regelbalk



 

Canto 7

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

 

Hoofdstuk 8: Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord accepteerde het gehoor van de Daitya zonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen hadden bijgebracht. (2) Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie [van de jongens] gefixeerd was geraakt op dat ene onderwerp, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was. (3-4) Over zijn hele lichaam trillend van woede met een geest vastbesloten zijn zoon te doden, wees hij Prahlâda terecht. In de wreedste bewoordingen bejegende hij furieus met een kwaaie blik in zijn verdraaide, valse ogen hem die het helemaal niet verdiende zo behandeld te worden. Hij [van zijn kant echter] hield zachtmoedig en ingetogen zijn handen gevouwen voor zich terwijl zijn vader daar aan het sissen was als een gifslang waar men op heeft getrapt.

(5) Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze dwaas, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat tegen mijn gezag ingaat, zal ik vandaag naar de wereld van Yamarâja sturen! (6) Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders voor mij. Met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij praatjesmaker?' [vergelijk B.G. 9: 31].

(7) Prahlâda zei: 'Hij vormt niet alleen mijn kracht maar ook de uwe o Koning, alsook de kracht van alle hogere en lagere levende wezens. Allen die zich rond bewegen en zich niet bewegen, beginnende bij Heer Brahmâ, vallen onder Zijn controle. (8) Hij, de allerhoogste heerser, de tijdfactor, is Urukrama, de Heer van de Grote Stappen [Vâmana] die de ene kracht van je geest en leven is, de standvastigheid van de lichaamskracht en de kracht van je zintuigen. Hij, het Ware Zelf, is de Verheven Meester van de drie geaardheden die middels Zijn verschillende natuurkrachten het ganse universum schept, handhaaft en weer in zich opneemt. (9) Geef alstublieft de Asura manier van doen op. Wees van een gelijkgezinde geest met de ziel en maak geen vijanden. Vernietig slechts de vijand van de onbeheerste geest. Die aanpak vormt de beste methode om de onbegrensde Heer te aanbidden. (10) In het verleden waren er zoveel plunderaars die zich niet beheersend met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Anderen zagen zichzelf als veroveraars van de tien windrichtingen. Maar waar zijn met een heilige, met iemand die zijn zinnen wist te verslaan en alle levende wezens gelijkelijk gezind is, nu die vijanden die een product zijn van de eigen verbeelding?'

(11) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk verlang jij, met je grenzeloze pretenties, naar je eigen ondergang. Het is duidelijk dat mensen die op het punt staan te sterven wartaal uitslaan, zielige idioot die je bent. (12) Jij ongelukkige ziel, je hebt het altijd over iemand anders dan ik die de heerser van het universum zou zijn, waar is die dan te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier recht voor mij [zie tevens B.G. 7: 25]? (13) Laat de Heer die je verkoos als je beschermer je maar eens beschermen als ik zo dadelijk je hoofd van je romp ga scheiden, als ik een einde maak aan iemand als jij die zulke onzin uitkraamt.'

(14) Aldus met een stroom van verwensingen zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn vuist hard tegen een pilaar. (15)  Op datzelfde moment weerklonk er van binnenuit de pilaar een hoogst angstwekkend geluid alsof de schaal van het universum openbarstte. Het rumoer beste Koning, reikte zover als de plaats van de goddelijken van Heer Brahmâ en deed hen geloven dat de vernietiging van hun werelden op handen was. (16) Hij die in zijn machtsvertoon zijn zoon wilde doden, hoorde ook het luide gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond samen met de aanwezige vergadering stomverbaasd over het feit dat men niet kon uitmaken waar het vandaan kwam. En zo werden al die machtige kerels door angst gegrepen. (17) Ter bevestiging van de woorden die werden uitgesproken omtrent Zijn alomtegenwoordigheid, wat betreft het feit dat Hij alles en iedereen doordringt, kon men zien hoe in een pilaar in het midden van de vergaderzaal zich een hoogst wonderbaarlijke gedaante van Hem manifesteerde die dierlijk noch menselijk was. (18) Dat verschijnsel van alle kanten bekijkend, zag hij hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam. Niet in staat om uit te maken of het een dier dan wel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een vorm? Het is half een mens en half een leeuw!'

(19-22) Terwijl hij nadacht over het wonder dat zich recht voor zijn ogen voltrok, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had ogen gloeiend als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Om zich heen kijkend met een verschrikkelijke grimas zwaaide Hij heen en weer met Zijn messcherpe tong. Zijn oren stonden bewegingloos recht overeind en Zijn neusgaten en mond stonden wijd open zo groot als berggrotten. Zijn enorme lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Zijn lichaam was overdekt met witte haren die leken op de stralen van de maan en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, dodelijke nagels die dienst deden als wapens naast Zijn overige persoonlijke wapens. Met die excellentie geconfronteerd sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht. (23) 'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat nu voor een zin?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf en zijn strijdknots oppakkend wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen. (24) Net zoals men een insect dat in het vuur gevallen is niet meer kan zien, verdween de Asura in de gloed van Nrisimha. Het was iets dat op dat moment niet zo verwonderlijk was daar Hij met de gloed van Zijn goedheid daarvoor reeds de duisternis [van de hele schepping] had verzwolgen. (25) Op het moment dat de grootste der demonen bij Heer Nrisimhadeva was aangeland bracht hij, vervolgens zijn kunnen tentoonspreidend, Hem met grote kracht een slag toe met zijn knots, maar de Heer, Hij die de Knots Hanteert, greep hem precies zo beet als de zoon van Târkshya [Garuda] een grote slang zou grijpen. (26) O zoon van Bharata, toen Hij de Asura om een spelletje te spelen uit Zijn handen liet glippen zoals Garuda dat wel eens doet met een slang, dachten de goddelijken van de verschillende werelden die uit hun posities waren verdreven, vanachter de wolken dat het verkeerd zou aflopen. (27) De demon die dacht dat Hij hem had laten gaan uit angst voor zijn vertoon van mannelijkheid, pakte na zich hersteld te hebben zijn zwaard en schild weer op en viel met veel geweld Nrisimhadeva voor de tweede keer aan. (28) Toen hij snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het manoeuvreren was om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, toen hij z'n ogen [daardoor even] dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen. (29) In protest stribbelde hij tegen met zijn ledematen om te ontsnappen, maar de Heer legde hem wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, bij de ingang van het paleis op Zijn schoot alsof hij een slang of muis was en doorboorde hem met Zijn nagels met het gemak waarmee Garuda een giftige adder te pakken neemt. (30) Hij was met Zijn angstaanjagende, woedende blik moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek en zag Hij eruit als een leeuw die net een olifant heeft gedood. (31) Het hart had Hij er met Zijn spitse nagels geheel uitgerukt en terzijde geworpen en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met behulp van Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze handen. (32) Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken. De wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit. (33) Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelwagens die in de lucht samendromden van hun plaatsen, de aarde schudde onder het zware gewicht van Zijn voeten, Zijn niet te weerstane kracht bracht de bergen en heuvels in beweging en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

(34) Daarna zittend in de vergaderzaal op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, was er niemand om Hem uit te dagen, noch iemand om Hem de eer te bewijzen. (35)  Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de hoofdpijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en eindeloze bloemenregens van de vrouwen van de halfgoden. (36) Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn. Er werd geslagen op trommels en pauken en de grootste zangers en engelen van de hemel zongen en dansten. (37-39) Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts in de wetenschap en de grote slangen. Ook de stamvaders, de leiders van de mensheid, de ingezetenen van de hemel en de beste engelen kwamen erop af alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaken en de aapachtigen, o mijn beste. Tevens verschenen de spotgeesten, de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderde ieder van hen Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

(40) S'rî Brahmâ zei: 'Ik buig voor U o Ondoorgrondelijke van een onbegrensd vermogen. U staat met al Uw macht en vermogen en de Zuiverheid van Uw handelingen voor de schepping, handhaving en vernietiging van het universum. Terwijl U in Uw goddelijk spel [lîla] tewerk gaat met de geaardheden, blijft U zelf steeds onveranderd.'
(41) Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta vol van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.'

(42) S'rî Indra zei: 'Ons aandeel van de offers werd door Uwe Heerlijkheid die ons beschermde veiliggesteld, o Allerhoogste. Woorden schieten tekort om uit te drukken hoezeer onze lotusgelijke harten getroffen waren door de Daitya, onze harten die in feite Uw verblijfplaats zijn. Helaas o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt ter wille van de toegewijden in Uw dienst Uw licht geworpen zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders dan het onbelangrijk vinden van de zichtbare wereld zou nu hun weg vormen o Nrisimhadeva?'

(43) De wijzen [de Rishi's] zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld dat ons de verzaking bijbracht. Met deze macht van U wordt de wereld o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, tot stand gebracht, [in stand gehouden] en weer in U opgenomen. Die verzaking werd door deze onwijze ziel weggestolen maar is nu o Toevlucht der Behoeftigen, dankzij de bescherming geboden door Uw belichaming in ere hersteld.'

(44) De voorvaderen [de Pitri's] zeiden: 'De duivel die met gebruik van geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, hij die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, bereikten deze offers hun juiste bestemming. Hij die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens, Hem brengen wij onze eerbetuigingen.'

(45)  De vervolmaakten [de Siddha's] zeiden: 'Deze hoogst onbeschofte en oneerlijke persoon die de vreugde van onze vervolmaking in de yoga wegnam en met de macht van zijn verzaking en mysticisme zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten. Wij buigen ons voor U o Nrisimha.'

(46) De specialisten van de wetenschap [de Vidyâdhara's] zeiden: 'Onze vormen van kennis die ieder op een verschillende manier van zich concentreren kunnen worden bereikt, werden terzijde geschoven door deze dwaas zo vol van verbeelding over zijn kracht en kunnen. Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven zielen, immer verplicht.'

(47) De slangenmensen [de Nâga's] zeiden: 'Door de borst te doorboren van die grootste aller zondaren die onze juwelen en mooie vrouwen inpikte, deed u onze echtgenotes een groot plezier. Laten we U onze eerbetuigingen brengen.'

(48) De oervaders [de Manu's] zeiden: 'Wij de Manu's zijn Uw gezagdragers maar werden geminacht door deze zoon van Diti die brak met de morele richtlijnen voor de gevestigde orde o Heer. Vertel ons alstUblieft wat we voor U kunnen betekenen nu U deze booswicht hebt gedood o Meester.'

(49) De stamvaders [de Prajâpati's] zeiden: 'O Allerhoogste Heer, wij die de generaties voortbrachten hebben allen hun leven te danken aan U en niet aan hem die de levende wezens die wij op deze wereld gezet hebben een leven heeft ontzegd. En nu hebt U door de gedaante aan te nemen van een incarnatie van Uw zuivere goedheid, voor het welzijn van de wereld de borst uiteengereten van hem die hier verslagen neerligt.'

(50) De muzikanten van de hemel [de Gandharva's] zeiden: 'Wij o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten die werden onderworpen aan de invloed van de macht en de kracht van hem hier die door U werd teruggebracht tot deze toestand. Wie zou er ook op het slechte pad zijn geluk kunnen vinden?'

(51) De vererenswaardige zielen [de Cârana's] zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten bevrijden iemand van de noodzaak om weer een nieuw leven te beginnen. Wij zoeken daar ons heil omdat U een einde maakte aan deze Asura, deze slang in het hart van alle deugdzame mensen.'

(52) De bewakers van de weelde [de Yaksha's] zeiden: 'Wij die U tot Uw genoegen van dienst zijn, behoren tot Uw beste volgelingen. Deze zoon van Diti dwong ons zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van het verdriet [de armoede] van een ieder. Daarom betuigen we U de eer o Heer Nrisimha, want U bent degene die een einde aan zijn leven maakte o vijfentwintigste principe [dat de Tijd is, zie 3.26: 10-15].'

(53) De aapachtigen [de Kimpurusha's] zeiden: 'We zijn twijfelachtige mensen, Kimpurusha's maar U bent de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de Heer. En deze slechte persoon werd door U omgebracht nadat hij door de heilige mensen werd vervloekt [zie ook B.G. 4: 7-8].'

(54) De barden van de koning [de Vaitâlika's] zeiden: 'Wij die in grote bijeenkomsten en in offerperken de roem van Uw onberispelijke glorie  bezingen, zijn tot het hoogste aanzien opgeklommen. Deze kwaadaardige kerel die ons in zijn macht kreeg o Allerhoogste Heer, werd gelukkig door U ter dood gebracht, alsof hij een ziekte was.'

(55) De lagere goden zeiden [de Kinnara's, zij die een mensenhoofd hebben en een dierenlichaam, zangers van de hemel]: 'O Heer, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren. Vanwege die zoon van Diti moesten we onder dwang ons werk doen, maar de zondaar werd door U o Heer vernietigd, o Nrisimhadeva, o Meester. Weest U er alstUblieft als ons geluk en ons welzijn.'

(56) De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de toevlucht en het geluk van al de werelden. Deze dienaar van de staat o Heer, werd vervloekt door de geleerden [zie 7.1: 36] en daarom ter dood gebracht. Wij zien dat als Uw bijzondere genade.'

 

 

next                      

 
Derde herziene editie, geladen 19 maart, 2012.

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord accepteerde het gehoor van de Daitya zonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen hadden bijgebracht.
Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Daarna aanvaarden al de daitya zonen die van aandacht waren zijn uitspraken over de toewijding vanwege hun diepzinnigheid en niet zo zeer wat hun leraren hen onderwezen. (Vedabase)

 

Tekst 2

Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie [van de jongens] gefixeerd was geraakt op dat ene onderwerp, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was.

Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie zich had gevestigd op dat ene onderwerp van aandacht, namen ze bevreesd kontakt op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was. (Vedabase)

 

Tekst 3-4

Over zijn hele lichaam trillend van woede met een geest vastbesloten zijn zoon te doden, wees hij Prahlâda terecht. In de wreedste bewoordingen bejegende hij furieus met een kwaaie blik in zijn verdraaide, valse ogen hem die het helemaal niet verdiende zo behandeld te worden. Hij [van zijn kant echter] hield zachtmoedig en ingetogen zijn handen gevouwen voor zich terwijl zijn vader daar aan het sissen was als een gifslang waar men op heeft getrapt.

Trillend van woede over zijn hele lichaam en met een geest vastbesloten zijn zoon te doden wees hij Prahlâda terecht, die helemaal niet beschuldigd zou moeten worden, met de wreedste bewoordingen hem furieus met een kwaaie blik bejegenend omtrent zijn overtredingen. Hij zo zachtgeaard en ingetogen had zijn handen voor zich gevouwen met hem voor zich die aan het sissen was als een gifslang waar men op had getrapt. (Vedabase)

 

Tekst 5

Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze dwaas, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat tegen mijn gezag ingaat, zal ik vandaag naar de wereld van Yamarâja sturen!

Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze, allerdomste, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat van mijn gezag afwijkt, vandaag zal ik je naar Yamarâja sturen. (Vedabase)

  

Tekst 6

Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders voor mij. Met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij praatjesmaker?' [vergelijk B.G. 9: 31].

Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders in angst voor mij; met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij idioot?' [vergelijk B.G. 9.31]. (Vedabase)

 

Tekst 7

Prahlâda zei: 'Hij vormt niet alleen mijn kracht maar ook de uwe o Koning, alsook de kracht van alle hogere en lagere levende wezens. Allen die zich rond bewegen en zich niet bewegen, beginnende bij Heer Brahmâ, vallen onder Zijn controle.

Prahlâda zei: 'Voorwaar is Hij, de Sterke der Sterken niet enkel de mijne of de uwe, o Koning; Hij is eveneens het verhevene van alle andere onderworpenen die zich rondbewegen of zich niet bewegen, welke Hij, te beginnen bij Heer Brahmâ, onder Zijn controle heeft gebracht. (Vedabase)

 

Tekst 8

Hij, de allerhoogste heerser, de tijdfactor, is Urukrama, de Heer van de Grote Stappen [Vâmana] die de ene kracht van je geest en leven is, de standvastigheid van de lichaamskracht en de kracht van je zintuigen. Hij, het Ware Zelf, is de Verheven Meester van de drie geaardheden die middels Zijn verschillende natuurkrachten het ganse universum schept, handhaaft en weer in zich opneemt.

Hij de beheerser, de tijdsfaktor, is de unieke Heer die die ene kracht van de geest en het leven is, het stabiele van iemands fysiek vermogen en de zinnen; Hij, de Ware van het zelf, is met al Zijn vermogens waarlijk de Allerhoogste Ene Meester der natuurlijke geaardheden die schept, handhaaft en het hele universum weer terugroept. (Vedabase)


Tekst 9

Geef alstublieft de Asura manier van doen op. Wees van een gelijkgezinde geest met de ziel en maak geen vijanden. Vernietig slechts de vijand van de onbeheerste geest. Die aanpak vormt de beste methode om de onbegrensde Heer te aanbidden.

Geef enkel de asura manier van doen op. U, voor uzelf, weest gelijkgezind, op het pad der vergissingen bestaat er geen andere vijand dan de onbeheerste geest waarvoor de onbegrensde Heer de beste remedie is. (Vedabase)

 

Tekst 10

In het verleden waren er zoveel plunderaars die zich niet beheersend met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Anderen zagen zichzelf als veroveraars van de tien windrichtingen. Maar waar zijn met een heilige, met iemand die zijn zinnen wist te verslaan en alle levende wezens gelijkelijk gezind is, nu die vijanden die een product zijn van de eigen verbeelding?'

Vroeger waren er plunderaars die niet van beheersing met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Ze zagen zichzelf als mensen die al de tien windrichtingen hadden weten te veroveren, maar waar zijn dan die vijanden geschapen in de eigen begoocheling met een heilige die alle levende wezens gelijk gezind is?' (Vedabase)

 

Tekst 11

S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk verlang jij, met je grenzeloze pretenties, naar je eigen ondergang. Het is duidelijk dat mensen die op het punt staan te sterven wartaal uitslaan, zielige idioot die je bent.

S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk zoek je, zo onbeperkt opsnijdend, de dood; het is duidelijk dat de woorden van mensen die op het punt staan te sterven, jij stomme ezel, verward raken. (Vedabase)

 

Tekst 12

Jij ongelukkige ziel, je hebt het altijd over iemand anders dan ik die de heerser van het universum zou zijn, waar is die dan te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier recht voor mij [zie tevens B.G. 7: 25]?

O ongelukkige, Hij die je naast mij beschreef als de heerser van het universum, waar is die nu te vinden? Als Hij overal aanwezig is waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier voor mij? [zie tevens B.G. 7.25] (Vedabase)

 

Tekst 13

Laat de Heer die je verkoos als je beschermer je maar eens beschermen als ik zo dadelijk je hoofd van je romp ga scheiden, als ik een einde maak aan iemand als jij die zulke onzin uitkraamt.'

Laat Hem, die Heer die je verkoos als je beschermer, je nu maar beschermen als ik dadelijk het hoofd van de romp zal scheiden van iemand als jij, die een dergelijke onzin uitkraamt.' (Vedabase)

 

Tekst 14

Aldus met een stroom van verwensingen zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn vuist hard tegen een pilaar.

Aldus met een stroom van scheldwoorden zijn zoon, die grote toegewijde, bestraffend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn harde vuist tegen een pilaar. (Vedabase)

 

Tekst 15

Op datzelfde moment weerklonk er van binnenuit de pilaar een hoogst angstwekkend geluid alsof de schaal van het universum openbarstte. Het rumoer beste Koning, reikte zover als de plaats van de goddelijken van Heer Brahmâ en deed hen geloven dat de vernietiging van hun werelden op handen was.

Op dat zelfde moment was er van binnenuit een hoogst beangstigend geluid te horen alsof de schaal van het universum openbarstte en bij dat geluid, zowaar reikend tot waar de goddelijken van Heer Brahmâ verbleven, mijn beste, dacht men dat de vernietiging van hun woonsteden op handen was. (Vedabase)

 

Tekst 16

Hij die in zijn machtsvertoon zijn zoon wilde doden, hoorde ook het luide gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond samen met de aanwezige vergadering stomverbaasd over het feit dat men niet kon uitmaken waar het vandaan kwam. En zo werden al die machtige kerels door angst gegrepen.

Hij, die het in zijn krachtsvertoon verlangde zijn zoon te doden, hoorde een luid gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond er met de aanwezige vergadering stom verbaasd over daar men niet kon uitmaken vanwaar het kwam, en zo raakten allen die de macht uitoefenden zeer door angst bevangen. (Vedabase)
 
Tekst 17

Ter bevestiging van de woorden die werden uitgesproken omtrent Zijn alomtegenwoordigheid, wat betreft het feit dat Hij alles en iedereen doordringt, kon men zien hoe in een pilaar in het midden van de vergaderzaal zich een hoogst wonderbaarlijke gedaante van Hem manifesteerde die dierlijk noch menselijk was.

Om de waarheid gestand te doen van de woorden ter verdediging van Zijn alomtegenwoordigheid die alle dingen en ieder wezen doorvaart, kon men van Hemzelf zich een hoogst wonderbaarlijke gedaante, die noch dierlijk noch menselijk was, zien vormen in de pilaar in het midden van de vergaderzaal. (Vedabase)

 

Tekst 18

Dat verschijnsel van alle kanten bekijkend, zag hij hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam. Niet in staat om uit te maken of het een dier dan wel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een vorm? Het is half een mens en half een leeuw!'

Hij, het van alle kanten bekijkend, zag hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam, en niet in staat uit te maken of het een dier danwel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een gedaante half een mens en half de koning der dieren?' (Vedabase)

 

Tekst 19-22

Terwijl hij nadacht over het wonder dat zich recht voor zijn ogen voltrok, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had ogen gloeiend als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Om zich heen kijkend met een verschrikkelijke grimas zwaaide Hij heen en weer met Zijn messcherpe tong. Zijn oren stonden bewegingloos recht overeind en Zijn neusgaten en mond stonden wijd open zo groot als berggrotten. Zijn enorme lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Zijn lichaam was overdekt met witte haren die leken op de stralen van de maan en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, dodelijke nagels die dienst deden als wapens naast Zijn overige persoonlijke wapens. Met die excellentie geconfronteerd sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht.

Terwijl hij het wonder dat recht voor zijn ogen plaats greep overdacht, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had oplichtende ogen als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Hij zwaaide met Zijn tong scherp als een scheermes, starend met een afschuwelijke grimas. Zijn oren stonden recht overeind en Zijn wijd open mond en neusgaten verbazingwekkend als een berggrot, besloeg opengesperd de hemel. Zijn lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Gelijk de stralen van de maan was zijn lichaam overdekt met witte haren en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane trefzekere nagels als wapens die bij hun beste gebruik de daityas en de dânavas op de vlucht deden slaan. (Vedabase)


Tekst 23

'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat nu voor een zin?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf en zijn strijdknots oppakkend wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen.

'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat gedoe nu voor een nut?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf, en zijn wapen oppakkend wierp de daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen. (Vedabase)

 

Tekst 24

Net zoals men een insect dat in het vuur gevallen is niet meer kan zien, verdween de Asura in de gloed van Nrisimha. Het was iets dat op dat moment niet zo verwonderlijk was daar Hij met de gloed van Zijn goedheid daarvoor reeds de duisternis van de hele schepping had verzwolgen.

Net als een insekt in het vuur gevallen niet te zien verdween hij, de asura, in de gloed van Nrisimha, iets wat op dat moment werkelijk niet zo verwonderlijk was daar Hij vanuit de gloed van Zijn eigen goedheid voorheen al de duisternis van de schepping had opgeslokt. (Vedabase)

 

Tekst 25

Op het moment dat de grootste der demonen bij Heer Nrisimhadeva was aangeland bracht hij, vervolgens zijn kunnen tentoonspreidend, Hem met grote kracht een slag toe met zijn knots, maar de Heer, Hij die de Knots Hanteert, greep hem precies zo beet als de zoon van Târkshya [Garuda] een grote slang zou grijpen.

Daarna tot de aanval overgegaan sloeg de grootste der demonen verwoed met zijn knots in op Nrisimhadev, zijn macht bewijzend door Hem met geweld in gang te zetten, maar de Heer die eveneens van een knots was voorzien, greep hem precies zoals de zoon van Tâksya [Garuda] dat zou doen met het vangen van een grote slang. (Vedabase)

 

Tekst 26

O zoon van Bharata, toen Hij de Asura om een spelletje te spelen uit Zijn handen liet glippen zoals Garuda dat wel eens doet met een slang, dachten de goddelijken van de verschillende werelden die uit hun posities waren verdreven, vanachter de wolken dat het verkeerd zou aflopen.

Toen hij, de asura, uit Zijn handen glipte met het spelletje dat Hij, net zoals Garuda dat met een slang doet, met hem aan het spelen was, dachten de goddelijken en de heersers van de hemel wiens plaatsen hij had ingenomen, vanachter de wolken dat het verkeerd afliep, o zoon van Bharata. (Vedabase)

 

Tekst 27

De demon die dacht dat Hij hem had laten gaan uit angst voor zijn vertoon van mannelijkheid, pakte na zich hersteld te hebben zijn zwaard en schild weer op en viel met veel geweld Nrisimhadeva voor de tweede keer aan.

Denkend dat, omdat Hij hem had laten gaan, Hij bang was voor zijn vertoon van mannelijkheid, viel de grootste der demonen, na een pauze in de strijd zijn zwaard en schild oppakkend, met veel geweld Nrisimhadeva opnieuw aan. (Vedabase)



Tekst 28

Toen hij snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het manoeuvreren was om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, toen hij z'n ogen [daardoor even] dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen.

Toen hij zo snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het maneuvreren was om geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, met zijn ogen dicht, werd gegrepen door de Kampioen van alle Snelheid. (Vedabase)

 

Tekst 29

In protest stribbelde hij tegen met zijn ledematen om te ontsnappen, maar de Heer legde hem wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, bij de ingang van het paleis op Zijn schoot alsof hij een slang of muis was en doorboorde hem met Zijn nagels met het gemak waarmee Garuda een giftige adder te pakken neemt.

In protest met zijn ledematen tegenstribbelend om weg te komen plaatste de Heer hem, wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, als een slang of muis over de rand van zijn dijbeen en doorboorde Hij hem met Zijn nagels net zo gemakkelijk als Garuda dat doet met het te pakken nemen van een adder. (Vedabase)

 

Tekst 30

Hij was met Zijn angstaanjagende, woedende blik moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek en zag Hij eruit als een leeuw die net een olifant heeft gedood.

Door Zijn grote woede was de aanblik onverdraaglijk hoe, met angstaanjagende ogen, een wijd open mond waarvan hij de randen en de manen met Zijn tong likte en een gezicht rood besmeurd van bloedspetters, Hij de ingewanden als een slinger om had, gelijk een leeuw die zojuist een olifant gedood had. (Vedabase)

 

Tekst 31

Het hart had Hij er met Zijn spitse nagels geheel uitgerukt en terzijde geworpen en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met behulp van Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze handen.

Hij had het geheel van zijn hart eruit getrokken met Zijn gepunte nagels en het terzijde geworpen en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider bewaakten, doodde hij allen met zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze armen. (Vedabase)

 

Tekst 32

Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken. De wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit.

Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed hij de hemellichten verbleken; de wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten op wacht het uit. (Vedabase)

 

Tekst 33

Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelwagens die in de lucht samendromden van hun plaatsen, de aarde schudde onder het zware gewicht van Zijn voeten, Zijn niet te weerstane kracht bracht de bergen en heuvels in beweging en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelse wagens die samendromden in de lucht van hun plaatsen en leed de aarde onder het zware gewicht van Zijn voeten; Zijn niet te weerstane kracht deed de bergen en heuvels opspringen en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien uit al de tien windrichtingen. (Vedabase)

 

Tekst 34

Daarna zittend in de vergaderzaal op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, was er niemand om Hem uit te dagen, noch iemand om Hem de eer te bewijzen.

Daarna had Hij, in de vergaderzaal gezeten op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, verschrikkelijk gezicht, niemand meer tegenover zich noch iemand om Hem de eer te bewijzen. (Vedabase)

 

Tekst 35

Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de hoofdpijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en eindeloze bloemenregens van de vrouwen van de halfgoden.

Maar toen men vernam hoe hij, de daitya die de koppijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en regens van bloemen die telkens weer neerdaalden van de vrouwen van de goddelijken. (Vedabase)

 

Tekst 36

Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn. Er werd geslagen op trommels en pauken en de grootste zangers en engelen van de hemel zongen en dansten.

Op dat moment raakte de hemel vol van een keur aan hemelse wagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn en werden trommels en pauken geslagen en werd er gezongen en gedanst door de grootste zangers en engelen van de hemel. (Vedabase)

 

Tekst 37-39

Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts in de wetenschap en de grote slangen. Ook de stamvaders, de leiders van de mensheid, de ingezetenen van de hemel en de beste engelen kwamen erop af alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaken en de aapachtigen, o mijn beste. Tevens verschenen de spotgeesten, de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderde ieder van hen Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts der wetenschap en de grote slangen [ego's]; de stamvaders kwamen allen, de leiders der mensheid, de ingezetenen van de hemel en de besten der engelen als ook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaakten en de aapachtigen, o mijn beste. Zo kwamen er ook de spotgeesten [de komedianten, de barden], de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderden zij ieder Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en nu daar op de troon zat Zijn gloed ten toon spreidend. (Vedabase)

 

Tekst 40

S'rî Brahmâ zei: 'Ik buig voor U o Ondoorgrondelijke van een onbegrensd vermogen. U staat met al Uw macht en vermogen en de Zuiverheid van Uw handelingen voor de schepping, handhaving en vernietiging van het universum. Terwijl U in Uw goddelijk spel [lîla] tewerk gaat met de geaardheden, blijft U zelf steeds onveranderd.'

Brahmâ zei: 'Ik buig me voor U neer, o Ondoorgrondelijke, Onbegrensde; met al Uw macht en vermogen en het Zuivere van Uw handelingen bent U van het Universum de schepping, de handhaving en de vernietiging die met de geaardheden speels te werk gaat zonder zelf ooit te veranderen.' (Vedabase)

 

Tekst 41

Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta vol van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.'

Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.' (Vedabase)

 

Tekst 42

S'rî Indra zei: 'Ons aandeel van de offers werd door Uwe Heerlijkheid die ons beschermde veiliggesteld, o Allerhoogste. Woorden schieten tekort om uit te drukken hoezeer onze lotusgelijke harten getroffen waren door de Daitya, onze harten die in feite Uw verblijfplaats zijn. Helaas o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt ter wille van de toegewijden in Uw dienst Uw licht geworpen zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders dan het  onbelangrijk vinden van de zichtbare wereld zou nu hun weg vormen o Nrisimhadeva?'

S'rî Indra zei: 'Onze aandelen van de offers zijn door Uwe Heerlijkheid met het ons beschermen teruggewonnen, o Allerhoogste; hoe zeer getroffen door de daitya waren onze lotusgelijke harten die in werkelijkheid Uw verblijfplaats zijn. Helaas, o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt hem verlicht ter wille van de toegewijden in Uw dienst zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders, o Nrisimhadeva, zou, de zichtbare wereld inderdaad als niet zo belangrijk beschouwend, voor hen van nut zijn? ' (Vedabase)

 

Tekst 43

De wijzen [de Rishi's] zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld dat ons de verzaking bijbracht. Met deze macht van U wordt de wereld o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, tot stand gebracht, [in stand gehouden] en weer in U opgenomen. Die verzaking werd door deze onwijze ziel weggestolen maar is nu o Toevlucht der Behoeftigen, dankzij de bescherming geboden door Uw belichaming in ere hersteld.'

De achtenswaardige heiligen zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld ter lering van onze verzakingen, bij de macht van Uw zelf wordt deze wereld, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, geschapen, gehandhaafd en weer in U opgenomen; dat alles werd door deze onwijze ziel weggekaapt maar is nu, o Toevlucht der Behoeftigen, door de bescherming van Uw belichaming met Uw zegen naar ons teruggebracht.' (Vedabase)

 

Tekst 44

De voorvaderen [de Pitri's] zeiden: 'De duivel die met gebruik van geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, hij die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, bereikten deze offers hun juiste bestemming. Hij die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens, Hem brengen wij onze eerbetuigingen.'

De eerbare voorouders zeiden: 'Van de duivel die met geweld van onze s'râddha offers genoot gebracht door onze zonen en kleinzoons, die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, zijn ze voor ons hersteld; jegens Hem onze eerbetuigingen die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuw-mens.' (Vedabase)

 

Tekst 45

De vervolmaakten [de Siddha's] zeiden: 'Deze hoogst onbeschofte en oneerlijke persoon die de vreugde van onze vervolmaking in de yoga wegnam en met de macht van zijn verzaking en mysticisme zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten. Wij buigen ons voor U o Nrisimha.'

De vervolmaakten zeiden: 'Die persoon hoogst onbeschoft en oneerlijk die de bedoeling van onze vervolmaking in de yoga wegstal en die bij machte van zijn verzaking en boete zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten; jegens Hem, jegens U, verbuigen wij ons, o Nrisimha.' (Vedabase)

 

Tekst 46

De specialisten van de wetenschap [de Vidyâdhara's] zeiden: 'Onze vormen van kennis die ieder op een verschillende manier van zich concentreren kunnen worden bereikt, werden terzijde geschoven door deze dwaas zo vol van verbeelding over zijn kracht en kunnen. Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven zielen, immer verplicht.'

De deskundigen der wetenschap zeiden: 'Onze formules die men ieder met een verschillende manier van concentreren bereikt, werden gedwarsboomd door deze dwaas zo opgeblazen over zijn kracht en kunnen; Hij die hem in de strijd doodde als was hij een dier, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven, voorzeker immer verplicht.' (Vedabase)

 

Tekst 47

De slangenmensen [de Nâga's] zeiden: 'Door de borst te doorboren van die grootste aller zondaren die onze juwelen en mooie vrouwen inpikte, deed u onze echtgenotes een groot plezier. Laten we U onze eerbetuigingen brengen.'

De slangenmensen zeiden: 'Die grootste der zondaren die onze juwelen en vrouwen wegkaapte; door zijn borst te doorboren bent U voor al onze vrouwen de Bron van al het Genoegen; moge er jegens U ons eerbetoon zijn.' (Vedabase)

 

Tekst 48

De oervaders [de Manu's] zeiden: 'Wij de Manu's zijn Uw gezagdragers maar werden geminacht door deze zoon van Diti die brak met de morele richtlijnen voor de gevestigde orde o Heer. Vertel ons alstUblieft wat we voor U kunnen betekenen nu U deze booswicht hebt gedood o Meester.'

De achtenswaardige stamvaders zeiden: 'Wij, die de mensheid inspireren zijn de gezagdragers van Uwe Heerlijkheid die wat betreft de morele richtlijnen en de klasse werden geminacht, o Heer, door deze zoon van Diti; met het door U doden van deze schoft o meester, vertel alstublieft ons, Uw eeuwige dienaren, wat we voor U kunnen betekenen.' (Vedabase)

 

Tekst 49

De stamvaders [de Prajâpati's] zeiden: 'O Allerhoogste Heer, wij die de generaties voortbrachten hebben allen hun leven te danken aan U en niet aan hem die de levende wezens die wij op deze wereld gezet hebben een leven heeft ontzegd. En nu hebt U door de gedaante aan te nemen van een incarnatie van Uw zuivere goedheid, voor het welzijn van de wereld de borst uiteengereten van hem die hier verslagen neerligt.'

De leiders van de mensheid zeiden: 'Wij, die de generaties voortbrachten stammen allen van U af, o Allerhoogste Beheerser, en niet van hem; de levende wezens die we op deze wereld gezet hebben werden door hem een leven ontzegd en hij die hier nu verslagen neerligt, heeft U de borst geklieft ter wille van het welzijn van de wereld middels de incarnatie van de gedaante uwer Goedheid.' (Vedabase)

 

Tekst 50

De muzikanten van de hemel [de Gandharva's] zeiden: 'Wij o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten die werden onderworpen aan de invloed van de macht en de kracht van hem hier die door U werd teruggebracht tot deze toestand. Wie zou er ook op het slechte pad zijn geluk kunnen vinden?'

De muzikanten van de hemel zeiden: 'Wij, o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, uw artiesten, die onder het gezag werden geplaatst van het vuur en de kracht van zijn invloed. Hij, deze hier, is tot niets gereduceerd door U; wie zou er ook, voor Uw Heil, zo'n parvenu kunnen zijn?' (Vedabase)

 

Tekst 51

De vererenswaardige zielen [de Cârana's] zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten bevrijden iemand van de noodzaak om weer een nieuw leven te beginnen. Wij zoeken daar ons heil omdat U een einde maakte aan deze Asura, deze slang in het hart van alle deugdzame mensen.'

De beroemdheden zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor de bevrijding, wij daarom zoeken daar ons heil omdat deze asura, deze doorn in het oog van alle mensen, door U aan zijn einde is geholpen.' (Vedabase)

 

Tekst 52

De bewakers van de weelde [de Yaksha's] zeiden: 'Wij die U tot Uw genoegen van dienst zijn, behoren tot Uw beste volgelingen. Deze zoon van Diti dwong ons zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van het verdriet [de armoede] van een ieder. Daarom betuigen we U de eer o Heer Nrisimha, want U bent degene die een einde aan zijn leven maakte o vijfentwintigste principe [dat de Tijd is, zie 3.26: 10-15].'

De bewakers van de weelde zeiden: 'Wij, de meest vooraanstaanden onder Uw dienaren zullen nu op dit moment proberen U met onze dienst te behagen; door de zoon van Diti werden we gedwongen zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van de armoe van alles en iedereen; daarom doen we U de eer aan, omdat U degene bent die hem aan zijn einde geholpen heeft, o vijfentwintigste principe [dat de tijd is, zie 3.26: 10-15]. ' (Vedabase)

 

Tekst 53

De aapachtigen [de Kimpurusha's] zeiden: 'We zijn twijfelachtige mensen, Kimpurusha's maar U bent de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de Heer. En deze slechte persoon werd door U omgebracht nadat hij door de heilige mensen werd vervloekt [zie ook B.G. 4: 7-8].'

De aapachtigen zeiden: 'We zijn maar onbeduidende kimpurusha's o Heer van ons, echter, dit monster der zonde is door U afgeslacht nadat hij door de zoekers was vervloekt, o Allerhoogste Persoonlijkheid, Heerser over ons.' [zie ook: B.G. 4:7-8] (Vedabase)

 

Tekst 54

De barden van de koning [de Vaitâlika's] zeiden: 'Wij die in grote bijeenkomsten en in offerperken de roem van Uw onberispelijke glorie  bezingen, zijn tot het hoogste aanzien opgeklommen. Deze kwaadaardige kerel die ons in zijn macht kreeg o Allerhoogste Heer, werd gelukkig door U ter dood gebracht, alsof hij een ziekte was.'

De barden van de koning zeiden: 'In grote bijeenkomsten en in de offerperken in zuiverheid de roem bezingend hebben we de hoogste positie van respekt verworven; dat slechte karakter die ons in zijn macht kreeg werd tot ons grote geluk door U ter dood gebracht, o Allerhoogste Heer, alsof hij een ziekte was.' (Vedabase)

 

Tekst 55

De lagere goden zeiden [de Kinnara's, zij die een mensenhoofd hebben en een dierenlichaam, zangers van de hemel]: 'O Heer, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren. Vanwege die zoon van Diti moesten we onder dwang ons werk doen, maar de zondaar werd door U o Heer vernietigd, o Nrisimhadeva, o Meester. Weest U er alstUblieft als ons geluk en ons welzijn.'

De supermachtigen zeiden: 'O Heerser over ons, wij de kinnara's zijn Uw trouwe dienaren; door die zoon van Diti moesten we optreden zonder vergoeding, maar door U, o Heer, werd hij zondig als hij was om zeep geholpen, o Nrisimha, o Meester, alstublieft wees er voor ons, voor het heil van ons geluk en ons welzijn.' (Vedabase)

 

Tekst 56

De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de toevlucht en het geluk van al de werelden. Deze dienaar van de staat o Heer, werd vervloekt door de geleerden [zie 7.1: 36] en daarom ter dood gebracht. Wij zien dat als Uw bijzondere genade.'

De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderbaarlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de eeuwige toevlucht en het goede geluk van al de werelden en deze dienaar van de staat, o Beheerser, is, vervloekt door de geleerden [zie 7.1: 36], om die reden ter dood gebracht; wij verstaan dat als zijnde Uw bijzondere genade.' (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De eerste afbeelding is een klassieke voorstelling van Nrisimhadeva die de demonische koning afslacht.
Het tweede moderne schilderij van Nrisimhadeva is van
Johannes Ptok (Janmanalaya).
De derde afbeelding is een schilderij van een mûrti van Nrisimhadeva door
Vlad Holst. Gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties