regelbalk 


L
Canto 5

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

Hoofdstuk 8: De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij eens een bad had genomen in de grote Gandakî, zijn dagelijkse rituelen had verricht en zijn mantra's had gezongen, ging hij [Bharata] voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten. (2) O Koning, daar zag hij een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven. (3) Precies op het moment dat het met grote voldoening van het water dronk, rees van heel dichtbij het luide gebrul op van de koning der dieren die alle levende wezens zoveel schrik aanjaagt. (4) Met het horen van dat luide rumoer was de hinde, welke doorlopend schichtig om zich heen keek, zeer bevangen door de verstoring door de leeuw, en van streek met rusteloze ogen zonder dat ze afdoende haar dorst had weten te lessen, nam ze in angst verzet opeens een grote sprong over de rivier. (5) Omdat ze zwanger was, slipte door de angst en het krachtige opspringen, haar baby uit haar baarmoeder en viel het in het stromende water. (6) Door de miskraam van de angst en het springen, viel het zwarte hert, van de kudde gescheiden en geplaagd door uitputting ergens in een spelonk, waardoor het kwam te sterven. (7) Toen hij zag dat dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de golven, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het als een vriend mee naar zijn âs'rama. (8) Het als zijn eigen kind aannemend, het iedere dag te eten gevend, het beschermend, opvoedend en koesterend, raakte hij aan dit hertje zeer gehecht. Binnen enkele dagen was daadwerkelijk, met het opgeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en aanbidding van de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting in het ongerede. (9) 'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], is door de Heerser die het rad van de tijd beweegt, deze hier verstoken van zijn soort, zijn vrienden en verwanten en heeft het in het vinden van mij als zijn toevlucht, mij alleen als vader, moeder, broeder en soortgenoot behorend bij de kudde. Vanzelfsprekend stelt het, niemand anders hebbend, een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden; ik behoor niet weg te kijken maar moet inzien wat de fout is van het verwaarlozen van iemand die zijn toevlucht heeft genomen en daarnaar moet ik dan ook handelen. (10) Inderdaad is het zeker van het grootste belang dat de geciviliseerden, zij die van de heiligheid zijn, ook al zijn ze nog zo volkomen in hun verzaking, als vrienden van de hulpelozen de principes zijn toegedaan, zelfs als dat ten koste gaat van hun eigenbelang.'

(11) Zodoende gehecht geraakt zat hij, rustte hij, lag hij, liep hij, baadde hij en dergelijke, met het jonge dier en raakte hij in zijn hart volledig door de genegenheid in beslag genomen. (12) Als hij het bos inging voor bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten en wortels en water ging halen, nam hij, bedacht op wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (13) Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vervuld van liefde, het hier en daar op zijn schouders mee, gesteld als hij was op zo'n kleintje, en hield hij, aan dat alles het grootste genoegen belevend, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep. (14) Tijdens het gebed, was hij gewoon bij tijden op te staan hoewel hij nog helemaal niet klaar was, alleen maar om te zien hoe het met het hertenjong gesteld was en schonk het hem veel voldoening het al het beste toe te wensen met de woorden: 'O mijn lieve jong, moge er voor jou steeds het beste zijn'. (15) Soms was hij dermate bezorgd dat hij van streek raakte als een zielige, ellendige man die zijn rijkdom kwijt is; met een grote bezorgdheid van hart, aangedaan gescheiden van het hertenjong, bevond hij zich in een toestand waarin hij voortdurend enkel en alleen maar daaraan dacht en was hij er alzo zeker van te belanden in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (16) 'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren; het zal weer naar me terugkeren, geloof in mij stellend als zijnde een volmaakt zachtaardige persoon en als iemand van zijn eigen soort - het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n barbaar met een geest die maar niet wil deugen. (17) Zal ik het weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen in mijn ashram en het onder de hoede der goden weer van het gras zien eten? (18) Of zou het arme schepsel een van de vele wolven of honden tegen het lijf zijn gelopen, of een troep zwijnen of een ronddwalende tijger? (19) Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de vedische drievoud voor de voorspoed van allen, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (20) Zou dat prinselijke hertje van mij werkelijk weerom keren en genoegen schenken aan mij die de oefening der zeden eraan gaf; het was zo schattig om te zien - het te behagen zoals dat zijn soort past, verdreef alle ongeluk! (21) Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met toppen van hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (22) Als ik het verwenste omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had bevuild, stopte het meteen doodsbenauwd met spelen, precies zoals de zoon van een heilige dat doet, neerzittend in het volledige inperken van zijn zinnen. (23) Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel dat lijdt in verdoling! Voor mij wijzen ze me de weg om de weelde tot stand te brengen van haar landen die, van alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd in plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel! (24) Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen voor de angst van het jong voor het machtige roofdier, nu dit moederloze hertenkind beschermt dat wegdwaalde van haar beschuttende toevlucht? (25) Of mag hij, door zijn stralen, zo vredig en koel, uit liefde, uit zijn mond water sprenkelend zo goed als nectar, mijn hart, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich zo had overgegeven, vertroosten, daar het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand.'

(26) Op deze manier was hij, wiens hart bedroefd was met een geest die beruste op slecht karma, in de ban van de onmogelijkheid van het hebben van een zoon die er als een hertje uitzag en was hij van zijn yoga-oefeningen, van de boetedoening van de yoga en de toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer gevallen. Op welke manier kon hij, zo gehecht aan het lichaam van een andere soort, een hertenkalfje, rechtstreeks het levensdoel bereiken met een dergelijke hindernis - hij die voorheen de zoons geboren uit zijn hart had opgegeven, ookal was dat dan moeilijk op te brengen. Door dat obstakel van hem aldus gedwarsboomd in de beoefening van zijn yoga, was koning Bharata, alzo in beslag genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, zijn eigen ziel aan het verwaarlozen en zag hij dat met rasse schreden het onvermijdelijke van zijn tijd was aangebroken dat zich aandiende als een slang die een muizenholletje binnendringt. (27) Toen hij daarop deze wereld opgaf zag hij inderdaad aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje waarin zijn geest was verzonken; met zijn lichaam stervend met het hertje erbij aanwezig, verkreeg hij daarna het lichaam van een hert, maar tegen de verwachting zoals dat was met andere geboorten, was de heugenis aan wat voorheen had plaats gevonden met zijn sterven niet verloren gegaan. (28) In die wedergeboorte, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het gekregen hebben van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (29) 'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealiseerden gevallen, hoewel ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand volmaakt naar de ziel die zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en hoewel ik voortdurend luisterde naar en nadacht over Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, met het zingen, aanbidden en mij heugen verzonken, al mijn uren doorbrengend; mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest volledig verankerd in het eeuwige, maar alweer, gevallen in genegenheid voor een hertenjong, ben ik een grote dwaas verre van dat!'

(30) Aldus op deze manier in stilte verkerend voor zichzelf gaf [hij als] het hert ongemotiveerd de moeder op en keerde het van de berg Kâlañjara waar het was geboren, weer terug naar de plaats, naar de ashram van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leefden zo dierbaar is. (31) Op die plaats, etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij zijn tijd af in het eeuwige gezelschap van de Superziel en bestond hij, voortdurend bedacht op een slechte omgang, slechts in overweging van het einde van de oorzaak van zijn hertenlichaam, het lichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf.

 

next            

 
Tweede editie, geladen 15 januari, 2007.
 

 

 

Bronteksten:

De Geschiedenis van Bharata Mahârâja

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Toen hij eens een bad had genomen in de grote Gandakî, zijn dagelijkse rituelen had verricht en zijn mantra's had gezongen, ging hij [Bharata] voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, op een dag ging Mahârâja Bharata na het vervullen van zijn ochtendplichten [zich ontlasten, urineren en een bad nemen] een paar minuten aan de oever van de Gandakî zitten en begon zijn mantra te chanten, beginnend met omkâra. (Vedabase)

 

Tekst 2:

O Koning, daar zag hij een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven.

O koning, terwijl Bharata Mahârâja zo aan de oever van die rivier zat, kwam een zeer dorstige hinde daar water drinken. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Precies op het moment dat het met grote voldoening van het water dronk, rees van heel dichtbij het luide gebrul op van de koning der dieren die alle levende wezens zoveel schrik aanjaagt.

Terwijl de hinde naar hartelust aan het drinken was, liet niet ver daarvandaan een leeuw een luid gebrul horen. Dit geluid deed elk levend wezen opschrikken, en ook de hinde hoorde het. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Met het horen van dat luide rumoer was de hinde, welke doorlopend schichtig om zich heen keek, zeer bevangen door de verstoring door de leeuw, en van streek met rusteloze ogen zonder dat ze afdoende haar dorst had weten te lessen, nam ze in angst verzet opeens een grote sprong over de rivier.

De hinde was van nature altijd al bang om gedood te worden, en keek voortdurend schrikachtig om zich heen. Toen ze het oorverdovende gebrul van de leeuw hoorde, schrok ze geweldig. Schichtig alle kanten uitkijkend, nam ze, hoewel ze haar dorst nog niet volkomen gelest had, plotseling een grote sprong over de rivier. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Omdat ze zwanger was, slipte door de angst en het krachtige opspringen, haar baby uit haar baarmoeder en viel het in het stromende water.

De hinde was zwanger, en toen ze uit angst die grote sprong nam, gleed het babyhertje uit haar schoot en viel in de stromende rivier. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Door de miskraam van de angst en het springen, viel het zwarte hert, van de kudde gescheiden en geplaagd door uitputting ergens in een spelonk, waardoor het kwam te sterven.

Omdat de zwarte hinde gescheiden was van de kudde en bovendien haar jong verloren had, voelde ze zich na het oversteken van de rivier diep bedroefd. Ja, ze was er zo slecht aan toe dat ze in een grot neerviel en onmiddellijk stierf. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Toen hij zag dat dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de golven, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het als een vriend mee naar zijn âs'rama.

Toen de grote koning Bharata, die aan de oever van de rivier zat, zag hoe het moederloze hertje door de stroom van de rivier werd meegevoerd, werd hij overmand door medelijden. Als een oprechte vriend, tilde hij het jonge hertje uit de golven, en omdat hij wist dat het dier geen moeder meer had, nam hij hem mee naar zijn âs'rama. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Het als zijn eigen kind aannemend, het iedere dag te eten gevend, het beschermend, opvoedend en koesterend, raakte hij aan dit hertje zeer gehecht. Binnen enkele dagen was daadwerkelijk, met het opgeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en aanbidding van de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting in het ongerede.

Geleidelijk raakte Mahârâja Bharata steeds meer aan het hert gehecht. Hij begon hem groot te brengen en hield hem in leven door hem gras te voeren; bovendien beschermde hij hem altijd met grote zorg tegen eventuele aanvallen van tijgers en andere wilde dieren. Als het hertje jeuk had streelde hij hem, en zo probeerde hij er altijd voor te zorgen dat het diertje zich op zijn gemak voelde. Soms kuste hij hem zelfs als blijk van liefde. Doordat Mahârâja Bharata er zo aan gehecht was om voor het diertje te zorgen, verwaarloosde hij de regels en bepalingen voor het maken van geestelijke vooruitgang en dacht hij er zelfs niet meer aan om de Allerhoogste Godspersoon te vereren. Na slechts een paar dagen was hij zijn hele geestelijk leven vergeten. (Vedabase)

 

Tekst 9:

'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], is door de Heerser die het rad van de tijd beweegt, deze hier verstoken van zijn soort, zijn vrienden en verwanten en heeft het in het vinden van mij als zijn toevlucht, mij alleen als vader, moeder, broeder en soortgenoot behorend bij de kudde. Vanzelfsprekend stelt het, niemand anders hebbend, een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden; ik behoor niet weg te kijken maar moet inzien wat de fout is van het verwaarlozen van iemand die zijn toevlucht heeft genomen en daarnaar moet ik dan ook handelen.

De grote koning Mahârâja Bharata begon te denken: Ach, door de invloed van de tijd, die de vertegenwoordiger van de Allerhoogste Godspersoon is, heeft dit hulpeloze hertje nu zijn familieleden en vrienden verloren en zijn toevlucht bij mij gezocht. Hij heeft niemand behalve mij, aangezien ik zijn vader, moeder, broer en al zijn andere verwanten geworden ben. Zo denkt dit hert, en hij heeft volkomen vertrouwen in mij. Hij kent niemand anders dan mij; daarom moet ik niet afgunstig zijn of bang zijn dat er door dit hert afbreuk gedaan zal worden aan mijn eigen welzijn. Ik moet zonder meer voor hem zorgen, hem beschermen, zijn verlangens vervullen en hem liefkozen. Hoe zou ik hem kunnen verwaarlozen, nu hij zijn toevlucht gezocht heeft bij mij? Dit hert verstoort misschien mijn geestelijk leven, maar ik ben me er terdege van bewust dat als een hulpeloze persoon zijn toevlucht bij mij zoekt, ik hem niet mag negeren, want daarmee zou ik een grote fout begaan. (Vedabase)

 

Tekst 10

Inderdaad is het zeker van het grootste belang dat de geciviliseerden, zij die van de heiligheid zijn, ook al zijn ze nog zo volkomen in hun verzaking, als vrienden van de hulpelozen de principes zijn toegedaan, zelfs als dat ten koste gaat van hun eigenbelang.'

Zelfs iemand in de wereldverzakende levensorde zal beslist mededogen voelen voor een levend wezen in nood, als hij tenminste geestelijk gevorderd is. Men moet zonder meer zijn eigen belangen verwaarlozen, hoe gewichtig ze ook zijn, om iemand die om hulp vraagt bescherming te bieden. (Vedabase)

 

Tekst 11:

Zodoende gehecht geraakt zat hij, rustte hij, lag hij, liep hij, baadde hij en dergelijke, met het jonge dier en raakte hij in zijn hart volledig door de genegenheid in beslag genomen.

Uit gehechtheid aan het hert, legde Mahârâja Bharata zich naast hem ter ruste, nam hij hem mee uit wandelen of ging samen met hem baden en at hij zelfs met hem. Zo raakte zijn hart uit genegenheid aan het hert gebonden. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Als hij het bos inging voor bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten en wortels en water ging halen, nam hij, bedacht op wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee.

Als Mahârâja Bharata het woud in wilde gaan om kus'a-gras, bloemen, hout, bladeren, vruchten, wortels en water te halen, was hij bang dat wilde honden, jakhalzen, tijgers of andere wilde dieren het hert zouden doden. Daarom nam hij hem altijd met zich mee. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vervuld van liefde, het hier en daar op zijn schouders mee, gesteld als hij was op zo'n kleintje, en hield hij, aan dat alles het grootste genoegen belevend, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep.

Als Mahârâja Bharata zo door het woud liep, werd hij volkomen gefascineerd door het koddige gedrag van het jonge dier. Hij was zo aan het hertje gehecht, dat hij hem zelfs op zijn schouders nam en zo droeg. Ja, zijn hart was zo vervuld van liefde voor het hert, dat hij hem soms op schoot nam of op zijn borst liet liggen terwijl hij sliep. Hij schiep er groot genoegen in om hem zo te liefkozen. (Vedabase)
 
Tekst 14:

Tijdens het gebed, was hij gewoon bij tijden op te staan hoewel hij nog helemaal niet klaar was, alleen maar om te zien hoe het met het hertenjong gesteld was en schonk het hem veel voldoening het al het beste toe te wensen met de woorden: 'O mijn lieve jong, moge er voor jou steeds het beste zijn'.

Als Mahârâja Bharata volop bezig was met het vereren van de Heer of met een of andere rite, stond hij daar middenin herhaaldelijk op om te zien waar het hert was. Dan zocht hij hem, en als hij zag dat het dier alles had wat hij nodig had, voelde hij grote voldoening in zijn geest en hart, en zegende hem met de woorden: "Mijn lief hertje, moge je volkomen gelukkig zijn." (Vedabase)

 

Tekst 15:

Soms was hij dermate bezorgd dat hij van streek raakte als een zielige, ellendige man die zijn rijkdom kwijt is; met een grote bezorgdheid van hart, aangedaan gescheiden van het hertenjong, bevond hij zich in een toestand waarin hij voortdurend enkel en alleen maar daaraan dacht en was hij er alzo zeker van te belanden in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als:

Als het gebeurde dat Bharata Mahârâja het hert niet kon vinden, raakte hij enorm van streek. Hij was dan net als een gierigaard die wat rijkdom vergaard heeft, maar het daarna kwijtraakt en dan diep ongelukkig is. Als het hert weg was, werd hij dus zeer ongerust en leed hij onder het gemis van het dier. Ten prooi aan illusie, sprak hij dan als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 16:

'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren; het zal weer naar me terugkeren, geloof in mij stellend als zijnde een volmaakt zachtaardige persoon en als iemand van zijn eigen soort - het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n barbaar met een geest die maar niet wil deugen.

Bharata Mahârâja dacht: Ach, mijn hertje is nu hulpeloos. Ik ben zeer onfortuinlijk, en mijn geest is als een sluwe jager, want hij staat altijd klaar om te bedriegen en allerlei wreedheden te begaan. Het hert heeft al zijn vertrouwen in mij gesteld, net zoals een deugdzame man die van nature tot het goede geneigd is het wangedrag van zijn doortrapte vriend vergeet en hem zijn vertrouwen schenkt. Zal het hertje ondanks het feit dat ik bewezen heb dat ik onbetrouwbaar ben, toch weer bij me terugkomen en me zijn vertrouwen schenken? (Vedabase)

 

Tekst 17:

Zal ik het weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen in mijn ashram en het onder de hoede der goden weer van het gras zien eten?

Ach, zal ik dit dier ooit weer zien, dat nu uit angst voor tijgers en andere wilde dieren zijn toevlucht gezocht heeft bij de halfgoden? Zal ik hem ooit weer in de tuin zien dwalen en mals gras zien eten? (Vedabase)

 

Tekst 18:

Of zou het arme schepsel een van de vele wolven of honden tegen het lijf zijn gelopen, of een troep zwijnen of een ronddwalende tijger?

Wie weet is het hert wel verslonden door een wolf, een wilde hond, een kudde wilde zwijnen of een eenzame tijger? (Vedabase)

 

Tekst 19:

Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de vedische drievoud voor de voorspoed van allen, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd!

Helaas! Met het opkomen van de zon beginnen alle zegenrijke dingen, maar jammer genoeg geldt dit niet voor mij. De zonnegod is de Veda's in persoon, maar ik ben verstoken van alle vedische principes. Die zonnegod gaat nu onder, en het arme dier dat zijn vertrouwen in mij gesteld had nadat zijn moeder gestorven was, is nog steeds niet terug. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Zou dat prinselijke hertje van mij werkelijk weerom keren en genoegen schenken aan mij die de oefening der zeden eraan gaf; het was zo schattig om te zien - het te behagen zoals dat zijn soort past, verdreef alle ongeluk!

Mijn hertje is net een prinsje. Wanneer zal hij terugkomen? Wanneer zal hij weer ronddartelen zoals hij altijd deed, wat zo aangenaam was om naar te kijken? Wanneer zal hij mijn gewonde hart weer troosten? Ik heb vast geen tegoed meer van vrome daden, want anders was hij nu wel hier geweest. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met toppen van hoorntjes zo zacht als waterdruppels.

Ach, als we samen speelden, en het hertje zag dat ik net deed alsof ik met gesloten ogen zat te mediteren, werd hij uit liefde voor mij boos en begon in een cirkel om me heen te lopen. Dan raakte hij me angstig aan met de punten van zijn horens, die zo zacht waren als waterdruppels. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Als ik het verwenste omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had bevuild, stopte het meteen doodsbenauwd met spelen, precies zoals de zoon van een heilige dat doet, neerzittend in het volledige inperken van zijn zinnen.

Als ik de offer-ingrediënten op het kus'a-gras zette, maakte het hertje het gras soms onzuiver door het in zijn speelsheid met zijn tanden aan te raken, en als ik hem dan strafte door hem weg te duwen, werd hij meteen heel bang. Hij hield dan op met spelen en bleef volkomen bewegingloos zitten - net als de zoon van een heilige. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel dat lijdt in verdoling! Voor mij wijzen ze me de weg om de weelde tot stand te brengen van haar landen die, van alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd in plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel!

Na zo als een dolleman te hebben gesproken, stond Mahârâja Bharata op en ging naar buiten. Toen hij de hoefafdrukken van het hert in de grond zag, begon hij ze uit liefde te verheerlijken: O onfortuinlijke Bharata, je boetedoening en versterving zijn zeer onbeduidend vergeleken met die welke de aarde verricht heeft, want door haar zware boetedoening zijn de kleine, mooie, bijzonder zegenrijke en zachte hoefafdrukken van dit hert nu zichtbaar op het oppervlak van deze fortuinlijke planeet. Deze hoefafdrukken tonen iemand als ik, die diepbedroefd ben vanwege het verlies van het hert, waar het dier door het woud gelopen heeft en hoe ik mijn rijkdom terug kan vinden. Door deze hoefafdrukken is dit land een geschikte plaats geworden voor brâhmana's die naar de hemelse planeten willen gaan of bevrijding willen bereiken, en voor dat doel offers aan de halfgoden brengen. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen voor de angst van het jong voor het machtige roofdier, nu dit moederloze hertenkind beschermt dat wegdwaalde van haar beschuttende toevlucht?

Mahârâja Bharata ging door met spreken als een dolleman. Toen hij boven zijn hoofd de maan zag opkomen met zijn donkere vlekken, die aan het vel van een hert doen denken, zei hij: Zou de maan, die zo vriendelijk is voor een ongelukkige man, ook goed zijn voor mijn hert, wetende dat hij van huis is afgedwaald en moederloos geworden is? Deze maan heeft het hert bij zich in bescherming genomen om hem te behoeden voor de vreselijke aanval van een leeuw. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Of mag hij, door zijn stralen, zo vredig en koel, uit liefde, uit zijn mond water sprenkelend zo goed als nectar, mijn hart, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich zo had overgegeven, vertroosten, daar het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand.'

Toen Mahârâja Bharata de maneschijn zag, ging hij door met praten als een gek. Hij zei: De gehoorzame zoon van deze hinde was me zo dierbaar dat ik, nu hij weg is, hem mis als was hij mijn eigen zoon. Door de brandende koorts die ik door dit gemis voel, lijd ik alsof ik middenin een bosbrand sta. Mijn hart, dat als een lelie is, staat nu in brand. Me zo bedroefd ziend, overstroomt de maan me met de nectar van zijn stralen, net als iemand die water sprenkelt op een vriend die hoge koorts heeft. Op die manier maakt de maan me gelukkig. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Op deze manier was hij, wiens hart bedroefd was met een geest die beruste op slecht karma, in de ban van de onmogelijkheid van het hebben van een zoon die er als een hertje uitzag en was hij van zijn yoga-oefeningen, van de boetedoening van de yoga en de toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer gevallen. Op welke manier kon hij, zo gehecht aan het lichaam van een andere soort, een hertenkalfje, rechtstreeks het levensdoel bereiken met een dergelijke hindernis - hij die voorheen de zoons geboren uit zijn hart had opgegeven, ookal was dat dan moeilijk op te brengen. Door dat obstakel van hem aldus gedwarsboomd in de beoefening van zijn yoga, was koning Bharata, alzo in beslag genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, zijn eigen ziel aan het verwaarlozen en zag hij dat met rasse schreden het onvermijdelijke van zijn tijd was aangebroken dat zich aandiende als een slang die een muizenholletje binnendringt.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, op die manier werd Bharata Mahârâja overmand door een onbedwingbaar verlangen dat hem uiteindelijk het lichaam van een hert bezorgde. Door de resultaten van zijn baatzuchtige activiteiten gaf hij zijn mystieke yoga-oefeningen, ascese en verering van de Allerhoogste Godspersoon op. Dit was zonder meer allemaal het gevolg van de baatzuchtige activiteiten die hij in het verleden verricht had; want hoe had hij anders gehecht kunnen raken aan een hert nadat hij het contact met zijn eigen zoon en andere familieleden opgegeven had, omdat hij hun gezelschap als een struikelblok op de weg van het geestelijk leven beschouwde? Hoe anders kon hij zo'n onbedwingbare genegenheid voelen voor een hert? Dit was beslist het gevolg van zijn vroeger karma. De koning werd zo in beslag genomen door het verzorgen en het vertroetelen van het hert, dat hij zijn geestelijke praktijken opgaf. Totdat hij op een gegeven moment geconfronteerd werd met de onoverwinnelijke dood, die vergeleken wordt met een gifslang die het hol binnenglijdt dat gemaakt is door een muis. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Toen hij daarop deze wereld opgaf zag hij inderdaad aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje waarin zijn geest was verzonken; met zijn lichaam stervend met het hertje erbij aanwezig, verkreeg hij daarna het lichaam van een hert, maar tegen de verwachting zoals dat was met andere geboorten, was de heugenis aan wat voorheen had plaats gevonden met zijn sterven niet verloren gegaan.

Op het moment dat de koning stierf, zag hij dat het hert opeens naast hem zat, net als een zoon, en om zijn dood treurde. De geest van de koning was daardoor volkomen gericht op het lichaam van het hert, en als gevolg daarvan kreeg hij, toen hij - net als alle andere levende wezens die niet Krishna-bewust zijn - de wereld, het hert, en zijn materiële lichaam verliet, een hertelichaam. Hij had echter één voordeel: hoewel hij zijn menselijke lichaam kwijt was en dat van een hert kreeg, vergat hij niet wat er in zijn vorige leven was gebeurd. (Vedabase)

 

Tekst 28:

In die wedergeboorte, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het gekregen hebben van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol:

Hoewel Bharata Mahârâja zich in een hertelichaam bevond, kon hij dankzij het feit dat hij in zijn vorige leven zo strikt toegewijde dienst verricht had, heel goed begrijpen waarom hij in zo'n lichaam wedergeboren was. Zijn vorige en huidige lichaam beschouwend, had hij voortdurend berouw van zijn doen en laten. Hij sprak als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 29:

'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealiseerden gevallen, hoewel ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand volmaakt naar de ziel die zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en hoewel ik voortdurend luisterde naar en nadacht over Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, met het zingen, aanbidden en mij heugen verzonken, al mijn uren doorbrengend; mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest volledig verankerd in het eeuwige, maar alweer, gevallen in genegenheid voor een hertenjong, ben ik een grote dwaas verre van dat!'

In zijn hertelichaam begon Bharata Mahârâja te jammeren: Dwaas die ik ben geweest! Ik ben van het pad der zelfrealisatie afgeraakt! Ik had mijn zonen, vrouw en huis opgegeven om geestelijke vooruitgang te kunnen maken en me teruggetrokken op een eenzame, heilige plek in het woud. Daar slaagde ik erin om meester te worden over mijn zinnen en tot zelfrealisatie te komen, en was ik steeds bezig met toegewijde dienst, door over de Allerhoogste Godspersoon, Vâsudeva, te horen, aan Hem te denken, over Hem te chanten, Hem te vereren en me Hem te herinneren. Mijn inspanningen werden met succes bekroond, en zelfs zozeer, dat mijn geest altijd opging in toegewijde dienst. Door mijn eigen dwaasheid raakte mijn geest echter opnieuw gehecht - ditmaal aan een hert. Nu heb ik een hertelichaam gekregen, en bevind ik me verre van mijn devotionele praktijken. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Aldus op deze manier in stilte verkerend voor zichzelf gaf [hij als] het hert ongemotiveerd de moeder op en keerde het van de berg Kâlañjara waar het was geboren, weer terug naar de plaats, naar de ashram van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leefden zo dierbaar is.

Hoewel Bharata Mahârâja het lichaam van een hert had, raakte hij door zijn voortdurende berouw volkomen onthecht van al het materiële. Hij sprak hier met niemand over, maar hij verliet zijn hertemoeder en ging weg van de Kâlañjara-berg, de plaats waar hij geboren was, om terug te keren naar het S'âlagrâma-woud waar de âs'rama van Pulastya en Pulaha lag. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Op die plaats, etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij zijn tijd af in het eeuwige gezelschap van de Superziel en bestond hij, voortdurend bedacht op een slechte omgang, slechts in overweging van het einde van de oorzaak van zijn hertenlichaam, het lichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf.

Toen de grote koning Bharata Mahârâja in die âs'rama woonde, paste hij dit keer wel heel goed op dat hij niet weer het slachtoffer werd van verkeerd gezelschap. Hij vertelde niemand over zijn verleden en at alleen droge bladeren. Hij was echter niet werkelijk alleen, omdat hij het gezelschap van de Superziel had. Op die manier wachtte hij in zijn hertelichaam het moment van de dood af. Terwijl hij een bad nam in die heilige plaats, verliet hij uiteindelijk zijn lichaam. (Vedabase)

 

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Rasikananda dasa en het tweede en derde schilderij is van Dinabandhu dasa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties