regelbalk



 
L
Canto 5
S'rî S'rî S'ikshâshthaka
 


Hoofdstuk 8: De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging hij [Bharata], na een bad te hebben genomen in de grote Gandakî en zijn dagelijkse rituelen te hebben volbracht, een paar minuten aan de oever van de rivier zitten om de bovenzinnelijke lettergreep [AUM] te chanten. (2) O Koning, daar zag hij toen een eenzaam hert dat, dorstig, naar de rivier was gekomen. (3) Terwijl het gretig van het water dronk, weerklonk plots van dichtbij de luide brul van een leeuw die alle levende wezens schrik aanjaagt. (4) Toen de hinde dat harde geluid hoorde, schoot ze, schichtig om zich heenkijkend, direct, zonder dat ze haar dorst had weten te lessen, verschrikt, uit angst voor de leeuw, met een grote sprong over de rivier. (5) Vanwege de kracht van de sprong die ze in grote angst maakte, verloor ze, zwanger als ze was, haar baby die uit haar schoot gleed en in het water viel. (6) Uitgeput door de miskraam als gevolg van de angst en het springen, viel het zwarte hert, gescheiden van de kudde, ergens in een spelonk en stierf. (7) Toen hij zag dat het hertenjong, gescheiden van zijn moeder, hulpeloos wegdreef in de stroom, nam de wijze koning Bharata, die het als verweesd beschouwde, het genadig als een vriend mee naar zijn âs'rama. (8) Hij adopteerde het als zijn kind, gaf het iedere dag te eten, beschermde het, voedde het op en koesterde het, en zo raakte hij erg aan dit hertje gehecht. Binnen de kortste keren ging op die manier, met het hebben opgegeven van de persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en zijn gebeden voor de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting verloren. (9)  'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], raakte door de Heer die het rad van de tijd beweegt, dit schepsel verstoken van zijn familie, vrienden en verwanten. Het  heeft alleen maar mij als zijn toevlucht, als zijn vader, moeder, broer en lid van de kudde. Omdat het niemand anders heeft stelt het vanzelfsprekend een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden. Ik  moet dan ook toegeven dat het verkeerd is om iemand te verwaarlozen die je bescherming geniet en moet ernaar handelen zonder er spijt van te hebben. (10) Ongetwijfeld zullen alle achtenswaardige en deugdzame zielen, ook al zijn ze nog zo onthecht, hun hoogste eigenbelang nog aan de kant schuiven om, als vrienden van de armen, dat soort principes na te kunnen leven.'

(11) Met het jonge dier zittend, rustend, liggend, lopend, badend en zo meer, raakte zijn hart aldus gehecht geheel door genegenheid in beslag genomen. (12) Als hij het bos inging voor het verzamelen van bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten, wortels en water, nam hij, ongerust over wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (13) Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vol liefde, het zo nu en dan op zijn schouders mee, en hield hij, gesteld als hij was op het kleintje, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep en ontleende hij daar een groot genoegen aan. (14) Tijdens het gebed stond de keizer, ook al was hij nog niet klaar, soms op om te zien hoe het met het hertenjong ging, en was er dan gelukkig mee het te zegenen met de woorden: 'O mijn lieve jong, ik wens je al het beste toe.' (15) Soms was hij zo bezorgd als hij het hertenjong nergens zag, dat hij, met een hart vol zorgen, geëmotioneerd van streek raakte als een zielige, vrekkige man die zijn rijkdom kwijt is. Dan bevond hij zich in een toestand waarin hij de hele tijd nergens anders aan kon denken. Zo verkeerde hij dan in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (16) 'Ach! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren. Het zal wel weer naar me terugkeren en geloof in me stellen als zijnde een volkomen zachtaardig iemand van zijn eigen soort. Het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n kwaadwillige barbaar. (17) Zal ik dat schepsel onder de hoede van de goden weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen en gras zien eten in de tuin van mijn âs'rama? (18) Of zou het arme ding door een van de vele troepen wolven of honden zijn verslonden of anders door een eenzaam rondzwervende tijger? (19) Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de Heer van de drie Veda's die er is voor het heil van een ieder, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan, en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (20) Zal dat prinselijke hertje van mij nu echt terugkeren en mij plezier verschaffen, ik die zijn verschillende vrome oefeningen opgaf? Het was zo schattig om te zien. Het te behagen op een manier gepast voor zijn soort, verdreef alle ongeluk! (21) Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds nerveus uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met de toppen van zijn hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (22) Als ik het berispte omdat het de dingen op het kus'agras die waren klaargelegd voor het offeren had verontreinigd, hield het doodsbenauwd direct op met spelen en ging het zitten met het volkomen inperken van zijn zinnen, net zoals de zoon van een heilige dat zou doen. (23) Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook, kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo heel ongelukkige schepsel dat verdrietig is over wat het kwijtraakte! Voor mij wijzen ze de weg om de weelde te realiseren van het lichaam van haar landen die, aan alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd tot plaatsen om offers te brengen aan de goden en de brahmanen zo vol van verlangens op het pad naar de hemel! (24) Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan[god] die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen met het jong dat zijn moeder bevreesd voor het machtige roofdier verloor, nu dit hertenkind beschermt dat wegdwaalde van mijn beschuttende âs'rama? (25) Of zou de god van de maan uit liefde middels zijn stralen, die zo vredig en koel van zijn gezicht stromen als nectargelijk water, mijn hart vertroosten, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich als mijn zoon heeft overgegeven en die nu in het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand?'

(26) Met een hart bedroefd in een geest die berustte op wat hij had ondernomen in het verleden, verkeerde hij aldus in de ban van het onmogelijke verlangen een zoon te hebben die er als een hertje uitzag. Om die reden mislukte hij in zijn yoga-oefeningen, boetedoeningen en de toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer. Hoe kon hij, gehecht als hij was aan het lichaam van een andere levensvorm, aan het lichaam van een hertenkalfje, met zo'n hindernis nu zijn levensdoel bereiken? En dat terwijl hij voorheen zijn zoons, die hij met liefde op de wereld had gezet en die hij zo moeilijk kon opgeven, achter zich had gelaten. Koning Bharata die in beslag werd genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, en die door dat obstakel werd belemmerd in de beoefening van zijn yoga, verwaarloosde zo [het belang van] zijn ziel. Ondertussen naderde met schrikwekkend rasse schreden onvermijdelijk zijn tijd, alsof het een slang betrof die een muizenholletje binnendringt. (27) Op het moment dat hij deze wereld verliet, trof hij aan zijn zijde, treurend als zijn eigen zoon, het hertje aan waaraan hij steeds had gedacht. Met zijn lichaam stervend in de aanwezigheid van het hertje, kreeg hij daarna zelf het lichaam van een hert [zie ook B.G. 8: 6]. Toen hij na zijn dood een ander lichaam kreeg, ging [echter] de herinnering aan zijn vorige leven niet verloren. (28) In die wedergeboorte zich, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het hebben gekregen van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (29) 'Oh, wat een ellende! Ik ben van de levenswandel van de zelfgerealiseerden gevallen, ondanks dat ik mijn zoons en thuis had opgegeven en in afzondering leefde in een heilig woud als iemand die, volmaakt in overeenstemming met de ziel, zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens. Ondanks dat ik steeds luisterde naar en dacht aan Hem, de Allerhoogste Heer Vāsudeva en al mijn uren doorbracht verzonken in het zingen, aanbidden en mij heugen. Mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest die volledig verankerd is in het eeuwige, maar diep gevallen uit genegenheid voor een hertenjong, ben ik daarentegen weer een grote dwaas!'

(30) Aldus zich stilzwijgend afkerend van de wereld, gaf [hij als] het hert zijn hertenmoeder op en keerde hij van de berg Kâlañjara waar hij ter wereld kwam, weer terug naar de plaats waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden, de âs'rama van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leven zo dierbaar is. (31) In dat oord etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij in het eeuwige gezelschap van de Superziel zijn tijd af. Voortdurend wakend voor slecht gezelschap, leefde hij er alleen maar voor om een einde te maken aan de oorzaak van zijn hertenlichaam. Dat lichaam gaf hij uiteindelijk op, badend in het water van de heilige plaats.'

 

next                     

,
Derde herziene editie, geladen 20 maart 2018. 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging hij [Bharata], na een bad te hebben genomen in de grote Gandakî en zijn dagelijkse rituelen te hebben volbracht, een paar minuten aan de oever van de rivier zitten om de bovenzinnelijke lettergreep [AUM] te chanten. 
S'rî S'uka zei: 'Toen hij eens een bad had genomen in de grote Gandakî, zijn dagelijkse rituelen had verricht en zijn mantra's had gezongen, ging hij [Bharata] voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten. (Vedabase)

 

Tekst 2

O Koning, daar zag hij toen een eenzaam hert dat, dorstig, naar de rivier was gekomen.

O Koning, daar zag hij een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven. (Vedabase)

 

Tekst 3

Terwijl het gretig van het water dronk, weerklonk plots van dichtbij de luide brul van een leeuw die alle levende wezens schrik aanjaagt.

Precies op het moment dat het met grote voldoening van het water dronk, rees van heel dichtbij het luide gebrul op van de koning der dieren die alle levende wezens zoveel schrik aanjaagt. (Vedabase)

 

Tekst 4

Toen de hinde dat harde geluid hoorde, schoot ze, schichtig om zich heenkijkend, direct, zonder dat ze haar dorst had weten te lessen, verschrikt, uit angst voor de leeuw, met een grote sprong over de rivier.

Met het horen van dat luide rumoer was de hinde, welke doorlopend schichtig om zich heen keek, zeer bevangen door de verstoring door de leeuw, en van streek met rusteloze ogen zonder dat ze afdoende haar dorst had weten te lessen, nam ze in angst verzet opeens een grote sprong over de rivier. (Vedabase)

 

Tekst 5

Vanwege de kracht van de sprong die ze in grote angst maakte, verloor ze, zwanger als ze was, haar baby die uit haar schoot gleed en in het water viel.

Omdat ze zwanger was, slipte door de angst en het krachtige opspringen, haar baby uit haar baarmoeder en viel het in het stromende water. (Vedabase)


Tekst 6

Uitgeput door de miskraam als gevolg van de angst en het springen, viel het zwarte hert gescheiden van de kudde ergens in een spelonk en stierf.

Door de miskraam van de angst en het springen, viel het zwarte hert, van de kudde gescheiden en geplaagd door uitputting ergens in een spelonk, waardoor het kwam te sterven. (Vedabase)

 

Tekst 7

Toen hij zag dat het hertenjong, gescheiden van zijn moeder, hulpeloos wegdreef in de stroom, nam de wijze koning Bharata, die het als verweesd beschouwde, het genadig als een vriend mee naar zijn âs'rama.

Toen hij zag dat dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de golven, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het als een vriend mee naar zijn âs'rama. (Vedabase)


Tekst 8

Hij adopteerde het als zijn kind, gaf het iedere dag te eten, beschermde het, voedde het op en koesterde het, en zo raakte hij erg aan dit hertje gehecht. Binnen de kortste keren ging op die manier, met het hebben opgegeven van de persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en zijn gebeden voor de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting verloren.
Het als zijn eigen kind aannemend, het iedere dag te eten gevend, het beschermend, opvoedend en koesterend, raakte hij aan dit hertje zeer gehecht. Binnen enkele dagen was daadwerkelijk, met het opgeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en aanbidding van de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting in het ongerede. (Vedabase)

 

Tekst 9

'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], raakte door de Heer die het rad van de tijd beweegt, dit schepsel verstoken van zijn familie, vrienden en verwanten. Het  heeft alleen maar mij als zijn toevlucht, als zijn vader, moeder, broer en lid van de kudde. Omdat het niemand anders heeft stelt het vanzelfsprekend een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden. Ik  moet dan ook toegeven dat het verkeerd is om iemand te verwaarlozen die je bescherming geniet en moet ernaar handelen zonder er spijt van te hebben.

'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], is door de Heerser die het rad van de tijd beweegt, deze hier verstoken van zijn soort, zijn vrienden en verwanten en heeft het in het vinden van mij als zijn toevlucht, mij alleen als vader, moeder, broeder en soortgenoot behorend bij de kudde. Vanzelfsprekend stelt het, niemand anders hebbend, een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden; ik behoor niet weg te kijken maar moet inzien wat de fout is van het verwaarlozen van iemand die zijn toevlucht heeft genomen en daarnaar moet ik dan ook handelen. (Vedabase)

 

Tekst 10

Ongetwijfeld zullen alle achtenswaardige en deugdzame zielen, ook al zijn ze nog zo onthecht, hun hoogste eigenbelang nog aan de kant schuiven om, als vrienden van de armen, dat soort principes na kunnen te leven.'

Inderdaad is het zeker van het grootste belang dat de geciviliseerden, zij die van de heiligheid zijn, ook al zijn ze nog zo volkomen in hun verzaking, als vrienden van de hulpelozen de principes zijn toegedaan, zelfs als dat ten koste gaat van hun eigenbelang.' (Vedabase)


Tekst 11

Met het jonge dier zittend, rustend, liggend, lopend, badend en zo meer, raakte zijn hart aldus gehecht geheel door genegenheid in beslag genomen.

Zodoende gehecht geraakt zat hij, rustte hij, lag hij, liep hij, baadde hij en dergelijke, met het jonge dier en raakte hij in zijn hart volledig door de genegenheid in beslag genomen. (Vedabase)

 

Tekst 12

Als hij het bos inging voor het verzamelen van bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten, wortels en water, nam hij, ongerust over wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee.

Als hij het bos inging voor bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten en wortels en water ging halen, nam hij, bedacht op wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (Vedabase)

 

Tekst 13

Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vol liefde, het zo nu en dan op zijn schouders mee, en hield hij, gesteld als hij was op het kleintje, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep en ontleende hij daar een groot genoegen aan.

Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vervuld van liefde, het hier en daar op zijn schouders mee, gesteld als hij was op zo'n kleintje, en hield hij, aan dat alles het grootste genoegen belevend, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep. (Vedabase)
 
Tekst 14

Tijdens het gebed stond de keizer, ook al was hij nog niet klaar, soms op om te zien hoe het met het hertenjong ging, en was er dan gelukkig mee het te zegenen met de woorden: 'O mijn lieve jong, ik wens je al het beste toe.'

Tijdens het gebed, was hij gewoon bij tijden op te staan hoewel hij nog helemaal niet klaar was, alleen maar om te zien hoe het met het hertenjong gesteld was en schonk het hem veel voldoening het al het beste toe te wensen met de woorden: 'O mijn lieve jong, moge er voor jou steeds het beste zijn'. (Vedabase)

 

Tekst 15

Soms was hij zo bezorgd als hij het hertenjong nergens zag, dat hij, met een hart vol zorgen, geëmotioneerd van streek raakte als een zielige, vrekkige man die zijn rijkdom kwijt is. Dan bevond hij zich in een toestand waarin hij de hele tijd nergens anders aan kon denken. Zo verkeerde hij dan in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als:

Soms was hij dermate bezorgd dat hij van streek raakte als een zielige, ellendige man die zijn rijkdom kwijt is; met een grote bezorgdheid van hart, aangedaan gescheiden van het hertenjong, bevond hij zich in een toestand waarin hij voortdurend enkel en alleen maar daaraan dacht en was hij er alzo zeker van te belanden in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (Vedabase)

 

Tekst 16

'Ach! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren. Het zal wel weer naar me terugkeren en geloof in me stellen als zijnde een volkomen zachtaardig iemand van zijn eigen soort. Het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n kwaadwillige barbaar.

'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren; het zal weer naar me terugkeren, geloof in mij stellend als zijnde een volmaakt zachtaardige persoon en als iemand van zijn eigen soort - het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n barbaar met een geest die maar niet wil deugen. (Vedabase)

 

Tekst 17

Zal ik dat schepsel onder de hoede van de goden weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen en gras zien eten in de tuin van mijn âs'rama?

 Zal ik het weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen in mijn ashram en het onder de hoede der goden weer van het gras zien eten? (Vedabase)

 

Tekst 18

Of zou het arme ding door een van de vele troepen wolven of honden zijn verslonden of anders door een eenzaam rondzwervende tijger?

Of zou het arme schepsel een van de vele wolven of honden tegen het lijf zijn gelopen, of een troep zwijnen of een ronddwalende tijger? (Vedabase)

 

Tekst 19

Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de Heer van de drie Veda's die er is voor het heil van een ieder, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan, en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd!

Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de vedische drievoud voor de voorspoed van allen, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (Vedabase)

 

Tekst 20

Zal dat prinselijke hertje van mij nu echt terugkeren en mij plezier verschaffen, ik die zijn verschillende vrome oefeningen opgaf? Het was zo schattig om te zien. Het te behagen op een manier gepast voor zijn soort, verdreef alle ongeluk!

Zou dat prinselijke hertje van mij werkelijk weerom keren en genoegen schenken aan mij die de oefening der zeden eraan gaf; het was zo schattig om te zien - het te behagen zoals dat zijn soort past, verdreef alle ongeluk! (Vedabase)

 

Tekst 21

Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds nerveus uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met de toppen van zijn hoorntjes zo zacht als waterdruppels.

Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met toppen van hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (Vedabase)

 

Tekst 22

Als ik het berispte omdat het de dingen op het kus'agras die waren klaargelegd voor het offeren had verontreinigd, hield het doodsbenauwd direct op met spelen en ging het zitten met het volkomen inperken van zijn zinnen, net zoals de zoon van een heilige dat zou doen.

Als ik het verwenste omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had bevuild, stopte het meteen doodsbenauwd met spelen, precies zoals de zoon van een heilige dat doet, neerzittend in het volledige inperken van zijn zinnen. (Vedabase)

 

Tekst 23

Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook, kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo heel ongelukkige schepsel dat verdrietig is over wat het kwijtraakte! Voor mij wijzen ze de weg om de weelde te realiseren van het lichaam van haar landen die, aan alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd tot plaatsen om offers te brengen aan de goden en de brahmanen zo vol van verlangens op het pad naar de hemel!

Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel dat lijdt in verdoling! Voor mij wijzen ze me de weg om de weelde tot stand te brengen van haar landen die, van alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd in plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel! (Vedabase)

 

Tekst 24

Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan[god] die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen met het jong dat zijn moeder bevreesd voor het machtige roofdier verloor, nu dit hertenkind beschermt dat wegdwaalde van mijn beschuttende âs'rama?

Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen voor de angst van het jong voor het machtige roofdier, nu dit moederloze hertenkind beschermt dat wegdwaalde van haar beschuttende toevlucht? (Vedabase)

 

Tekst 25

Of zou de god van de maan uit liefde middels zijn stralen, die zo vredig en koel van zijn gezicht stromen als nectargelijk water, mijn hart vertroosten, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich als mijn zoon heeft overgegeven en die nu in het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand?'

Of mag hij, door zijn stralen, zo vredig en koel, uit liefde, uit zijn mond water sprenkelend zo goed als nectar, mijn hart, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich zo had overgegeven, vertroosten, daar het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand.' (Vedabase)


Tekst 26

Met een hart bedroefd in een geest die berustte op wat hij had ondernomen in het verleden, verkeerde hij aldus in de ban van het onmogelijke verlangen een zoon te hebben die er als een hertje uitzag. Om die reden mislukte hij in zijn yoga-oefeningen, boetedoeningen en de toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer. Hoe kon hij, gehecht als hij was aan het lichaam van een andere levensvorm, aan het lichaam van een hertenkalfje, met zo'n hindernis nu zijn levensdoel bereiken? En dat terwijl hij voorheen zijn zoons, die hij met liefde op de wereld had gezet en die hij zo moeilijk kon opgeven, achter zich had gelaten. Koning Bharata die in beslag werd genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, en die door dat obstakel werd belemmerd in de beoefening van zijn yoga, verwaarloosde zo [het belang van] zijn ziel. Ondertussen naderde met schrikwekkend rasse schreden onvermijdelijk zijn tijd, alsof het een slang betrof die een muizenholletje binnendringt.

Op deze manier was hij, wiens hart bedroefd was met een geest die beruste op slecht karma, in de ban van de onmogelijkheid van het hebben van een zoon die er als een hertje uitzag en was hij van zijn yoga-oefeningen, van de boetedoening van de yoga en de toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer gevallen. Op welke manier kon hij, zo gehecht aan het lichaam van een andere soort, een hertenkalfje, rechtstreeks het levensdoel bereiken met een dergelijke hindernis - hij die voorheen de zoons geboren uit zijn hart had opgegeven, ookal was dat dan moeilijk op te brengen. Door dat obstakel van hem aldus gedwarsboomd in de beoefening van zijn yoga, was koning Bharata, alzo in beslag genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, zijn eigen ziel aan het verwaarlozen en zag hij dat met rasse schreden het onvermijdelijke van zijn tijd was aangebroken dat zich aandiende als een slang die een muizenholletje binnendringt. (Vedabase)

 

Tekst 27

Op het moment dat hij deze wereld verliet, trof hij aan zijn zijde, treurend als zijn eigen zoon, het hertje aan waaraan hij steeds had gedacht. Met zijn lichaam stervend in de aanwezigheid van het hertje, kreeg hij daarna zelf het lichaam van een hert [zie ook B.G. 8: 6]. Toen hij na zijn dood een ander lichaam kreeg, ging [echter] de herinnering aan zijn vorige leven niet verloren.

Toen hij daarop deze wereld opgaf zag hij inderdaad aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje waarin zijn geest was verzonken; met zijn lichaam stervend met het hertje erbij aanwezig, verkreeg hij daarna het lichaam van een hert, maar tegen de verwachting zoals dat was met andere geboorten, was de heugenis aan wat voorheen had plaats gevonden met zijn sterven niet verloren gegaan. (Vedabase)

 

Tekst 28

In die wedergeboorte zich, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het hebben gekregen van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol:

In die wedergeboorte, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het gekregen hebben van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (Vedabase)

 

Tekst 29

'Oh, wat een ellende! Ik ben van de levenswandel van de zelfgerealiseerden gevallen, ondanks dat ik mijn zoons en thuis had opgegeven en in afzondering leefde in een heilig woud als iemand die, volmaakt in overeenstemming met de ziel, zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens. Ondanks dat ik steeds luisterde naar en dacht aan Hem, de Allerhoogste Heer Vāsudeva en al mijn uren doorbracht verzonken in het zingen, aanbidden en mij heugen. Mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest die volledig verankerd is in het eeuwige, maar diep gevallen uit genegenheid voor een hertenjong, ben ik daarentegen weer een grote dwaas!'

'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealiseerden gevallen, hoewel ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand volmaakt naar de ziel die zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en hoewel ik voortdurend luisterde naar en nadacht over Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, met het zingen, aanbidden en mij heugen verzonken, al mijn uren doorbrengend; mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest volledig verankerd in het eeuwige, maar alweer, gevallen in genegenheid voor een hertenjong, ben ik een grote dwaas verre van dat!' (Vedabase)

 

Tekst 30

Aldus zich stilzwijgend afkerend van de wereld, gaf [hij als] het hert zijn hertenmoeder op en keerde hij van de berg Kâlañjara waar hij ter wereld kwam, weer terug naar de plaats waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden, de âs'rama van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leven zo dierbaar is.

Aldus op deze manier in stilte verkerend voor zichzelf gaf [hij als] het hert ongemotiveerd de moeder op en keerde hij van de berg Kâlan'jara waar hij was geboren, weer terug naar de plaats, naar de ashram van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leefden zo dierbaar is.  (Vedabase)

 

Tekst 31

In dat oord etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij in het eeuwige gezelschap van de Superziel zijn tijd af. Voortdurend wakend voor slecht gezelschap, leefde hij er alleen maar voor om een einde te maken aan de oorzaak van zijn hertenlichaam. Dat lichaam gaf hij uiteindelijk op, badend in het water van de heilige plaats.'

Op die plaats, etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij zijn tijd af in het eeuwige gezelschap van de Superziel en bestond hij, voortdurend bedacht op een slechte omgang, slechts in overweging van het einde van de oorzaak van zijn hertenlichaam, het lichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf. (Vedabase)


 
 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding van herten in een bos als de liefde van Bharata,
is een detail van een schilderij van Kailash Raj getiteld: 'Ragini Todi'
Het is © van exoticindianart.com, gebruikt met toestemming.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties