regelbalk


 

Canto 5

S'rî Râdhika Stava

 

Hoofdstuk 13: Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) De brahmaan zei: 'Proberend vooruit te komen in het leven, hetgeen moeilijk is in beslag genomen door de illusie, doolt de volijverige, verdeeld in het zorgdragen met de werklast van zijn hartstocht, onwetendheid en goedheid, rond in dit werelds bestaan en is hij, uit op de baten, niet in staat geluk te vinden. (2) O god der mensen, aldaar worden de geconditioneerde zielen die het valse najagen geteisterd door deze zes plunderaars [van het zien, ruiken, proeven, aanraken, horen en overdenken]; met alle macht beroven ze als vossen de verzotte strever van zijn hart, precies zoals tijgers lammeren pakken. (3) In de tuinen vol van klimplanten, grassen en struikgewas wordt hij wreed verstoord door stekende muggen, somtijds zichzelf inbeeldend dat hij bij de Gandharva's verwijlt en dan weer in mum van tijd bezeten rakend. (4) Zich van hot naar haar haastend terwille van hun thuis, water en weelde, o Koning, zien ze dàt als hun ziel en zaligheid, en zijn ze, verblind in hun zotheid, bij tijden het spoor bijster vanwege het rokerige stof [van de lust] opgeworpen door een wervelstorm [van een zekere uiterlijkheid]. (5) Geplaagd door het gerucht van onzichtbare krekels in zijn oor, door de geluiden van uilen van streek in zijn geest en hart, en honger lijdend met het zich beroepen op bomen die geen vruchten dragen, jaagt hij soms het water van een luchtspiegeling na. (6) De ene keer afgaand op droogevallen rivieren en voedsel vragend van anderen die ook door hun voorraad heen zijn, lijden ze de andere keer onder de bosbrand van het materieel bestaan en maken ze zich zorgen over wat er terecht kwam van de gekoesterde weelde die door de boeven van de staat werd ingepikt. (7) Bij tijden ervaren ze allen, belast door hun besturende bovengeschikten, droefenis in hun harten en raken ze, weeklagend, verbijsterd buiten zinnen; en zo nu en dan dromen ze er een tijdje van hemelse oorden te zijn binnengegaan waar men geniet als was men gelukkig. (8) Soms rondzwervend worden de voeten van iemand die de heuvels wil beklimmen gepijnigd door doornen en steentjes en is zo iemand neerslachtig met iedere stap die hij doet; en soms ziet iemand met een hongerige maag in het gezin het niet meer zitten en wordt hij kwaad op zijn eigen gezinsleden. (9) Bij tijden aan zijn lot overgelaten in het [materiële] woud [des levens] wordt de geconditioneerde ziel verzwolgen door de python en begrijpt hij er niets meer van; aangevallen door gifslangen en gebeten, gaat hij er soms, gevallen in een ongeziene put, zowaar bij liggen, blind als hij dan is in de diepe duisternis. (10) Soms uitziend naar een beetje sexueel plezier wordt hij door de verontruste bijenkorf van de familie van de dame in kwestie beledigd; of, wat dit soort zaken betreft met veel moeite geld uitgevend om aan zijn gerief te komen, wordt daarna met geweld het voorwerp van zijn begeerte voor zijn neus weggekaapt door iemand anders. (11) Soms ook niet in staat de kou, de hitte, de wind of de regen tegen te gaan, ziet hij het niet meer zitten; en dan weer samen met anderen allerlei kleingoed verkopend, belandt hij in een wederzijdse vijandigheid zo zegt men, vanwege het bedrog voor het profijt. (12) Nu en dan berooid moet hij het daarmee stellen zonder beddegoed, een zitplaats, een huis en de gemakken van een gezin, en klopt hij noodlijdend bij anderen aan; niet krijgend wat hij nodig heeft is hij dan uit op het bezit van anderen en belandt hij zo in oneer. (13) Vanwege financiële transacties met elkaar is er haat en nijd, en met elkaar getrouwd zijnd er materieel op vooruit proberend te gaan, kan dat grote moeilijkheden met zich meebrengen, omdat men, in geldnood de verkeerde aanpak volgend, volledig in verlegenheid komt.

(14) Allen die aldus op uiteenlopende wijze in verlegenheid kwamen, moeten op gezette tijden de levenden die hen nabij staan opgeven en dan weer uit zijn op nieuwe geboorten; het eigenbelang behartigend doolt men hier in deze wereld rond en tot op de dag van vandaag is geen van hen die in deze positie verkeren, o held, in staat om het tot het uiteindelijke doel van de yoga [de toegewijde dienst] te brengen. (15) Zij die zonder er veel bij na te denken erin slaagden reuzen van andere helden te overwinnen, zijn allen bevangen in deze wereld door het idee van 'mijn' laten hun leven in de slag met de in het leven geroepen vijandschap - maar ze bereiken niet de werkelijkheid van de staf der verzaking welke, als men vrij van vijandigheid is, wèl leidt tot vervolmaking. (16) Meer en meer gehecht zingen zij die genieten in de armen van hun vrouwen, hun klimplant, soms een vreemd liedje in het verlangen het gezang te horen van een andere vogel; en zo nu en dan ergens het gebrul van de leeuw horend zoeken ze vriendschap met de kraanvogels, de reigers en de gieren. (17) Door hen bedrogen maar geen bevrediging vindend in het contact met de toegewijden, benaderen ze in hun gedrag de apen met wie geassocieerd ze zich nogal op hun gemak voelen met hun zinnen, en elkaar in het gezicht starend naderen ze in vergetelheid de dood. (18) Het er in hun boom van nemend zijn ze, gehecht aan vrouw en kinders en kleinzielig, niet in staat om los te laten vast als ze zitten aan de gevolgen van hun eigen handelingen, daarbij somtijds, in angst verzet voor de olifant van de dood, in een grot in de bergen vallend, en zo daar opgesloten rakend. (19) Op de één of andere manier aan dit gevaar ontsnappend pakken ze wederom, o doder der vijanden, het oude leventje dan weer op, dat pad van genot dat de geconditioneerde ziel onder de invloed van mâyâ begaat, waarin hij er tot aan zijn dood geen zier van begrijpt. (20) Koning Rahûgana, u, zeker eveneens op dit pad van het materiële bestaan, zal, als u eenmaal de roede der bestraffing hebt opgegeven en u zich vriendelijk gedraagt jegens alle wezens, door middel van dienst aan de Heer iemand zijn die zich in zijn geest niet langer voelt aangetrokken tot het onware; maak nu, met het gewette zwaard der kennis in de hand de oversteek naar het allerhoogste van gene zijde!'

(21) De koning zei: 'Helaas, o beste onder de geborenen, wat heeft het voor nut om, geboren in de menselijke gedaante, om enkel van een hogere geboorte te zijn? Er is inderdaad niets superieurs aan als we in een nieuw bestaan niet de weelde kunnen genieten van omgang hebben met de waarlijk groten wiens harten zijn gezuiverd in de glorie van Hrisîkes'a [de Heer en meester der zinnen]. (22) Is het in feite niet wonderlijk volledig bevrijd te zijn door het stof van uw lotusvoeten van liefde en toewijding jegens Adhokshaja [de Heer in het Voorbije], door wiens gezelschap men in een oogwenk bevrijd raakt van alle materiële smetten en eveneens de wortel van het gebrek aan onderscheid dat men heeft met valse argumenten volledig wordt overwonnen? (23) Laat er mijn respectvol eerbetoon zijn jegens de grote persoonlijkheden, of ze nu ten tonele verschijnen als jongens, als jonge mannen of als wereldverzakers; laat, van al die zelfgerealiseerde zielen der bovenzinnelijkheid die deze aarde bewandelen in verschillende gedaanten, er het heil van het geluk zijn voor al de dynastieën!'

(24) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier, o zoon van Uttarâ [Parîkchit], wijdde hij, die zoon der brahmaanse wijsheid, hoewel beledigd, door de kwaliteit van zijn eigen zachtgeaardheid en de superioriteit van zijn spirituele realisatie, voor de heerser van Sindhu uit over de feitelijke werkelijkheid van de ziel; met Rahûgana zo spijtig, was hij wiens lotusvoeten werden aanbeden, van een hart waarin, zoals in een volle oceaan, al de golven van het zinnelijke volledig tot rust werden gebracht terwijl hij zijn rondtrekken over deze aarde vervolgde [vergelijk 3.25: 21]. (25) De koning van Sauvîra zeker van een verheven positie, kwam tot een volledig begrip van de waarheid van de opperziel; in zichzelf slaagde hij er volledig in het begrip op te geven van een lichamelijk zelf dat hij foutief in onwetendheid aan zijn persoon had toegeschreven, en aldus, o Koning, volgde hij trouw het pad der geestelijke erfopvolging vanaf de Heer. '

(26) De Koning [Parîkchit] zei: 'Dat wat u hier zo terzake kundig beschreef, o grootste der wijsheid, in beeldspraken over de individuele ziel zijn pad in het materieel bestaan, is vervat in woorden begrijpelijk voor de geesten der geschoolden, niet zo zeer direct voor de gewone man met minder ervaring; derhalve, voor het heil van een volledig begrip van deze zo moeilijk te bevatten materie, zou u het alstublieft kunnen beschrijven door ons de exacte betekenis te vertellen?'

 

next                    

 
Tweede editie, geladen 10 februari, 2007.
 

 

 

Bronteksten:

 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Tekst 1 :

De brahmaan zei: 'Proberend vooruit te komen in het leven, hetgeen moeilijk is in beslag genomen door de illusie, doolt de volijverige, verdeeld in het zorgdragen met de werklast van zijn hartstocht, onwetendheid en goedheid, rond in dit werelds bestaan en is hij, uit op de baten, niet in staat geluk te vinden.

Jada Bharata, die het Brahman volledig gerealiseerd had, vervolgde: Beste koning Rahûgana, het pad van de materiële wereld waarlangs het levend wezen dwaalt, is heel moeilijk te begaan, en hij moet voortdurend geboren worden en sterven. Omdat het levend wezen door de invloed van de drie geaardheden der materiële natuur. (sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna) de gevangene van de materiële wereld is, kan hij alleen maar de drie soorten vruchten van zijn activiteiten zien: goed, slecht en daartussenin. Zo raakt hij gehecht aan wereldse religie, het vergaren van rijkdom, zinsbevrediging en de monistische theorie van bevrijding. (één worden met de Allerhoogste) Hij werkt dag en nacht heel hard, net als een koopman die het woud ingaat om dingen te verzamelen die hij later weer met winst verkopen kan. Toch kan hij in deze materiële wereld geen geluk vinden. (Vedabase)

 

Tekst 2 :

O god der mensen, aldaar worden de geconditioneerde zielen die het valse najagen geteisterd door deze zes plunderaars [van het zien, ruiken, proeven, aanraken, horen en overdenken]; met alle macht beroven ze als vossen de verzotte strever van zijn hart, precies zoals tijgers lammeren pakken.

O koning Rahûgana, in dit woud van het materiële bestaan zijn er zes zeer machtige plunderaars. Wanneer de geconditioneerde ziel het woud ingaat op zoek naar iets wat een beetje winst zal opleveren, leiden de zes plunderaars hem om de tuin. Daardoor weet de geconditioneerde koopman niet hoe hij zijn geld moet uitgeven, en dan wordt het hem door deze plunderaars afgenomen. En net zoals tijgers, jakhalzen en andere wilde dieren in het woud klaarstaan om een lam onder de hoede van zijn herder weg te kapen, gaan de vrouw en kinderen het hart van de koopman binnen en plunderen hem op allerlei manieren. (Vedabase)

 

Tekst 3:

In de tuinen vol van klimplanten, grassen en struikgewas wordt hij wreed verstoord door stekende muggen, somtijds zichzelf inbeeldend dat hij bij de Gandharva's verwijlt en dan weer in mum van tijd bezeten rakend.

In dit woud zijn er plekken die dichtbegroeid zijn met struikgewas, gras en klimplanten. Op deze plaatsen wordt de geconditioneerde ziel altijd geplaagd door wreed stekende muskieten [jaloerse mensen]. Soms ziet hij een denkbeeldig paleis in het woud, en dan weer raakt hij in de war als hij een spook of boze geest voorbij ziet snellen, die langsschiet als een meteoor aan de hemel. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Zich van hot naar haar haastend terwille van hun thuis, water en weelde, o Koning, zien ze dàt als hun ziel en zaligheid, en zijn ze, verblind in hun zotheid, bij tijden het spoor bijster vanwege het rokerige stof [van de lust] opgeworpen door een wervelstorm [van een zekere uiterlijkheid].

Beste koning, de koopman in het woud van de materiële wereld, zijn intelligentie ten prooi gevallen aan huis, rijkdom, verwanten enzovoort, rent op zoek naar succes van de ene plaats naar de andere. Soms worden zijn ogen bedekt door het stof van een wervelwind - dat wil zeggen dat hij in zijn lust aangetrokken raakt tot de schoonheid van zijn vrouw, vooral tijdens haar menstruatie. Verblind als hij is, kan hij dan niet zien waar hij heen moet of wat hij aan het doen is. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Geplaagd door het gerucht van onzichtbare krekels in zijn oor, door de geluiden van uilen van streek in zijn geest en hart, en honger lijdend met het zich beroepen op bomen die geen vruchten dragen, jaagt hij soms het water van een luchtspiegeling na.

Ronddolend in het woud van de materiële wereld, hoort de geconditioneerde ziel nu eens een onzichtbare krekel die krassende geluiden maakt die zijn oren erg pijn doen, en dan wordt zijn hart weer getroffen door het geroep van uilen, dat precies op de scherpe woorden van zijn vijanden lijkt. Soms zoek hij - gekweld door honger - zijn toevlucht bij een boom die jammer genoeg vruchten noch bloemen heeft. Dat bezorgt hen dus ook alleen maar leed. En als hij water wil vinden, wordt hij begoocheld door een luchtspiegeling, en rent daar achteraan. (Vedabase)

 

Tekst 6:

De ene keer afgaand op droogevallen rivieren en voedsel vragend van anderen die ook door hun voorraad heen zijn, lijden ze de andere keer onder de bosbrand van het materieel bestaan en maken ze zich zorgen over wat er terecht kwam van de gekoesterde weelde die door de boeven van de staat werd ingepikt.

Soms springt de geconditioneerde ziel in een ondiepe rivier, of als hij een tekort aan graan heeft, gaat hij om voedsel bedelen bij mensen die allesbehalve liefdadig zijn. Soms lijdt hij onder de brandende hitte van het gezinsleven, dat als een bosbrand is, en soms raakt hij diep teneergeslagen omdat zijn vermogen, dat hem even dierbaar is als zijn leven, door middel van hoge inkomstenbelastingen door koningen geplunderd wordt. (Vedabase)

  

Tekst 7:

Bij tijden ervaren ze allen, belast door hun besturende bovengeschikten, droefenis in hun harten en raken ze, weeklagend, verbijsterd buiten zinnen; en zo nu en dan dromen ze er een tijdje van hemelse oorden te zijn binnengegaan waar men geniet als was men gelukkig.

Soms, als iemand verslagen of geplunderd is door een ander die hoger en machtiger is dan hij, verliest hij al zijn bezittingen. Dan wordt hij uiterst bedroefd en raakt soms van verdriet over zijn verlies buiten bewustzijn. Soms stelt hij zich een grote, schitterende stad voor waar hij met zijn familieleden en rijkdom een gelukkig leven zou kunnen leiden. Hij denkt dat als hij daartoe in staat zou zijn, dit hem volledig zou bevredigen, maar zulk zogenaamd geluk duurt slechts een ogenblik. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Soms rondzwervend worden de voeten van iemand die de heuvels wil beklimmen gepijnigd door doornen en steentjes en is zo iemand neerslachtig met iedere stap die hij doet; en soms ziet iemand met een hongerige maag in het gezin het niet meer zitten en wordt hij kwaad op zijn eigen gezinsleden.

Soms wil de koopman in het woud de heuvels en bergen beklimmen, maar omdat hij onvoldoende schoeisel draagt, prikken het steengruis en de doornen op de berg hem in zijn voeten, en dit doet hem heel erg pijn. Soms raakt iemand die erg aan zijn familie gehecht is overmand door honger en wordt in zijn ellende razend op zijn familieleden. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Bij tijden aan zijn lot overgelaten in het [materiële] woud [des levens] wordt de geconditioneerde ziel verzwolgen door de python en begrijpt hij er niets meer van; aangevallen door gifslangen en gebeten, gaat hij er soms, gevallen in een ongeziene put, zowaar bij liggen, blind als hij dan is in de diepe duisternis.

De geconditioneerde ziel in het materiële woud wordt soms opgeslokt of vermorzeld door een python. Dan ligt hij daar in het woud als een dode, verstoken van bewustzijn en kennis. Soms wordt hij ook nog eens gebeten door andere giftige slangen. Verblind als hij is valt hij dan in een donkere put van hels leven, zonder enige hoop op redding. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Soms uitziend naar een beetje sexueel plezier wordt hij door de verontruste bijenkorf van de familie van de dame in kwestie beledigd; of, wat dit soort zaken betreft met veel moeite geld uitgevend om aan zijn gerief te komen, wordt daarna met geweld het voorwerp van zijn begeerte voor zijn neus weggekaapt door iemand anders.

Soms, om een beetje onbetekenend seksueel genot te kunnen proeven, gaat men op zoek naar losbandige vrouwen en als gevolg daarvan wordt men door de familieleden van die vrouw beledigd en krijgt men ervan langs, net als iemand die honing wil halen uit een bijenkorf en aangevallen wordt door de bijen. Soms kan men na handenvol geld uitgegeven te hebben een andere vrouw voor zich winnen om wat extra mee te genieten. Helaas wordt het voorwerp van zijn zingenot, die vrouw, dan door een andere vrouwenjager afgenomen of gekipnapt. (Vedabase)

 

Tekst 11

Soms ook niet in staat de kou, de hitte, de wind of de regen tegen te gaan, ziet hij het niet meer zitten; en dan weer samen met anderen allerlei kleingoed verkopend, belandt hij in een wederzijdse vijandigheid zo zegt men, vanwege het bedrog voor het profijt.

Soms is het levend wezen druk in de weer om de natuurlijke verstoringen van ijzige koude, verzengende hitte, stormachtige wind, buitensporige regenval enzovoort te bestrijden. Wanneer hem dat niet lukt, wordt hij erg ongelukkig. Soms wordt hij in de ene zakentransactie na de andere bedrogen. Door zulke bedriegerijen creëren de levende wezens vijandschap onder elkaar. (Vedabase)

 

Tekst 12

Nu en dan berooid moet hij het daarmee stellen zonder beddegoed, een zitplaats, een huis en de gemakken van een gezin, en klopt hij noodlijdend bij anderen aan; niet krijgend wat hij nodig heeft is hij dan uit op het bezit van anderen en belandt hij zo in oneer.

Op het bospad van het materiële bestaan ontbreekt het iemand soms aan alle middelen, zodat hij het zonder behoorlijk huis, bed of stoel, en zonder de geneugten van het gezinsleven moet stellen. Daarom gaat hij bij anderen om geld bedelen, maar als zijn verlangens daarmee niet bevredigd worden, wil hij andermans bezit lenen of zelfs stelen. Daarom wordt hij met smaad bejegend in de maatschappij. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Vanwege financiële transacties met elkaar is er haat en nijd, en met elkaar getrouwd zijnd er materieel op vooruit proberend te gaan, kan dat grote moeilijkheden met zich meebrengen, omdat men, in geldnood de verkeerde aanpak volgend, volledig in verlegenheid komt.

Doordat er geld op het spel staat, worden de onderlinge relaties erg gespannen en eindigen ze in vijandschap. Soms bewandelen man en vrouw het pad van de materiële vooruitgang, en om hun relatie in stand te houden, werken ze heel hard; maar als er sprake is van geldgebrek of ziekte komen ze soms zó in de problemen dat ze bijna sterven. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Allen die aldus op uiteenlopende wijze in verlegenheid kwamen, moeten op gezette tijden de levenden die hen nabij staan opgeven en dan weer uit zijn op nieuwe geboorten; het eigenbelang behartigend doolt men hier in deze wereld rond en tot op de dag van vandaag is geen van hen die in deze positie verkeren, o held, in staat om het tot het uiteindelijke doel van de yoga [de toegewijde dienst] te brengen.

Beste koning, op het bospad van het materiële leven verliest een mens eerst zijn vader en moeder, en na hun dood raakt hij gehecht aan zijn pasgeboren kinderen. Zo doolt hij over het pad van materiële vooruitgang en komt uiteindelijk bedrogen uit. Niettemin weet niemand hoe hij uit deze situatie moet komen, zelfs niet op het moment van de dood. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Zij die zonder er veel bij na te denken erin slaagden reuzen van andere helden te overwinnen, zijn allen bevangen in deze wereld door het idee van 'mijn' laten hun leven in de slag met de in het leven geroepen vijandschap - maar ze bereiken niet de werkelijkheid van de staf der verzaking welke, als men vrij van vijandigheid is, wèl leidt tot vervolmaking.

Er waren - en er zijn nog steeds - veel politieke en maatschappelijke helden die vijanden van gelijke kracht verslagen hebben, maar omdat ze in hun onwetendheid geloven dat het land van hen is, de strijd met elkaar aanbinden en op het slagveld sneuvelen. Ze zijn niet bij machte om het geestelijke pad te volgen dat de sannyâsî's nemen. Hoewel ze grote helden en politieke leiders zijn, kunnen ze het pad van zelfrealisatie niet begaan. (Vedabase)
 
Tekst 16:

Meer en meer gehecht zingen zij die genieten in de armen van hun vrouwen, hun klimplant, soms een vreemd liedje in het verlangen het gezang te horen van een andere vogel; en zo nu en dan ergens het gebrul van de leeuw horend zoeken ze vriendschap met de kraanvogels, de reigers en de gieren.

Soms zoekt het levend wezen in het woud van het materiële bestaan de beschutting van lianen op en wil hij naar het getjilp van de vogels in die lianen luisteren. Omdat hij bang is voor de brullende leeuwen in het woud, sluit hij vriendschap met kraanvogels, reigers en gieren. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Door hen bedrogen maar geen bevrediging vindend in het contact met de toegewijden, benaderen ze in hun gedrag de apen met wie geassocieerd ze zich nogal op hun gemak voelen met hun zinnen, en elkaar in het gezicht starend naderen ze in vergetelheid de dood.

Nadat hij door hen opgelicht is, probeert het levend wezen in het woud van de materiële wereld het contact met deze zogenaamde yogî's, svâmî's en incarnaties te verbreken en in de kring van echte toegewijden te komen, maar jammer genoeg is hij zo onfortuinlijk dat hij de instructies van de geestelijk leraar of de gevorderde toegewijden niet kan opvolgen; daarom verlaat hij hun gezelschap weer en keert terug naar de apen, die alleen maar geïnteresseerd zijn in zinsbevrediging en vrouwen. Dan vindt hij bevrediging in het gezelschap van levensgenieters die zich overgeven aan seks en drugs, en op die manier vergooit hij zijn leven. Als hij de gezichten van andere zinsbevredigers ziet, vergeet hij alles en komt zo steeds dichter bij de dood. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Het er in hun boom van nemend zijn ze, gehecht aan vrouw en kinders en kleinzielig, niet in staat om los te laten vast als ze zitten aan de gevolgen van hun eigen handelingen, daarbij somtijds, in angst verzet voor de olifant van de dood, in een grot in de bergen vallend, en zo daar opgesloten rakend.

Wanneer het levend wezen zich gedraagt als een aap die van de ene tak op de andere springt, blijft hij in de boom van het gezinsleven hangen, hoewel die afgezien van seks niets oplevert. Zo wordt hij door zijn vrouw getrapt, net als een ezel. Hij kan zich niet losrukken en blijft hulpeloos in dezelfde positie staan. Soms lijdt hij aan een ongeneeslijke ziekte, wat net is alsof men in een berggrot valt. Dan wordt hij bang voor de dood, die als een olifant achterin die grot staat, en blijft hij hulpeloos hangen, zich vastklampend aan de twijgen en takken van een klimplant. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Op de één of andere manier aan dit gevaar ontsnappend pakken ze wederom, o doder der vijanden, het oude leventje dan weer op, dat pad van genot dat de geconditioneerde ziel onder de invloed van mâyâ begaat, waarin hij er tot aan zijn dood geen zier van begrijpt.

O Mahârâja Rahûgana, doder van de vijand, als de geconditioneerde ziel op de een of andere manier aan deze gevaarlijke situatie ontsnapt, keert hij weer terug naar zijn huis om van seks te genieten, want zo werkt gehechtheid nu eenmaal. Zo, in de ban van de materiële energie van de Heer, blijft hij rondhangen in het woud van het materiële bestaan. Zelfs als hij op het punt van sterven staat, begrijpt hij nog niet waar zijn werkelijke belang ligt. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Koning Rahûgana, u, zeker eveneens op dit pad van het materiële bestaan, zal, als u eenmaal de roede der bestraffing hebt opgegeven en u zich vriendelijk gedraagt jegens alle wezens, door middel van dienst aan de Heer iemand zijn die zich in zijn geest niet langer voelt aangetrokken tot het onware; maak nu, met het gewette zwaard der kennis in de hand de oversteek naar het allerhoogste van gene zijde!'

Beste koning Rahûgana, ook u bent het slachtoffer van de uitwendige energie, want u volgt het pad van het materiële geluk. Als u een even goede vriend van alle levende wezens wilt worden, adviseer ik u nu om uw positie als koning en de roede waarmee u misdadigers straft, op te geven. Laat uw gehechtheid aan de zinsobjecten varen en pak het zwaard van kennis op dat gescherpt is door toegewijde dienst. Dan zult u de harde knoop van de begoochelende energie door kunnen hakken en in staat zijn om de oceaan der onwetendheid over te steken. (Vedabase)

 

Tekst 21:

De koning zei: 'Helaas, o beste onder de geborenen, wat heeft het voor nut om, geboren in de menselijke gedaante, om enkel van een hogere geboorte te zijn? Er is inderdaad niets superieurs aan als we in een nieuw bestaan niet de weelde kunnen genieten van omgang hebben met de waarlijk groten wiens harten zijn gezuiverd in de glorie van Hrisîkes'a [de Heer en meester der zinnen].

Koning Rahûgana zei: Deze geboorte als mens is de beste. Zelfs een geboorte onder de halfgoden op de hemelse planeten is niet zo glorieus als een geboorte als mens op deze aarde. Wat heeft de verheven positie van een halfgod voor zin? Op de hemelse planeten is er door de overdaad aan materieel comfort geen mogelijkheid om met toegewijden om te gaan. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Is het in feite niet wonderlijk volledig bevrijd te zijn door het stof van uw lotusvoeten van liefde en toewijding jegens Adhokshaja [de Heer in het Voorbije], door wiens gezelschap men in een oogwenk bevrijd raakt van alle materiële smetten en eveneens de wortel van het gebrek aan onderscheid dat men heeft met valse argumenten volledig wordt overwonnen?

Het is helemaal niet verwonderlijk dat men eenvoudigweg door bedekt te zijn met het stof van uw lotusvoeten ogenblikkelijk het niveau van zuivere toegewijde dienst aan Adhokshaja bereikt, wat zelfs grote halfgoden als Heer Brahmâ niet kunnen halen. Door gewoon maar even in uw gezelschap te zijn, heb ik al mijn argumenten, valse prestige en gebrek aan onderscheidingsvermogen verloren, wat de wortels van mijn verstrikking in de materiële wereld zijn. Ik ben nu vrij van al die problemen. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Laat er mijn respectvol eerbetoon zijn jegens de grote persoonlijkheden, of ze nu ten tonele verschijnen als jongens, als jonge mannen of als wereldverzakers; laat, van al die zelfgerealiseerde zielen der bovenzinnelijkheid die deze aarde bewandelen in verschillende gedaanten, er het heil van het geluk zijn voor al de dynastieën!'

Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan alle grote persoonlijkheden, of ze nu over de aarde lopen als kinderen, jonge jongens, avadhûta's of verheven brâhmana's. Al gaan ze verborgen onder verschillende vermommingen, ik betuig ze allemaal eer. Moge er in de koninklijke families die altijd overtredingen tegen hen maken door hun genade geluk en voorspoed heersen. (Vedabase)

 

Tekst 24:

S'rî S'uka zei: 'Op deze manier, o zoon van Uttarâ [Parîkchit], wijdde hij, die zoon der brahmaanse wijsheid, hoewel beledigd, door de kwaliteit van zijn eigen zachtgeaardheid en de superioriteit van zijn spirituele realisatie, voor de heerser van Sindhu uit over de feitelijke werkelijkheid van de ziel; met Rahûgana zo spijtig, was hij wiens lotusvoeten werden aanbeden, van een hart waarin, zoals in een volle oceaan, al de golven van het zinnelijke volledig tot rust werden gebracht terwijl hij zijn rondtrekken over deze aarde vervolgde [vergelijk 3.25: 21].

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, o zoon van moeder Uttarâ, er waren wat golven van ontevredenheid in de geest van Jada Bharata vanwege de belediging van koning Rahûgana, die hem zijn palankijn had laten dragen, maar omdat Jada Bharata er geen aandacht aan besteedde werd zijn hart weer kalm en vredig als een oceaan. Hij was zonder meer beledigd door koning Rahûgana, maar omdat hij een grote paramahamsa en een vaishnava was, had hij van nature een goed hart, en daarom vertelde hij de koning over de wezenspositie van de ziel. Toen koning Rahûgana vol berouw aan zijn lotusvoeten viel om hem vergeving te vragen, vergat hij de belediging. Daarna trok hij weer verder over de aarde, net als daarvoor. (Vedabase)

 

Tekst 25:

De koning van Sauvîra zeker van een verheven positie, kwam tot een volledig begrip van de waarheid van de opperziel; in zichzelf slaagde hij er volledig in het begrip op te geven van een lichamelijk zelf dat hij foutief in onwetendheid aan zijn persoon had toegeschreven, en aldus, o Koning, volgde hij trouw het pad der geestelijke erfopvolging vanaf de Heer. '

Na de lessen die hij van de grote toegewijde Jada Bharata had gehad, werd Rahûgana, koning van de staat Sauvîra, zich volkomen bewust van de wezenspositie van de ziel. Met andere woorden, hij gaf de lichamelijke levensbeschouwing helemaal op. Beste koning, wie zijn toevlucht neemt tot de dienaar van de dienaar van de Heer is zonder meer glorieus, omdat hij moeiteloos de lichamelijke levensbeschouwing kan opgeven. (Vedabase)

 

Tekst 26:

De Koning [Parîkchit] zei: 'Dat wat u hier zo terzake kundig beschreef, o grootste der wijsheid, in beeldspraken over de individuele ziel zijn pad in het materieel bestaan, is vervat in woorden begrijpelijk voor de geesten der geschoolden, niet zo zeer direct voor de gewone man met minder ervaring; derhalve, voor het heil van een volledig begrip van deze zo moeilijk te bevatten materie, zou u het alstublieft kunnen beschrijven door ons de exacte betekenis te vertellen?'

Vervolgens sprak koning Parîkshit als volgt tot S'ukadeva Gosvâmî: O heer, o grote toegewijde wijze, u bent alwetend. U hebt een uitstekende beschrijving van de positie van de geconditioneerde ziel gegeven door hem te vergelijken met een koopman in het woud. Uit deze lessen kunnen intelligente mensen opmaken dat de zinnen van iemand die in de lichamelijke levensbeschouwing verkeert als schurken en dieven in het woud zijn, en dat zijn vrouw en kinderen op jakhalzen en andere wilde dieren lijken. Maar voor onintelligente mensen is het niet bepaald gemakkelijk om de strekking van dit verhaal te begrijpen, omdat de exacte betekenis moeilijk uit deze allegorie te halen is. Daarom verzoek ik u, o heer, om de directe betekenis te geven. (Vedabase)

 

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Dinabandhu dasa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties