oceaan van bovenzinnelijke gelukzaligheid door het bespreken van en vernemen over de alleszins gunstige, wonderbaarlijke handelingen van Hem. Hij, de eeuwige transcendentale, Allerhoogste Meester van alle grote persoonlijkheden, de ongeziene Ziel boven alles die in yoga kan worden bereikt door toewijding is, zo subtiel en ongrijpbaar buiten het bereik van de zinnen als Hij is, de onbegrensde, in alle opzichten volkomen, oorsprong die ik aanbid. (22-24) Van Hem zijn door Zijn delen - de verschillende bewegende en niet-bewegende levensvormen, de vedische kennis, de goden en allen die bij Brahmâ horen - de minder belangrijke onderverdelingen van namen en vormen in het leven geroepen. Dit niet aflatende vertoon van de geaardheden der natuur, dit verstand en deze geest, deze zinnen en verdelingen van het grove en subtiele van het lichaam, zijn, zoals vonken in verhouding tot het vuur dat de zon is, de stralende deeltjes die keer op keer voortkomen uit en opgaan in Hem als delen en gehelen. Dat vuur, inderdaad geen halfgod of demon, een menselijk wezen, beest of vogel, vrouw, onzijdig of de maan evenmin en ook niet een levend schepsel, is niet het vruchtdragend handelen noch de manifestatie, noch het niet-gemanifesteerde; Hij is de slotsom van het uitsluiten van dit en dat [neti neti zie ook 7.7: 23]; aan Hem, de Onbegrensde, alle glorie! (25) Ik wens het niet mijn leven hier of in een wereld hierna voort te zetten; wat heeft het voor nut als men vanbinnen en vanbuiten opgesloten zit; in deze geboorte als een olifant verlang ik te ontkomen aan de gebondenheid aan de tijd die alleen maar tot vernietiging leidt. Ik wil worden bevrijdt uit die onterende begrenzing van mijn zelf [zie ook 1.2: 3, 6.15: 16]. (26) Daartoe draag ik aan Hem, de gemanifesteerde hoewel niet gemanifesteerd, die ongeboren ziel en kenner van het universum en bovenzinnelijke toevlucht van het Allerhoogste, mijn leven en ziel op. (27) Zij van de vereniging van het bewustzijn jegens Hem, die door [die bhakti-]yoga al het karma verbrandden en een verenigd en gelouterd hart hebben, nemen Hem, de Heer van de Yoga die ik toegewijd ben, rechtstreeks waar. (28) Mijn respectbetoon keer op keer voor U, het gigantische van de krachten van het drievoudig vermogen van [het vormgeven, afwikkelen en in stand houden van] het volledige, voor Hem die, voor de intelligentie zich voordoend als een zinsobject, de toevlucht verschaft en die, met Zijn moeilijk te boven te komen energieën [zie B.G. 16: 21], onbereikbaar is voor hen die op het pad hun zinnen niet weten te beheersen. (29) Ik zoek mijn toevlucht bij Hem wiens heerlijkheden zo onpeilbaar zijn, wiens identiteit bij de mensen in het algemeen niet bekend is en onder wiens invloed en intelligentie ik als een op zichzelfstaande ziel ben verslagen.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Toen, vanwege deze beschrijving die niet was gericht op enige persoon in het bijzonder, geen van de opzichzelf staande goddelijken van Brahmâ met hun verschillende verschijningsvormen, Gajendra benaderde, verscheen aldaar van de keur aan goden de Heer in eigen persoon omdat Hij het volledige van hen allen tezamen is [vergelijk B.G. 7: 20-23 en 9: 23; 4.31: 14]. (31) Zijn gebed horend kwam de Heer van alle werelden die begreep in wat voor benarde positie hij verkeerde, tezamen met de bewoners van de hemel die hun gebeden opdroegen, zo snel als Hij maar kon, gedragen door Garuda en uitgerust met de werpschijf en Zijn andere wapens, naar de plek waar Gajendra zich bevond. (32) Op het moment dat hij, die in het water zo gewelddadig was gegrepen en te lijden had, de Heer zag die op de rug van Garuda Zijn werpschijf in de lucht stak, hief hij zijn slurf omhoog met daarin een lotusbloem en bracht hij met moeite uit: 'O Nârâyana, Leraar der Volkomenheid, o Allerhoogste Heer, U biedt ik mijn eerbetuigingen.' (33) Toen Hij hem zo zag lijden kwam de Ongeborene meteen naar beneden en redde Hij, voor ogen van al de goddelijken aanwezig met Zijn werpschijf de krokodil zijn bek eraf snijdend, koning Gajendra en trok Hij hem uit het water. 

next                            

 

 

 
Tweede editie, geladen 28 augustus 2007.
 

 

 

Bronteksten:

Gajendra's gebeden van overgave

 

Tekst 1 :

De zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Aldus er verstandelijk toe besloten zich in zijn geest te concentreren op het hart, reciteerde hij [Gajendra] een allerverhevenst gebed dat hij in een voorgaande geboorte had beoefend [zie ook B.G. 6: 43-44].

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Daarna concentreerde de koning van de olifanten, Gajendra, met volmaakte intelligentie zijn geest op zijn hart en chantte een mantra die hij in zijn vorige leven als Indra-dyumna geleerd had en die hij zich door de genade van Krishna nog herinnerde. (Vedabase)

 

Tekst 2:

S'rî Gajendra zei: 'Mijn eerbetuigingen aan de Oorspronkelijke, de Allerhoogste Godheid door wie dit materieel bestaan zich beweegt in bewustzijn, laat me mediteren op Hem, die persoonlijkheid die de grondoorzaak is, de Allerhoogste Beheerser.

De koning van de olifanten, Gajendra, zei: Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Persoon, Vâsudeva [om namo bhagavate vâsudevâya]. Dankzij Hem functioneert dit materiële lichaam door de aanwezigheid van de ziel, en daarom is Hij de allereerste oorzaak van alle levende wezens. Hij wordt aanbeden door zulke grote persoonlijkheden als Brahmâ en S'iva, en Hij is binnengegaan in ieders hart. Laat ik op Hem mediteren. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Op Hem rust het universum, van Hem zijn er al de elementen en door Hem is er de werkzaamheid ervan, aan Hem die Zelf de materiële wereld is qua gevolg zowel als wat betreft de bovenzinnelijke oorzaak, aan die Allerhoogste die in Zichzelf voorziet geef ik mezelf over.

De Allerhoogste Godspersoon is de uiteindelijke basis waarop alles rust, het element waaruit alles voortkomt en de persoon die de schepping heeft volbracht en de enige oorzaak van deze kosmische openbaring is. Niettemin is Hijzelf verschillend van de oorzaak en het resultaat. Ik geef me over aan Hem, de Allerhoogste Godspersoon, die in alle opzichten volkomen onafhankelijk is. (Vedabase)

  

Tekst 4:

Hij die vanuit Zichzelf, door Zijn eigen energie, deze kosmische manifestatie tentoonspreidde, die dan weer manifest en dan weer niet zichtbaar is, overziet in beide gevallen als de getuige alles en allen; die Ziel zonder voorgaande oorzaak, dat Allerhoogste van alle Bovenzinnelijkheid, smeek ik, alstUblieft bescherm mij!

Door Zijn eigen energie te expanderen houdt de Allerhoogste Godspersoon deze kosmische openbaring zichtbaar, en soms maakt Hij haar ook weer onzichtbaar. Hij is zowel de allerhoogste oorzaak als het allerhoogste gevolg, de waarnemer en de getuige, onder alle omstandigheden. Hij is dus transcendentaal aan alles. Moge die Allerhoogste Godspersoon me bescherming bieden. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Als na de nodige tijd alles, alle transformaties, alles wat is gedaan, al de werelden en al hun handhavers en bestuurders, tot niets is teruggebracht, is er de hechte en diepe duisternis waarachter en waarboven de Almachtige straalt.

Te zijner tijd, als alles in dit universum vernietigd is - zowel de oorzaken als de gevolgen en alle planeten met hun bestuurders en instandhouders - treedt er een toestand van diepe duisternis in. Maar boven deze duisternis staat de Allerhoogste Godspersoon. Ik neem mijn toevlucht tot Zijn lotusvoeten. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Zoals met het uiterlijke van een uitvoerend kunstenaar die zelf dan niet kan worden doorgrond, kunnen Zijn bewegingen noch door de goden, de wijzen of de gewone schepselen worden begrepen of in woorden worden uitgedrukt; Hij zo moeilijk te bevatten, moge Hij me Zijn bescherming geven.

Zoals een acteur, die op het toneel prachtig aangekleed verschillende dansen opvoert, niet herkend wordt door het publiek, zo kunnen zelfs de halfgoden of de grote wijzen de activiteiten en eigenschappen van de allerhoogste kunstenaar niet begrijpen, om van mensen die even onintelligent zijn als dieren maar te zwijgen. Noch de halfgoden en de wijzen noch de onintelligenten kunnen de eigenschappen van de Heer begrijpen, noch kunnen zij Zijn werkelijke positie in woorden weergeven. Moge die Allerhoogste Godspersoon me bescherming bieden. (Vedabase)

 

Tekst 7:

De Heer van hen die het verlangen Zijn algunstige lotusvoeten te zien, van hen die bevrijd zijn van alle gehechtheid, van die grote wijzen, zonder fouten in het woud, hoog verheven de geloften in praktijk brengend al naar gelang de verschillende posities [de âs'rama's], de Heer van hen die gelijk en vriendelijk voor allen zijn, Hij is mijn bestemming.

Wereldverzakers en grote wijzen die alle levende wezens met gelijke blik bezien, die tegen iedereen vriendelijk zijn en zich in het woud op vlekkeloze wijze aan de geloftes van brahmacarya, vânaprastha en sannyâsa houden, verlangen ernaar om de al-zegenrijke lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon te zien. Moge diezelfde Allerhoogste Godspersoon mijn bestemming zijn. (Vedabase)

 

Tekst 8-9:

Van Hem is er geen geboorte, geen karma, geen naam of vorm, geen geaardheden en fouten zeker ook niet; niettemin komt Hij, die de vernietiging en schepping van deze kosmische manifestatie is, middels Zijn eigen vermogen keer op keer in actie [als een avatâra]. Hem, de Bovenzinnelijke die de Beheerser is, het Allerhoogste Brahman van een onbegrensd vermogen, die zonder een gedaante gedaanten heeft aangenomen, die van zo vele wonderbaarlijke daden is, biedt ik mijn respect.

De Allerhoogste Godspersoon heeft geen materiële geboorte, activiteiten, naam, gedaante, kwaliteiten of fouten. Om het doel te bereiken waarvoor deze materiële wereld geschapen is en weer vernietigd wordt, komt Hij hier door middel van Zijn oorspronkelijke inwendige vermogen in de gedaante van een mens zoals Heer Râma of Heer Krishna. Hij heeft een ontzaglijk vermogen en in Zijn verschillende gedaantes, die allemaal vrij van materiële besmetting zijn, verricht Hij wonderbaarlijke activiteiten. Daarom is Hij het Allerhoogste Brahman. Ik betuig Hem mijn hoogachting. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Mijn eerbetoon voor Hem, de verlichting van de ziel, de getuige in allen, het Allerhoogste van het Zelf; Hij die alle beschrijving, de geest en zelfs het bewustzijn te boven gaat, geldt mijn eerbewijs.

Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Godspersoon, de zelf-stralende Superziel, die de getuige in ieders hart is, die de individuele ziel verlicht en die men niet kan bereiken door middel van de geest, woorden of het bewustzijn. (Vedabase)

 

Tekst 11

Hij, het voorwerp der toewijding die door de geschoolden in transcendentale handelingen recht wordt gedaan, voor Hem, de meester der menswording, de verlener der genade, Hij die helemaal vrij is, mijn eerbiedwaardige respectbetoon.

De Allerhoogste Godspersoon wordt gerealiseerd door zuivere toegewijden die het transcendentale leven van bhakti-yoga leiden. Hij is de schenker van onverdeeld geluk en de meester van de transcendentale wereld. Daarom betuig ik Hem mijn hoogachting. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Al mijn eerbetuigingen gelden die Ene der Vrede volledig geconcentreerd op het spirituele in gedaanten van geweld en het dierlijke [zoals Nrisimha en Varâha] naar de verschillende kwaliteiten van de materiële natuur; aan Hem die eveneens de kennis van het Brahman is, draag ik mijn gebed op.

Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan Heer Vâsudeva, die alomtegenwoordig is, aan de Heer in Zijn woeste gedaante als Nrisimhadeva, aan de gedaante van de Heer als dier [Heer Varâhadeva], aan Heer Dattâtreya, die het impersonalisme predikte, aan Heer Boeddha, en aan alle andere incarnaties. Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Heer, die geen materiële eigenschappen bezit maar in deze wereld de drie geaardheden goedheid, hartstocht en onwetendheid aanneemt. Ik betuig ook nederig eer aan de stralengloed van het onpersoonlijke Brahman. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Voor de kenner van het veld [zie B.G. 13: 1-5] mijn respect, U de baas over allen, de getuige en de Oorspronkelijke Persoon die de oerbron bent, aan U, de beweger van de materiële schepping, U als de primaire werkelijkheid, biedt ik mijn eerbetuigingen.

Sta mij toe mijn nederige eerbetuigingen te brengen aan U, die de Superziel bent, degene die overal toezicht op houdt en de getuige van elke gebeurtenis. U bent de Allerhoogste Persoon, de oorsprong van de materiële natuur en van de totale materiële energie. U bent ook de eigenaar van het materiële lichaam. Daarom bent U het allerhoogste geheel. Ik breng U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 14:

U bent het die ik respecteer, daar U overziet waar al de zinnen op uit zijn, U bent het einde van alle twijfel met het onware dat, omdat het er is als een afspiegeling van U, de werkelijkheid wordt genoemd; naar die reflectie, mijn eerbetoon aan U.

O Heer, U ziet elk doel van de zinnen. Zonder Uw genade is het onmogelijk om het probleem van de twijfel op te lossen. De materiële wereld is net als een schaduw die op U lijkt. Ja, we beschouwen deze materiële wereld als werkelijk omdat ze ons een glimp van Uw bestaan toont. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Mijn eerbetuigingen nogmaals gelden U, van al het bestaande de allerhoogste oorzaak zonder een oorzaak, de oorzaak van al het wonderbaarlijke, de bron van wat geleerd wordt in opeenvolging, de oceaan in ontvangst van al de rivieren van kennis; U eer ik, die de bevrijding schenkt en de toevlucht vormt van de transcendentalist.

O Heer, U bent de oorzaak van alle oorzaken, maar Zelf hebt U geen oorzaak. Daarom bent U de wonderbaarlijke oorzaak van alles. Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan U, die de toevlucht van de vedische kennis bent, vervat in s'âstra's als de Pañcarâtra's en de Vedânta-sûtra, die U vertegenwoordigen, en aan U, die de bron van de paramparâ bent. Omdat U degene bent die bevrijding kan schenken, bent U de enige toevlucht van alle transcendentalisten. Laat ik U mijn nederige eerbetuigingen brengen. (Vedabase)

  

Tekst 16:

Ik draag mijn handelingen op aan Hem wiens vuur van de kennis door de geaardheden van de natuur is overdekt zoals vuur dat is in hout, aan Hem die zich bevindt buiten de door de beroering der natuur aangedane geest, aan Hem die persoonlijk aanwezig is voor hen die vanuit hun stadium van spiritueel verstaan de formele benadering eraan gaven.

Heer, zoals het vuur in arani-hout verborgen is, zo zijn Uzelf en Uw grenzeloze kennis verhuld door de geaardheden der materiële natuur. Uw geest schenkt echter geen aandacht aan de activiteiten van de geaardheden der natuur. Mensen met gevorderde geestelijke kennis hoeven zich niet aan de regels en bepalingen van de Veda's te onderwerpen. Omdat zulke verheven zielen transcendentaal zijn, verschijnt U persoonlijk in hun zuivere geest. Daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 17:

U betoon ik als een dier mijn respect in overgave aan Hem, de Onberispelijke van oneindige genade die bevrijdt uit de verstriktheid; door een enkel deel van Uw zelf [het Paramâtmâ, zie ook B.G. 10: 42] bent U immer aandachtig voor allen die belichaamd zijn, die Allerhoogste Heer zonder grenzen, in de geest gevierd als de directe waarnemer, biedt ik mijn eerbetuigingen.

Nu een dier als ik zich heeft overgegeven aan U, die op het allerhoogste niveau van bevrijding bent, zult U me zeker uit deze gevaarlijke situatie redden. Ja, U bent zo oneindig genadig dat U me onophoudelijk probeert te verlossen. In Uw deelaspect als Paramâtmâ zetelt U in het hart van alle belichaamde wezens. U wordt verheerlijkt als de directe transcendentale kennis, en U kent geen grenzen. Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Voor allen zo zeer gehecht aan hun denken en lichaam, zoons en dochters, weelde en helpers, bent U moeilijk te bereiken, maar voor personen die, vrij van de invloed van de geaardheden der natuur, in het hart zijn vrijgemaakt bent U er reeds [zie B.G. 6: 47]; Hem op wie altijd wordt gemediteerd, het reservoir van alle spirituele kennis, die Allerhoogste Heer en Beheerser, geldt al mijn respect.

O Heer, degenen die van alle materiële besmetting bevrijd zijn, mediteren in hun hart altijd op U. Voor levende wezens als ikzelf, die overdreven gehecht zijn aan speculatie, huiselijk leven, verwanten, vrienden, geld, dienaren en helpers, bent U bijzonder moeilijk te bereiken. U bent de Allerhoogste Godspersoon, onbesmet door de geaardheden der natuur. U bent de bron van alle verlichting, de allerhoogste bestuurder. Daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Door Hem te eerbiedigen kan dat worden bereikt waar men naar op zoek is met al het begeren overeenkomstig de religie, de economie, de bevrediging, en de bevrijding, om nog maar te zwijgen van de andere zegeningen die Hij eveneens verleent zoals het bovendien hebben van een geestelijk lichaam; moge Hij, oneindig van genade, mij de bevrijding van mijn ziel vergunnen [zie ook 2.3: 10 en 7.9: 27].

Na hun verering van de Allerhoogste Godspersoon krijgen degenen die in de vier principes van wereldse religie, het verhogen van de levensstandaard, zinsbevrediging en bevrijding geïnteresseerd zijn van Hem waar ze naar verlangen, om van andere zegeningen nog maar te zwijgen. Soms geeft de Heer zulke ambitieuze vereerders zelfs een geestelijk lichaam. Moge die Allerhoogste Godspersoon, die grenzeloos genadig is, me zegenen door me te bevrijden uit deze gevaarlijke situatie en uit het materialistische leven. (Vedabase)

 

Tekst 20-21:

Zij die niets anders dan Hem op het oog hebben verlangen niet naar deze of gene zegening - zij die het feitelijk brachten tot de toevlucht van de Allerhoogste Heer zijn verzonken in een oceaan van bovenzinnelijke gelukzaligheid door het bespreken van en vernemen over de alleszins gunstige, wonderbaarlijke handelingen van Hem. Hij, de eeuwige transcendentale, Allerhoogste Meester van alle grote persoonlijkheden, de ongeziene Ziel boven alles die in yoga kan worden bereikt door toewijding is, zo subtiel en ongrijpbaar buiten het bereik van de zinnen als Hij is, de onbegrensde, in alle opzichten volkomen, oorsprong die ik aanbid.

Zuivere toegewijden, die geen ander verlangen hebben dan de Heer te dienen, vereren Hem met volledige overgave en horen en chanten altijd over Zijn activiteiten, die hoogst wonderbaarlijk en zegenrijk zijn. Zo gaan ze voortdurend op in een oceaan van transcendentale gelukzaligheid. Zulke toegewijden vragen de Heer nooit om welke zegening dan ook. Maar ik bevind me in gevaar. Daarom richt ik mijn gebed tot die Allerhoogste Godspersoon, die eeuwig bestaat, die onzichtbaar is, die de Heer van alle grote persoonlijkheden zoals Brahmâ en anderen is, en die men alleen maar kan bereiken door transcendentale bhakti-yoga. Omdat Hij bijzonder subtiel is, bevindt Hij Zich buiten het bereik van mijn zinnen en is Hij transcendentaal aan elke materiële ervaring. Hij is onbegrensd, de oorspronkelijke oorzaak en in alle opzichten volkomen volmaakt. Ik breng Hem mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 22-24:

Van Hem zijn door Zijn delen - de verschillende bewegende en niet-bewegende levensvormen, de vedische kennis, de goden en allen die bij Brahmâ horen - de minder belangrijke onderverdelingen van namen en vormen in het leven geroepen. Dit niet aflatende vertoon van de geaardheden der natuur, dit verstand en deze geest, deze zinnen en verdelingen van het grove en subtiele van het lichaam, zijn, zoals vonken in verhouding tot het vuur dat de zon is, de stralende deeltjes die keer op keer voortkomen uit en opgaan in Hem als delen en gehelen. Dat vuur, inderdaad geen halfgod of demon, een menselijk wezen, beest of vogel, vrouw, onzijdig of de maan evenmin en ook niet een levend schepsel, is niet het vruchtdragend handelen noch de manifestatie, noch het niet-gemanifesteerde; Hij is de slotsom van het uitsluiten van dit en dat [neti neti zie ook 7.7: 23]; aan Hem, de Onbegrensde, alle glorie!

De Allerhoogste Godspersoon schept de jîva-tattva, volkomen deeltjes van Zijn persoon, te beginnen met Heer Brahmâ, de halfgoden en de expansies van de vedische kennis [Sâma, Rig, Yajur en Atharva], en bovendien alle andere levende wezens, zowel de bewegende als de niet-bewegende, met hun verschillende namen en specifieke eigenschappen. Zoals de vonken van een vuur of de schitterende stralen van de zon uit hun bron komen en er steeds weer in opgaan, zo komen ook de geest, de intelligentie, de zonnen, de grof- en fijnstoffelijke lichamen en de voortdurende transformaties van de verschillende geaardheden der natuur allemaal uit de Heer voort en gaan weer in Hem op. Hij is geen halfgod, geen demon, geen mens, geen vogel en geen wild dier. Hij is geen vrouw, geen man en niet onzijdig, en Hij is evenmin een dier. Hij is geen materiële geaardheid, geen baatzuchtige activiteit, geen openbaring en geen niet-openbaring. Hij is het laatste woord in de analyse van "niet dit en niet dat", en Hij is onbegrensd. Alle eer aan de Allerhoogste Godspersoon! (Vedabase)

 

Tekst 25:

Ik wens het niet mijn leven hier of in een wereld hierna voort te zetten; wat heeft het voor nut als men vanbinnen en vanbuiten opgesloten zit; in deze geboorte als een olifant verlang ik te ontkomen aan de gebondenheid aan de tijd die alleen maar tot vernietiging leidt. Ik wil worden bevrijdt uit die onterende begrenzing van mijn zelf [zie ook 1.2: 3, 6.15: 16].

Als ik eenmaal uit de greep van de krokodil verlost ben, wil ik niet meer leven. Wat heeft het lichaam van een olifant, dat zowel vanbinnen als vanbuiten bedekt is met onwetendheid, voor zin? Ik verlang alleen maar naar eeuwige bevrijding uit de onwetendheid die me omhult en die zelfs onder invloed van de tijd niet vernietigd wordt. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Daartoe draag ik aan Hem, de gemanifesteerde hoewel niet gemanifesteerd, die ongeboren ziel en kenner van het universum en bovenzinnelijke toevlucht van het Allerhoogste, mijn leven en ziel op.

Nu, met het diepe verlangen om uit het materiële leven bevrijd te worden, breng ik mijn nederige eerbetuigingen aan die Allerhoogste Persoon die het universum geschapen heeft, die Zelf de vorm van het universum is en die toch transcendentaal aan deze kosmische openbaring is. Hij is de allerhoogste kenner van alles in deze wereld, de Superziel van het universum. Hij is de ongeboren Heer en Hij bevindt Zich in de allerhoogste positie. Ik breng Hem mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Zij van de vereniging van het bewustzijn jegens Hem, die door [die bhakti-]yoga al het karma verbrandden en een verenigd en gelouterd hart hebben, nemen Hem, de Heer van de Yoga die ik toegewijd ben, rechtstreeks waar.

Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste, de Superziel, de meester van alle mystieke yoga, die volmaakte yogî's in het diepst van hun hart zien als ze door beoefening van bhakti-yoga volkomen gezuiverd zijn en bevrijd zijn van de reacties op hun baatzuchtige activiteiten. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Mijn respectbetoon keer op keer voor U, het gigantische van de krachten van het drievoudig vermogen van [het vormgeven, afwikkelen en in stand houden van] het volledige, voor Hem die, voor de intelligentie zich voordoend als een zinsobject, de toevlucht verschaft en die, met Zijn moeilijk te boven te komen energieën [zie B.G. 16: 21], onbereikbaar is voor hen die op het pad hun zinnen niet weten te beheersen.

O Heer, U bent de bestuurder van de ontzagwekkende kracht van de drie soorten energie, U verschijnt als de bron van al het zingenot en de beschermer van de overgegeven zielen. U bezit grenzeloos veel energie, maar U bent onbenaderbaar voor degenen die hun zinnen niet kunnen beheersen. Ik breng U steeds opnieuw mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Ik zoek mijn toevlucht bij Hem wiens heerlijkheden zo onpeilbaar zijn, wiens identiteit bij de mensen in het algemeen niet bekend is en onder wiens invloed en intelligentie ik als een op zichzelfstaande ziel ben verslagen.'

Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Godspersoon, door wiens begoochelende energie de jîva, die een volkomen deeltje van God is, denkt dat hij zijn lichaam is en zijn werkelijke identiteit vergeet. Ik neem mijn toevlucht tot de Allerhoogste Godspersoon, wiens heerlijkheid moeilijk te begrijpen is. (Vedabase)

 

Tekst 30:

S'rî S'uka zei: 'Toen, vanwege deze beschrijving die niet was gericht op enige persoon in het bijzonder, geen van de opzichzelf staande goddelijken van Brahmâ met hun verschillende verschijningsvormen, Gajendra benaderde, verscheen aldaar van de keur aan goden de Heer in eigen persoon omdat Hij het volledige van hen allen tezamen is [vergelijk B.G. 7: 20-23 en 9: 23; 4.31: 14].

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Toen de koning van de olifanten aldus de allerhoogste autoriteit beschreef, zonder daarbij een bepaald persoon te noemen, riep hij niet de halfgoden aan, onder wie Heer Brahmâ, Heer S'iva, Indra en Candra het belangrijkst zijn. Daarom kwam geen van hen dus naar hem toe. Maar omdat Heer Hari de Superziel is, Purushottama, de Godspersoon, verscheen Hij voor Gajendra. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Zijn gebed horend kwam de Heer van alle werelden die begreep in wat voor benarde positie hij verkeerde, tezamen met de bewoners van de hemel die hun gebeden opdroegen, zo snel als Hij maar kon, gedragen door Garuda en uitgerust met de werpschijf en Zijn andere wapens, naar de plek waar Gajendra zich bevond.

Toen de Allerhoogste Godspersoon, Hari, die overal leeft, begreep in wat voor netelige situatie Gajendra, die zijn gebeden naar Hem opgezonden had, zich bevond, verscheen Hij ter plaatse, samen met de halfgoden die gebeden tot Hem richtten. Met zijn werpschijf en nog andere wapens in de hand kwam Hij daar met grote snelheid op de rug van Zijn drager Garuda aan, geheel volgens Zijn verlangen. Zo verscheen Hij voor Gajendra. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Op het moment dat hij, die in het water zo gewelddadig was gegrepen en te lijden had, de Heer zag die op de rug van Garuda Zijn werpschijf in de lucht stak, hief hij zijn slurf omhoog met daarin een lotusbloem en bracht hij met moeite uit: 'O Nârâyana, Leraar der Volkomenheid, o Allerhoogste Heer, U biedt ik mijn eerbetuigingen.'

Gajendra werd met geweld door de krokodil in het water vastgehouden en voelde hevige pijn, maar toen hij zag dat Nârâyana met ronddraaiende werpschijf op de rug van Garuda door de lucht kwam aanvliegen, nam hij onmiddellijk een lotus in zijn slurf en bracht er ondanks de pijn met grote moeite de volgende woorden uit: "O mijn Heer Nârâyana, meester van het universum, o Allerhoogste Godspersoon, ik breng U mijn nederige eerbetuigingen." (Vedabase)

 

Tekst 33:

Toen Hij hem zo zag lijden kwam de Ongeborene meteen naar beneden en redde Hij, voor ogen van al de goddelijken aanwezig met Zijn werpschijf de krokodil zijn bek eraf snijdend, koning Gajendra en trok Hij hem uit het water.

Toen de ongeboren Allerhoogste Godspersoon, Hari, Gajendra in zo'n netelige situatie zag, was Hij zo grondeloos genadig om onmiddellijk van de rug van Garuda af te stappen en de koning van de olifanten samen met de krokodil uit het water te trekken. In het bijzijn van alle halfgoden, die toekeken, scheidde de Heer toen met Zijn werpschijf de bek van de krokodil van zijn lichaam. Op deze wijze redde Hij Gajendra, de koning van de olifanten. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Syamarani dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties