Canto
8
Hoofdstuk 12: Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer
(1-2) De zoon van Vyâsa zei: 'Hij die de stier berijdt [S'iva] vernemende hoe Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] om de Dânava's te bekoren en er voor zorgde dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg zijn stier en ging omringd door zijn dienaren, tezamen met zijn godin [Umâ] eropuit om Madhusûdana [Vishnu] in Zijn verblijfplaats te treffen.(3) De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem met alle verschuldigde respect van harte welkom en toen Bhava, de Heer der Continuïteit, en Umâ comfortabel gezeten waren zei hij, met een glimlach Heer Hari zijn eerbetuigingen brengend, het volgende.
(4) S'rî Mahâdeva [S'iva] zei: 'O God der Goden, o Alles-doorvarende Heer en Meester van het Universum, voor alle vormen van bestaan bent U, als de volheid der schepping, de bestierende kracht en om deze reden bent U de Hoogste Beheerser. (5) U bent het begin, het einde van deze werkelijkheid en dat wat er zich tussenin bevindt en als men ook maar iets beschouwt als los van U bestaand is dat zelfzucht; maar omdat U onvergankelijk bent is Uwe Heerlijkheid, als zijnde die Absolute Waarheid, dat Allerhoogste en dat weten, niet van al deze verschillen. (6) Het zijn inderdaad Uw voeten die worden aanbeden door de wijzen die, verlangend naar het uiteindelijke heil, er geen materiële verlangens op na houden en de gehechtheid hebben opgegeven aan dit leven en een leven hierna. (7) U als het Volledige van de kosmos, onsterfelijk voorbij de geaardheden, vrij van verdriet in eeuwige verrukking, bent onveranderlijk, los van alles bestaand bent U niettemin alles. Als de oorzaak van het begin, de manifestatie van het universum en Haar handhaving, bent U van allen die op het innerlijk gericht zijn de Superziel van beheersing en zijn allen van U afhankelijk die de onafhankelijkheid zelve bent [zie tevens B.G. 9: 15]. (8) U daadwerkelijk als de Ene, bestaande als zowel het tijdelijke als het eeuwige, kent zelf geen tweevoudigheid omdat U in deze wereld, precies zoals goud in haar verschillende vormen is in relatie tot haar wezen, niet het verschil bent van de substantie, het verschil dat de mensen uit onwetendheid in relatie tot U in het algemeen waarnemen. Omdat U vrij bent van de verschillen gecreëerd door de geaardheden moet men, onderscheid makend, niet van materiële omschrijvingen zijn [het begrip van het verschil van een valse wereld en een waar Brahman bestaat alleen in naam, zie ook B.G. 7: 4-5]. (9) U wordt door sommigen [de onpersoonlijke vedantisten] gezien als de absolute Waarheid van het Brahman en door een aantal anderen [de Mîmâmsaka's] als het zekere van de religie [het dharma]. Sommigen [de Sânkya-filosofen] beschouwen U als de Oorspronkelijke Persoon, de Hoogste Beheerser wat betreft oorzaak en gevolg en anderen [de pañcarâtra-toegewijden] beschrijven de bovenzinnelijkheid jegens U als uitgerust met negen hoedanigheden [zie 7.5: 23-24]. Voor nog weer anderen [volgelingen van Patañjali e.g.] bent U de Hoogste Persoonlijkheid, de onafhankelijke, onvergankelijke Superziel. (10) Noch ik noch de man in het voorbije [Brahmâ], noch de wijzen met Marîci aan het hoofd, weten werkelijk door wie dit universum werd geschapen, ookal namen we geboorte uit de goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld onder de invloed van mâyâ, in de lagere geaardheden verkeren [der hartstocht en onwetendheid, zie B.G. 2: 45]. (11) U, die als de lucht in de uitgestrekte ruimte, zowel erbij betrokken als er vrij van bent, hebt, met Uw aanwezigheid als de Allesdoordringende, weet van alles van deze schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich beweegt en niet beweegt. (12) Ik was getuige van allerlei avatâra's van U die de kwaliteiten in verschillende avonturen tentoonspreidden; Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aannam. (13) We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de Daitya's hun aandacht in beslag nam en de Sura's de nectar te drinken gaf.'
(14) S'rî S'uka zei: 'Vishnu de Allerhoogste Heer aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte ernstig en gaf Giris'a ['hij van de berg'] een antwoord. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Om de Daitya's te begoochelen nam Ik de gedaante van een prachtige vrouw aan, en achtte Ik het in het belang van de Sura's noodzakelijk om het vat vol met nectar weg te nemen. (16) Ik zal nu jullie, die er zo naar verlangen het te aanschouwen, o beste der verlichten, het voorwerp van aanbidding tonen dat de verlangens oproept van degenen die van een ongebreidelde lust zijn.'
(17) S'rî S'uka ging verder: 'Na zich aldus te hebben uitgesproken verdween Heer Vishnu terstond vandaar uit het zicht van het gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend met overal spiedende ogen.(18) Daarop ontwaarden ze op een prachtige plek in het bos een heerlijke vrouw die, in een glanzende sari met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen met roze blaadjes en alle soorten van bloemen, druk in de weer was spelend met een bal. (19) Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen die door hun gewicht bij Haar fragiele middel meedeinden met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten. (20) Haar gezicht werd opgesierd door rusteloze, bij tijden bezorgde, wijd open ogen die de bal in alle richtingen volgden en ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs Haar wangen naar beneden viel. (21) Terwijl Haar haar losgleed probeerde ze haar losrakende sari op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linker hand, onderwijl met Haar rechter hand tegen de bal slaand; aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14]. (22) De god die Haar op deze manier met de bal zag spelen en een nauwelijks op te merken verlegen glimlach zag uitzenden, was betoverd door de blikken van de stralende schoonheid en met zijn geest in beslag niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, was hij niet langer meer in staat aan zichzelf, aan Umâ naast hem of aan zijn metgezellen te denken [vergelijk 5.5: 8]. (23) Toen de bal opeens ver wegsprong van Haar hand, waaide, terwijl Ze de bal nazat, de jurk met de gordel die de vrouw bedekte, recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva weg. (24) Aldus Haar welgevormde glorie ziend zo aangenaam voor het oog, dacht S'iva dat Zij werkelijk wel zin in hem had. (25) Hij, gek op Haar glimlachen, ging, door Haar manier van doen beroofd van zijn gezonde verstand, zonder acht te slaan op Bhavânî die getuige was van wat zich voordeed, schaamteloos achter Haar aan. (26) De vrouw volkomen naakt, die hem op zich af zag komen, verborg zich in grote verlegenheid met een glimlach tussen de bomen, zonder op één plaats te blijven. (27) Heer S'iva, Bhava, wiens zinnen van streek waren, was het slachtoffer van de lust precies zoals een mannetjes-olifant uit op een vrouwtjes-olifant. (28) Haar najagend kreeg hij Haar bij de vlecht van Haar haar te pakken en trok hij Haar naar zich toe om Haar tegen Haar wil te omhelzen. (29-30) Zij met Haar losgeraakte haren, de vrouwtjes-olifant gevangen door het mannetje dat de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning, uit de hechte greep van de Heer der Halfgoden en holde snel weg met de zware heupen die zozeer het begoochelend vermogen van de Heer tentoonspreidden. (31) Als had hij de duivel op zijn hielen zette Rudra de achtervolging in van Hem wiens handelingen zich zo wonderbaarlijk voor hem afspeelden. (32) Van hem die nimmer zijn zaad tevergeefs uitstort, werd, Haar nazittend als een dolle stier jagend op een wijfje, het zaad geloosd. (33) Overal waar zijn zaad op de aarde viel werden die plaatsen mijnen voor goud en zilver, o grote heerser. (34) Nabij de oevers der rivieren en meren, bij de bergen en in de wouden, in de tuinen en waar zich ook maar de wijzen ophielden, was S'iva aanwezig. (35) Met zijn zaad geloosd zag hij in dat hij zelf voor de gek gehouden was door het begoochelend vermogen van God, o beste der koningen, en aldus weerhield hij zich van nog meer van de illusie. (36) Zo overtuigd van zijn eigen grootheid en de grootheid van de Ziel van het Universum die van een onbegrensd vermogen is, beschouwde hij dat wat zich had voorgedaan niet als iets verrassends. (37) Toen Hij zag dat hij zo onverstoord en zonder schaamte was nam Madhusûdana zeer tevreden erover Zijn Oorspronkelijke gedaante aan en sprak Hij.
(38) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wens u alle geluk o beste der halfgoden, ondanks het door jou, met Mij verschijnend als een vrouw, zo rijkelijk bekoord zijn door Mijn uitwendig vermogen, gedraag je je consequent overeenkomstig je gevestigde positie. (39) Welke persoon anders dan jij kan nu, eenmaal door de zinnen aangetrokken, Mijn mâyâ overwinnen? Voor hen die in het algemeen niet in staat zijn hun zinnen te beheersen zijn de materiële terugslagen die hen overweldigen hoogst lastig te boven te komen. (40) Als men zich eenmaal verbonden heeft met Mij in de vorm van de eeuwige tijd zal die begoochelende energie bestaande uit de geaardheden der natuur, met al haar verschillende elementen [als de optelsom waarvan er de godin Durgâ*] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'
(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus geprezen door de Hoogste Persoonlijkheid van God die altijd het S'rîvatsa-teken op Zijn borst heeft, o Koning, ging hij, Hem omlopend, met Zijn permissie terug naar zijn eigen verblijfplaats. (42) O afstammeling van Bharata, de machtige Heer Bhava richtte zich toen opgetogen tot zijn vrouw Bhavânî die door de wijzen wordt aanvaard als zijnde een werking van de begoochelende energie van de Heer: (43) 'Oh, heb je gezien hoe ikzelf zonder het in de gaten te hebben, ondanks de beste te zijn van al Zijn machten, verbijsterd raakte door Haar, de begoochelende energie van de Ongeboren Allerhoogste Persoon der Halfgoden? Moet ik het dan nog hebben over anderen die volledig afhankelijk zijn van de materiële illusie? (44) Toen ik een einde maakte aan een duizendjarige yogapraktijk kwam je bij mij om hoogte te krijgen van Hem die er inderdaad nu rechtstreeks is als de Oorspronkelijke Persoon die het begrip van de Veda's te boven gaat en waar de tijd geen vat op heeft.'
(45) S'rî S'uka besloot: 'Aldus zette ik voor u uiteen, mijn beste, de almacht van S'ârnga-dhanvâ [Vishnu met Zijn Boog] die de grote berg op Zijn rug hield voor het karnen van de oceaan. (46) Hij die er de tijd voor neemt dit te reciteren of naar dit verhaal te luisteren, zal nooit teleurgesteld raken in wat hij onderneemt omdat de beschrijving van de kwaliteiten van Uttamas'loka, de Ene Geprezen in de Geschriften, een einde maakt aan de misère van het materieel bestaan. (47) Voor Hem die niet door de goddelozen wordt begrepen, voor de voeten bekend bij de toegewijden van overgave, voor Hem die enkel de onsterfelijken de nectar te drinken gaf die voortkwam uit de oceaan, voor Hem die vermomd als een jong meisje verscheen en de vijanden van de goden voor zich innam, voor Hem die de wensen van de toegewijden in vervulling doet gaan, buig ik mij diep [vergelijk B.G. 9: 29-34].
Tweede editie, geladen 25 september 2007.
Bronteksten:
De Mohinî-mûrti incarnatie verleidt Heer S'iva
De zoon van Vyâsa zei: 'Hij die de stier berijdt [S'iva] vernemende hoe Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] om de Dânava's te bekoren en er voor zorgde dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg zijn stier en ging omringd door zijn dienaren, tezamen met zijn godin [Umâ] eropuit om Madhusûdana [Vishnu] in Zijn verblijfplaats te treffen.S'ukadeva Gosvâmî zei: Hari, de Allerhoogste Godspersoon, betoverde in Zijn gedaante als vrouw de demonen en stelde de halfgoden in staat om de nectar te drinken. Toen Heer S'iva over dit spel en vermaak van de Heer hoorde, besteeg hij zijn stier en begaf zich naar de residentie van Madhusûdana, de Allerhoogste Heer. Vergezeld van zijn vrouw Umâ en omringd door zijn metgezellen, de geesten, ging hij op weg om de gedaante van de Heer als vrouw te zien. (Vedabase)
De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem met alle verschuldigde respect van harte welkom en toen Bhava, de Heer der Continuïteit, en Umâ comfortabel gezeten waren zei hij, met een glimlach Heer Hari zijn eerbetuigingen brengend, het volgende.
De Allerhoogste Godspersoon verwelkomde Heer S'iva en Umâ met grote eerbied, en toen ze comfortabel zaten, aanbad Heer S'iva de Heer op passende wijze en sprak glimlachend de volgende woorden tot Hem. (Vedabase)
S'rî Mahâdeva [S'iva] zei: 'O God der Goden, o Alles-doorvarende Heer en Meester van het Universum, voor alle vormen van bestaan bent U, als de volheid der schepping, de bestierende kracht en om deze reden bent U de Hoogste Beheerser.
Heer Mahâdeva zei: O allerhoogste halfgod onder de halfgoden, o alomtegenwoordige Heer, meester van het universum, door Uw eigen energie hebt U Zich getransformeerd in deze schepping. U bent de wortel en de werkzame oorzaak van alles. U bent niet materieel. Integendeel, U bent de Superziel of de allerhoogste levenskracht van alles. Daarom bent U Parames'vara, de allerhoogste bestuurder van alle bestuurders. (Vedabase)
U bent het begin, het einde van deze werkelijkheid en dat wat er zich tussenin bevindt en als men ook maar iets beschouwt als los van U bestaand is dat zelfzucht; maar omdat U onvergankelijk bent is Uwe Heerlijkheid, als zijnde die Absolute Waarheid, dat Allerhoogste en dat weten, niet van al deze verschillen.
Het geopenbaarde, het ongeopenbaarde, het vals ego en het begin, de instandhouding en de vernietiging van deze kosmische wereld komen allemaal van U, de Allerhoogste Godspersoon. Maar omdat U de Absolute Waarheid bent, de allerhoogste absolute geestelijke ziel, het Allerhoogste Brahman, doen veranderingen als geboorte, dood en instandhouding zich bij U niet voor. (Vedabase)
Het zijn inderdaad Uw voeten die worden aanbeden door de wijzen die, verlangend naar het uiteindelijke heil, er geen materiële verlangens op na houden en de gehechtheid hebben opgegeven aan dit leven en een leven hierna.
Zuivere toegewijden of grote heiligen die het hoogste doel in het leven willen bereiken en volkomen vrij zijn van elk materieel verlangen naar zinsbevrediging, gaan voortdurend op in het transcendentale dienen van Uw lotusvoeten. (Vedabase)
U als het Volledige van de kosmos, onsterfelijk voorbij de geaardheden, vrij van verdriet in eeuwige verrukking, bent onveranderlijk, los van alles bestaand bent U niettemin alles. Als de oorzaak van het begin, de manifestatie van het universum en Haar handhaving, bent U van allen die op het innerlijk gericht zijn de Superziel van beheersing en zijn allen van U afhankelijk die de onafhankelijkheid zelve bent [zie tevens B.G. 9: 15].
O Heer, U bent het Allerhoogste Brahman, in alles volkomen. U bent zuiver geestelijk en daarom bent U eeuwig, vrij van de geaardheden der materiële natuur en vervuld van transcendentale gelukzaligheid. Leed bestaat niet voor U. Aangezien U de allerhoogste oorzaak bent, de oorzaak van alle oorzaken, kan er zonder U niets bestaan. Toch blijven wij verschillend van U in een relatie van oorzaak en gevolg, want in zekere zin verschillen oorzaak en gevolg van elkaar. U bent de oorspronkelijke oorzaak van de schepping, de openbaring en de vernietiging, en U schenkt Uw zegeningen aan alle levende wezens. Voor het resultaat van zijn activiteiten is iedereen altijd afhankelijk van U, maar Zelf bent U te allen tijde onafhankelijk. (Vedabase)
U daadwerkelijk als de Ene, bestaande als zowel het tijdelijke als het eeuwige, kent zelf geen tweevoudigheid omdat U in deze wereld, precies zoals goud in haar verschillende vormen is in relatie tot haar wezen, niet het verschil bent van de substantie, het verschil dat de mensen uit onwetendheid in relatie tot U in het algemeen waarnemen. Omdat U vrij bent van de verschillen gecreëerd door de geaardheden moet men, onderscheid makend, niet van materiële omschrijvingen zijn [het begrip van het verschil van een valse wereld en een waar Brahman bestaat alleen in naam, zie ook B.G. 7: 4-5].
O Heer, U alleen bent zowel de oorzaak als het gevolg. Daarom lijkt het of U twee aspecten hebt, maar toch bent U de absolute eenheid. Zoals er geen verschil bestaat tussen het goud van een gouden sieraad en het goud in een mijn, zo is er ook geen verschil tussen oorzaak en gevolg; ze zijn allebei hetzelfde. Het komt alleen maar door onwetendheid dat mensen allerlei verschillen en dualiteiten creëren. U bent vrij van alle materiële besmetting, en aangezien U de oorzaak van de hele kosmos bent en deze zonder U niet kan blijven bestaan, is ook de kosmos een uitvloeisel van Uw transcendentale kwaliteiten. Daarom kan de filosofie dat Brahman werkelijk is en de wereld illusie geen standhouden. (Vedabase)
U wordt door sommigen [de onpersoonlijke vedantisten] gezien als de absolute Waarheid van het Brahman en door een aantal anderen [de Mîmâmsaka's] als het zekere van de religie [het dharma]. Sommigen [de Sânkya-filosofen] beschouwen U als de Oorspronkelijke Persoon, de Hoogste Beheerser wat betreft oorzaak en gevolg en anderen [de pañcarâtra-toegewijden] beschrijven de bovenzinnelijkheid jegens U als uitgerust met negen hoedanigheden [zie 7.5: 23-24]. Voor nog weer anderen [volgelingen van Patañjali e.g.] bent U de Hoogste Persoonlijkheid, de onafhankelijke, onvergankelijke Superziel.
Degenen die bekendstaan als de impersonalistische vedantisten zien U als het onpersoonlijke Brahman. Anderen, de zogenaamde mîmâmsaka-filosofen, denken dat U religie bent. De sânkhya-filosofen beschouwen U als de transcendentale persoon die boven prakriti en purusha staat en zelfs de halfgoden in Zijn macht heeft. Degenen die de regels van toegewijde dienst volgen, de pañcarâtra's, geloven dat U begiftigd bent met negen verschillende vermogens. En de patañjala-filosofen, de volgelingen van Patañjali Muni, zien in U de allerhoogste onafhankelijke Godspersoon, die geen gelijke heeft en geen meerdere. (Vedabase)
Noch ik noch de man in het voorbije [Brahmâ], noch de wijzen met Marîci aan het hoofd, weten werkelijk door wie dit universum werd geschapen, ookal namen we geboorte uit de goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld onder de invloed van mâyâ, in de lagere geaardheden verkeren [der hartstocht en onwetendheid, zie B.G. 2: 45].
O Heer, zowel ik, die als de beste der halfgoden beschouwd word, als Heer Brahmâ en de grote rishi's met hun leider Marîci zijn geboren in de geaardheid goedheid, maar desondanks zijn we verbijsterd door Uw begoochelende energie en kunnen we deze schepping niet begrijpen. Wat valt er dan nog te zeggen van anderen, zoals de demonen en de mensen, die zich in de lagere geaardheden van de materiële natuur bevinden [in rajo-guna en tamo-guna]? Hoe zouden zij U moeten kennen? (Vedabase)
U, die als de lucht in de uitgestrekte ruimte, zowel erbij betrokken als er vrij van bent, hebt, met Uw aanwezigheid als de Allesdoordringende, weet van alles van deze schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich beweegt en niet beweegt.
O Heer, U bent de verpersoonlijking van de allerhoogste kennis. U weet alles over deze schepping, met inbegrip van het begin, de instandhouding en de vernietiging ervan, en U weet precies hoeveel inspanning ieder levend wezen zich getroost, waardoor hij ofwel steeds meer in deze materiële wereld verwikkeld raakt of zich daar juist uit bevrijdt. Zoals lucht zowel de eindeloze hemel vult als de lichamen van alle bewegende en niet-bewegende levende wezens, zo bent ook U overal aanwezig en weet daardoor alles. (Vedabase)
Ik was getuige van allerlei avatâra's van U die de kwaliteiten in verschillende avonturen tentoonspreidden; Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aannam.
O Heer, ik heb al allerlei incarnaties gezien die U het openbaren van Uw transcendentale eigenschappen hebt gemanifesteerd, en nu U als een mooie jonge vrouw bent verschenen, wil ik ook graag die gedaante van U zien. (Vedabase)
We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de Daitya's hun aandacht in beslag nam en de Sura's de nectar te drinken gaf.'
Heer, we zijn hier naar toe gekomen omdat we zo graag de gedaante van U willen zien die U de demonen toonde om ze totaal te betoveren, zodat de halfgoden de kans kregen om de nectar op te drinken. Die gedaante van U wil ik ontzettend graag zien. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Vishnu de Allerhoogste Heer aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte ernstig en gaf Giris'a ['hij van de berg'] een antwoord.
S'ukadeva Gosvâmî zei: Op dit verzoek van de drager van de drietand, Heer S'iva, glimlachte Heer Vishnu in volle ernst en gaf hem het volgende antwoord. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Om de Daitya's te begoochelen nam Ik de gedaante van een prachtige vrouw aan, en achtte Ik het in het belang van de Sura's noodzakelijk om het vat vol met nectar weg te nemen.
De Allerhoogste Godspersoon zei: Toen de demonen de kruik met nectar wegnamen, heb Ik hen rechtstreeks bedrogen door de gedaante van een mooie vrouw aan te nemen om hen in verwarring te brengen en op die manier in het belang van de halfgoden te handelen. (Vedabase)
Ik zal nu jullie, die er zo naar verlangen het te aanschouwen, o beste der verlichten, het voorwerp van aanbidding tonen dat de verlangens oproept van degenen die van een ongebreidelde lust zijn.'
O beste van de halfgoden, Ik zal u nu Mijn gedaante tonen die zo mooi gevonden wordt door personen met wellustige begeertes. U wilt die gedaante zo graag zien, en daarom zal Ik haar aan u onthullen. (Vedabase)
S'rî S'uka ging verder: 'Na zich aldus te hebben uitgesproken verdween Heer Vishnu terstond vandaar uit het zicht van het gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend met overal spiedende ogen.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na deze woorden was de Allerhoogste Godspersoon, Vishnu, opeens verdwenen en Heer S'iva, die samen met Umâ achterbleef, zocht Hem overal met rusteloze ogen. (Vedabase)
Daarop ontwaarden ze op een prachtige plek in het bos een heerlijke vrouw die, in een glanzende sari met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen met roze blaadjes en alle soorten van bloemen, druk in de weer was spelend met een bal.
Daarna zag Heer S'iva in een prachtig bos nabij, vol bomen met rozerode bladeren en allerlei soorten bloemen, een beeldschone vrouw die met een bal speelde. Haar heupen waren bedekt door een glanzende sari en versierd met een gordel. (Vedabase)
Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen die door hun gewicht bij Haar fragiele middel meedeinden met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten.
Door het op en neer stuiten van de bal waarmee Ze speelde, trilden Haar borsten, en door het gewicht van die borsten en Haar zware bloemenslingers leek het of Haar middel bij elke stap zou breken, zoals Ze daar rondhuppelde op Haar twee zachte voetjes met hun koraalrode tint. (Vedabase)
Haar gezicht werd opgesierd door rusteloze, bij tijden bezorgde, wijd open ogen die de bal in alle richtingen volgden en ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs Haar wangen naar beneden viel.
De schoonheid van het gezicht van de vrouw werd nog verhoogd door Haar grote, prachtige, rusteloze ogen, die meebewogen met de bal die Ze met Haar hand naar alle kanten stuitte. De twee glinsterende ringen die Zij in Haar oren droeg, wierpen een blauwachtig schijnsel op Haar glanzende wangen en door de lokken die voor Haar gezicht vielen was Ze nog mooier om te zien. (Vedabase)
Terwijl Haar haar losgleed probeerde ze haar losrakende sari op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linker hand, onderwijl met Haar rechter hand tegen de bal slaand; aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14].
Door Haar gespeel met de bal begon de sari die Haar lichaam verhulde af te zakken en raakte Haar haar los. Met Haar bekoorlijke linkerhand probeerde Ze Haar haar op te binden, terwijl Ze tegelijkertijd met Haar rechterhand doorspeelde met de bal. Dit was zo charmant dat de Allerhoogste Heer op die manier iedereen met Zijn uitwendige energie betoverde. (Vedabase)
De god die Haar op deze manier met de bal zag spelen en een nauwelijks op te merken verlegen glimlach zag uitzenden, was betoverd door de blikken van de stralende schoonheid en met zijn geest in beslag niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, was hij niet langer meer in staat aan zichzelf, aan Umâ naast hem of aan zijn metgezellen te denken [vergelijk 5.5: 8].
Terwijl Heer S'iva naar de mooie vrouw met de bal keek, wierp Ze hem zo nu en dan met een schuchtere glimlach een blik toe. Doordat hij zo naar die mooie vrouw keek en Zij naar hem, vergat hij zowel zichzelf als zijn bijzonder knappe vrouw Umâ, alsook zijn metgezellen die naast hem stonden. (Vedabase)
Toen de bal opeens ver wegsprong van Haar hand, waaide, terwijl Ze de bal nazat, de jurk met de gordel die de vrouw bedekte, recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva weg.
Toen de bal uit Haar hand sprong en een eindje verderop terechtkwam, liep de vrouw er op een drafje achteraan, en terwijl Heer S'iva al Haar bewegingen volgde, blies een briesje plotseling het dunne gewaad en de gordel weg die Haar lichaam verhulden. (Vedabase)
Aldus Haar welgevormde glorie ziend zo aangenaam voor het oog, dacht S'iva dat Zij werkelijk wel zin in hem had.
Heer S'iva zag daardoor Haar tot in de kleinste details volmaakt gevormde lichaam, en de mooie vrouw keek ook naar hem. Omdat hij dacht dat Zij Zich ook tot hem aangetrokken voelde, verloor hij zijn hart aan Haar. (Vedabase)
Hij, gek op Haar glimlachen, ging, door Haar manier van doen beroofd van zijn gezonde verstand, zonder acht te slaan op Bhavânî die getuige was van wat zich voordeed, schaamteloos achter Haar aan.
Heer S'iva, van zijn verstand beroofd door zijn begeerte, werd zó gek van verlangen naar Haar dat hij ondanks de aanwezigheid van Bhavânî niet aarzelde om naar Haar toe te lopen. (Vedabase)
De vrouw volkomen naakt, die hem op zich af zag komen, verborg zich in grote verlegenheid met een glimlach tussen de bomen, zonder op één plaats te blijven.
De mooie vrouw was al helemaal naakt, en toen Ze Heer S'iva op Zich af zag komen werd Ze ontzettend verlegen. Ze bleef glimlachen maar verborg Zich tussen de bomen en liep steeds naar een andere plek. (Vedabase)
Heer S'iva, Bhava, wiens zinnen van streek waren, was het slachtoffer van de lust precies zoals een mannetjes-olifant uit op een vrouwtjes-olifant.
Omdat Heer S'iva, wiens zinnen in totale beroering waren, het slachtoffer van wellustige begeerte was, ging hij achter Haar aan, als een opgewonden olifant die een wijfje nazit. (Vedabase)
Haar najagend kreeg hij Haar bij de vlecht van Haar haar te pakken en trok hij Haar naar zich toe om Haar tegen Haar wil te omhelzen.
Na een razendsnelle achtervolging kreeg Heer S'iva Haar vlecht te pakken en trok Haar naar zich toe. Alhoewel Zij weerstand bood, sloeg hij beide armen om Haar heen. (Vedabase)
Zij met Haar losgeraakte haren, de vrouwtjes-olifant gevangen door het mannetje dat de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning, uit de hechte greep van de Heer der Halfgoden en holde snel weg met de zware heupen die zozeer het begoochelend vermogen van de Heer tentoonspreidden.
Heer S'iva omhelsde de vrouw als een mannetjesolifant zijn wijfje, en de vrouw, wier haar losgeraakt was, kronkelde als een slang. O Koning, deze vrouw, met Haar brede, volle heupen, was een gedaante van yogamâyâ, geopenbaard door de Allerhoogste Godspersoon. Ze bevrijdde Zich op de een of andere manier uit de liefdevolle greep van Heer S'iva's armen en rende weg. (Vedabase)
Als had hij de duivel op zijn hielen zette Rudra de achtervolging in van Hem wiens handelingen zich zo wonderbaarlijk voor hem afspeelden.
Als bestookt door een vijand in de vorm van seksuele begeerte, volgde Heer S'iva het spoor van Heer Vishnu, die wonderbaarlijke daden verricht en de gedaante van Mohinî had aangenomen. (Vedabase)
Van hem die nimmer zijn zaad tevergeefs uitstort, werd, Haar nazittend als een dolle stier jagend op een wijfje, het zaad geloosd.
Zoals een wilde mannetjesolifant achter een wijfjesolifant aanzit die klaar is om gedekt te worden, zo volgde Heer S'iva de mooie vrouw en loosde zijn zaad, al is een zaadlozing van hem nooit verspilde energie. (Vedabase)
Overal waar zijn zaad op de aarde viel werden die plaatsen mijnen voor goud en zilver, o grote heerser.
O Koning, overal waar het zaad van de grote Heer S'iva op het aardoppervlak viel, ontstonden later goud- en zilvermijnen. (Vedabase)
Nabij de oevers der rivieren en meren, bij de bergen en in de wouden, in de tuinen en waar zich ook maar de wijzen ophielden, was S'iva aanwezig.
Bij zijn achtervolging van Mohinî kwam Heer S'iva overal - op de oevers van rivieren en meren, in de bergen, in bossen en parken en op plaatsen waar grote wijzen woonden. (Vedabase)
Met zijn zaad geloosd zag hij in dat hij zelf voor de gek gehouden was door het begoochelend vermogen van God, o beste der koningen, en aldus weerhield hij zich van nog meer van de illusie.
O, Mahârâja Parîkshit, beste van alle koningen, toen Heer S'iva al zijn zaad had geloosd, zag hij in dat hij het slachtoffer van de illusie was geworden die de Allerhoogste Godspersoon speciaal voor hem had gecreëerd. Daarom beheerste hij zichzelf zodat hij niet weer in mâyâ zou vallen. (Vedabase)
Zo overtuigd van zijn eigen grootheid en de grootheid van de Ziel van het Universum die van een onbegrensd vermogen is, beschouwde hij dat wat zich had voorgedaan niet als iets verrassends.
Heer S'iva begreep daardoor zowel zijn eigen positie als die van de Allerhoogste Godspersoon, die onbegrensde vermogens heeft. Toen hij dit alles besefte, was hij hoegenaamd niet verbaasd over de wonderbaarlijke manier waarop Heer Vishnu hem had gemanipuleerd. (Vedabase)
Toen Hij zag dat hij zo onverstoord en zonder schaamte was nam Madhusûdana zeer tevreden erover Zijn Oorspronkelijke gedaante aan en sprak Hij.
Toen Heer Vishnu [Madhusûdana] zag dat Heer S'iva niet verstoord was en zich ook niet schaamde, was Hij zeer verheugd. Hij nam weer Zijn oorspronkelijke gedaante aan en sprak als volgt. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wens u alle geluk o beste der halfgoden, ondanks het door jou, met Mij verschijnend als een vrouw, zo rijkelijk bekoord zijn door Mijn uitwendig vermogen, gedraag je je consequent overeenkomstig je gevestigde positie.
De Allerhoogste Godspersoon zei: O beste der halfgoden, hoewel u door Mijn vermogen om de gedaante van een vrouw aan te nemen heel wat hebt moeten doorstaan, bent u niet aan het wankelen gebracht. Daarom wens Ik u alle geluk en voorspoed toe. (Vedabase)
Welke persoon anders dan jij kan nu, eenmaal door de zinnen aangetrokken, Mijn mâyâ overwinnen? Voor hen die in het algemeen niet in staat zijn hun zinnen te beheersen zijn de materiële terugslagen die hen overweldigen hoogst lastig te boven te komen.
Beste Heer S'ambhu, wie in deze materiële wereld behalve u kan Mijn begoochelende energie weerstaan? De mensen zijn over het algemeen gehecht aan zingenot en staan volkomen onder invloed daarvan. Het is werkelijk heel moeilijk voor ze om boven de geaardheden der materiële natuur uit te stijgen. (Vedabase)
Als men zich eenmaal verbonden heeft met Mij in de vorm van de eeuwige tijd zal die begoochelende energie bestaande uit de geaardheden der natuur, met al haar verschillende elementen [als de optelsom waarvan er de godin Durgâ is] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'
De materiële, uitwendige energie [mâyâ], die bij de schepping met Mij samenwerkt en zich manifesteert in de drie geaardheden der natuur, zal u niet meer kunnen betoveren. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus geprezen door de Hoogste Persoonlijkheid van God die altijd het S'rîvatsa-teken op Zijn borst heeft, o Koning, ging hij, Hem omlopend, met Zijn permissie terug naar zijn eigen verblijfplaats.
S'ukadeva Gosvâmî zei: O Koning, na deze prijzende woorden van de Allerhoogste Persoonlijkheid, die het teken van S'rîvatsa op Zijn borst draagt, liep Heer S'iva in een cirkel om Hem heen. Nadat hij toestemming van Hem had gekregen om te vertrekken, keerde Heer S'iva tezamen met zijn metgezellen vervolgens terug naar zijn woonplaats, Kailâsa. (Vedabase)
O afstammeling van Bharata, de machtige Heer Bhava richtte zich toen opgetogen tot zijn vrouw Bhavânî die door de wijzen wordt aanvaard als zijnde een werking van de begoochelende energie van de Heer:
O afstammeling van Bharata Mahârâja, toen richtte Heer S'iva zich vol vreugde tot zijn vrouw Bhavânî, die door alle autoriteiten beschouwd wordt als de energie van Heer Vishnu. (Vedabase)
'Oh, heb je gezien hoe ikzelf zonder het in de gaten te hebben, ondanks de beste te zijn van al Zijn machten, verbijsterd raakte door Haar, de begoochelende energie van de Ongeboren Allerhoogste Persoon der Halfgoden? Moet ik het dan nog hebben over anderen die volledig afhankelijk zijn van de materiële illusie?
Heer S'iva zei: O godin, wat je zojuist zag was de begoochelende energie van de Allerhoogste Godspersoon, die de ongeboren meester van alle levende wezens is. Ofschoon ik een van de voornaamste expansies van de Heer ben, raakte zelfs ik door Zijn energie verward. Moet ik dan nog over andere wezens spreken, die volkomen afhankelijk van mâyâ zijn? (Vedabase)
Toen ik een einde maakte aan een duizendjarige yogapraktijk kwam je bij mij om hoogte te krijgen van Hem die er inderdaad nu rechtstreeks is als de Oorspronkelijke Persoon die het begrip van de Veda's te boven gaat en waar de tijd geen vat op heeft.'
Nadat ik duizend jaar lang mystieke yoga had beoefend, vroeg je me eens op wie ik al die tijd gemediteerd had. Hier is nu die Allerhoogste Persoon, op wie de tijd geen greep heeft en die zelfs de Veda's niet kunnen begrijpen. (Vedabase)
S'rî S'uka besloot: 'Aldus zette ik voor u uiteen, mijn beste, de almacht van S'ârnga-dhanvâ [Vishnu met Zijn Boog] die de grote berg op Zijn rug hield voor het karnen van de oceaan.
S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, degene die de grote berg op Zijn rug droeg voor het karnen van de oceaan van melk is deze zelfde Allerhoogste Godspersoon, die ook bekendstaat als S'ârngadhanvâ. Dit was het relaas van Zijn roemrijke daden. (Vedabase)
Hij die er de tijd voor neemt dit te reciteren of naar dit verhaal te luisteren, zal nooit teleurgesteld raken in wat hij onderneemt omdat de beschrijving van de kwaliteiten van Uttamas'loka, de Ene Geprezen in de Geschriften, een einde maakt aan de misère van het materieel bestaan.
De moeite die iemand doet door steeds naar dit verhaal te luisteren of zelf over het karnen van de oceaan te vertellen, zal altijd beloond worden. Ja, het chanten van de heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon is in feite de enige manier om een eind te maken aan alle pijn en ellende in deze materiële wereld. (Vedabase)
Voor Hem die niet door de goddelozen wordt begrepen, voor de voeten bekend bij de toegewijden van overgave, voor Hem die enkel de onsterfelijken de nectar te drinken gaf die voortkwam uit de oceaan, voor Hem die vermomd als een jong meisje verscheen en de vijanden van de goden voor zich innam, voor Hem die de wensen van de toegewijden in vervulling doet gaan, buig ik mij diep [vergelijk B.G. 9: 29-34].
Door de gedaante van een jonge vrouw aan te nemen en de demonen op die manier te betoveren, wist de Allerhoogste Godspersoon de nectar, voortgebracht door het karnen van de oceaan van melk, onder Zijn toegewijden, de halfgoden, te verdelen. Aan die Allerhoogste Godspersoon, die altijd de wensen van Zijn toegewijden vervult, breng ik mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
'srishthi-sthiti-pralaya-sâdhana-s'aktir ekâ
châyeva yasya bhuvanâni bibharti durgâ' [Bs. 5.44]De ganse kosmos is tot stand gebracht door Durgâ in samenwerking met Heer Vishnu in de gedaante van kâla, de tijd. Dit is de versie van de Veda's (Aitareya Upanishad 1.1.1-2).
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van Dhriti
devî dâsî.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd