
Canto
7
Hoofdstuk 7: Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder
(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira, zie 7.1: 13]: 'Aldus verzocht door de daitya zonen sprak hij, de Asura die zo'n grote toegewijde van de Heer was, lachend tot hen, zich herinnerend wat ik hem had gezegd. (2) S'rî Prahlâda zei: 'Toen onze vader vertrok naar Mandarâcala voor zijn boetedoeningen, spanden de goddelijken zich buitengewoon in met een oorlog tegen de Dânavâ's. (3) 'God zij dank wordt vanwege zijn eigen zonden de zondaar, die voortdurend iedereen onderdrukte, nu als een slang door de mieren aangevreten [zie: 7.3: 15-16]', zo zeiden zij die van Indra waren. (4-5) Horende hoe door hun buitengemeen vertoon van geweld de een na de ander door hen werd gedood, vluchtten de asura leiders in angst in alle richtingen. In hun grote haast en verlangen om in leven te blijven vergaten ze hun vrouwen, kinderen en weelde, huizen, verwanten, dieren en de zaken van hun huishouding. (6) In de roes der overwinning plunderden de Sura's het paleis van de koning, terwijl Indra bij die gelegenheid de koningin, mijn moeder, te pakken kreeg.
(7) De devarishi die daar toevallig ter plekke arriveerde zag hoe ze op straat weggevoerd in grote angst het uitschreeuwde als een kurarî [een havik]. (8) Hij zei: 'O Koning der Sura's, je moet deze hier niet met je meeslepen, ze is onschuldig, laat haar nu meteen gaan, o grootste van het geluk, ze is de kuise echtgenote van iemand anders!'
(9) Indra zei: 'Ze draagt het zaad van de sura vijand in haar baarmoeder, laat haar in onze hechtenis totdat ze baart. Als dat doel bereikt is zal ik haar vrijlaten.'
(10) Nârada zei: 'Er schuilt geen kwaad in dit kind, u moet hem zien als een toegewijde, de allerbeste zelfs; hij, zo'n doorgewinterde toegewijde, zal niet door uw hand de dood vinden.'
(11) Aldus tot hem sprekend, liet Indra uit respect voor de devarishi zijn woorden, uit respect voor iemand geliefd bij de Eeuwige, haar vrij. In toewijding omliepen ze haar en keerden toen terug naar hun hemel. (12) Daarna nam de rishi mijn moeder mee naar zijn âs'rama haar toevertrouwend: 'Blijf hier mijn kind, totdat je echtgenoot er weer is.' (13) Zoals hij had gezegd leefde ze aldus met de devarishi waarbij ze niets uit welke richting ook maar te vrezen had voor zolang als de boetedoening van de daitya leider nog niet was afgerond. (14) Voor het welzijn van het kind, waarvan ze in verwachting was, was de trouwe vrouw in haar verlangen het ter wereld te brengen, aldaar Nârada van dienst met grote toewijding. (15) De rishi als de man die het voor het zeggen had gaf mededogend haar, in feite ons beiden, onderricht over de waarheid van het dharma en de spirituele kennis, het met name voor mij uiteenzettend zonder ook maar een spoortje van materieel belang [vergelijk 1.2: 7]. (16) Dat alles werd inderdaad omdat het zo lang geleden plaatsgreep en vanwege mijn moeder's vrouwelijke dispositie door haar vergeten, maar ik, gezegend door de wijze, deed dat niet en tot op de dag van vandaag heeft de herinnering eraan me niet verlaten [zie ook B.G. 9: 32]. (17) Jullie zelf ook kunnen dat van mij meekrijgen als je geloof hecht aan mijn woorden; gegeven een vast geloof is de intelligentie van de allerbesten er net zo goed voor vrouwen en kleine kinderen als ze er voor mij is [zie ook B.G. 18: 55]. (18) Zoals in de loop van de tijd door de Beheerser aller Bestaansvormen met bloemen en vruchten de gedaante van een boom kan worden waargenomen, kunnen met iemands lichaam de zes bestaanstoestanden worden waargenomen [van geboren zijn, bestaan als een persoon, groeien, transformeren, wegkwijnen en dood gaan] die men vanaf zijn geboorte ondergaat, maar dat is niet van toepassing op de ziel [zie ook B.G. 2: 20]. (19-20) De ziel is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, het individuele, de kenner van het veld, het oorspronkelijke vertrekpunt, het onveranderlijke, zelf-verlichtte, de eigenlijke oorzaak, de alles doorvarende, onafhankelijke en onbeweeglijke. Door deze twaalf levenstekenen van de ziel wordt een bewust persoon er toe aangezet het valse begrip van 'ik' en 'mijn' op te geven dat zijn oorsprong heeft in de illusie van alles wat hoort bij het hebben van een lichaam [zie ook 6.4: 24]. (21) Net zoals goud opgesloten in allerlei gesteente, dat door de gouddelvers op verschillende manieren gewonnen wordt in de goudmijnen, door deskundigen er met gemak wordt uitgehaald, kunnen vanuit de velden der organische lichamen [zie ook B.G. 13: 1-4] dienovereenkomstig door spirituele methoden de experts in het onderscheid tussen geest en materie het brahmaanse doel naar boven halen. (22) De leraren van het voorbeeld spreken van acht soorten materiële energie [B.G. 7: 4] waarbij er sprake is van precies drie geaardheden en welgeteld zestien modificaties [bewustzijn, zinnen van waarnemen en handelen en de elementen, zie tevens 1.3: 1]; het is het individuele levende wezen, de persoon, die ze allen met elkaar verbindt. (23) Het lichaam dat, zich rondbewegend en op zichzelf bestaand, enkel een combinatie is van hen allen tezamen is aldus van deze tweevoudigheid en in die aangelegenheid is het [het oorspronkelijke van] de persoon waar men naar uit moet zien met het zeggen van 'noch dit, noch dat' [neti neti], wat de manier is om het op te geven met wat niet de ziel is. (24) In contact met de materie en er los van staand zijn, als ze met de bedachtzaamheid met de ziel gezuiverd zijn door gerijpt onderscheid, alzo zij die het ernstig menen terughoudend met het analyseren van de schepping, de vernietiging en het behoud. (25) Van de intelligentie zijn er de toestand van het waken, het dromen en de diepe slaap; Hij door wie deze verschillende modaliteiten worden waargenomen, Hij die los staat van alles, is de Oorspronkelijke Persoon der Transcendentie. (26) Men moet de uitgangspositie van de ziel begrijpen in het uit intelligentie [neti neti] weerleggen van de verdeeldheid voortkomend uit de uiteenlopende werking van de drie geaardheden der natuur, die zijn als geuren die worden meegevoerd door de lucht [zie tevens B.G. 3: 42]. (27) Deze oceaan van materie wortelend in onwetendheid die zonder een eigen betekenis is, is van het levende wezen de deur waarachter hij in beslag is genomen door de werkzame geaardheden der natuur, net zoals men gevangen is in een droom.
(28) Daarom uit de grond van je hart moeten jullie de zaden van al het karma van het geconditioneerd zijn door de geaardheden der natuur zien te verbranden, in de yoga het stopzetten realiserend van de stroom van het bewustzijn. (29) Daartoe is van de duizenden processen dit hier, zoals geboden door het hoogste der toewijding [middels de Heer en de toegewijde] in relatie tot de Allerhoogste Beheerser, het ene proces dat, eenmaal gevolgd, de kalmte snel teweegbrengt [zie ook B.G. 18: 66, en de voetnoot]. (30-31) Besteed op de goede manier met geloof en toewijding aandacht aan een goeroe, draag alles op wat je hebt verworven, wees van omgang met het heilige en het toegewijde en van aanbidding voor de Beheerser, sla acht op de lezingen van belang, zing over Zijn kwaliteiten en handelingen, mediteer op de voeten en leef de regels na met het oefenen van respect voor de beeltenissen. (32) Hari, de Allerhoogste Heer bevindt zich in alle levende wezens; het van de grootste achting zijn voor al die schepselen en voor wat hen beweegt maakt dat men de Allerhoogste Beheerser begrijpt. (33) Aldus de zes symptomen [der sensuele zwakheid: lust, woede, begeerte, illusie, waanzin en jaloezie] eronder gekregen hebbend, levert men toegewijde dienst aan de Beheerser, Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, waarmee men de vrede en liefde verwerft. (34) Als men verneemt over de ongebruikelijke handelingen en macht van Zijn optreden en Zijn kwaliteiten zoals aan de dag gelegd in het spel en vermaak van Zijn verschillende verschijningen, zullen van de grote vreugde de haren overeind staan en zijn er tranen, een haperende stem en hardop, luidkeels zingen, roepen en dansen. (35) Zoals wanneer men door een geest is bezeten, is er soms lachen, zijn er kreten, meditatieve stemmingen, respectbetoon jegens andere levende wezens, lang volgehouden zwaar ademen en zijn er uitingen in de trant van: 'O Heer, Meester van de Wereld, Nârâyana!'; aldus is men vrij van schaamte verzonken in gedachten over het Ware Zelf. (36) Als men zo bezig is raakt men, aldus denkend in liefde over het uiteindelijke, bevrijd van alle obstakels op zijn weg en komt men naar lichaam en geest in harmonie; het o zo krachtige zaad van het verlangen is dan opgebrand door het beoefenen van de bhakti waardoor men de Ene Boven Alles bereikt. [**]. (37) Voortdurend in contact staand met Hem, Adhokshaja, wordt de besmette geest van een belichaamd wezen in deze wereld en de kringloop van zijn materiële bestaan een halt toegeroepen; zij die gevorderd zijn hebben weet van die geestelijke hemel van gelukzaligheid en daarom, uit het diepst van je hart, zing in toewijding voor de Ware Beheerser van je hart [zie tevens B.G. 18: 54].
(38) En wat zou daarvan het probleem zijn, o asura zoons; wat zou in iemands eigen beoefenen van het altijd een plaats voor Hem in het hart hebben, met Hem altijd daar als de Ziel voor je ziel en de Onbegrensde Vriend, er nou helemaal de noodzaak van zijn om te voorzien in alles wat het zingenot zoal vereist [vergelijk 7.6: 19 en B.G. 9: 26]? (39) Weelde, vrouwen, je dieren, kinderen en dat alles, huizen, land, olifanten, een schatkist, al de luxe, al die economie en zinsbevrediging gaat voor hem wiens leven maar kort is, hij die onvermijdelijk komt te overlijden, in een ogenblik verloren; hoeveel plezier kan zo een tijdelijk iets nu brengen? (40) Evenzo zijn de hogere bestemmingen die door grote offers worden bereikt, allen vergankelijk, hoeveel meer comfortabel ze ook mogen wezen; ze zijn niet vrij van verstoringen en daarom is Hij, van wie men nog nooit van enige fout of misser heeft gehoord, met de bhakti zoals uiteengezet, de Allerhoogste Heerser om te aanbidden voor de zelfverwerkelijking [zie ook B.G. 8: 16]. (41) Van een materieel weten dat er is voor het doel van de vele activiteiten in deze wereld, denkt men van zichzelf dat men zeer hoog ontwikkeld is, maar keer op keer bestaat het onvermijdelijke resultaat van een mens die zo tewerk gaat eruit dat hij uitkomt op het tegenovergestelde. (42) De vastbeslotenheid van de karmi [de persoon zwetend voor resultaten] om gelukkig te zijn, om hier bevrijd te raken van de ellende, is een ambitie die altijd leidt tot het ongeluk dat het [duurzame] geluk verhult dat volgt op het niet najagen van het geld. (43) De dingen die het leven gemakkelijk maken en waar men op zint in de geplande handelingen terwille waarvan het levend wezen de wereld betrad, resulteren inderdaad in het fysieke lijf dat men heeft, maar vergankelijk als het is, is het iemands vijand als men het wil laten voor wat het is als men de geest wenst te huldigen. (44) Wat valt daar nog aan toe te voegen; uiteindelijk is men gescheiden van de kinderen, de vrouw, het huis, de weelde en dat alles, het territorium, de vergaarde rijkdom, de olifant, de staatslieden en de bedienden en verwanten, die allen tezamen de zetel vormden van de eigenwaarde. (45) Wat voor waarde heeft dit alles voor de ziel? Triviaal als ze zijn doen deze zaken zich met het vergankelijke lichaam voor als zijnde noodzakelijk, maar voor de oceaan vol van de nectar van het eeuwige geluk hebben ze geen nut.
(46) Het moge duidelijk zijn dat al wat iemand in een materieel lichaam in deze wereld doet terwille van zijn persoonlijke voordeel, o asura zonen, beginnend met het zich verlustigen over de seks, met het tijdelijke leidt tot het zware lijden dat het resultaat is van de werklast van iemands karma. (47) Het karma voor iemand die belichaamd is begint met het lichaam dat men verwierf als gevolg van de manier waarop men tewerk ging; als gevolg van dat karma verwerft men dan een volgend lichaam, en die herhaling heeft men dan inderdaad te danken aan de eigen onwetendheid. (48) Daarom hangt al het reguleren van iemands inkomen en verlangen naar zinsbevrediging zowel als de religie die erbij komt kijken af van de verheerlijking van de Ziel die boven de ziel staat, de Heer der goddelijke onverschilligheid die de Beheerser is [van de Tijd en het karma]. (49) Van alle levende wezens is Hij de Heer, de oerbron, Hij die de touwtjes in handen heeft, de Geliefde, die door Zijn verschillende energieën hen geschapen heeft in Zijn bestaan als de Individuele Ziel van alle individuele bestaansvormen tezamen. (50) Of men nu een god of een duivel is, een mens of een geest, of een zanger van de hemel, met het leveren van dienst aan de voeten van Mukunda raken we allen gelijkelijk vervuld van al het Zijne! (51-52) Een perfecte brahmaan te zijn, een fijnbesnaarde godsbewuste persoon, of een heilige, o asura nazaten, zal niet afdoende zijn om Mukunda te behagen, en ook niet goed gedrag en veel geleerdheid. Noch volstaan liefdadigheid of verzakingen, aanbidding, reinheid of geloften; de Heer wordt tevredengesteld door ondubbelzinnige, toegewijde dienst, de rest is maar uiterlijk vertoon [zie ook B.G. 9: 30 en 1.2: 8]. (53) Hou je daarom in relatie tot Hari, de Opperheer, bezig met de bhakti o dânavâ zonen, daar Hij, alomtegenwoordig als de Ziel en Beheerser van alle levende wezens, gelijk je eigen zelf is. (54) O Daitya's, de geesten en demonen, de vrouwen en de arbeiders, de koeherders, de vogels, de dieren en alle zondaren, kunnen zonder twijfel allen komen tot en deel uitmaken van de kwaliteiten van de Onfeilbare, van Acyuta [zie ook B.G. 4: 9]. (55) Van het levend wezen in deze wereld beschouwt men zoveel als zijnde het ware bovenzinnelijke eigen-belang: om op een ondubbelzinnige wijze Govinda van dienst te zijn [Hij als de zegen der koeien] die men in allen en alles herkent [zie ook bhajan 1 en 2].
Tweede editie, geladen 5 juli 2007.
Bronteksten:
Wat Prahlâda in de schoot van zijn moeder leerde
Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira, zie 7.1: 13]: 'Aldus verzocht door de daitya zonen sprak hij, de Asura die zo'n grote toegewijde van de Heer was, lachend tot hen, zich herinnerend wat ik hem had gezegd.Nârada Muni zei: Hoewel Prahlâda Mahârâja in een familie van asura's geboren was, was hij de grootste van alle toegewijden. Nadat hij aldus ondervraagd was door zijn klasgenoten, de zonen van de asura's, herinnerde hij zich de woorden die ik tegen hem gesproken had en antwoordde zijn vrienden als volgt. (Vedabase)
S'rî Prahlâda zei: 'Toen onze vader vertrok naar Mandarâcala voor zijn boetedoeningen, spanden de goddelijken zich buitengewoon in met een oorlog tegen de Dânavâ's.
Prahlâda Mahârâja zei: Toen mijn vader, Hiranyakas'ipu, naar de berg Mandarâcala gegaan was om strenge ascese te beoefenen, vielen de halfgoden, onder leiding van koning Indra, de demonen met grote kracht aan in een poging hen te onderwerpen. (Vedabase)
'God zij dank wordt vanwege zijn eigen zonden de zondaar, die voortdurend iedereen onderdrukte, nu als een slang door de mieren aangevreten [zie: 7.3: 15-16]', zo zeiden zij die van Indra waren.
"De hemel zij dank! Zoals een slang wordt opgegeten door minuscule miertjes, zo heeft de lastige Hiranyakas'ipu, die alle mensen voortdurend in het ongeluk stortte, nu het onderspit gedolven door de terugslagen van zijn eigen zonden." Met deze woorden maakten de halfgoden, met koning Indra aan het hoofd, zich gereed om de demonen aan te vallen. (Vedabase)
Horende hoe door hun buitengemeen vertoon van geweld de een na de ander door hen werd gedood, vluchtten de asura leiders in angst in alle richtingen. In hun grote haast en verlangen om in leven te blijven vergaten ze hun vrouwen, kinderen en weelde, huizen, verwanten, dieren en de zaken van hun huishouding.
Toen de grote leiders van de demonen, die de één na de ander werden, de weergaloze vechtlust van de halfgoden zagen, sloegen ze op de vlucht en renden ze alle richtingen op. Om het vege lijf te redden, lieten ze in hun grote haast huis, vrouw, kinderen, dieren en andere bezittingen achter. Zonder zich hierom te bekommeren, maakten de demonen dat ze wegkwamen. (Vedabase)
In de roes der overwinning plunderden de Sura's het paleis van de koning, terwijl Indra bij die gelegenheid de koningin, mijn moeder, te pakken kreeg.
De zegevierende halfgoden plunderden het paleis van Hiranyakas'ipu, de koning van de demonen, en vernielden alles wat zich daarin bevond. Toen nam de hemelkoning Indra mijn moeder, de koningin, gevangen. (Vedabase)
De devarishi die daar toevallig ter plekke arriveerde zag hoe ze op straat weggevoerd in grote angst het uitschreeuwde als een kurarî [een havik].
Terwijl ze weggevoerd werd, huilend als een kurarî die door een gier gevangen is, verscheen de grote heilige Nârada, die op dat moment niets speciaals te doen had, ter plaatse en zag haar in die toestand. (Vedabase)
Hij zei: 'O Koning der Sura's, je moet deze hier niet met je meeslepen, ze is onschuldig, laat haar nu meteen gaan, o grootste van het geluk, ze is de kuise echtgenote van iemand anders!'
Nârada Muni zei: O Indra, koning van de halfgoden, deze vrouw is volkomen zondeloos; daarom mag u haar niet op zo'n genadeloze manier meesleuren. O zeer fortuinlijke, deze kuise vrouw is de vrouw van iemand anders. Laat haar daarom onmiddellijk vrij. (Vedabase)
Indra zei: 'Ze draagt het zaad van de sura vijand in haar baarmoeder, laat haar in onze hechtenis totdat ze baart. Als dat doel bereikt is zal ik haar vrijlaten.'
Koning Indra zei: In de schoot van deze vrouw, de echtgenote van de demon Hiranyakas'ipu, bevindt zich het zaad van die grote demon. Laat haar daarom bij ons in hechtenis blijven totdat ze haar kind ter wereld gebracht heeft; daarna zullen we haar vrijlaten. (Vedabase)
Nârada zei: 'Er schuilt geen kwaad in dit kind, u moet hem zien als een toegewijde, de allerbeste zelfs; hij, zo'n doorgewinterde toegewijde, zal niet door uw hand de dood vinden.'
Nârada Muni antwoordde: Het kind in de schoot van deze vrouw is foutloos en zonder zonde. Ja, het is een grote toegewijde, een machtige dienaar van de Allerhoogste Godspersoon. Daarom zult u hem niet kunnen doden. (Vedabase)
Aldus tot hem sprekend, liet Indra uit respect voor de devarishi zijn woorden, uit respect voor iemand geliefd bij de Eeuwige, haar vrij. In toewijding omliepen ze haar en keerden toen terug naar hun hemel.
Toen de grote heilige Nârada aldus gesproken had, liet koning Indra uit respect voor Nârada's woorden mijn moeder onmiddellijk vrij. Omdat ik een toegewijde van de Heer ben, maakten alle halfgoden een eerbiedige omgang om mijn moeder heen. Daarna keerden ze naar hun hemelse koninkrijk terug. (Vedabase)
Daarna nam de rishi mijn moeder mee naar zijn âs'rama haar toevertrouwend: 'Blijf hier mijn kind, totdat je echtgenoot er weer is.'
Prahlâda Mahârâja vervolgde: De grote heilige Nârada Muni nam mijn moeder mee naar zijn âs'rama en verzekerde haar van zijn bescherming door te zeggen: "Mijn lieve kind, blijf alsjeblieft in mijn âs'rama totdat je echtgenoot terugkeert." (Vedabase)
Zoals hij had gezegd leefde ze aldus met de devarishi waarbij ze niets uit welke richting ook maar te vrezen had voor zolang als de boetedoening van de daitya leider nog niet was afgerond.
Mijn moeder aanvaardde de instructies van Devarshi Nârada en bleef onder zijn hoede zolang mijn vader, de koning der Daitya's, nog niet terug was van het beoefenen van zijn strenge ascese. Op die manier had ze niets te vrezen. (Vedabase)
Voor het welzijn van het kind, waarvan ze in verwachting was, was de trouwe vrouw in haar verlangen het ter wereld te brengen, aldaar Nârada van dienst met grote toewijding.
Mijn moeder, die zwanger was, wilde er zeker van zijn dat haar ongeboren kind veilig was, en hoopte het na de terugkeer van haar echtgenoot ter wereld te brengen. Daarom bleef ze dus in de âs'rama van Nârada Muni en diende hem met grote toewijding. (Vedabase)
De rishi als de man die het voor het zeggen had gaf meedogend haar, in feite ons beiden, onderricht over de waarheid van het dharma en de spirituele kennis, het met name voor mij uiteenzettend zonder ook maar een spoortje van materieel belang [vergelijk 1.2: 7].
Nârada Muni gaf zijn instructies zowel aan mijn moeder, die hem diende, als aan mij, die zich in haar schoot bevond. Omdat hij door zijn transcendentale positie de gevallen zielen van nature buitengewoon gunstig gezind is, gaf hij ons lessen in religie en transcendentale kennis. Dit onderricht was vrij van elke vorm van materiële besmetting. (Vedabase)
Dat alles werd inderdaad omdat het zo lang geleden plaatsgreep en vanwege mijn moeder's vrouwelijke dispositie door haar vergeten, maar ik, gezegend door de wijze, deed dat niet en tot op de dag van vandaag heeft de herinnering eraan me niet verlaten [zie ook B.G. 9: 32].
Mijn moeder heeft al deze instructies vergeten door de lange tijd die ondertussen verstreken is en omdat ze een vrouw is en daarom minder intelligent; maar dankzij de zegen van de grote wijze Nârada kon ik ze niet vergeten. (Vedabase)Tekst 17:
Jullie zelf ook kunnen dat van mij meekrijgen als je geloof hecht aan mijn woorden; gegeven een vast geloof is de intelligentie van de allerbesten er net zo goed voor vrouwen en kleine kinderen als ze er voor mij is [zie ook B.G. 18: 55].
Prahlâda Mahârâja vervolgde: Mijn beste vrienden, als jullie vertrouwen hebben in mijn woorden, kunnen jullie gewoon door dat vertrouwen transcendentale kennis bevatten, net als ik, hoe jong jullie ook zijn. Zo kan ook een vrouw transcendentale kennis begrijpen en weten wat het verschil is tussen geest en materie. (Vedabase)
Zoals in de loop van de tijd door de Beheerser aller Bestaansvormen met bloemen en vruchten de gedaante van een boom kan worden waargenomen, kunnen met iemands lichaam de zes bestaanstoestanden worden waargenomen [van geboren zijn, bestaan als een persoon, groeien, transformeren, wegkwijnen en dood gaan] die men vanaf zijn geboorte ondergaat, maar dat is niet van toepassing op de ziel [zie ook B.G. 2: 20].
Het stoffelijke lichaam dat de geestelijke ziel zich onder verschillende omstandigheden verwerft ondergaat, net als de vruchten en bloemen van een boom, in de loop der tijd zes veranderingen - namelijk geboorte, bestaan, groei, transformatie, aftakeling en dan de dood. De geestelijke ziel zelf is echter niet aan dergelijke veranderingen onderhevig. (Vedabase)
De ziel is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, het individuele, de kenner van het veld, het oorspronkelijke vertrekpunt, het onveranderlijke, zelfverlichte, de eigenlijke oorzaak, de alles doorvarende, onafhankelijke en onbeweeglijke. Door deze twaalf levenstekenen van de ziel wordt een bewust persoon er toe aangezet het valse begrip van 'ik' en 'mijn' op te geven dat zijn oorsprong heeft in de illusie van alles wat hoort bij het hebben van een lichaam [zie ook 6.4: 24].
"Âtmâ" heeft betrekking op de Allerhoogste Heer of het levend wezen. Beiden zijn geestelijk; ze kennen geen geboorte of dood, en zijn vrij van verval en van elke materiële besmetting. Ze zijn individueel, de kenners van het uitwendige lichaam, en de basis of toevlucht van alles. Ze zijn aan geen enkele materiële verandering onderhevig, zelfverlicht, de oorzaak van alle oorzaken en alomtegenwoordig. Ze staan volkomen los van het materiële lichaam en zijn daarom door niets bedekt. Met deze transcendentale eigenschappen moet hij die werkelijk wijs is de illusoire levensopvatting van: "Ik ben dit materiële lichaam en alles wat met dit lichaam verband houdt is van mij", opgeven. (Vedabase)
Net zoals goud opgesloten in allerlei gesteente, dat door de gouddelvers op verschillende manieren gewonnen wordt in de goudmijnen, door deskundigen er met gemak wordt uitgehaald, kunnen vanuit de velden der organische lichamen [zie ook B.G. 13: 1-4] dienovereenkomstig door spirituele methoden de experts in het onderscheid tussen geest en materie het brahmaanse doel naar boven halen.
Een deskundig geoloog weet waar goud te vinden is, en kan het met behulp van verschillende methodes aan het gouderts onttrekken. Evenzo kan iemand die geestelijk gevorderd is begrijpen hoe het geestelijke deeltje in het lichaam bestaat, en weet hij door het ontwikkelen van transcendentale kennis tot volmaaktheid in het geestelijk leven te komen. Zoals iemand die niet terzake kundig is echter niet weet waar er goud te vinden is, zo kan ook iemand die geen geestelijke kennis ontwikkeld heeft niet begrijpen hoe de geestelijke ziel in het lichaam verblijft. (Vedabase)
De leraren van het voorbeeld spreken van acht soorten materiële energie [B.G. 7: 4] waarbij er sprake is van precies drie geaardheden en welgeteld zestien modificaties [bewustzijn, zinnen van waarnemen en handelen en de elementen, zie tevens 1.3: 1]; het is het individuele levende wezen, de persoon, die ze allen met elkaar verbindt.
De geestelijke ziel bevindt zich als waarnemer temidden van de acht afgescheiden materiële energieën van de Heer, de drie geaardheden der natuur en de zestien transformaties [de elf zinnen en de vijf grofstoffelijke elementen zoals aarde en water]. Daarom hebben alle grote âcârya's geconcludeerd dat de individuele ziel door deze materiële elementen geconditioneerd is. (Vedabase)
Het lichaam dat, zich rondbewegend en op zichzelf bestaand, enkel een combinatie is van hen allen tezamen is aldus van deze tweevoudigheid en in die aangelegenheid is het [het oorspronkelijke van] de persoon waar men naar uit moet zien met het zeggen van 'noch dit, noch dat' [neti neti], wat de manier is om het op te geven met wat niet de ziel is.
Iedere individuele ziel bezit twee lichamen - een grofstoffelijk lichaam bestaande uit vijf grofstoffelijke elementen, en een fijnstoffelijk lichaam bestaande uit drie fijnstoffelijke elementen. Binnenin deze lichamen bevindt zich echter de geestelijke ziel. Men moet de geestelijke ziel door analyse zien te vinden, door steeds te zeggen "Dit is het niet, en dit is het ook niet." Zo moet men geest van materie zien te onderscheiden. (Vedabase)
In contact met de materie en er los van staand zijn, als ze met de bedachtzaamheid met de ziel gezuiverd zijn door gerijpt onderscheid, alzo zij die het ernstig menen terughoudend met het analyseren van de schepping, de vernietiging en het behoud.
Verstandige en deskundige mensen dienen met gezuiverde geest een onderzoek in te stellen naar de geestelijke ziel door middel van een analytische studie van zowel het verband tussen de ziel en alles wat aan schepping, instandhouding en vernietiging onderworpen is, als het verschil tussen beide. (Vedabase)
Van de intelligentie zijn er de toestand van het waken, het dromen en de diepe slaap; Hij door wie deze verschillende modaliteiten worden waargenomen, Hij die los staat van alles, is de Oorspronkelijke Persoon der Transcendentie.
De intelligentie kan in drie toestanden worden waargenomen - in waken, dromen en diepe slaap. De persoon die deze drie toestanden waarneemt, moet beschouwd worden als de oorspronkelijke meester, degene die alles bestuurt, de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Men moet de uitgangspositie van de ziel begrijpen in het uit intelligentie [neti neti] weerleggen van de verdeeldheid voortkomend uit de uiteenlopende werking van de drie geaardheden der natuur, die zijn als geuren die worden meegevoerd door de lucht [zie tevens B.G. 3: 42].
Zoals men de aanwezigheid van lucht kan waarnemen door de geuren die hij met zich meedraagt, zo kan men, onder leiding van de Allerhoogste Godspersoon, de ziel waarnemen door middel van deze drie vormen van intelligentie. Deze zijn echter niet de ziel; ze worden gevormd door de drie geaardheden en komen voort uit activiteit. (Vedabase)
Deze oceaan van materie wortelend in onwetendheid die zonder een eigen betekenis is, is van het levende wezen de deur waarachter hij in beslag is genomen door de werkzame geaardheden der natuur, net zoals men gevangen is in een droom.
Door zijn vertroebelde verstand raakt men onderhevig aan de geaardheden der natuur en wordt zo door het materiële bestaan geconditioneerd. Net zoals een droomtoestand waarin men zogenaamd lijdt, moet ook het materiële bestaan, dat voortkomt uit onwetendheid, als ongewenst en tijdelijk worden beschouwd. (Vedabase)
Daarom uit de grond van je hart moeten jullie de zaden van al het karma van het geconditioneerd zijn door de geaardheden der natuur zien te verbranden, in de yoga het stopzetten realiserend van de stroom van het bewustzijn.
Daarom is het jullie plicht, o beste vrienden, zonen van de demonen, om het Krishna-bewustzijn te beoefenen, waardoor het zaad van baatzuchtig handelen, dat kunstmatig door de geaardheden der materiële natuur gecreëerd is, opgebrand kan worden en de stroom van de intelligentie in de toestanden van waken, dromen en diepe slaap onderbroken kan worden. Met andere woorden, als iemand zijn Krishna-bewustzijn ontwikkelt, wordt zijn onwetendheid onmiddellijk verdreven. (Vedabase)
Daartoe is van de duizenden processen dit hier, zoals geboden door het hoogste der toewijding [middels de Heer en de toegewijde] in relatie tot de Allerhoogste Beheerser, het ene proces dat, eenmaal gevolgd, de kalmte snel teweegbrengt [zie ook B.G. 18: 66, en de voetnoot].
Van de verschillende methoden die aanbevolen worden om uit de verstrikking van het materiële bestaan verlost te raken, moet die welke de Allerhoogste Godspersoon Zelf uiteenzet en aanbeveelt als de volkomen volmaakte beschouwd worden. Deze methode bestaat uit het vervullen van plichten waardoor onze liefde voor de Allerhoogste Heer ontluikt. (Vedabase)
Besteed op de goede manier met geloof en toewijding aandacht aan een goeroe, draag alles op wat je hebt verworven, wees van omgang met het heilige en het toegewijde en van aanbidding voor de Beheerser, sla acht op de lezingen van belang, zing over Zijn kwaliteiten en handelingen, mediteer op de voeten en leef de regels na met het oefenen van respect voor de beeltenissen.
Men moet een bonafide geestelijk leraar aanvaarden en hem met diep vertrouwen en grote toewijding dienen. Men dient alles wat men in zijn bezit heeft aan de geestelijk leraar te offeren en in het gezelschap van heilige personen en toegewijden de Heer te vereren, met vertrouwen naar beschrijvingen van Zijn heerlijkheid te luisteren, Zijn transcendentale eigenschappen en activiteiten te verheerlijken, altijd op Zijn lotusvoeten te mediteren en Zijn arcâ-vigraha gedaante strikt volgens de aanwijzingen van s'âstra en guru te aanbidden. (Vedabase)
Hari, de Allerhoogste Heer bevindt zich in alle levende wezens; het van de grootste achting zijn voor al die schepselen en voor wat hen beweegt maakt dat men de Allerhoogste Beheerser begrijpt.
Men dient altijd aan de Allerhoogste Godspersoon te denken in Zijn plaatselijke aspect als Paramâtmâ, die Zich diep in het hart van ieder levend wezen bevindt. Zo moet men ieder levend wezen eer betuigen overeenkomstig zijn positie. (Vedabase)
Aldus de zes symptomen [der sensuele zwakheid: lust, woede, begeerte, illusie, waanzin en jaloezie] eronder gekregen hebbend, levert men toegewijde dienst aan de Beheerser, Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, waarmee men de vrede en liefde verwerft.
Dankzij deze activiteiten [zoals hierboven aangegeven], is men in staat om de invloed van de vijanden genaamd lust, woede, hebzucht, illusie, waanzin en afgunst te bedwingen, en als men dit stadium bereikt heeft, kan men de Heer dienst bewijzen. Op deze wijze bereikt men zeker het niveau van liefdedienst aan de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Als men verneemt over de ongebruikelijke handelingen en macht van Zijn optreden en Zijn kwaliteiten zoals aan de dag gelegd in het spel en vermaak van Zijn verschillende verschijningen, zullen van de grote vreugde de haren overeind staan en zijn er tranen, een haperende stem en hardop, luidkeels zingen, roepen en dansen.
Wie het niveau van toegewijde dienst heeft bereikt, is zeker meester over zijn zintuigen en daarom een bevrijd mens. Als zo'n bevrijd mens, een zuivere toegewijde, hoort vertellen over de transcendentale eigenschappen en activiteiten van de incarnaties waarin de Heer verschijnt voor Zijn diverse vormen van spel en vermaak, gaat het haar op zijn lichaam rechtovereind staan, lopen er tranen uit zijn ogen en hapert zijn stem door de kracht van zijn geestelijke realisatie. Soms danst hij uitbundig of zingt hij zeer luid en soms huilt hij. Zo geeft hij uiting aan zijn transcendentale vreugde. (Vedabase)
Zoals wanneer men door een geest is bezeten, is er soms lachen, zijn er kreten, meditatieve stemmingen, respectbetoon jegens andere levende wezens, lang volgehouden zwaar ademen en zijn er uitingen in de trant van: 'O Heer, Meester van de Wereld, Nârâyana!'; aldus is men vrij van schaamte verzonken in gedachten over het Ware Zelf.
Soms wordt een toegewijde als een bezetene, en lacht hij en zingt hij met zeer luide stem over de eigenschappen van de Heer. Soms zet hij zich neer in meditatie en brengt hij zijn eerbetuigingen aan elk levend wezen, omdat hij iedereen als een toegewijde van de Heer beschouwt. Voortdurend zwaar ademend, laat hij alle sociale omgangsvormen varen en chant als een waanzinnige luid: "Hare Krishna, Hare Krishna! O mijn Heer, o meester van het universum!" (Vedabase)
Als men zo bezig is raakt men, aldus denkend in liefde over het uiteindelijke, bevrijd van alle obstakels op zijn weg en komt men naar lichaam en geest in harmonie; het o zo krachtige zaad van het verlangen is dan opgebrand door het beoefenen van de bhakti waardoor men de Ene Boven Alles bereikt. [**].
Dan is de toegewijde van alle materiële besmetting bevrijd, omdat hij voortdurend aan het spel en vermaak van de Heer denkt en zijn geest en lichaam vergeestelijkt zijn. Door zijn intense toegewijde dienst zijn zijn onwetendheid, materiële bewustzijn en alle mogelijke materiële verlangens volledig tot as verbrand. In dit stadium kan men zich de beschutting van de lotusvoeten van de Heer verwerven. (Vedabase)
Voortdurend in contact staand met Hem, Adhokshaja, wordt de besmette geest van een belichaamd wezen in deze wereld en de kringloop van zijn materiële bestaan een halt toegeroepen; zij die gevorderd zijn hebben weet van die geestelijke hemel van gelukzaligheid en daarom, uit het diepst van je hart, zing in toewijding voor de Ware Beheerser van je hart [zie tevens B.G. 18: 54].
Het werkelijke probleem van het leven is de herhaling van geboorte en dood, wat vergelijkbaar is met een steeds maar ronddraaiend wiel. Dit wiel komt echter volkomen tot stilstand als men in aanraking komt met de Allerhoogste Godspersoon. Met andere woorden, door de transcendentale gelukzaligheid die men ervaart door voortdurend toegewijde dienst te doen, raakt men volkomen uit het materiële bestaan bevrijd. Alle mensen met kennis weten dit. O beste vrienden, zonen van de asura's, begin daarom onmiddellijk met het mediteren op de Superziel die Zich in ieders hart bevindt, en bewijs Hem eer. (Vedabase)
En wat zou daarvan het probleem zijn, o asura zoons; wat zou in iemands eigen beoefenen van het altijd een plaats voor Hem in het hart hebben, met Hem altijd daar als de Ziel voor je ziel en de Onbegrensde Vriend, er nou helemaal de noodzaak van zijn om te voorzien in alles wat het zingenot zoal vereist [vergelijk 7.6: 19 en B.G. 9: 26]?
O vrienden, zonen der asura's, de Allerhoogste Godspersoon verblijft in Zijn aspect als Superziel altijd in het diepst van het hart van alle levende wezens. Ja, Hij is de weldoener en vriend van alle levende wezens, en het is niet moeilijk om Hem te vereren. Waarom zouden de mensen hem dan geen toegewijde dienst bewijzen? Waarom zijn ze zo overmatig gehecht aan het nodeloos vervaardigen van allerlei artikelen om hun zinnen mee te bevredigen? (Vedabase)
Weelde, vrouwen, je dieren, kinderen en dat alles, huizen, land, olifanten, een schatkist, al de luxe, al die economie en zinsbevrediging gaat voor hem wiens leven maar kort is, hij die onvermijdelijk komt te overlijden, in een ogenblik verloren; hoeveel plezier kan zo een tijdelijk iets nu brengen?
Iemands rijkdom, mooie vrouw en vriendinnen, zonen en dochters, huis, huisdieren zoals koeien, olifanten en paarden, zijn schatkist, materiële welstand en zinsbevrediging - ja, zelfs zijn leven waarin hij van al deze materiële rijkdom kan genieten - zijn beslist tijdelijk en onbestendig. Aangezien dit menselijk leven maar kortstondig is, wat voor baat kan een verstandig mens die zich van zijn eeuwige natuur bewust is geworden dan bij al deze materiële weelde hebben? (Vedabase)
Evenzo zijn de hogere bestemmingen die door grote offers worden bereikt, allen vergankelijk, hoeveel meer comfortabel ze ook mogen wezen; ze zijn niet vrij van verstoringen en daarom is Hij, van wie men nog nooit van enige fout of misser heeft gehoord, met de bhakti zoals uiteengezet, de Allerhoogste Heerser om te aanbidden voor de zelfverwerkelijking [zie ook B.G. 8: 16].
De vedische geschriften leren ons dat men door het brengen van grote vedische offers naar de hemelse planeten bevorderd kan worden. Hoewel het leven op de hemelse planeten honderdduizenden malen comfortabeler is dan dat op aarde, zijn de hemelse planeten niet zuiver [nirmalam] of vrij van de smetten van het materiële bestaan. De hemelse planeten zijn ook tijdelijk, en vormen daarom niet het doel van het leven. Daar staat tegenover dat men nog nooit heeft gezien of gehoord dat er enige onvolkomenheid is in de Allerhoogste Godspersoon. Daarom moeten jullie voor je eigen bestwil en ten bate van je zelfrealisatie de Heer met grote toewijding dienen, zoals in de geopenbaarde schriften beschreven staat. (Vedabase)
Van een materieel weten dat er is voor het doel van de vele activiteiten in deze wereld, denkt men van zichzelf dat men zeer hoog ontwikkeld is, maar keer op keer bestaat het onvermijdelijke resultaat van een mens die zo tewerk gaat eruit dat hij uitkomt op het tegenovergestelde.
Een materialistisch mens, die zichzelf als zeer intelligent beschouwt, is onophoudelijk bezig om zijn materiële situatie te verbeteren. Maar zoals de Veda's uitleggen, raakt hij keer op keer gefrustreerd door zijn materiële activiteiten, zowel in dit leven als in het volgende. Ja, de resultaten die hij bereikt zijn onvermijdelijk het tegenovergestelde van wat hij zich ten doel had gesteld. (Vedabase)
De vastbeslotenheid van de karmi [de persoon zwetend voor resultaten] om gelukkig te zijn, om hier bevrijd te raken van de ellende, is een ambitie die altijd leidt tot het ongeluk dat het [duurzame] geluk verhult dat volgt op het niet najagen van het geld.
Iedere materialist in deze materiële wereld handelt vanuit het verlangen om zijn geluk te vergroten en zijn verdriet te verminderen. Maar in werkelijkheid is men echter pas gelukkig als men niet naar geluk streeft; zodra men zich inspant om gelukkig te worden, begint men te lijden. (Vedabase)
De dingen die het leven gemakkelijk maken en waar men op zint in de geplande handelingen terwille waarvan het levend wezen de wereld betrad, resulteren inderdaad in het fysieke lijf dat men heeft, maar vergankelijk als het is, is het iemands vijand als men het wil laten voor wat het is als men de geest wenst te huldigen.
Een levend wezen wil graag lichamelijk comfort en maakt daar vele plannen voor, maar eigenlijk behoort het lichaam anderen toe. Ja, het vergankelijke lichaam omhelst het levend wezen om hem dan weer achter te laten. (Vedabase)
Wat valt daar nog aan toe te voegen; uiteindelijk is men gescheiden van de kinderen, de vrouw, het huis, de weelde en dat alles, het territorium, de vergaarde rijkdom, de olifant, de staatslieden en de bedienden en verwanten, die allen tezamen de zetel vormden van de eigenwaarde.
Aangezien het lichaam er uiteindelijk toe bestemd is om in uitwerpselen of aarde te veranderen, wat is dan de zin van alles wat in relatie tot het lichaam staat, zoals vrouwen, huizen, rijkdom, kinderen, verwanten, bedienden, vrienden, koninkrijken, schatkisten, dieren en ministers? Deze zijn ook tijdelijk. Wat valt er verder nog over te zeggen? (Vedabase)
Wat voor waarde heeft dit alles voor de ziel? Triviaal als ze zijn doen deze zaken zich met het vergankelijke lichaam voor als zijnde noodzakelijk, maar voor de oceaan vol van de nectar van het eeuwige geluk hebben ze geen nut.
Al deze zaken zijn heel dierbaar zolang het lichaam bestaat, maar zodra het lichaam vernietigd is, is alles in relatie tot het lichaam ook teneinde. Daarom heeft men eigenlijk niets met dit alles te maken, maar uit onwetendheid beschouwt men het als waardevol. Vergeleken met de oceaan van eeuwige gelukzaligheid is het allemaal zeer onbeduidend. Wat is het belang van zulke onbeduidende relaties voor het eeuwige levend wezen? (Vedabase)
Het moge duidelijk zijn dat al wat iemand in een materieel lichaam in deze wereld doet terwille van zijn persoonlijke voordeel, o asura zonen, beginnend met het zich verlustigen over de seks, met het tijdelijke leidt tot het zware lijden dat het resultaat is van de werklast van iemands karma.
Mijn beste vrienden, o zonen van de asura's, het levend wezen ontvangt in overeenstemming met zijn vroegere baatzuchtige activiteiten verschillende soorten lichamen. Zo ziet men dat hij vanaf het moment dat hij de moederschoot binnenkomt voortdurend lijdt overeenkomstig het specifieke lichaam dat hij gekregen heeft. Vertel me daarom alsjeblieft, na rijp beraad, wat voor belang het levend wezen eigenlijk heeft bij baatzuchtige activiteiten die resulteren in moeilijkheden en ellende? (Vedabase)
Het karma voor iemand die belichaamd is begint met het lichaam dat men verwierf als gevolg van de manier waarop men tewerk ging; als gevolg van dat karma verwerft men dan een volgend lichaam, en die herhaling heeft men dan inderdaad te danken aan de eigen onwetendheid.
Het levend wezen, dat zijn huidige lichaam ontvangen heeft door zijn baatzuchtige activiteiten in het verleden, kan in dit leven een eind maken aan de terugslagen van zijn handelingen, maar dat betekent nog niet dat hij niet meer aan stoffelijke lichamen gebonden is. Het levend wezen ontvangt een bepaald soort lichaam en door in dat lichaam te handelen, schept hij weer een ander. Door zijn grote onwetendheid verhuist hij daarom van het ene lichaam naar het andere in de kringloop van geboorte en dood. (Vedabase)
Daarom hangt al het reguleren van iemands inkomen en verlangen naar zinsbevrediging zowel als de religie die erbij komt kijken af van de verheerlijking van de Ziel die boven de ziel staat, de Heer der goddelijke onverschilligheid die de Beheerser is [van de Tijd en het karma].
De vier principes van geestelijke vooruitgang - dharma, artha, kâma en moksha - zijn allemaal afhankelijk van de welwillendheid van de Allerhoogste Godspersoon. Volg daarom, mijn beste vrienden, het voetspoor van de toegewijden. Stel je zonder enig verlangen te koesteren volledig afhankelijk van de welwillendheid van de Allerhoogste Heer, en vereer Hem, de Superziel, door het beoefenen van toegewijde dienst. (Vedabase)
Van alle levende wezens is Hij de Heer, de oerbron, Hij die de touwtjes in handen heeft, de Geliefde, die door Zijn verschillende energieën hen geschapen heeft in Zijn bestaan als de Individuele Ziel van alle individuele bestaansvormen tezamen.
De Allerhoogste Godspersoon, Hari, is de ziel en Superziel van alle levende wezens. Zowel de levende ziel als het materiële lichaam van het levend wezen is een manifestatie van Zijn energie. Daarom is de Heer de allerhoogste bestuurder en de meest dierbare. (Vedabase)
Of men nu een god of een duivel is, een mens of een geest, of een zanger van de hemel, met het leveren van dienst aan de voeten van Mukunda raken we allen gelijkelijk vervuld van al het Zijne!
Als een halfgod, demon, mens, Yaksha, Gandharva of wie dan ook in het universum, dienst bewijst aan de lotusvoeten van Mukunda, die bevrijding kan schenken, dan bevindt hij zich in de meest gunstige situatie die er bestaat, net als wij [de mahâjana's, met Prahlâda Mahârâja aan het hoofd]. (Vedabase)
Een perfecte brahmaan te zijn, een fijnbesnaarde godsbewuste persoon, of een heilige, o asura nazaten, zal niet afdoende zijn om Mukunda te behagen, en ook niet goed gedrag en veel geleerdheid. Noch volstaan liefdadigheid of verzakingen, aanbidding, reinheid of geloften; de Heer wordt tevredengesteld door ondubbelzinnige, toegewijde dienst, de rest is maar uiterlijk vertoon [zie ook B.G. 9: 30 en 1.2: 8].
Mijn beste vrienden, o zonen van de demonen, men kan de Allerhoogste Godspersoon niet tevredenstellen door volmaakte brâhmana's, halfgoden of grote heiligen te worden, noch door zich te vervolmaken op het gebied van goed gedrag of door een groot geleerde te worden. Niets van dit alles kan de Heer voldoening schenken, en liefdadigheid, boetedoeningen, offers, reinheid of geloften evenmin. De Heer is alleen tevreden als men onwankelbare, zuivere toewijding voor Hem heeft. Zonder oprechte toegewijde dienst is alles slechts uiterlijk vertoon. (Vedabase)
Hou je daarom in relatie tot Hari, de Opperheer, bezig met de bhakti o dânavâ zonen, daar Hij, alomtegenwoordig als de Ziel en Beheerser van alle levende wezens, gelijk je eigen zelf is.
Mijn beste vrienden, o zonen van de demonen, wijd je op dezelfde positieve manier waarop je jezelf ziet en voor jezelf zorgt, aan toegewijde dienst om de Allerhoogste Godspersoon tevreden te stellen, die als de Superziel van alle levende wezens alomtegenwoordig is. (Vedabase)
O Daitya's, de geesten en demonen, de vrouwen en de arbeiders, de koeherders, de vogels, de dieren en alle zondaren, kunnen zonder twijfel allen komen tot en deel uitmaken van de kwaliteiten van de Onfeilbare, van Acyuta [zie ook B.G. 4: 9].
O mijn vrienden, o demonenzonen, alle levende wezens met inbegrip van jullie zelf (de Yaksha's en Râkshasa's), de minder intelligente vrouwen, de s'ûdra's en koeherders, de vogels, de lagere dieren en de zondige levende wezens, kunnen hun oorspronkelijke eeuwige geestelijke bestaan terugvinden en voor altijd blijven leven door gewoon de principes van bhakti-yoga te volgen. (Vedabase)
Van het levend wezen in deze wereld beschouwt men het volgende als zijnde het ware, bovenzinnelijke eigenbelang: om op een ondubbelzinnige wijze Govinda van dienst te zijn [Hij als de zegen der koeien] die men in allen en alles herkent [zie ook bhajan 1 en 2].
Het enige doel in deze materiële wereld is om dienst te bewijzen aan de lotusvoeten van Govinda, de oorzaak van alle oorzaken, en Hem overal te zien. Dit, en niets anders, is het uiteindelijke zoel van het menselijke bestaan, zoals alle geopenbaarde schriften uiteenzetten. (Vedabase)
* Bij dit vers bestaat een ander belangwekkend vers uit de S'vetâs'vatara Upanishad 6.23:
yasya deve parâ bhaktir
yathâ deve tathâ gurau
tasyaite kathitâ hy arthâh
prakâs'ante mahâtmanah"Jegens die grote zielen die er een impliciet geloof op nahouden in zowel de Heer als de geestelijk leraar, wordt de gehele strekking van de Veda's automatisch onthuld. "
**: S'rîla Madhvâcârya schrijft als volgt:
tad-bhâva-bhâvah tad yathâ svarûpam bhaktih
kecid bhaktâ vinrityanti gâyanti ca yathepsitam
kecit tushnîm japanty eva kecit s'obhaya-kârinah'De extatische conditie van de toegewijde dienst werd in zijn geheel door S'rî Caitanya Mahâprabhu vertoond, die somtijds danste, soms huilde, dan weer zong, zich soms stil hield, en dan weer de heilige namen van de Heer zong. Dat is het volmaakt spiritueel bestaan.'
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd