regelbalk


 

Canto 5

Dâlâlera Gîtâ

 

Hoofdstuk 24: De Lagere Werelden

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo is daar ook hij [de maan] die voor de zon schuift [en dan 'Râhu' wordt genoemd] die net als de zon voorbij komt en waarvan sommige geleerden zeggen dat hij, talloze yojana's ['tienduizend'] beneden de zon, voor de tijd van leven van de halfgoden een positie bekleed als een leidende planeet. Over de geboorte en handelingen van de laagste der onwetenden, de zoon van Simhikâ, die persoonlijk de genade verwierf van de Allerhoogste Heer, maar inderdaad niet gekwalificeerd is voor de positie [van leider over deze 'planeet'], zal ik later uitleg verschaffen. (2) Ze schatten in dat de zon tienduizend yojana's breed is, dat de maan twintigduizend yojana's bemeet en dat Râhu dertigduizend yojana's groot is [vergelijk 5.21: 15] en dat hij bij gelegenheid, met kwade bedoelingen de invloed van de zon- en de maangod verdringend, de stralen van het maan- en het zonlicht blokkeert. (3) De Allerhoogste Heer die er is voor beider bescherming gaat te werk met de allerhoogste aanwezigheid van het wiel van de tijd [de Sudars'ana Cakra] dat men acht als het meest gekoesterde, toegewijde en geliefde wapen dat door zijn macht en ondraaglijke hitte er voor zorgt dat Râhu, met zijn bange geest en bevreesde hart, van die positie wegvlucht waarin hij voor bijna een uur tijds aanwezig is en waarvan de mensen aldus spreken van een zonsverduistering.

(4) Op een even zo grote afstand bevinden zich daar beneden [vergelijk 5.22: 8] de woonplaatsen van de volmaakten, de vererenswaardigen van de Veda en zij die zich baseren op kennis [de Siddha's, Cârana's en Vidyâdhara's]. (5) In een lagere positie zijn er de plaatsen van zinsbevrediging van de gekken, de bezetenen, de duivelse en soortgelijke types [de Yaksha's, Râkshasa's en Pis'âca's], die zich uitstrekken zover als de wind de wolken wegblaast die men kan zien in de atmosfeer. (6) Onder die atmosfeer die een honderdtal yojana's dik is en dus zo hoog reikt als zwanen, gieren, adelaars en andere vogels van formaat kunnen vliegen, is er daar deze aarde [naar moderne metingen reikt de normale, uniforme atmosfeer tot zo'n 80 km boven de aarde].

(7) Zoals voorheen gezegd [zie 2.1: 26-27] bestaat er voor de planeet aarde, overeenkomstig de schikking van haar verschillende gebieden, een lager bereik van zeven andere sferen van haar lengte en breedte, die de één na de ander zijn gerangschikt met onderliggende afstanden van talloze [meer overdrachtelijke] yojana's. (8) In deze werelden die voorzeker hol zijn ten opzichte van de hemelse werelden bestaat er zelfs een grotere lustervaring en vervoering in weelde; onder de invloed van de dingen der welvaart bieden hun huizen en tuinen de demonen, geesten en slangen der zinsbevrediging beter de gelegenheid. Immer oververheugd uit gehechtheid aan de vrouwen, kinderen, familie, vrienden en volgelingen, zijn de hoofden van de huishoudens, levend in een denkbeeldige hemel, zelfs beter dan zij die van beheersing zijn, de goddelijken, in staat tot een ongehinderde bevrediging van hun verlangens. (9) Aldaar, mijn beste Koning, zijn door Maya [de asura architect van de daitya's] met een ongelovige bedrieglijkheid en een schat aan rijke versieringen, ommuurde steden met poorten gebouwd, welke prima gebouwde prachtige huizen hebben, kantoren, evenementenhallen, scholen en publieke voorzieningen. De land bezittende leiders van dat uiterlijk vertoon daar bewonen de beste huizen die helder glanzen van de sier en die bevolkt zijn door slangengelijke, goddeloze mensen en paartjes duiven, papegaaien en beo's. (10) De tuinen en parken oefenen een grote aantrekkingskracht uit op de geest en de zinnen, genoegen verschaffend met hun massa's bloemen en vruchten waarvan de door klimplanten omhelsde takken van de bomen fraai in aantrekking zwaar naar beneden doorbuigen. Door de pracht van de schakering aan vogels die in paren de vijvers bezoeken vol van sprankelend helder water onrustig van de opspringende vissen, door de lotusbloemen in die wateren, de lelies, de kuvalaya en kahlâra bloemen, de blauwe en rode lotussen en de grootsten van hen met duizenden kelkblaadjes, en door de ononderbroken vreugde van de vele soorten van lieflijk zingende vogels die hun nesten in de bossen bouwden wordt, de schoonheid van de woonplaatsen van de goddelijken overtreffend, het zingenot uitgelokt. (11) Voorzeker maakt men zich er daar geen zorgen over hoe men de tijd indeelt naar de werking van de dag en de nacht. (12) Alle duisternis wordt er verdreven door inderdaad de meest uitgelezen edelstenen op de uitstaande kragen van het grote serpent. (13) Noch maken degenen die daar verblijven, etend, drinkend en zich badend in een hemel aan kruiden, sappen en elixers, zich zorgen over ziekten, geestelijke moeilijkheden, op leeftijd zijn, het hebben van rimpels, grijs haar, etc., of over de ellende van het inboeten aan levenskracht met een afnemende luister, slecht ruikend zweet, vermoeidheid of een gebrek aan energie. (14) Op geen enkele manier is wie ook van de deugdzamen, of zelfs maar de dood zelf, ertoe in staat hen te beïnvloeden, behalve natuurlijk het wapen van de Heer: Zijn machtige wiel van de Tijd. (15) Het is vrijwel altijd uit vrees voor de Heer Zijn cakra-orde dat de echtgenotes van de goddelozen hun foetussen verliezen in miskramen.

(16) Nu dan, in de wereld Atala verblijft Bala de goddeloze zoon van Maya en door hem inderdaad worden de negenenzestig soorten van illusie gepropageerd waarvan sommige karakters handig met het illusoire zelfs vandaag nog gebruik maken. Ook werden uit zijn gapende mond de svairinî [klassegetrouwe], kâminî [lustig klasse-ontrouwe] en pums'calî [promiscue] vrouwen gegenereerd die, aldus zo zeker de lagere werelden binnengeleid, voor hun persoonlijke genoegen met oogwenken, glimlachen, praatjes en omhelzingen, de mannen in de stemming brengen om zich naar hun eigen zin uit te leven in sexueel plezier met behulp van een kruid genaamd hâthaka [cannabis indica]. Het wordt gezegd dat een man onder de invloed ervan over zichzelf vol van trots en verbeelding denkt als 'Ik ben de heerser' en 'Ik ben zo sterk als duizend olifanten'.

(17) Daaronder te Vitala, omringd door zijn spookachtige metgezellen, verblijft de meester van het goud, Heer S'iva met zijn vrouw Bhavânî in sexuele vereniging ten einde de bevolking van de schepping van de stamvader te doen toenemen. Van die wereld gaat aldus van de sappen van die vereniging de grote rivier genaamd de Hâthakî uit, waarvan de vuurgod, door de wind helder en zeer krachtig aangewakkerd, ervan drinkend, sissend het goud genaamd Hâthaka uitspuwt, dat er is voor de sieraden die worden gedragen door de mannen en de vrouwen van de huizen van de grote asura's.

(18) Daaronder die wereld is er op Sutala de zeer gevierde, hoogst zedige en spiritueel gevorderde zoon van Virocana, Bali Mahârâja. Ernaar verlangend de welvaart van koning Indra te realiseren, nam de Allerhoogste Heer van Aditi een lichaam aan, verschijnend in de gedaante van een vâmana, een dwerg. Het was dankzij de grondeloze genade van de Allerhoogste Heer die hem de drie werelden ontfutselde, dat hij zelfs vandaag de dag nog, zeker in de aanbidding door zijn eigen religieuze plicht, onbevreesd blijft jegens de meest vererenswaardige Allerhoogste Persoonlijkheid; hij werd gezegend met het goede geluk van het herwinnen van een zelfs voor de goden van Indra's hemel onvergelijkelijke weelde. (19) Dit was waarlijk niet het rechtstreeks gevolg van het schenken van landerijen; dat wat werd gegeven met het grootste respect, een aandachtige geest en met geloof, in het benaderen van de hoogst geplaatste, de allerhoogste Heer die de meest waardige ontvanger is en de beste offerplaats, het leven en de ziel en hoogste regulator de Heer Vâsudeva van de talloze levensvormen, was rechtstreeks de toegangspoort welke verlossing gaf naar de weelde van de lagere nabootsing der hemel. (20) Hij, van wie een persoon, hulpeloos in uithongering, neergevallen of struikelend en dergelijke, slechts één enkele keer de heilige naam beoefent, wast iemand de gebondenheid van het karma weg, dat anderszins voor personen die verlossing trachten te vinden zo zeer een onvermijdelijk groot struikelblok is. (21) Van al de grote toegewijden en de zelfgerealiseerden van het ware zelf die zichzelf zonder voorbehoud geven, is Hij die Allerhoogste Ziel, het Paramâtmâ. (22) Het is naar waarheid niet vanwege de materiële weelde die aldus zich zeker ontvouwt, dat de Allerhoogste Persoonlijkheid speciaal hem wederom Zijn gunst toonde, daar het beroofd zijn van de heugenis van de ziel een kenmerk is van het in illusie verkeren met de materie, mâyâ. (23) Naar aanleiding van dat wat gedaan werd door de Allerhoogste Heer die langs geen andere weg kan worden waargenomen, namelijk het wegnemen van de drie werelden met behulp van de truuk van het bedelen [om drie stappen land] zodat hem niets bleef behalve zijn eigen lichaam - dat toen volledig met de touwen van Varuna werd gebonden en vastgehouden werd in een berggrot - zei hij aldus: (24) 'Hoe betreurenswaardig is het inderdaad dat ik zelf, deze zeer geleerde en naar zijn eigenbelang zeer ervaren Indra van de Hemel, die als zijn eerste minister en ene voorganger Brihaspati verkoos, persoonlijk de Heer in de gedaante van Upendra [Heer Vâmana] negerend, met minachting voor de zekerheid van de eigenlijke zegeningen van het dienen van Zijn Werkelijkheid die voor eeuwig voortduurt, voor zichzelf verzocht om de drie werelden waarvan de waarde zal veranderen na het verloop van een manvantara [een tijdperk van Manu]! (25) Voorzeker werd de dienst aan Hem van onze grootvader [Prahlâda] gretig aanvaard, maar niet het aanbod van de eigendommen van zijn vader [het koninkrijk van Hiranyakas'ipu]; het was niemand anders dan de Allerhoogste Persoonlijkheid die hij aldus wilde, toen die zo zekere toevlucht van het vrij zijn van angst hem werd geboden nadat zijn vader werd gedood door de Allerhoogste Heer [Heer Nrisimhadev]. (26) In andere woorden: wat, naar het verlangen te volgen, is een materieel besmet persoon, die zoals wij verstoken is van de Heer Zijn genade, vergeleken bij die grote navolger op het pad van de toewijding?' (27) Later in de vertelling over hem [zie canto acht] zal ik uitleggen hoe de Opperheer [Vâmanadeva] als de meester van de drie werelden, Nârâyana in persoon, met een altijd genadevol hart jegens Zijn toegewijden aan de poort staand met de knots in Zijn hand, middels de grote teen van Zijn voet de tien-koppige duivel [bekend als Râvana] die hem wilde overwinnen, op de verst mogelijke afstand van een talloos aantal yojana's plaatste.

(28) Onder Sutala in de wereld Talâtala heerst de dânava [demonische] koning genaamd Maya; door de almachtige Tripurâri [S'iva], de heer der drie steden, werden, het goede geluk van de drie werelden verlangend, zijn steden verbrand; maar op voorspraak van Zijn genade verkreeg hij een koninkrijk als de meester van alle tovenarij en aldus beschermd door Mahâdeva [de grote god die S'iva is], denkt hij dat hij niets te vrezen heeft van de Sudars'ana Cakra [de acute aanwezigheid van de Heer in de vorm van de Tijd] die wordt aanbeden.

(29) Beneden die wereld is er de wereld van Mahâtala die van de afstammelingen van Kadrû is, die een naam genieten als zijnde een stelletje immer kwaaie, veelkragige, wrede slangentypes, zoals daar zijn Kuhaka, Takshaka, Kâlya, en Sushena. Hoogst zinnelijk verkeren ze voortdurend in angst voor de koning van alle vogels [Garuda], de drager van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die ze soms kwaad maakt als ze zich vermaken in het gezelschap van hun vrouwen, kinderen, vrienden en verwanten.

(30) Beneden die wereld gelegen is er Rasâtala die van de daitya's en dânava's is [de slechtgeaarde zonen van Diti en Danu] genaamd de Pani's, de Nivâta-kavaca's, de Kâleya's en de Hiranya-puravâsî's; ze zijn zo gezegd van geboorte af aan de zeer wrede en hoogst machtige vijanden van de halfgoden en worden onvermijdelijk verslagen door de macht van de Allerhoogste Heer Hari zo van genade voor al de werelden. Levend gelijk de slangen zijn ze in werkelijkheid bang voor de Koning van de Hemel door de woorden van een mantra van Saramayâ, een vrouwelijke voorstander van Indra.

(31) Onder die wereld is er Pâtâla, de wereld van de meesterslangen; met Vâsuki aan het hoofd zijn er daar S'ankha, Kulika, Mahâs'ankha, S'veta, Dhanañjaya, Dhritarâshthra, S'ankhacûda, Kambala, As'vatara en Devadatta en zo voorts. Allerkortst aangebonden leven ze allen zeer verslingerd aan materieel geluk en hebben ze waarlijk inderdaad vijf, zeven, tien, een honderdtal of duizend kragen, met op hun koppen gefixeerd de kostbaarste edelstenen waarvan de gloed de hechte duisternis van de holen van Pâtâla verdrijft.

 

 

next                 

 
Tweede editie, geladen 16 maart, 2007.
 
 

 

 

Bronteksten:

De Benedenaardse Hemelse Planeten

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Zo is daar ook hij [de maan] die voor de zon schuift [en dan 'Râhu' wordt genoemd] die net als de zon voorbij komt en waarvan sommige geleerden zeggen dat hij, talloze yojana's ['tienduizend'] beneden de zon, voor de tijd van leven van de halfgoden een positie bekleed als een leidende planeet. Over de geboorte en handelingen van de laagste der onwetenden, de zoon van Simhikâ, die persoonlijk de genade verwierf van de Allerhoogste Heer, maar inderdaad niet gekwalificeerd is voor de positie [van leider over deze 'planeet'], zal ik later uitleg verschaffen.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, er zijn geschiedkundigen, mensen die geleerd zijn in de Purâna's, die zeggen dat 10.000 yojana's [130.000 kilometer] onder de zon de planeet Râhu ligt, die zich beweegt als een ster. De god van deze planeet is de zoon van Simhikâ, en de meest afschuwelijke asura die er bestaat; eigenlijk is hij volstrekt ongeschikt om halfgod of godheid van een planeet te zijn, maar door de genade van de Allerhoogste Godspersoon heeft hij het toch tot die positie gebracht. Later zal ik meer over hem vertellen. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Ze schatten in dat de zon tienduizend yojana's breed is, dat de maan twintigduizend yojana's bemeet en dat Râhu dertigduizend yojana's groot is [vergelijk 5.21: 15] en dat hij bij gelegenheid, met kwade bedoelingen de invloed van de zon- en de maangod verdringend, de stralen van het maan- en het zonlicht blokkeert.

De zonnegod, bron van warmte, heeft een doorsnee van 10.000 yojana's [130.000 kilometer]. De maan heeft een doorsnee van 20.000 yojana's [260.000 kilometer] en Râhu van 30.000 yojana's [390.000 kilometer]. Vroeger, in de tijd dat de nectar uitgedeeld werd, probeerde Râhu tweedracht tussen de zon en de maan te zaaien door tussen hen in te gaan staan. Râhu is zowel tegen de zon als tegen de maan gekant; dat is dan ook de reden waarom hij op de dag van de nieuwe maan en in de nacht van de volle maan altijd probeert om de stralen van de zon en de maan tegen te houden. (Vedabase)

 

Tekst 3:

De Allerhoogste Heer die er is voor beider bescherming gaat te werk met de allerhoogste aanwezigheid van het wiel van de tijd [de Sudars'ana Cakra] dat men acht als het meest gekoesterde, toegewijde en geliefde wapen dat door zijn macht en ondraaglijke hitte er voor zorgt dat Râhu, met zijn bange geest en bevreesde hart, van die positie wegvlucht waarin hij voor bijna een uur tijds aanwezig is en waarvan de mensen aldus spreken van een zonsverduistering.

Toen de Allerhoogste Godspersoon, Vishnu, van de halfgoden van de zon en de maan over Râhu's aanval hoorde, zette Hij Zijn werpschijf, de Sudars'ana-cakra in om hen te beschermen. De Sudars'ana-cakra is de meest geliefde toegewijde van de Heer en geniet Zijn speciale gunst. De intense hitte van zijn uitstraling, bedoeld om niet-Vaishnava's te doden, is onverdraaglijk voor Râhu, en daarom neemt hij uit angst de vlucht. Wanneer Râhu de zon of de maan in de weg zit, spreken we gewoonlijk van een eclips. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Op een even zo grote afstand bevinden zich daar beneden [vergelijk 5.22: 8] de woonplaatsen van de volmaakten, de vererenswaardigen van de Veda en zij die zich baseren op kennis [de Siddha's, Cârana's en Vidyâdhara's].

10.000 yojana's [130.000 kilometer] onder Râhu liggen de planeten Siddhaloka, Câranaloka en Vidyâdhara-loka. (Vedabase)

 

Tekst 5:

In een lagere positie zijn er de plaatsen van zinsbevrediging van de gekken, de bezetenen, de duivelse en soortgelijke types [de Yaksha's, Râkshasa's en Pis'âca's], die zich uitstrekken zover als de wind de wolken wegblaast die men kan zien in de atmosfeer.

Onder Vidyâdhara-loka, Câranaloka en Siddhaloka, in de ruimte die antariksha heet, liggen de oorden van genot van de Yaksha's, Râkshasa's, Pis'âca's, geesten enzovoort. Antariksha strekt zich uit tot waar de wind waait en er wolken in de lucht drijven. Daarboven is er geen lucht meer. (Vedabase)

  

Tekst 6:

Onder die atmosfeer die een honderdtal yojana's dik is en dus zo hoog reikt als zwanen, gieren, adelaars en andere vogels van formaat kunnen vliegen, is er daar deze aarde [naar moderne metingen reikt de normale, uniforme atmosfeer tot zo'n 80 km boven de aarde].

Op een afstand van 100 yojana's [1.300 kilometer] onder de woongebieden van de Yaksha's en Râkshasa's ligt de planeet aarde. De uiterste grenzen van deze planeet liggen zo hoog als zwanen, haviken, arenden en dergelijke grote vogels kunnen vliegen. (Vedabase)

  

Tekst 7:

Zoals voorheen gezegd [zie 2.1: 26-27] bestaat er voor de planeet aarde, overeenkomstig de schikking van haar verschillende gebieden, een lager bereik van zeven andere sferen van haar lengte en breedte, die de één na de ander zijn gerangschikt met onderliggende afstanden van talloze [meer overdrachtelijke] yojana's.

Beste koning, onder de aarde liggen zeven andere planeten, bekend als Atala, Vitala, Sutala, Talâtala, Mahâtala, Rasâtala en Pâtâla. Ik heb u al een beschrijving gegeven van de ligging van het aardse planetenstelsel. Men heeft berekend dat de zeven lagere planetenstelsels precies even breed en lang zijn als de aarde. (Vedabase)

 

Tekst 8:

In deze werelden die voorzeker hol zijn ten opzichte van de hemelse werelden bestaat er zelfs een grotere lustervaring en vervoering in weelde; onder de invloed van de dingen der welvaart bieden hun huizen en tuinen de demonen, geesten en slangen der zinsbevrediging beter de gelegenheid. Immer oververheugd uit gehechtheid aan de vrouwen, kinderen, familie, vrienden en volgelingen, zijn de hoofden van de huishoudens, levend in een denkbeeldige hemel, zelfs beter dan zij die van beheersing zijn, de goddelijken, in staat tot een ongehinderde bevrediging van hun verlangens.

In deze zeven planetenstelsels, ook bekend als de benedenaardse hemelen [bila-svarga], zijn prachtige huizen, tuinen en oorden van zingenot te vinden, die zelfs weelderiger zijn dan op de hogere planeten omdat de demonen wat zingenot, weelde en macht betreft op een zeer hoog niveau leven. De meeste bewoners van deze planeten, bekend als, Dânava's en Nâga's, leven in familieverband. Hun vrouwen, kinderen, vrienden en kennissen gaan allemaal volledig op in illusoir, materieel geluk. De halfgoden worden soms gestoord in hun zingenot, maar de bewoners van deze planeet kunnen ongestoord van het leven genieten. Daarom zijn ze uiteraard bijzonder gehecht aan illusoir geluk. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Aldaar, mijn beste Koning, zijn door Maya [de asura architect van de daitya's] met een ongelovige bedrieglijkheid en een schat aan rijke versieringen, ommuurde steden met poorten gebouwd, welke prima gebouwde prachtige huizen hebben, kantoren, evenementenhallen, scholen en publieke voorzieningen. De land bezittende leiders van dat uiterlijk vertoon daar bewonen de beste huizen die helder glanzen van de sier en die bevolkt zijn door slangengelijke, goddeloze mensen en paartjes duiven, papegaaien en beo's.

Beste koning, in de imitatie-hemelen die bila-svarga worden genoemd, leeft een grote demon met de naam Maya Dânava - een zeer begaafd kunstenaar en architect. Hij heeft vele schitterende steden gebouwd met een heleboel prachtige huizen, muren, poorten, vergaderzalen, tempels, pleinen en tempelgronden, en bovendien vele hotels die een onderkomen bieden aan vreemdelingen. De huizen van de leiders van deze planeten zijn gebouwd van de kostbaarste juwelen en zitten altijd vol met Nâga's en Asura's. Bovendien wonen er een heleboel duiven, papegaaien en nog meer van dergelijke vogels. Alles bij elkaar genomen, hebben deze imitatie-hemelse steden een schitterende ligging en zien ze er prachtig uit. (Vedabase)

 

Tekst 10:

De tuinen en parken oefenen een grote aantrekkingskracht uit op de geest en de zinnen, genoegen verschaffend met hun massa's bloemen en vruchten waarvan de door klimplanten omhelsde takken van de bomen fraai in aantrekking zwaar naar beneden doorbuigen. Door de pracht van de schakering aan vogels die in paren de vijvers bezoeken vol van sprankelend helder water onrustig van de opspringende vissen, door de lotusbloemen in die wateren, de lelies, de kuvalaya en kahlâra bloemen, de blauwe en rode lotussen en de grootsten van hen met duizenden kelkblaadjes, en door de ononderbroken vreugde van de vele soorten van lieflijk zingende vogels die hun nesten in de bossen bouwden wordt, de schoonheid van de woonplaatsen van de goddelijken overtreffend, het zingenot uitgelokt.

De parken en tuinen in deze namaak-hemelen zijn nog mooier aangelegd dan die op de hemelse planeten. De bomen in deze tuinen, omstrengeld door klimplanten, buigen door onder een zware last van twijgen met vruchten en bloemen, en zien er daardoor wonderbaarlijk mooi uit; dergelijke zinnestrelende schoonheid zou ieder mens bekoren en opgetogen maken. Er zijn vele meren en vijvers met helder, doorschijnend water, plotseling in beroering gebracht door opspringende vissen en verfraaid door een pracht van bloemen als lelies, kuvalaya's, kahlâra's en rode en blauwe lotussen. Paartjes cakravâka's en nog vele andere watervogels hebben hun nest op deze meren en omdat ze altijd in een opperbeste stemming zijn, maken ze plezierige, zoete geluiden die strelend zijn voor het oor en de juiste sfeer creëren voor zingenot. (Vedabase)

 

Tekst 11:

Voorzeker maakt men zich er daar geen zorgen over hoe men de tijd indeelt naar de werking van de dag en de nacht.

Omdat de zon in deze benedenaardse planeten niet schijnt, is de tijd niet verdeeld in dagen en nachten, waardoor men de angst als gevolg van de tijd niet kent. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Alle duisternis wordt er verdreven door inderdaad de meest uitgelezen edelstenen op de uitstaande kragen van het grote serpent.

Er leven daar vele grote slangen met edelstenen op hun koppen, en deze juwelen hebben zo'n sterke uitstraling dat ze alle duisternis verdrijven. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Noch maken degenen die daar verblijven, etend, drinkend en zich badend in een hemel aan kruiden, sappen en elixers, zich zorgen over ziekten, geestelijke moeilijkheden, op leeftijd zijn, het hebben van rimpels, grijs haar, etc., of over de ellende van het inboeten aan levenskracht met een afnemende luister, slecht ruikend zweet, vermoeidheid of een gebrek aan energie.

Omdat de bewoners van deze planeten de sappen en elixers van wonderbaarlijke kruiden drinken en daar eveneens in baden, zijn ze vrij van alle angst en zorgen en worden ze nooit ziek. Grijs haar, rimpels of invaliditeit kennen ze niet, hun lichaam verliest nooit zijn glans, hun transpiratie heeft geen nare geur en zelfs als ze oud worden, is er geen sprake van dat ze last zouden krijgen van vermoeidheid of dat ze hun enthousiasme en energie zouden verliezen. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Op geen enkele manier is wie ook van de deugdzamen, of zelfs maar de dood zelf, ertoe in staat hen te beïnvloeden, behalve natuurlijk het wapen van de Heer: Zijn machtige wiel van de Tijd.

Ze leiden een heel gelukkig leven en hoeven niet bang te zijn dat ze voortijdig zullen sterven. Het vastgestelde tijdstip van hun dood is het enige waar ze bang voor zijn. Op dat moment verschijnt de dood in de vorm van de stralengloed van de Sudars'ana-cakra van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Het is vrijwel altijd uit vrees voor de Heer Zijn cakra-orde dat de echtgenotes van de goddelozen hun foetussen verliezen in miskramen.

Als de Sudars'ana-schijf in die gebieden komt, krijgen alle vrouwen van de demonen die zwanger zijn uit pure angst voor de stralengloed van de cakra een miskraam. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Nu dan, in de wereld Atala verblijft Bala de goddeloze zoon van Maya en door hem inderdaad worden de negenenzestig soorten van illusie gepropageerd waarvan sommige karakters handig met het illusoire zelfs vandaag nog gebruik maken. Ook werden uit zijn gapende mond de svairinî [klassegetrouwe], kâminî [lustig klasse-ontrouwe] en pums'calî [promiscue] vrouwen gegenereerd die, aldus zo zeker de lagere werelden binnengeleid, voor hun persoonlijke genoegen met oogwenken, glimlachen, praatjes en omhelzingen, de mannen in de stemming brengen om zich naar hun eigen zin uit te leven in sexueel plezier met behulp van een kruid genaamd hâthaka [cannabis indica]. Het wordt gezegd dat een man onder de invloed ervan over zichzelf vol van trots en verbeelding denkt als 'Ik ben de heerser' en 'Ik ben zo sterk als duizend olifanten'.

Beste koning, nu zal ik u stuk voor stuk de lagere planetenstelsels beschrijven, te beginnen met Atala. In Atala woont een demon, de zoon van Maya Dânava, Bala genaamd, die zesennegentig soorten van mystieke kracht ontwikkeld heeft. Zelfs vandaag de dag nog zijn er zogenaamde yogî's en svâmî's die handig gebruik maken van deze mystieke krachten om de mensen te bedriegen. Gewoon door te gapen creëerde de demon Bala drie soorten vrouwen: svairinî, kâminî en pums'calî. De svairinî's trouwen graag met mannen van hun eigen klasse, de kâminî's nemen mannen uit elke klasse, en de pums'calî's gaan van man tot man. Als er een man op de planeet Atala komt nemen deze vrouwen hem meteen gevangen en dwingen hem om een bedwelmende drank te drinken gemaakt van een middel dat we kennen als hâthaka [cannabis indica]. Deze drug geeft hem grote seksuele kracht, en daar maken de vrouwen gebruik van voor hun eigen plezier. Zo'n vrouw zal hem met verleidelijke blikken, zoete woordjes, lieve lachjes en dan een omhelzing onder haar bekoring brengen. Op deze manier krijgt ze hem zover dat hij seks met haar heeft en haar volkomen bevredigt. Door zijn verhoogde potentie denkt zo'n man dat hij sterker is dan tienduizend olifanten en beschouwt hij zichzelf als volmaakt; ja begoocheld en bedwelmd door valse trots, denkt hij dat hij God is - daarbij vergetend dat de dood hem altijd boven het hoofd hangt. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Daaronder te Vitala, omringd door zijn spookachtige metgezellen, verblijft de meester van het goud, Heer S'iva met zijn vrouw Bhavânî in sexuele vereniging ten einde de bevolking van de schepping van de stamvader te doen toenemen. Van die wereld gaat aldus van de sappen van die vereniging de grote rivier genaamd de Hâthakî uit, waarvan de vuurgod, door de wind helder en zeer krachtig aangewakkerd, ervan drinkend, sissend het goud genaamd Hâthaka uitspuwt, dat er is voor de sieraden die worden gedragen door de mannen en de vrouwen van de huizen van de grote asura's.

De volgende planeet onder Atala is Vitala, waar Heer S'iva woont. (bekend als de meester van de goudmijnen) in gezelschap van zijn persoonlijke metgezellen, de geesten en meer van dergelijke levende wezens. Als stamvader heeft Heer S'iva geslachtsgemeenschap met Bhavânî, de stammoeder, om levende wezens te produceren, en hun vitale sappen vermengen zich en vormen een rivier, de Hâthakî. Als het vuur, opgestookt door de wind, van deze rivier drinkt en dan moet sissen en het water uitspuwt, komt er goud uit dat Hâthaka heet. De demonen die met hun vrouwen op die planeet leven, tooien zich met allerlei sieraden die van dat goud gemaakt zijn en leven daar zo heel gelukkig. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Daaronder die wereld is er op Sutala de zeer gevierde, hoogst zedige en spiritueel gevorderde zoon van Virocana, Bali Mahârâja. Ernaar verlangend de welvaart van koning Indra te realiseren, nam de Allerhoogste Heer van Aditi een lichaam aan, verschijnend in de gedaante van een vâmana, een dwerg. Het was dankzij de grondeloze genade van de Allerhoogste Heer die hem de drie werelden ontfutselde, dat hij zelfs vandaag de dag nog, zeker in de aanbidding door zijn eigen religieuze plicht, onbevreesd blijft jegens de meest vererenswaardige Allerhoogste Persoonlijkheid; hij werd gezegend met het goede geluk van het herwinnen van een zelfs voor de goden van Indra's hemel onvergelijkelijke weelde.

Onder de planeet Vitala ligt een andere planeet, Sutala, waar zelfs nu nog de beroemde zoon van Mahârâja Virocana woont, Bali Mahârâja, die de naam heeft de meest religieuze koning te zijn. Om Indra, de hemelkoning, te helpen, verscheen Heer Vishnu als de zoon van Aditi in de gedaante van een dwerg-brahmacârî en legde Bali Mahârâja in de luren door hem drie passen land te vragen, waarna Hij alle drie de werelden innam. Omdat het Hem veel genoegen deed dat Bali Mahârâja al zijn bezittingen wegschonk, gaf de Heer hem zijn koninkrijk terug en maakte hem nog rijker dan de uitermate welgestelde koning Indra. Zelfs nu nog doet Bali Mahârâja toegewijde dienst en vereert hij de Allerhoogste Godspersoon op de planeet Sutala. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Dit was waarlijk niet het rechtstreeks gevolg van het schenken van landerijen; dat wat werd gegeven met het grootste respect, een aandachtige geest en met geloof, in het benaderen van de hoogst geplaatste, de allerhoogste Heer die de meest waardige ontvanger is en de beste offerplaats, het leven en de ziel en hoogste regulator de Heer Vâsudeva van de talloze levensvormen, was rechtstreeks de toegangspoort welke verlossing gaf naar de weelde van de lagere nabootsing der hemel.

Beste koning, hoewel Bali Mahârâja al zijn bezit aan de Allerhoogste Godspersoon Vâmanadeva schonk, mag men daaruit beslist niet concluderen dat zijn grote materiële rijkdom in bila-svarga te danken was aan zijn vrijgevigheid. De Allerhoogste Godspersoon, de levensbron van alle wezens, is de Superziel die als vriend in ieders hart leeft, en het is onder Zijn toezicht dat een levend wezen in de materiële wereld geniet of moet lijden. Omdat Bali Mahârâja grote waardering had voor de transcendentale eigenschappen van de Heer, schonk hij alles wat hij had aan Zijn lotusvoeten. Hij deed dat echter niet met de bedoeling om er materieel beter van te worden, maar juist om een zuivere toegewijde te worden. Voor een zuivere toegewijde gaat de deur naar bevrijding vanzelf open. We moeten niet denken dat Bali Mahârâja alleen maar zoveel materiële rijkdom kreeg omdat hij zo vrijgevig was. Als men een zuivere toegewijde wordt en liefde voor God ontwikkelt, kan men, als de Allerhoogste Heer dit wil, eveneens gezegend worden met een goede materiële situatie. Maar het is onterecht om te denken dat het materiële vermogen van een toegewijde het resultaat zou zijn van de toegewijde dienst die hij doet. Het echte resultaat van toegewijde dienst is dat onze zuivere liefde voor de Allerhoogste Godspersoon ontwaakt, en die blijft onder alle omstandigheden bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Hij, van wie een persoon, hulpeloos in uithongering, neergevallen of struikelend en dergelijke, slechts één enkele keer de heilige naam beoefent, wast iemand de gebondenheid van het karma weg, dat anderszins voor personen die verlossing trachten te vinden zo zeer een onvermijdelijk groot struikelblok is.

Als iemand die gekweld wordt door honger, of die valt of struikelt, de heilige naam van de Heer zelfs maar één keer chant, met overgave of tegen zijn zin, dan wordt hij ogenblikkelijk bevrijd van de reacties van zijn vroegere daden. Karmî's die verwikkeld zijn in materiële activiteiten en mystieke yoga beoefenen, of zich op andere manieren inspannen om diezelfde vrijheid te bereiken, worden geconfronteerd met vele problemen. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Van al de grote toegewijden en de zelfgerealiseerden van het ware zelf die zichzelf zonder voorbehoud geven, is Hij die Allerhoogste Ziel, het Paramâtmâ.

De Allerhoogste Godspersoon, de Superziel in ieders hart, verkoopt Zichzelf aan toegewijden als Nârada Muni. Met andere woorden, aan zulke toegewijden schenkt de Heer zuivere liefde, en aan degenen die Hem zuiver liefhebben geeft Hij Zichzelf. Ook grote, zelfgerealiseerde mystieke yogî's als de vier Kumâra's ervaren grote transcendentale gelukzaligheid door realisatie van de Superziel in zichzelf. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Het is naar waarheid niet vanwege de materiële weelde die aldus zich zeker ontvouwt, dat de Allerhoogste Persoonlijkheid speciaal hem wederom Zijn gunst toonde, daar het beroofd zijn van de heugenis van de ziel een kenmerk is van het in illusie verkeren met de materie, mâyâ.

Het was niet het materiële geluk en de rijkdom waarmee de Allerhoogste Godspersoon Bali Mahârâja Zijn genade toonde, want daardoor vergeet men juist de toegewijde dienst aan de Heer. Het effect van materiële rijkdom is dat men zijn geest niet meer kan concentreren op de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Naar aanleiding van dat wat gedaan werd door de Allerhoogste Heer die langs geen andere weg kan worden waargenomen, namelijk het wegnemen van de drie werelden met behulp van de truuk van het bedelen [om drie stappen land] zodat hem niets bleef behalve zijn eigen lichaam - dat toen volledig met de touwen van Varuna werd gebonden en vastgehouden werd in een berggrot - zei hij aldus:

Toen de Allerhoogste Godspersoon geen andere manier meer kon vinden om alles wat Bali Mahârâja bezat in handen te krijgen, deed Hij Zich voor als een bedelaar en wist via deze list alle drie de werelden van hem af te nemen. Bali Mahârâja had toen alleen nog zijn lichaam over, maar de Heer was nog steeds niet tevreden; Hij arresteerde Bali Mahârâja, bond hem vast met de touwen van Varuna en gooide hem in een berggrot. Maar ondanks het feit dat Bali Mahârâja zijn hele bezit kwijt was en nog in een grot gegooid werd ook, was hij zo'n groot toegewijde dat hij het volgende zei. (Vedabase)

 

Tekst 24:

'Hoe betreurenswaardig is het inderdaad dat ik zelf, deze zeer geleerde en naar zijn eigenbelang zeer ervaren Indra van de Hemel, die als zijn eerste minister en ene voorganger Brihaspati verkoos, persoonlijk de Heer in de gedaante van Upendra [Heer Vâmana] negerend, met minachting voor de zekerheid van de eigenlijke zegeningen van het dienen van Zijn Werkelijkheid die voor eeuwig voortduurt, voor zichzelf verzocht om de drie werelden waarvan de waarde zal veranderen na het verloop van een manvantara [een tijdperk van Manu]!

Ach, is het niet betreurenswaardig dat Indra, de hemelkoning, die toch zeer geleerd en machtig is en Brihaspati als eerste minister koos om hem te onderrichten, totaal niets afweet van geestelijke vooruitgang? En Brihaspati is al evenmin intelligent, want hij heeft zijn leerling Indra niet goed onderwezen. Heer Vâmanadeva stond voor Indra's deur, maar in plaats van Hem te smeken om Hem transcendentale liefdedienst te mogen bewijzen, gebruikte koning Indra Hem om mij een aalmoes te vragen met de bedoeling om de drie werelden te bemachtigen, zodat hij zijn zinnen kon bevredigen. Het stelt absoluut niets voor om heerser over de drie werelden te zijn, want hoeveel rijkdom iemand ook bezit, het duurt allemaal maar één tijdperk van Manu, en in de eeuwigheid is dat maar een fractie van een seconde. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Voorzeker werd de dienst aan Hem van onze grootvader [Prahlâda] gretig aanvaard, maar niet het aanbod van de eigendommen van zijn vader [het koninkrijk van Hiranyakas'ipu]; het was niemand anders dan de Allerhoogste Persoonlijkheid die hij aldus wilde, toen die zo zekere toevlucht van het vrij zijn van angst hem werd geboden nadat zijn vader werd gedood door de Allerhoogste Heer [Heer Nrisimhadev].

Bali Mahârâja zei: Mijn grootvader, Prahlâda Mahârâja, is de enige die werkelijk begreep wat in zijn belang was. Bij de dood van Prahlâda's vader Hiranyakas'ipu, wilde Heer Nrisimhadeva Prahlâda zijn vaders koninkrijk schenken en hem zelfs bevrijding uit de materiële gevangenschap aanbieden, maar Prahlâda wilde geen van beide. Bevrijding en materiële rijkdom, dacht hij, staan toegewijde dienst in de weg, en daarom zijn zulke giften van de Allerhoogste Godspersoon niet Zijn ware genade. In plaats van de resultaten van karma en jñâna te accepteren, bad Prahlâda de Heer daarom gewoon om de gelegenheid Zijn dienaar te mogen dienen. (Vedabase)

 

Tekst 26:

In andere woorden: wat, naar het verlangen te volgen, is een materieel besmet persoon, die zoals wij verstoken is van de Heer Zijn genade, vergeleken bij die grote navolger op het pad van de toewijding?'

Bali Mahârâja zei: Mensen als wij, die nog steeds gehecht zijn aan zingenot, die besmet zijn door de geaardheden der materiële natuur en geen genade vinden bij de Allerhoogste Godspersoon, kunnen het allerhoogste pad van Prahlâda Mahârâja, die verheven toegewijde van de Heer, niet volgen. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Later in de vertelling over hem [zie canto acht] zal ik uitleggen hoe de Opperheer [Vâmanadeva] als de meester van de drie werelden, Nârâyana in persoon, met een altijd genadevol hart jegens Zijn toegewijden aan de poort staand met de knots in Zijn hand, middels de grote teen van Zijn voet de tien-koppige duivel [bekend als Râvana] die hem wilde overwinnen, op de verst mogelijke afstand van een talloos aantal yojana's plaatste.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, hoe kan ik een grote persoonlijkheid als Bali Mahârâja voldoende verheerlijken? De Allerhoogste Godspersoon, de meester van de drie werelden, die altijd vol mededogen is voor Zijn toegewijde, staat met Zijn knots in de hand voor Bali Mahârâja's deur. Toen Râvana, de machtige demon, Bali Mahârâja aanviel, gaf Vâmanadeva hem een tik met Zijn grote teen zodat hij 130.000 kilometer verderop terechtkwam. Later [in het achtste canto van het S'rîmad Bhâgavatam] zal ik nog meer vertellen over de persoonlijkheid en de activiteiten van Bali Mahârâja. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Onder Sutala in de wereld Talâtala heerst de dânava [demonische] koning genaamd Maya; door de almachtige Tripurâri [S'iva], de heer der drie steden, werden, het goede geluk van de drie werelden verlangend, zijn steden verbrand; maar op voorspraak van Zijn genade verkreeg hij een koninkrijk als de meester van alle tovenarij en aldus beschermd door Mahâdeva [de grote god die S'iva is], denkt hij dat hij niets te vrezen heeft van de Sudars'ana Cakra [de acute aanwezigheid van de Heer in de vorm van de Tijd] die wordt aanbeden.

Onder de planeet Sutala ligt nog een planeet, Talâtala genaamd, die geregeerd wordt door een Dânava-demon met de naam Maya. Maya staat bekend als de âcârya [meester] van alle mâyâvî's, die toverkrachten bezitten. Ten bate van het welzijn van de drie werelden zette Heer S'iva, die bekendstaat als Tripurâri, op een keer alle drie de koninkrijken van Maya in brand, maar later was hij weer tevreden over hem en gaf hij hem zijn koninkrijk terug. Sinds die tijd geniet Maya Dânava de bescherming van Heer S'iva, en daarom denkt hij ten onrechte dat hij niet bang hoeft te zijn voor de Sudars'ana-cakra van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Beneden die wereld is er de wereld van Mahâtala die van de afstammelingen van Kadrû is, die een naam genieten als zijnde een stelletje immer kwaaie, veelkragige, wrede slangentypes, zoals daar zijn Kuhaka, Takshaka, Kâlya, en Sushena. Hoogst zinnelijk verkeren ze voortdurend in angst voor de koning van alle vogels [Garuda], de drager van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die ze soms kwaad maakt als ze zich vermaken in het gezelschap van hun vrouwen, kinderen, vrienden en verwanten.

Het planetenstelsel onder Talâtala staat bekend als Mahâtala. Op deze planeet wonen slangen met een heleboel koppen. Het zijn de afstammelingen van Kadrû en ze zijn altijd erg boos. De belangrijkste grote slangen daar zijn Kuhaka, Takshaka, Kâliya en Sushena. De slangen van Mahâtala zijn altijd beducht voor Garuda, de drager van Heer Vishnu; maar deze angst kan sommige van hen toch niet beletten om zich te vermaken met hun vrouwen, kinderen, vrienden en verwanten. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Beneden die wereld gelegen is er Rasâtala die van de daitya's en dânava's is [de slechtgeaarde zonen van Diti en Danu] genaamd de Pani's, de Nivâta-kavaca's, de Kâleya's en de Hiranya-puravâsî's; ze zijn zo gezegd van geboorte af aan de zeer wrede en hoogst machtige vijanden van de halfgoden en worden onvermijdelijk verslagen door de macht van de Allerhoogste Heer Hari zo van genade voor al de werelden. Levend gelijk de slangen zijn ze in werkelijkheid bang voor de Koning van de Hemel door de woorden van een mantra van Saramayâ, een vrouwelijke voorstander van Indra.

Onder Mahâtala ligt het planetenstelsel Rasâtala, de woonplaats van de demonische zoons van Diti en Danu. Ze heten Pani's, Nivâta-kavaca's, Kâleya's en Hiranya-puravâsî's [zij die in Hiranya-pura wonen]. Ze zijn allemaal vijanden van de halfgoden en ze wonen in holen, als slangen. Meteen bij hun geboorte zijn ze al bijzonder sterk en wreed, en hoewel ze trots op hun kracht zijn, worden ze altijd verslagen door de Sudars'ana-cakra van de Allerhoogste Godspersoon, die alle planetenstelsels regeert. Als een boodschapster van Indra, Saramâ genaamd, een bepaalde vloek uitspreekt, worden de slangedemonen van Mahâtala doodsbang voor Indra. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Onder die wereld is er Pâtâla, de wereld van de meesterslangen; met Vâsuki aan het hoofd zijn er daar S'ankha, Kulika, Mahâs'ankha, S'veta, Dhanañjaya, Dhritarâshthra, S'ankhacûda, Kambala, As'vatara en Devadatta en zo voorts. Allerkortst aangebonden leven ze allen zeer verslingerd aan materieel geluk en hebben ze waarlijk inderdaad vijf, zeven, tien, een honderdtal of duizend kragen, met op hun koppen gefixeerd de kostbaarste edelstenen waarvan de gloed de hechte duisternis van de holen van Pâtâla verdrijft.  

Onder Rasâtala ligt een ander planetenstelsel dat bekendstaat als Pâtâla of Nâgaloka. Daar leven vele demonische slangen, de heren van Nâgaloka, zoals S'ankha, Kulika, Mahâs'ankha, S'veta, Dhanañjaya, Dhritarâshthra, S'ankhacûda, Kambala, As'vatara en Devadatta. Vâsuki is hun baas. Ze zijn allemaal bijzonder kwaadaardig en hebben vele, vele koppen - sommige slangen hebben er vijf, andere zeven, tien, honderd en er zijn er zelfs die duizend koppen hebben. Deze zijn bezet met kostbare edelstenen, en het schijnsel uit deze stenen verlicht het hele planetenstelsel van bila-svarga. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Drigha devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties