regelbalk


 

Canto 7

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

 

Hoofdstuk 8: Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord accepteerde het gehoor van de daitya zonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen onderwezen. (2) Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie zich had gevestigd op dat ene onderwerp van aandacht, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was. (3-4) Trillend van woede over zijn hele lichaam en met een geest vastbesloten zijn zoon te doden wees hij Prahlâda terecht, die helemaal niet beschuldigd zou moeten worden, waarbij hij met de wreedste bewoordingen hem furieus met een kwaaie blik bejegende omtrent zijn overtredingen. Hij, zo zachtgeaard en ingetogen, had zijn handen voor zich gevouwen met hem voor zich die aan het sissen was als een gifslang waar men op had getrapt.

(5) Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze, allerdomste, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat van mijn gezag afwijkt, vandaag zal ik je naar Yamarâja sturen. (6) Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders in angst voor mij; met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij idioot?' [vergelijk B.G. 9: 31].

(7) Prahlâda zei: 'Voorwaar is Hij, de Sterke der Sterken niet enkel de mijne of de uwe, o Koning; Hij is eveneens het verhevene van alle andere onderworpenen die zich rondbewegen of zich niet bewegen, en die Hij, te beginnen bij Heer Brahmâ, onder Zijn controle heeft gebracht. (8) Hij de beheerser, de tijdsfactor, is de unieke Heer die die ene kracht van de geest en het leven is, het stabiele van iemands fysiek vermogen en de zinnen; Hij, de Ware van het zelf, is met al Zijn vermogens waarlijk de Allerhoogste Ene Meester der natuurlijke geaardheden die schept, handhaaft en het hele universum weer terugroept. (9) Geef enkel de asura manier van doen op. U, voor uzelf, weest gelijkgezind, op het pad der vergissingen bestaat er geen andere vijand dan de onbeheerste geest, een probleem waarvoor de onbegrensde Heer de beste remedie is. (10) Vroeger waren er plunderaars die niet van beheersing met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Ze zagen zichzelf als mensen die al de tien windrichtingen hadden weten te veroveren, maar waar zijn dan die vijanden geschapen in de eigen begoocheling met een heilige die alle levende wezens gelijk gezind is?'

(11) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk zoek je, zo onbeperkt opsnijdend, de dood; het is duidelijk dat de woorden van mensen die op het punt staan te sterven onzinnig zijn, stomme ezel die je bent. (12) O ongelukkige, Hij die je naast mij beschreef als de heerser van het universum, waar is die nu te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier voor mij? [zie tevens B.G. 7: 25] (13) Laat Hem, die Heer die je verkoos als je beschermer, je maar eens beschermen als ik dadelijk het hoofd van de romp zal scheiden van iemand als jij, die een dergelijke onzin uitkraamt.'

(14) Aldus met een stroom van scheldwoorden zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn harde vuist tegen een pilaar. (15)  Op datzelfde moment was er van binnenuit een hoogst beangstigend geluid te horen alsof de schaal van het universum openbarstte. Dat geluid, dat zover reikte als tot waar de goddelijken van Heer Brahmâ zich ophielden, mijn beste, deed hen geloven dat de vernietiging van hun woonsteden op handen was. (16) Hij, die het in zijn machtsvertoon verlangde zijn zoon te doden, hoorde het luide gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond met de aanwezige vergadering stomverbaasd over het feit dat men niet kon uitmaken waar het vandaan kwam, en zo raakten allen die aan de macht waren zeer door angst bevangen. (17) Om de waarheid gestand te doen van de woorden uitgesproken ter verdediging van Zijn alomtegenwoordigheid die alles en iedereen doorvaart, kon men zien hoe zich van Hem in een pilaar in het midden van de vergaderzaal een hoogst wonderbaarlijke gedaante manifesteerde, die noch dierlijk noch menselijk was. (18) Hij, het van alle kanten bekijkend, zag hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam, en niet in staat uit te maken of het een dier dan wel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een gedaante half een mens en half de koning der dieren?'

(19-22) Terwijl hij het wonder dat recht voor zijn ogen plaatsgreep overdacht, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had lichtende ogen als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Hij zwaaide met Zijn tong scherp als een scheermes, starend met een afschuwelijke grimas. Zijn oren stonden recht overeind en Zijn wijd open mond en neusgaten verbazingwekkend opengesperd als een berggrot, besloeg de hemel. Zijn lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Gelijk de stralen van de maan was Zijn lichaam overdekt met witte haren en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, trefzekere nagels als wapens in combinatie met Zijn overige persoonlijke wapens. Voor die uitnemendheid geplaatst sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht. (23) 'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat gedoe nu voor een nut?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf, en zijn wapen oppakkend wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen. (24) Net als een insect dat men in het vuur gevallen niet meer kan zien, verdween hij, de Asura, in de gloed van Nrisimha; iets wat op dat moment werkelijk niet zo verwonderlijk was daar Hij vanuit de gloed van Zijn eigen goedheid voorheen reeds de duisternis van de schepping had opgeslokt. (25) Daarna tot de aanval overgegaan sloeg de grootste der demonen verwoed met zijn knots in op Nrisimhadev, zijn macht bewijzend door Hem met geweld van z'n plaats te bewegen, maar de Heer die eveneens van een knots was voorzien, greep hem precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] dat zou doen met het vangen van een grote slang. (26) Toen de Asura Hem uit Zijn handen glipte met het spelletje dat Hij, zoals Garuda met een slang, met hem aan het spelen was, dachten de goddelijken en de heersers van de hemel die hij van hun plaats had verdrongen, vanachter de wolken dat het verkeerd afliep, o zoon van Bharata. (27) Denkend dat Hij, omdat Hij hem had laten gaan, bang was voor zijn vertoon van mannelijkheid, viel de machtigste der demonen, die na een pauze in de strijd zijn zwaard en schild weer oppakte, met veel geweld Nrisimhadeva opnieuw aan. (28) Toen hij snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het maneuvreren was om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, die toen ie z'n ogen even dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen. (29) In protest met zijn ledematen tegenstribbelend om weg te komen plaatste de Heer hem, wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, als een slang of muis over de rand van Zijn dijbeen en doorboorde Hij hem met Zijn nagels met het gemak van Garuda die een adder te pakken neemt. (30) Hij met Zijn beangstigende, woedende blik was moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek als was Hij een leeuw die zojuist een olifant gedood had. (31) Het hart had Hij met Zijn gepunte nagels er geheel uitgerukt en terzijde geworpen, en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze armen. (32) Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken; de wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit. (33) Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelwagens die in de lucht samendromden van hun plaatsen, de aarde schudde onder het zware gewicht van Zijn voeten, Zijn niet te weerstane kracht bracht de bergen en heuvels in beweging en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

(34) Daarna had Hij, in de vergaderzaal gezeten op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, niemand meer tegenover zich, noch iemand om Hem de eer te bewijzen. (35)  Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de koppijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en lieten de vrouwen van de halfgoden onophoudelijk een regen van bloemen neerdalen. (36)  Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn en werden trommels en pauken geslagen en werd er gezongen en gedanst door de grootste zangers en engelen van de hemel. (37-39) Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts der wetenschap en de grote slangen [ego's]; de stamvaders kwamen allen, de leiders der mensheid, de ingezetenen van de hemel en de besten der engelen alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaakten en de aapachtigen, o mijn beste. Zo kwamen er ook de spotgeesten [de komedianten, de barden], de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderden zij ieder Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

(40) Brahmâ zei: 'Ik buig me voor U neer, o Ondoorgrondelijke, Onbegrensde; met al Uw macht en vermogen en het Zuivere van Uw handelingen bent U van het Universum de schepping, de handhaving en de vernietiging die met de geaardheden speels tewerk gaat zonder zelf ooit te veranderen.'

(41) Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.'

(42) S'rî Indra zei: 'Ons aandeel van de offers is door Uwe Heerlijkheid teruggewonnen die ons beschermde, o Allerhoogste; woorden schieten ons tekort om uit te duiden hoezeer getroffen door de Daitya onze lotusgelijke harten waren die in werkelijkheid Uw verblijfplaats zijn. Helaas, o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt hem verlicht ter wille van de toegewijden in Uw dienst zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders, o Nrisimhadeva, zou, de zichtbare wereld inderdaad als niet zo belangrijk beschouwend, voor hen van nut zijn? '

(43) De achtenswaardige heiligen zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld ter lering van onze verzakingen. Bij de macht van Uw zelf wordt deze wereld, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, geschapen, gehandhaafd en weer in U opgenomen. Dat alles werd door deze onwijze ziel weggekaapt maar is nu, o Toevlucht der Behoeftigen, door de bescherming van Uw belichaming met Uw zegen naar ons teruggebracht.'

(44) De eerbare voorouders zeiden: 'De duivel die met geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, hij die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, bereikten deze offers hun juiste bestemming; Hem brengen wij onze eerbetuigingen die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens.'

(45)  De vervolmaakten zeiden: 'Die persoon hoogst onbeschoft en oneerlijk die het doel van onze vervolmaking in de yoga in de weg stond en die bij machte van zijn verzaking en boete zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten; voor Hem, voor U, verbuigen wij ons, o Nrisimha.'

(46) De specialisten van de wetenschap zeiden: 'Onze formules die men ieder met een verschillende manier van concentreren bereikt, werden gedwarsboomd door deze dwaas zo opgeblazen over zijn kracht en kunnen; Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven, voorzeker voor altijd verplicht.'

(47) De slangenmensen zeiden: 'Die grootste der zondaren die onze juwelen en vrouwen wegkaapte; door zijn borst te doorboren bent U voor al onze vrouwen de Bron van al het Genoegen; moge er voor U ons eerbetoon zijn.'

(48) De achtenswaardige stamvaders zeiden: 'Wij, die de mensheid inspireren zijn de gezagdragers van Uwe Heerlijkheid die, wat betreft de morele richtlijnen en de klasse, werden geminacht, o Heer, door deze zoon van Diti; met het door U doden van deze schoft o meester, vertel alstUblieft ons, Uw eeuwige dienaren, wat we voor U kunnen betekenen.'

(49) De leiders van de mensheid zeiden: 'Wij, die de generaties voortbrachten stammen allen van U af, o Allerhoogste Beheerser, en niet van hem; de levende wezens die we op deze wereld gezet hebben werden door hem een leven ontzegd en hij die hier nu verslagen neerligt, heeft U de borst geklieft ter wille van het welzijn van de wereld middels de incarnatie van de gedaante Uwer Goedheid.'

(50) De muzikanten van de hemel zeiden: 'Wij, o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten, die onder het gezag werden geplaatst van het vuur en de kracht van zijn invloed. Hij, deze hier, is tot niets gereduceerd door U; wie zou er ook, voor Uw aanschijn, zo'n parvenu kunnen zijn?'

(51) De beroemdheden zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor de bevrijding, wij zoeken ons heil daar omdat deze Asura, deze doorn in het oog van alle mensen, door U aan zijn einde werd geholpen.''

(52) De bewakers van de weelde zeiden: 'Wij, de meest vooraanstaanden onder Uw dienaren zullen hier en nu proberen U met onze dienst te behagen; door de zoon van Diti werden we gedwongen zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van de armoe van alles en iedereen; daarom betuigen we U de eer, omdat U degene bent die hem aan zijn einde geholpen heeft, o vijfentwintigste principe [dat de tijd is, zie 3.26: 10-15].'

(53) De aapachtigen zeiden: 'We zijn maar onbeduidende Kimpurusha's o Heer van ons, echter, dit monster der zonde is door U afgeslacht nadat hij door de zoekers was vervloekt, o Allerhoogste Persoonlijkheid, Heerser over ons.' [zie ook: B.G. 4: 7-8]

(54) De barden van de koning zeiden: 'In grote bijeenkomsten en in de offerperken in zuiverheid de roem van Uw glorie bezingend hebben we de hoogste positie van respect verworven; dat slechte karakter die ons in zijn macht kreeg werd tot ons grote geluk door U ter dood gebracht, o Allerhoogste Heer, alsof hij een ziekte was.'

(55) De supermachtigen zeiden: 'O Heerser over ons, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren; door die zoon van Diti moesten we optreden zonder vergoeding, maar door U, o Heer, werd hij zondig als hij was om zeep geholpen, o Nrisimha, o Meester, alstUblieft wees er voor ons, voor het heil van ons geluk en ons welzijn.'

(56) De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderbaarlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de eeuwige toevlucht en het goede geluk van al de werelden en deze dienaar van de staat, o Beheerser, is, vervloekt zijnde door de geleerden [zie 7.1: 36], om die reden ter dood gebracht; wij verstaan dat als zijnde Uw bijzondere genade.'

 

 

next                      

 
Tweede editie, geladen 5 juli 2007.

 

 

 

 

Bronteksten:

Nrisimhadeva doodt de koning der demonen  

 

Tekst 1:

Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord accepteerde het gehoor van de daitya zonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen onderwezen.

Nârada Muni vervolgde: Alle zonen van de demonen waardeerden de transcendentale instructies van Prahlâda Mahârâja en ze namen ze zo serieus dat ze de materialistische instructies die hun leraren Shanda en Amarka hun gegeven hadden, verwierpen. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie zich had gevestigd op dat ene onderwerp van aandacht, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was.

Toen Shanda en Amarka, de zonen van S'ukrâcârya, merkten dat hun leerlingen, de zonen van de demonen, door hun contact met Prahlâda Mahârâja steeds meer vooruitgang maakten in het Krishna-bewustzijn, werden ze bang. Ze wendden zich tot de koning van de demonen en gaven hem een beschrijving van wat er gaande was. (Vedabase)

 

Tekst 3-4:

Trillend van woede over zijn hele lichaam en met een geest vastbesloten zijn zoon te doden wees hij Prahlâda terecht, die helemaal niet beschuldigd zou moeten worden, waarbij hij met de wreedste bewoordingen hem furieus met een kwaaie blik bejegende omtrent zijn overtredingen. Hij, zo zachtgeaard en ingetogen, had zijn handen voor zich gevouwen met hem voor zich die aan het sissen was als een gifslang waar men op had getrapt.

Toen Hiranyakas'ipu begreep wat er aan de hand was, werd hij zo enorm kwaad dat zijn lichaam ervan beefde. Tenslotte besloot hij om zijn zoon Prahlâda te doden. Hiranyakas'ipu was van nature erg wreed en nu hij zich beledigd voelde, siste hij als een slang waarop getrapt is. Zijn zoon Prahlâda was vredig, zachtaardig, vriendelijk en beheerst, en hij stond voor hem met gevouwen handen. Gezien zijn leeftijd en gedrag verdiende Prahlâda het niet om gestraft te worden. Toch heet Hiranyakas'ipu hem met starende, valse ogen de volgende woorden toe. (Vedabase)

 

Tekst5:

Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze, allerdomste, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat van mijn gezag afwijkt, vandaag zal ik je naar Yamarâja sturen.

Hiranyakas'ipu zei: O schaamteloos kind, o jij onnozele ondermijner van de familie, o laagste van alle mensen, je hebt mijn gezag getart en daarom ben je een stijfkoppige dwaas. Vandaag zal ik je naar het rijk van Yamarâja zenden. (Vedabase)

  

Tekst 6:

Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders in angst voor mij; met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij idioot?' [vergelijk B.G. 9: 31].

Mijn zoon Prahlâda, jij schurk! Je weet dat als ik kwaad ben alle planeten in de drie werelden beginnen te beven, met hun leiders erbij. Door wiens macht is een schurk als jij zo onbeschaamd geworden om schijnbaar onbevreesd mijn gezag te tarten? (Vedabase)

 

Tekst 7:

Prahlâda zei: 'Voorwaar is Hij, de Sterke der Sterken niet enkel de mijne of de uwe, o Koning; Hij is eveneens het verhevene van alle andere onderworpenen die zich rondbewegen of zich niet bewegen, en die Hij, te beginnen bij Heer Brahmâ, onder Zijn controle heeft gebracht.

Prahlâda Mahârâja zei: O koning, u vraagt naar de bron van mijn kracht, maar de bron van mijn kracht is dezelfde als die van de uwe. Ja, de oorspronkelijke bron van alle kracht is één. Hij is niet alleen de bron van uw kracht of de mijne, maar Hij is de enige bron van de kracht van wie dan ook. Zonder Hem zou niemand ook maar de geringste kracht bezitten. Ieder van ons, of hij nu kan bewegen of niet, en ongeacht of hij een hoge positie heeft of niet, iedereen, met inbegrip van Heer Brahmâ, is afhankelijk van de kracht van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Hij de beheerser, de tijdsfactor, is de unieke Heer die die ene kracht van de geest en het leven is, het stabiele van iemands fysiek vermogen en de zinnen; Hij, de Ware van het zelf, is met al Zijn vermogens waarlijk de Allerhoogste Ene Meester der natuurlijke geaardheden die schept, handhaaft en het hele universum weer terugroept.

De Allerhoogste Godspersoon, die de allerhoogste bestuurder en de tijdfactor is, is de kracht van de zintuigen, de geest en het lichaam en de levenskracht van de zinnen. Zijn invloed kent geen grenzen. Hij is de beste van alle levende wezens en de meester van de drie geaardheden der materiële natuur. Met Zijn eigen kracht schept en onderhoudt Hij deze kosmische openbaring en vernietigt haar eveneens. (Vedabase)

   

Tekst 9:

Geef enkel de asura manier van doen op. U, voor uzelf, weest gelijkgezind, op het pad der vergissingen bestaat er geen andere vijand dan de onbeheerste geest, een probleem waarvoor de onbegrensde Heer de beste remedie is.

Prahlâda Mahârâja vervolgde: Mijn beste vader, geef alstublieft uw demonische mentaliteit op. Maak in uw hart geen onderscheid tussen vrienden en vijanden; bezie iedereen met gelijke blik. Buiten de onbeheerste en verwarde geest bestaat er geen vijand in deze wereld. Wanneer men iedereen met gelijke blik beziet, komt men op het niveau waarop men de Heer volmaakt kan vereren. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Vroeger waren er plunderaars die niet van beheersing met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Ze zagen zichzelf als mensen die al de tien windrichtingen hadden weten te veroveren, maar waar zijn dan die vijanden geschapen in de eigen begoocheling met een heilige die alle levende wezens gelijk gezind is?'

In het verleden zijn er vele dwazen zoals u geweest die de zes vijanden welke het lichaam van alle rijkdom beroven niet wisten te overwinnen. Zulke dwazen dachten heel trots: "Ik heb al mijn vijanden in de tien richtingen verslagen", maar iemand die de zes vijanden overwonnen heeft en alle levende wezens met gelijke blik beziet, heeft geen vijanden. Vijanden zijn gewoon een bedenksel van iemand die in onwetendheid is. (Vedabase)

 

Tekst 11:

S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk zoek je, zo onbeperkt opsnijdend, de dood; het is duidelijk dat de woorden van mensen die op het punt staan te sterven onzinnig zijn, stomme ezel die je bent.

Hiranyakas'ipu antwoordde: Jij schurk! Je probeert me te kleineren, alsof jij je zinnen beter zou kunnen beheersen dan ik. Nu word je toch wel al te intelligent! Ik begrijp uit je woorden dat je graag door mijn handen gedood wilt worden, want alleen zij die op het punt staan te sterven kramen dergelijke onzin uit. (Vedabase)

 

Tekst 12:

O ongelukkige, Hij die je naast mij beschreef als de heerser van het universum, waar is die nu te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier voor mij? [zie tevens B.G. 7: 25]

O zeer onfortuinlijke Prahlâda, je spreekt altijd over dat allerhoogste wezen buiten mij, dat boven alles verheven is, iedereen bestuurt en alomtegenwoordig is. Maar waar is Hij? Als Hij overal is, waarom is Hij dan nu niet aanwezig in deze pilaar hier? (Vedabase)

 

Tekst 13:

Laat Hem, die Heer die je verkoos als je beschermer, je maar eens beschermen als ik dadelijk het hoofd van de romp zal scheiden van iemand als jij, die een dergelijke onzin uitkraamt.'

Omdat je zulke onzin uitslaat, zal ik nu je hoofd van je lichaam afslaan. Nu zullen we eens zien of jouw zeer vereerbare God je komt beschermen! Dat wil ik wel eens meemaken! (Vedabase)

 

Tekst 14:

Aldus met een stroom van scheldwoorden zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn harde vuist tegen een pilaar.

Razend van woede bestrafte Hiranyakas'ipu, die lichamelijk zeer sterk was, aldus met harde woorden zijn zoon Prahlâda, de verheven toegewijde. Terwijl hij hem steeds weer opnieuw vervloekte, greep Hiranyakas'ipu zijn zwaard, stond op van zijn troon en sloeg in grote woede met zijn vuist tegen de pilaar. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Op datzelfde moment was er van binnenuit een hoogst beangstigend geluid te horen alsof de schaal van het universum openbarstte. Dat geluid, dat zover reikte als tot waar de goddelijken van Heer Brahmâ zich ophielden, mijn beste, deed hen geloven dat de vernietiging van hun woonsteden op handen was.

Toen steeg er vanuit het binnenste van de pilaar een verschrikkelijk geluid op, dat de schil van het universum leek te doen scheuren. O mijn beste Yudhishthhira, dit geluid bereikte zelfs de woonplaatsen van halfgoden als Heer Brahmâ, die toen ze het hoorden dachten: "Helaas! Nu worden onze planeten vernietigd!" (Vedabase)

 

Tekst 16:

 Hij, die het in zijn machtsvertoon verlangde zijn zoon te doden, hoorde het luide gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond met de aanwezige vergadering stomverbaasd over het feit dat men niet kon uitmaken waar het vandaan kwam, en zo raakten allen die aan de macht waren zeer door angst bevangen.

Terwijl Hiranyakas'ipu, die zijn eigen zoon wilde doden, zijn buitengewone kracht tentoonspreidde, hoorde hij dat wonderbaarlijke, oorverdovende geluid dat niemand ooit eerder gehoord had. De andere leiders van de demonen werden bang toen ze dat geluid hoorden. Niemand van degenen die daar bijeen waren kon begrijpen waar dat geluid vandaan kwam. (Vedabase)
 
Tekst 17:

Om de waarheid gestand te doen van de woorden uitgesproken ter verdediging van Zijn alomtegenwoordigheid die alles en iedereen doorvaart, kon men zien hoe zich van Hem in een pilaar in het midden van de vergaderzaal een hoogst wonderbaarlijke gedaante manifesteerde, die noch dierlijk noch menselijk was.

Om de verklaringen van Zijn dienaar Prahlâda Mahârâja kracht bij te zetten - met andere woorden, om te bewijzen dat de Allerhoogste Heer overal aanwezig is, zelfs in de pilaar van een paleis - verscheen de Allerhoogste Godspersoon, Hari, in een schitterende, nog nooit eerder vertoonde gedaante. Deze gedaante was noch die van een mens, noch die van een leeuw. In deze wonderbaarlijke gedaante verscheen de Heer dus in de troonzaal van het paleis. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Hij, het van alle kanten bekijkend, zag hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam, en niet in staat uit te maken of het een dier dan wel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een gedaante half een mens en half de koning der dieren?'

Terwijl Hiranyakas'ipu overal in het rond keek om de bron van dat geluid te ontdekken, kwam die wonderbaarlijke gedaante van de Heer, waarvan niet vastgesteld kon worden of het nu een mens of een dier was, uit de pilaar tevoorschijn. Stomverbaasd vroeg Hiranyakas'ipu zich af: "Wat is dit voor een schepsel, dat half mens en half leeuw is?" (Vedabase)

 

Tekst 19-22:

Terwijl hij het wonder dat recht voor zijn ogen plaatsgreep overdacht, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had lichtende ogen als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Hij zwaaide met Zijn tong scherp als een scheermes, starend met een afschuwelijke grimas. Zijn oren stonden recht overeind en Zijn wijd open mond en neusgaten verbazingwekkend opengesperd als een berggrot, besloeg de hemel. Zijn lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Gelijk de stralen van de maan was Zijn lichaam overdekt met witte haren en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, trefzekere nagels als wapens in combinatie met Zijn overige persoonlijke wapens. Voor die uitnemendheid geplaatst sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht.

Hiranyakas'ipu bekeek de gedaante van de Heer aandachtig om erachter proberen te komen wat voor wezen het was dat voor hem stond. De gedaante van de Heer was buitengewoon angstaanjagend door Zijn vlammende ogen, die aan gesmolten goud deden denken, Zijn stralende manen die de afmetingen van Zijn vreeswekkende gelaat nog vergrootten, en Zijn dodelijke tanden en vlijmscherpe tong, die als een duellerend zwaard heen en weer flitste. Zijn oren stonden bewegingloos rechtovereind, en Zijn neusgaten en wijdopen mond leken wel berggrotten. Zijn opengesperde kaken waren verschrikkelijk om te zien en breed, Zijn middel dun, en Zijn lichaamshaar zo wit als de stralen van de maan. Zijn armen, die wel op rijen soldaten leken, spreidden zich in alle richtingen uit terwijl Hij de demonen, onverlaten en atheïsten met Zijn schelphoorn, werpschijf, knots, lotus en andere natuurlijke wapens doodde. (Vedabase)

 

Tekst 23:

'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat gedoe nu voor een nut?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf, en zijn wapen oppakkend wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen.

Hiranyakas'ipu mompelde bij zichzelf: "Heer Vishnu, die grote mystieke kracht bezit, heeft blijkbaar een plan bedacht om mij te doden, maar wat heeft zo'n poging voor zin? Wie kan mij verslaan?" Aldus bij zichzelf denkend, nam hij zijn knots op en viel de Heer aan, als een olifant die op een leeuw afstormt. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Net als een insect dat men in het vuur gevallen niet meer kan zien, verdween hij, de Asura, in de gloed van Nrisimha; iets wat op dat moment werkelijk niet zo verwonderlijk was daar Hij vanuit de gloed van Zijn eigen goedheid voorheen reeds de duisternis van de schepping had opgeslokt.

Zoals een nietig insekt dat in het vuur valt onzichtbaar wordt, zo verdween ook Hiranyakas'ipu in de verblindende uitstraling van de Heer toen hij Hem aanviel. Dit hoeft in het geheel geen verbazing te wekken, aangezien de Heer altijd in zuivere goedheid is. In vroegere tijden, aan het begin van de schepping, ging Hij het donkere universum binnen en verlichtte het met Zijn transcendentale stralengloed. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Daarna tot de aanval overgegaan sloeg de grootste der demonen verwoed met zijn knots in op Nrisimhadev, zijn macht bewijzend door Hem met geweld van z'n plaats te bewegen, maar de Heer die eveneens van een knots was voorzien, greep hem precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] dat zou doen met het vangen van een grote slang.

Daarna viel de grote demon Hiranyakas'ipu, gedreven door grote woede, Nrisimhadeva bliksemsnel aan en sloeg Hem met zijn knots. Heer Nrisimhadeva greep de grote demon echter met knots en al beet, net zoals Garuda een grote slang vangt. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Toen de Asura Hem uit Zijn handen glipte met het spelletje dat Hij, zoals Garuda met een slang, met hem aan het spelen was, dachten de goddelijken en de heersers van de hemel die hij van hun plaats had verdrongen, vanachter de wolken dat het verkeerd afliep, o zoon van Bharata.

O Yudhishthhira, grote zoon van Bharata, toen Heer Nrisimhadeva Hiranyakas'ipu de kans gaf om te ontglippen, net zoals Garuda soms met een slang speelt en die dan uit zijn bek laat glippen, konden de halfgoden, die hun koninkrijk kwijt waren en zich uit angst voor de demon achter de wolken verscholen hielden, dat niet bepaald waarderen. Ze raakten er zelfs totaal door van streek. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Denkend dat Hij, omdat Hij hem had laten gaan, bang was voor zijn vertoon van mannelijkheid, viel de machtigste der demonen, die na een pauze in de strijd zijn zwaard en schild weer oppakte, met veel geweld Nrisimhadeva opnieuw aan.

Toen Hiranyakas'ipu vrij was uit de handen van Nrisimhadeva, meende hij ten onrechte dat de Heer bang was voor zijn kracht. Nadat hij wat van het gevecht was uitgerust, nam hij daarom zijn zwaard en schild op en viel de Heer opnieuw met grote kracht aan. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Toen hij snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het maneuvreren was om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, die toen ie z'n ogen even dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen.

Met een luid, doordringend gelach greep de Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana, die uitermate sterk en machtig is, Hiranyakas'ipu beet, die zich beschermde met zijn zwaard en schild, en daarbij geen gaatje openliet. Met de snelheid van een havik bewoog Hiranyakas'ipu zich soms door de lucht en dan weer over de grond, zijn ogen gesloten uit angst voor het gelach van Nrisimhadeva. (Vedabase)

 

Tekst 29:

In protest met zijn ledematen tegenstribbelend om weg te komen plaatste de Heer hem, wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, als een slang of muis over de rand van Zijn dijbeen en doorboorde Hij hem met Zijn nagels met het gemak van Garuda die een adder te pakken neemt.

Zoals een slang een muis vangt, of Garuda een zeer giftige slang, zo greep Nrisimhadeva Hiranyakas'ipu beet, die zelfs niet doorboord kon worden door de bliksem van koning Indra. Hiranyakas'ipu sloeg en trapte in grote nood naar alle kanten, maar Heer Nrisimhadeva legde de demon in de deuropening van de troonzaal op Zijn schoot en reet hem zonder enige moeite met de nagels van Zijn handen aan stukken. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Hij met Zijn beangstigende, woedende blik was moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek als was Hij een leeuw die zojuist een olifant gedood had.

De mond en manen van Heer Nrisimhadeva waren besprenkeld met bloeddruppels en het was onmogelijk om naar Zijn verschrikkelijke, woeste ogen te kijken. Zoals Hij Zijn mond aflikte met Zijn tong, leek de Allerhoogste Godspersoon, Nrisimhadeva, die getooid was met een krans van de ingewanden uit Hiranyakas'ipu's buik, op een leeuw die net een olifant gedood heeft. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Het hart had Hij met Zijn gepunte nagels er geheel uitgerukt en terzijde geworpen, en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze armen.

De Allerhoogste Godspersoon, die ontelbare armen had, rukte eerst Hiranyakas'ipu het hart uit en wierp hem daarna opzij om Zich met de soldaten van de demon bezig te kunnen houden. Deze soldaten waren als trouwe aanhangers van Hiranyakas'ipu met duizenden tegelijk toegestroomd om met opgeheven wapens met Hem te vechten, maar Heer Nrisimhadeva doodde hen allemaal gewoon met de punten van Zijn nagels. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken; de wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit.

Het haar op het hoofd van Nrisimhadeva schudde de wolken door elkaar en verspreidde ze in alle richtingen, Zijn verblindende ogen verduisterden de lichtgevende hemellichamen en Zijn adem zweepte de zeeën en oceanen op. Uit angst voor Zijn gebrul schetterden alle olifanten in de wereld. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelwagens die in de lucht samendromden van hun plaatsen, de aarde schudde onder het zware gewicht van Zijn voeten, Zijn niet te weerstane kracht bracht de bergen en heuvels in beweging en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

Door het schudden van Nrisimhadeva's haar werden vliegtuigen de ruimte in geslingerd, tot aan de hogere planetenstelsels toe. De aarde leek onder de druk van de lotusvoeten van de Heer uit haar baan te slippen, en alle heuvels en bergen kwamen omhoog door Zijn ondraaglijke kracht. Door de gloed van het lichaam van de Heer verloren de hemel en de tien richtingen hun natuurlijke uitstraling. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Daarna had Hij, in de vergaderzaal gezeten op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, niemand meer tegenover zich, noch iemand om Hem de eer te bewijzen.

Heer Nrisimhadeva, die woedend was en geen enkele tegenstander meer kon vinden die Zijn kracht en grootsheid wilde beproeven, spreidde in deze verschrikkelijke gedaante Zijn volle stralengloed tentoon en nam plaats op de prachtige troon van de koning in de hal van het paleis. Uit angst en onderdanigheid durfde niemand naderbij te komen om Hem rechtstreeks te dienen. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de koppijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en lieten de vrouwen van de halfgoden onophoudelijk een regen van bloemen neerdalen.

Hiranyakas'ipu was als een hersenvliesontsteking in het hoofd van de drie werelden geweest. Toen de vrouwen van de halfgoden op de hemelse planeten zagen dat de grote demon door de handen van de Allerhoogste Godspersoon Zelf gedood was, straalden hun gezichten van grote vreugde. Ze lieten onophoudelijk bloemen vanuit de hemel neerregenen op Heer Nrisimhadeva. (Vedabase)

 

Tekst 36:

  Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn en werden trommels en pauken geslagen en werd er gezongen en gedanst door de grootste zangers en engelen van de hemel.

Toen vulde de hemel zich met de vliegtuigen van de halfgoden, die ernaar verlangden om de activiteiten van de Allerhoogste Heer, Nârâyana, te zien. De halfgoden sloegen op trommels en pauken, waarna de engelachtige hemelbewoonsters begonnen te dansen, terwijl de leiders van de Gandharva's prachtig zongen. (Vedabase)

 

Tekst 37-39:

Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts der wetenschap en de grote slangen [ego's]; de stamvaders kwamen allen, de leiders der mensheid, de ingezetenen van de hemel en de besten der engelen alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaakten en de aapachtigen, o mijn beste. Zo kwamen er ook de spotgeesten [de komedianten, de barden], de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderden zij ieder Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

O koning Yudhishthhira, toen benaderden de halfgoden de Heer. Heer Brahmâ, koning Indra en Heer S'iva gingen voorop, gevolgd door grote heiligen en de bewoners van Pitriloka, Siddhaloka, Vidyâdhara-loka en die van de slangen-planeet. De Manu's kwamen ook naar voren, evenals de leiders van de verschillende andere planeten. Ook de engelachtige dansers kwamen naderbij, evenals de Gandharva's, de Cârana's, de Yaksha's, de bewoners van Kinnaraloka, de Vetâla's, de bewoners van Kimpurusha-loka en de persoonlijke dienaren van Vishnu zoals Sunanda en Kumuda. Ze liepen allemaal naar de Heer toe, die een intens licht uitstraalde. Met hun handen voor hun hoofd gevouwen, boden ze Hem elk apart hun eerbetuigingen en gebeden aan. (Vedabase)

 

Tekst 40:

 Brahmâ zei: 'Ik buig me voor U neer, o Ondoorgrondelijke, Onbegrensde; met al Uw macht en vermogen en het Zuivere van Uw handelingen bent U van het Universum de schepping, de handhaving en de vernietiging die met de geaardheden speels tewerk gaat zonder zelf ooit te veranderen.'

Heer Brahmâ bad als volgt: O Heer, U bent onbegrensd en Uw vermogens hebben geen einde. Niemand kan Uw heldendaden en wonderbaarlijke invloed peilen of berekenen, want Uw handelingen zijn nooit besmet door de materiële energie. Door middel van de geaardheden der natuur schept, onderhoudt en vernietigt U het universum zonder moeite, en toch blijft U dezelfde, zonder ooit te verzwakken. Daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.'

Heer S'iva zei: Het einde van het millennium is het moment waarop U Uw woede tentoonspreidt. Nu deze onbeduidende demon Hiranyakas'ipu gedood is, bid ik U, mijn Heer, die Uw toegewijde van nature toegenegen bent, om zijn zoon Prahlâda Mahârâja te beschermen, die hier vlakbij U staat en zich volkomen aan U overgegeven heeft. (Vedabase)

 

Tekst 42:

S'rî Indra zei: 'Ons aandeel van de offers is door Uwe Heerlijkheid teruggewonnen die ons beschermde, o Allerhoogste; woorden schieten ons tekort om uit te duiden hoezeer getroffen door de Daitya onze lotusgelijke harten waren die in werkelijkheid Uw verblijfplaats zijn. Helaas, o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt hem verlicht ter wille van de toegewijden in Uw dienst zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders, o Nrisimhadeva, zou, de zichtbare wereld inderdaad als niet zo belangrijk beschouwend, voor hen van nut zijn?'

Koning Indra zei: O Allerhoogste Heer, U bent onze verlosser en beschermer. U hebt onze aandacht in de offers, die eigenlijk U toebehoren, uit de handen van de demon teruggewonnen. De demonische koning Hiranyakas'ipu oefende zo'n schrikbewind uit dat ons hart, dat Uw vaste verblijfplaats is, volledig door hem in beslag genomen werd. Door Uw aanwezigheid zijn de droefheid en duisternis nu echter uit ons hart verdreven. O Heer, voor hen die U altijd dienst bewijzen, hetgeen nog beter is dan bevrijding, is alle materiële rijkdom onbeduidend. Zij geven niet eens om bevrijding, om maar te zwijgen van de voordelen van kâma, artha en dharma. (Vedabase)

 

Tekst 43:

 De achtenswaardige heiligen zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld ter lering van onze verzakingen. Bij de macht van Uw zelf wordt deze wereld, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, geschapen, gehandhaafd en weer in U opgenomen. Dat alles werd door deze onwijze ziel weggekaapt maar is nu, o Toevlucht der Behoeftigen, door de bescherming van Uw belichaming met Uw zegen naar ons teruggebracht.'

De aanwezige heiligen spraken de volgende gebeden uit: O Heer, o allerhoogste instandhouder van hen die hun toevlucht tot Uw lotusvoeten genomen hebben, o oorspronkelijke Godspersoon, het proces van ascese en boetedoening waarin U ons voorheen onderricht hebt, is Uw eigen geestelijke kracht. Het is door ascese dat U de materiële wereld schept, die in U verborgen ligt. Door de activiteiten van deze demon is dit hele proces van ascese bijna stopgezet, maar door in de gedaante van Nrisimhadeva te verschijnen, die uitsluitend bedoeld is om ons te beschermen, en deze demon te doden, heeft U het proces van ascese opnieuw bekrachtigd. (Vedabase)

 

Tekst 44:

De eerbare voorouders zeiden: 'De duivel die met geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, hij die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, bereikten deze offers hun juiste bestemming; Hem brengen wij onze eerbetuigingen die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens.'

De bewoners van Pitriloka baden als volgt: Laat ons onze nederige eerbetuigingen brengen aan Heer Nrisimhadeva, die de instandhouder van de universele religieuze beginselen is. Hij heeft de demon Hiranyakas'ipu gedood, die zich met geweld alle offerandes van de s'râddha-ceremonies toeëigende die onze zonen en kleinzonen op onze verdwijningsdagen hielden, en die bovendien het water met sesamzaadjes opdronk dat in de heilige bedevaartplaatsen geofferd werd. O Heer, door de buik van deze demon met Uw nagels te doorboren en hem zo te doden, heeft U al deze gestolen goederen weer teruggenomen. Daarom willen we U onze nederige eerbetuigingen aanbieden. (Vedabase)

 

Tekst 45:

De vervolmaakten zeiden: 'Die persoon hoogst onbeschoft en oneerlijk die het doel van onze vervolmaking in de yoga in de weg stond en die bij machte van zijn verzaking en boete zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten; voor Hem, voor U, verbuigen wij ons, o Nrisimha.'

De bewoners van Siddhaloka baden als volgt: O Heer Nrisimhadeva, omdat wij van Siddhaloka zijn, bereiken we vanzelf de hoogste volmaaktheid in al de acht vormen van mystieke yoga. Hiranyakas'ipu was echter zo oneerlijk dat hij ons met zijn macht en ascese al onze vermogens afnam. Daardoor werd hij erg trots op zijn mystieke kracht. Omdat U deze onverlaat nu met Uw nagels gedood hebt, bieden we U onze nederige eerbetuigingen aan. (Vedabase)

 

Tekst 46:

De specialisten van de wetenschap zeiden: 'Onze formules die men ieder met een verschillende manier van concentreren bereikt, werden gedwarsboomd door deze dwaas zo opgeblazen over zijn kracht en kunnen; Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven, voorzeker voor altijd verplicht.'

De bewoners van Vidyâdhara-loka baden als volgt: Die dwaas Hiranyakas'ipu had - trots als hij was op zijn lichaamskracht en zijn macht om anderen te overwinnen - ons vermogen om door bepaalde vormen van meditatie op verschillende manieren te verschijnen en te verdwijnen van ons afgenomen. Maar nu heeft de Allerhoogste Godspersoon hem gedood alsof hij niet meer dan een dier was. Aan die allerhoogste gedaante van Heer Nrisimhadeva, die Zich speciaal voor dit spel en vermaak geopenbaard heeft, brengen we eeuwig onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 47:

De slangenmensen zeiden: 'Die grootste der zondaren die onze juwelen en vrouwen wegkaapte; door zijn borst te doorboren bent U voor al onze vrouwen de Bron van al het Genoegen; moge er voor U ons eerbetoon zijn.'

De bewoners van Nâgaloka zeiden: Die grote zondaar Hiranyakas'ipu had alle juwelen op ons hoofd en al onze mooie vrouwen weggenomen. Aangezien U nu zijn borst met Uw nagels doorboord hebt, bent U de oorzaak van de grote vreugde van onze vrouwen. Daarom bieden we U gezamenlijk onze nederige eerbetuigingen aan. (Vedabase)

 

Tekst 48:

De achtenswaardige stamvaders zeiden: 'Wij, die de mensheid inspireren zijn de gezagdragers van Uwe Heerlijkheid die, wat betreft de morele richtlijnen en de klasse, werden geminacht, o Heer, door deze zoon van Diti; met het door U doden van deze schoft o meester, vertel alstUblieft ons, Uw eeuwige dienaren, wat we voor U kunnen betekenen.'

De Manu's spraken de volgende gebeden uit: O Heer, als degenen die Uw bevelen overbrengen zijn wij, de Manu's, de wetgevers van de samenleving, maar door de tijdelijke heerschappij van deze grote demon, Hiranyakas'ipu, zijn onze wetten, die ervoor bedoeld zijn om het varnâs'rama-dharma in stand te houden, vernietigd. O Heer, nu U deze grote demon gedood hebt, zijn we weer in ons normale doen. Wees zo goed om ons, Uw eeuwige dienaren, te zeggen wat wij nu moeten doen. (Vedabase)

 

Tekst 49:

De leiders van de mensheid zeiden: 'Wij, die de generaties voortbrachten stammen allen van U af, o Allerhoogste Beheerser, en niet van hem; de levende wezens die we op deze wereld gezet hebben werden door hem een leven ontzegd en hij die hier nu verslagen neerligt, heeft U de borst geklieft ter wille van het welzijn van de wereld middels de incarnatie van de gedaante Uwer Goedheid.'

De prajâpati's baden als volgt: O Allerhoogste Heer, die zelfs de meester is van Brahmâ en S'iva, wij, de prajâpati's, zijn door U geschapen om Uw bevelen uit te voeren, maar Hiranyakas'ipu verbood ons om nog verder goed nageslacht te verwekken. Nu ligt die demon hier dood voor ons met zijn borst door U doorboord. Laat ons daarom onze nederige eerbetuigingen brengen aan U, wiens incarnatie in deze gedaante van zuivere goedheid voor het welzijn van het hele universum bedoeld is. (Vedabase)

 

Tekst 50:

De muzikanten van de hemel zeiden: 'Wij, o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten, die onder het gezag werden geplaatst van het vuur en de kracht van zijn invloed. Hij, deze hier, is tot niets gereduceerd door U; wie zou er ook, voor Uw aanschijn, zo'n parvenu kunnen zijn?'

De inwoners van Gandharvaloka baden: O Heer, wij zijn altijd bezig U te dienen door dansvoorstellingen te geven en te zingen, maar deze Hiranyakas'ipu had ons met zijn lichaamskracht en macht onderworpen. Nu ligt hij hier door Uw genade roemloos terneer. Wat voor goeds kan zo'n parvenu als Hiranyakas'ipu uitrichten? (Vedabase)

 

Tekst 51:

De beroemdheden zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor de bevrijding, wij zoeken ons heil daar omdat deze Asura, deze doorn in het oog van alle mensen, door U aan zijn einde werd geholpen.'

De bewoners van de planeet Cârana zeiden: O Heer, omdat U de demon Hiranyakas'ipu, die voortdurend een doorn in het oog was van alle eerlijke mensen, vernietigd hebt, voelen we ons nu opgelucht en nemen we voor eeuwig onze toevlucht tot Uw lotusvoeten, die de geconditioneerde ziel bevrijden van de besmetting der materie. (Vedabase)

 

Tekst 52:

De bewakers van de weelde zeiden: 'Wij, de meest vooraanstaanden onder Uw dienaren zullen hier en nu proberen U met onze dienst te behagen; door de zoon van Diti werden we gedwongen zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van de armoe van alles en iedereen; daarom betuigen we U de eer, omdat U degene bent die hem aan zijn einde geholpen heeft, o vijfentwintigste principe [dat de tijd is, zie 3.26: 10-15].

De bewoners van Yakshaloka baden: O meester van de vierentwintig elementen, wij worden beschouwd als Uw beste dienaren omdat wij U dienst bewijzen die U zeer aangenaam vindt, en toch stelde Hiranyakas'ipu, de zoon van Diti, ons aan als palankijndragers. O Heer in de gedaante van Nrisimhadeva, U weet hoe moeilijk deze demon het iedereen maakte, maar nu heeft U hem gedood en begint zijn lichaam zich al te vermengen met de vijf elementen. (Vedabase)

 

Tekst 53:

De aapachtigen zeiden: 'We zijn maar onbeduidende Kimpurusha's o Heer van ons, echter, dit monster der zonde is door U afgeslacht nadat hij door de zoekers was vervloekt, o Allerhoogste Persoonlijkheid, Heerser over ons.' [zie ook: B.G. 4: 7-8]

De bewoners van Kimpurusha-loka zeiden: Wij zijn onbeduidende levende wezens en U bent de Allerhoogste Godspersoon, de allerhoogste bestuurder. Hoe kunnen we daarom gepaste gebeden tot U richten? Nadat de toegewijden deze demon vervloekt hadden, omdat ze meer dan genoeg van hem hadden, werd hij door U gedood. (Vedabase)

 

Tekst 54:

De barden van de koning zeiden: 'In grote bijeenkomsten en in de offerperken in zuiverheid de roem van Uw glorie bezingend hebben we de hoogste positie van respect verworven; dat slechte karakter die ons in zijn macht kreeg werd tot ons grote geluk door U ter dood gebracht, o Allerhoogste Heer, alsof hij een ziekte was.'

De bewoners van Vaitâlika-loka zeiden: O Heer, omdat wij altijd Uw vlekkeloze heerlijkheid bezongen op grote bijeenkomsten en bij offerceremonies, waren we gewend om van iedereen het grootste respect te ontvangen. Deze demon had zich echter onze positie toegeëigend. Nu hebt U tot ons grote geluk deze grote demon gedood, precies zoals men een chronische ziekte geneest. (Vedabase)

 

Tekst 55:

De supermachtigen zeiden: 'O Heerser over ons, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren; door die zoon van Diti moesten we optreden zonder vergoeding, maar door U, o Heer, werd hij zondig als hij was om zeep geholpen, o Nrisimha, o Meester, alstUblieft wees er voor ons, voor het heil van ons geluk en ons welzijn.'

De Kinnara's zeiden: O allerhoogste bestuurder, wij zijn Uw eeuwige dienaren, o Heer, maar in plaats van U te dienen, moesten we deze demon onophoudelijk en zonder enige beloning dienen. Nu heeft U deze zondaar gedood. Daarom, o Heer Nrisimhadeva, meester, bieden we U onze nederige eerbetuigingen aan. Blijf alstublieft altijd onze beschermheer. (Vedabase)

 

Tekst 56:

De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderbaarlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de eeuwige toevlucht en het goede geluk van al de werelden en deze dienaar van de staat, o Beheerser, is, vervloekt zijnde door de geleerden [zie 7.1: 36], om die reden ter dood gebracht; wij verstaan dat als zijnde Uw bijzondere genade.'

De metgezellen van Heer Vishnu in Vaikunthha spraken het volgende gebed uit: O Heer, o allerhoogste toevlucht, vandaag hebben we Uw prachtige gedaante van Nrisimhadeva aanschouwd, die bedoeld is voor het welzijn van de hele wereld. O Heer, we kunnen begrijpen dat Hiranyakas'ipu niemand anders was dan Jaya, die U placht te dienen maar door de vloek van de brâhmana's het lichaam van een demon gekregen had. We beseffen dat het feit dat hij nu gedood is, betekent dat hij Uw speciale genade ontvangen heeft. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Râmadâsa Abhirâma dâsa & het tweede schilderij is van Jadurani devî dâsî (Syamarani dâsî).
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties