regelbalk


 

Canto 5

Guru Puja

 

Hoofdstuk 10: Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo viel het voor dat Rahûgana ['hij die helderder straalt dan de zon'], de heerser van Sindhu en Sauvîra, toen hij op pad was, aan de oever van de rivier de Ikshumatî een andere drager voor zijn draagstoel nodig had en hun aanvoerder er op uit stuurde om te zoeken naar een geschikte persoon. Zijn zoektocht leidde bij toeval naar de tweemaal geboren zoon Jada Bharata die, omdat hij zo'n stoere jongeman leek die ferm van leden zo sterk als een ezel was, hij uitkoos, hem in staat achtend de last te dragen. Hoewel hij niet geschikt was voor het karwei, droeg hij, de grote ziel, de draagstoel, er toe gedwongen zoals de gewoonte was. (2) Toen hij hiermee bezig was liep de tweemaal geboren zoon, voortdurend drie stappen voor zich uit kijkend [om niet op mieren te trappen], steeds uit de pas met de anderen en schudde daardoor de draagstoel heen en weer. Rahûgana, die dit in de gaten kreeg zei tot de mannen die hem droegen: 'O dragers, loop alsjeblieft in de pas! Waarom wordt deze draagstoel zo ongelijkmatig gedragen?'

(3) Zij, die hun meester zo berispend hoorden spreken, stelden hem angstvallig ervan op de hoogte dat dat te wijten was aan de vierde drager: (4) 'O, het is niet, o God der Mensen, dat wij, altijd trouw aan uw orders, het laten afweten. We doen welzeker wat we maar kunnen, maar het is deze nieuwe man die recentelijk is aangetrokken om met ons te werken met wie wij niet in staat zijn om ons werk als dragers te doen; hij is nogal langzaam namelijk!'

(5) Hoewel hij er door die ontboezemingen zeker van was dat het inderdaad zo ver was gekomen als gevolg van een fout van één van hen, gaf koning Rahûgana, de angstige woorden van zijn dienaren horend, in weerwil van zijn politieke ervaring, vanuit zijn kshatriya-aard enigermate toe aan het geweld der woede. Tot hem wiens spirituele gloed, als een vedisch vuur overdekt door as, niet duidelijk kon worden onderscheiden, zei hij met een geest vol hartstocht: (6) 'Wat een moeite is het helaas mijn broeder! Zo helemaal alleen op zo'n lange reis ben je zeker heel moe geworden. Noch is je gewillige, stevige lichaam erg sterk; je hebt zeker zelf last van de ouderdom mijn vriend! En natuurlijk zijn deze andere medewerkers van geen enkel nut voor je'.

Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar geen valse overtuiging van 'ik' en 'mijn' kwam bij hem op die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel; als iemand op het spirituele vlak was hij van die bijzondere instelling wat betreft fysieke zaken als het hebben van een bepaald zichzelf besturend lichaam dat is voortgekomen uit een mix van de kwaliteiten en de werklast van de onwetende materie. (7) Daaropvolgend wederom door elkaar geschud door het ongelijkmatig dragen van zijn draagstoel zei Rahûgana zeer kwaad wordend: 'O dwaas, wat is dit voor een onzin! Jij, levend lijk, negeert gewoon mijn berispingen ze in de wind slaand! Ben je je verstand kwijt? Zoals Yamarâja met het gewone volk, zal ik je eens een lesje leren zodat je erachter komt wat je plaats is in dezen!'

(8) Hoewel hij zo'n lading onzin over zich uitgestort kreeg door hem die, uit hartstocht en onwetendheid berispend, dacht dat hij kon heersen als een god der mensen, een meest geliefd voorvechter van de Heer en een wijze geleerde, glimlachte de zelfgerealiseerde brahmaan flauwtjes die, met een houding van een meester in de yoga, de vriend van alle levende wezens was, alsof een last van hem afviel en sprak hij als volgt tot de niet zo wijze heerser. (9) De brahmaan zei: 'Wat u zo duidelijk stelde is innerlijk niet strijdig als ik mijn zou kunnen zeggen tegen dat lichaam, o grote held, en tegen die drager van de last; als het dat zou zijn wat men sterk en onversaagd moet verwerven op het pad, dan moet ik u zeggen dat dat, voor de persoon van zelfverwerkelijking die zich bevindt in het lichaam, geen onderwerp van discussie is. (10) Sterk en stoer zijn, mager en zwak, pijn ondervinden met het fysieke of de geest, hongerig, dorstig, van de angst, van mening verschillend, verlangend, van hoge leeftijd en zinnelijk gemotiveerd; van het kwade, de valsheid, de illusie en het weeklagen zijn, zijn in dit lichaam zaken van hem die geboren is, maar voor wat ik ben vormen ze zeker niet de realiteit. (11) Een levende ziel te zijn gebonden aan de dood [een 'levend lijk' te zijn] is iets dat is geregeld door de natuur o Koning, alles heeft een begin en een eind; maar, hoog vereerde, als men het onveranderlijke ziet in de dingen die voorbijgaan - waarvan we spreken van meesters en dienaren - dan zegt men dat men van het juiste handelen in de yoga is. (12) Onderscheid maken naar de persoon getuigt van een vernauwde blik en, behalve dan voor wat gebruikelijk is, zie ik niet in van wat voor nut het verder zou zijn; wie is die meester en wie is hij die moet worden overheerst? Desalniettemin, o Koning, wat kan ik voor u betekenen? (13) Van zoals ik mezelf ben, o Koning, leidde u af dat ik een chaotisch, gek stuk onbenul zou zijn; wat zou het dan voor nut hebben door u te worden bestraft; hoe kan men een waanzinnige, stupide persoon iets bijbrengen - het is alsof je meel probeert te malen!'

(14) S'rî S'uka zei: 'Consequent zo op ieder woord dat was gevallen ingaand, hield de grote wijze kalm en vredig het voor gezien - wat betreft de zaak van dingen die vreemd zijn aan de ziel aanvaarde hij alles wat zich voordeed als een gevolg van wat hij voorheen genoten had, en zo ging hij, teneinde zijn verworven karma tot een goed einde te brengen, weer verder met het dragen van de draagstoel van de koning zoals hij dat gedaan had. (15) O beste van de Pându-dynastie, hij, de heerser van Sindhu en Sauvîra, was in feite eveneens van een groot geloof aangaande de controlekwestie in relatie tot de Absolute Waarheid; aldus ter zake kundig zijnde vernemend wat de tweemaal geborene zei over dat wat de valsheid uitroeit in het hart en wat de goedkeuring wegdraagt van alles van de yoga en de cultuur eromheen, kwam hij haastig naar beneden en viel hij met zijn hoofd naar voren plat ter aarde voor de lotusvoeten om zich te excuseren voor zijn overtreding. Het zo opgevend met zijn valse claim de te respecteren koning te zijn zei hij: (16) 'Wie van al de tweemaal geborenen bent u, zich verholen rondbewegend in deze wereld? Ik zie dat u een heilige draad draagt. Van welke verzaker van de wereld bent u de discipel? Vanwaar en met welke bedoeling bent u hier gekomen? Bent u, als iemand van de zuivere goedheid, hier voor ons heil of niet misschien? (17) Ik ben niet bang voor Indra's bliksemschicht noch vrees ik S'iva's drietand of de straf van Yamarâja, noch schuw ik de hitte van de zonnestralen, de maan, de wind of de wapens van Kuvera; waar ik het meest beducht voor ben is in overtreding te verkeren met de klasse der brahmanen. (18) Derhalve, als een volledig onthecht persoon die de macht der wijsheid verhult, als iemand die zich rondbeweegt terwijl hij in het voorbije verblijft, spreek tot ons, daar niemand van ons, o heilige, in staat is ook maar in enige mate te bevatten wat de woorden vol van yogabetekenis inhouden die u te berde bracht. (19) Daartoe waag ik het u zowaar te vragen, meester van de yoga, o allerbeste leraar der heilige geleerden van de werkelijkheid van de ziel, wat in deze wereld de beste bezigheid is, de veiligste toevlucht, o rechtstreekse incarnatie van de Heer der geestelijke kennis [zie Kapila: 3.25]. (20) Als zijnde Hem in eigen persoon trekt uwe goedheid rond over deze aardkloot, u bekommerend om de motieven van de mensen alhier en dat zonder uw ware identiteit te tonen; mag ik weten hoe wij, die gebonden aan familiezaken de intelligentie moeten missen, niettemin zich kunnen richten op de eindbestemming van de meesters in de yoga? (21) Men kent de vermoeidheid als men op een bepaalde manier in relatie tot de ziel tewerk gaat, zoals de manier waarop u zich beweegt met het dragen van de draagstoel; ik veronderstel dat, in navolging van het respect voor de uiterlijkheid, het evenzo goed een bewijs is van iets dat materieel niet bestaat, als het hebben van iets dat water kan bevatten als er helemaal geen water is. (22) Vanwege de hitte onder een kookpan, wordt de melk erin gedaan heet en vanwege de verhitte melk wordt de harde kern van de rijst erin gekookt; zo ook is er van het gebonden zijn aan de zintuigen de ervaring van vermoeidheid en dergelijke door de ziel die zich moet schikken naar de materie. (23) De bestuurder die goed is voor zijn onderdanen is, als een menselijk heerser over de burgerij, iemand die daadwerkelijk opdrachten ten uitvoer brengt; niet vermalend wat reeds vermalen is, is men in de plichtsvervulling van zijn eigen beroep van aanbidding voor de Onfeilbare, voor wie men handelend, verlost wordt van allerlei vormen van zonde. (24) Wees derhalve vanuit uw goede zelf waarachtig in boete, jegens mij, deze gek geworden en trotse god der mensen, zo goed uw grondeloze genade te tonen als een vriend, een vriend van mensen in nood, zodat ik bevrijding kan vinden van de zonde van het in minachting verkeren met een zo grote persoonlijkheid als u. (25) U, vriend van de Vriend van Allen, bent, als iemand ver van het lichamelijk begrip van het leven, niet uit evenwicht gebracht; maar zelfs als men zo machtig is als Heer S'iva [S'ûlapâni], zal een persoon als ik, met mijn praktijk van hooghartigheid in relatie tot de groten, zeker spoedig zijn vernietiging vinden.'

 

next                      

 
Tweede editie, geladen 24 januari, 2007.
 

 

 

Bronteksten:

 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Zo viel het voor dat Rahûgana ['hij die helderder straalt dan de zon'], de heerser van Sindhu en Sauvîra, toen hij op pad was, aan de oever van de rivier de Ikshumatî een andere drager voor zijn draagstoel nodig had en hun aanvoerder er op uit stuurde om te zoeken naar een geschikte persoon. Zijn zoektocht leidde bij toeval naar de tweemaal geboren zoon Jada Bharata die, omdat hij zo'n stoere jongeman leek die ferm van leden zo sterk als een ezel was, hij uitkoos, hem in staat achtend de last te dragen. Hoewel hij niet geschikt was voor het karwei, droeg hij, de grote ziel, de draagstoel, er toe gedwongen zoals de gewoonte was.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, enige tijd hierna was koning Rahûgana, de vorst van de staten Sindhu en Sauvîra, op weg naar Kapilâs'rama. Toen de dragers van de palankijn van de koning de oever van de Ikshumatî bereikten, bleek dat ze nog een drager nodig hadden. Daarom begonnen ze naar iemand te zoeken, en kwamen bij toeval Jada Bharata tegen. Ze zagen dat Jada Bharata jong en sterk was en stevige ledematen had, en net als een koe of een ezel zeer geschikt moest zijn om zware lasten te dragen. Hoewel zulk werk niet gepast was voor een grote ziel als Jada Bharata, dwongen ze hem niettemin zonder aarzelen om de palankijn te dragen. (Vedabase)

 

Tekst 2 :

Toen hij hiermee bezig was liep de tweemaal geboren zoon, voortdurend drie stappen voor zich uit kijkend [om niet op mieren te trappen], steeds uit de pas met de anderen en schudde daardoor de draagstoel heen en weer. Rahûgana, die dit in de gaten kreeg zei tot de mannen die hem droegen: 'O dragers, loop alsjeblieft in de pas! Waarom wordt deze draagstoel zo ongelijkmatig gedragen?'

Omdat Jada Bharata geen enkel levend wezen geweld wilde aandoen, droeg hij de palankijn echter zeer ongelijkmatig. Bij elke stap die hij zette, speurde hij eerst steeds de volgende meter grond af om te zien of hij niet op een mier zou trappen. Dit had tot gevolg dat hij de anderen niet bij kon houden. Omdat de palankijn daardoor begon te schudden vroeg koning Rahûgana onmiddellijk aan de dragers: "Waarom dragen jullie de palankijn zo ongelijkmatig? Jullie zouden er beter aan doen je taak naar behoren te verrichten." (Vedabase)

 

Tekst 3:

Zij, die hun meester zo berispend hoorden spreken, stelden hem angstvallig ervan op de hoogte dat dat te wijten was aan de vierde drager:

Toen de andere dragers van de palankijn deze dreigende woorden van Mahârâja Rahûgana hoorden, werden ze bang dat hij hen zou straffen en begonnen als volgt tot hem te spreken. (Vedabase)

 

Tekst 4:

'O, het is niet, o God der Mensen, dat wij, altijd trouw aan uw orders, het laten afweten. We doen welzeker wat we maar kunnen, maar het is deze nieuwe man die recentelijk is aangetrokken om met ons te werken met wie wij niet in staat zijn om ons werk als dragers te doen; hij is nogal langzaam namelijk!'

O heer, zie alstublieft dat wij niet in het minst onze plicht verzuimen. Wij hebben trouw uw palankijn gedragen, zoals u het verlangt, maar deze man, die nog maar pas aangesteld is om met ons te werken, kan niet snel genoeg lopen. Daarom is het onmogelijk om de palankijn samen met hem te dragen. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Hoewel hij er door die ontboezemingen zeker van was dat het inderdaad zo ver was gekomen als gevolg van een fout van één van hen, gaf koning Rahûgana, de angstige woorden van zijn dienaren horend, in weerwil van zijn politieke ervaring, vanuit zijn kshatriya-aard enigermate toe aan het geweld der woede. Tot hem wiens spirituele gloed, als een vedisch vuur overdekt door as, niet duidelijk kon worden onderscheiden, zei hij met een geest vol hartstocht:

Koning Rahûgana begreep wat de dragers, die bang waren dat ze gestraft zouden worden, bedoelden. Hij begreep ook dat het feit dat de palankijn niet goed gedragen werd de fout was van één persoon. Toen hij dit besefte en de smeekbede van de dragers hoorde, werd hij een beetje kwaad, hoewel hij heel ervaren was en bovendien zeer gevorderd in de wetenschap der politiek. Maar omdat hij de ingeboren aard had van een koning steeg de woede in hem op. In feite stond koning Rahûgana onder invloed van de geaardheid hartstocht, en daarom sprak hij als volgt tot Jada Bharata, wiens Brahman-gloed niet duidelijk zichtbaar was, maar verhuld bleef zoals een vuur dat bedekt is met as. (Vedabase)

 

Tekst 6:

'Wat een moeite is het helaas mijn broeder! Zo helemaal alleen op zo'n lange reis ben je zeker heel moe geworden. Noch is je gewillige, stevige lichaam erg sterk; je hebt zeker zelf last van de ouderdom mijn vriend! En natuurlijk zijn deze andere medewerkers van geen enkel nut voor je'. Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar geen valse overtuiging van 'ik' en 'mijn' kwam bij hem op die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel; als iemand op het spirituele vlak was hij van die bijzondere instelling wat betreft fysieke zaken als het hebben van een bepaald zichzelf besturend lichaam dat is voortgekomen uit een mix van de kwaliteiten en de werklast van de onwetende materie.

Koning Rahûgana zei tegen Jada Bharata: Hoe vervelend nu, mijn broeder. Je ziet er inderdaad zeer vermoeid uit omdat je deze palankijn al een heel eind en gedurende lange tijd helemaal alleen hebt moeten dragen. Bovendien moet je het erg moeilijk hebben omdat je al zo oud bent. Beste vriend, ik zie dat je niet bepaald stevig gebouwd en sterk bent. Of willen je mededragers soms niet met je samenwerken? Op die manier bekritiseerde de koning Jada Bharata met sarcastische woorden, maar ondanks deze kritiek bekeek Jada Bharata de situatie niet op een materiële manier. Aangezien hij zich volkomen bewust was van zijn geestelijke identiteit, wist hij dat hij niet zijn lichaam was. Hij was noch dik, noch mager of dun en hij had niets te maken met deze klomp materie bestaande uit vijf grofstoffelijke en drie fijnstoffelijke elementen. Hij was volkomen verschillend van dit materiële lichaam met zijn twee handen en zijn twee benen. Met andere woorden, hij was zich ten volle bewust van zijn geestelijke identiteit [aham brahmâsmi]. Daarom deed deze sarcastische kritiek van de koning hem niets. Zonder iets te zeggen, ging hij op precies dezelfde manier door met het dragen van de palankijn. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Daaropvolgend wederom door elkaar geschud door het ongelijkmatig dragen van zijn draagstoel zei Rahûgana zeer kwaad wordend: 'O dwaas, wat is dit voor een onzin! Jij, levend lijk, negeert gewoon mijn berispingen ze in de wind slaand! Ben je je verstand kwijt? Zoals Yamarâja met het gewone volk, zal ik je eens een lesje leren zodat je erachter komt wat je plaats is in dezen!'

Toen de koning merkte dat zijn palankijn nog steeds schudde, werd hij woedend, en zei: Jij schurk, waar ben je mee bezig? Ben je soms dood ondanks dat er nog leven in je lichaam zit? Weet je niet dat ik je meester ben? Je negeert me, en je doet niet wat ik je zeg. Voor deze ongehoorzaamheid zal ik je straffen net zoals Yamarâja, de heer des doods, zondaars straft. Ik zal je de behandeling geven die je verdient, zodat je je verstand terugkrijgt en je normaal gaat gedragen. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Hoewel hij zo'n lading onzin over zich uitgestort kreeg door hem die, uit hartstocht en onwetendheid berispend, dacht dat hij kon heersen als een god der mensen, een meest geliefd voorvechter van de Heer en een wijze geleerde, glimlachte de zelfgerealiseerde brahmaan flauwtjes die, met een houding van een meester in de yoga, de vriend van alle levende wezens was, alsof een last van hem afviel en sprak hij als volgt tot de niet zo wijze heerser.

Koning Rahûgana, die dacht dat hij een koning was, vereenzelvigde zich met zijn lichaam en stond onder invloed van de geaardheden hartstocht en onwetendheid. In zijn krankzinnigheid ging hij tegen Jada Bharata tekeer met ongepaste en tegenstrijdige woorden. Jada Bharata was een toegewijde van de hoogste orde en de geliefde verblijfplaats van de Allerhoogste Godspersoon. Hoewel de koning zichzelf als zeer geleerd beschouwde, begreep hij niets van de positie van een gevorderde toegewijde die verbonden is in toegewijde dienst, en wist hij evenmin wat voor eigenschappen zo iemand bezat. Jada Bharata was de verblijfplaats van de Allerhoogste Godspersoon, want hij droeg de gedaante van de Heer voortdurend in zijn hart. Hij was de dierbare vriend van alle levende wezens, en hield er geen enkele lichamelijke zienswijze op na. Daarom glimlachte hij en sprak de volgende woorden. (Vedabase)

 

Tekst 9:

De brahmaan zei: 'Wat u zo duidelijk stelde is innerlijk niet strijdig als ik mijn zou kunnen zeggen tegen dat lichaam, o grote held, en tegen die drager van de last; als het dat zou zijn wat men sterk en onversaagd moet verwerven op het pad, dan moet ik u zeggen dat dat, voor de persoon van zelfverwerkelijking die zich bevindt in het lichaam, geen onderwerp van discussie is.

De verheven brâhmana Jada Bharata zei: Beste koning en held, alles wat u zo sarcastisch hebt gezegd, is zonder meer waar. Uw woorden zijn in feite niet gewoon berispingen, want in werkelijkheid is het het lichaam die de last draagt, en de last die het lichaam draagt is niet van mij, aangezien ik de geestelijke ziel ben. Uw verklaringen zijn niet tegenstrijdig, omdat ik verschillend ben van het lichaam. Ik ben niet de drager van de palankijn; het lichaam is de drager. Zoals u al zei heb ik me inderdaad niet ingespannen om de palankijn te dragen, aangezien ik los sta van mijn lichaam. U heeft gezegd dat ik niet stevig en sterk ben, en dit is eveneens typisch een uitspraak van iemand die niet weet dat het lichaam en de ziel van elkaar verschillen. Het lichaam kan dik of dun zijn, maar geen enkel geleerd mens zou zoiets ooit van de ziel beweren. Als geestelijke ziel ben ik noch dik noch dun; daarom heeft u gelijk wanneer u zegt dat ik niet bepaald sterk gebouwd ben. Bovendien zou ik heel wat problemen hebben als het doel van deze reis en de weg die ernaar toe voert iets met mij te maken zou hebben; maar aangezien ze geen betrekking hebben op mij maar op mijn lichaam, ondervind ik geen enkele moeilijkheid. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Sterk en stoer zijn, mager en zwak, pijn ondervinden met het fysieke of de geest, hongerig, dorstig, van de angst, van mening verschillend, verlangend, van hoge leeftijd en zinnelijk gemotiveerd; van het kwade, de valsheid, de illusie en het weeklagen zijn, zijn in dit lichaam zaken van hem die geboren is, maar voor wat ik ben vormen ze zeker niet de realiteit.

Corpulentie, magerheid, lichamelijke en mentale pijn, dorst, honger, angst, onenigheid, het verlangen naar materieel geluk, ouderdom, slaap, gehechtheid aan materieel bezit, woede, verdriet, illusie en vereenzelviging met het lichaam, zijn alle transformaties van het materiële omhulsel van de geestelijke ziel. Iemand in de lichamelijke levensbeschouwing wordt door deze zaken geraakt, maar ik ben vrij van alle lichamelijke opvattingen. Daarom ben ik dus dik noch mager, noch al het andere wat u opgenoemd hebt. (Vedabase)

 

Tekst 11

Een levende ziel te zijn gebonden aan de dood [een 'levend lijk' te zijn] is iets dat is geregeld door de natuur o Koning, alles heeft een begin en een eind; maar, hoog vereerde, als men het onveranderlijke ziet in de dingen die voorbijgaan - waarvan we spreken van meesters en dienaren - dan zegt men dat men van het juiste handelen in de yoga is.

Beste koning, u heeft me er nodeloos van beschuldigd dood te zijn terwijl ik nog leef. Het enige wat ik in dit verband kan zeggen, is dat dit overal het geval is, omdat alles wat materieel is een begin heeft en een eind. Wat uw opvatting betreft dat u koning en meester bent en me daarom bevelen kunt geven, dit is eveneens onjuist, omdat al dergelijke posities tijdelijk zijn. Vandaag bent u de koning en ben ik uw dienaar, maar morgen zou u mijn dienaar kunnen zijn en ik uw meester. Dit zijn tijdelijke omstandigheden, geschapen door de voorzienigheid. (Vedabase)

 

Tekst 12

Onderscheid maken naar de persoon getuigt van een vernauwde blik en, behalve dan voor wat gebruikelijk is, zie ik niet in van wat voor nut het verder zou zijn; wie is die meester en wie is hij die moet worden overheerst? Desalniettemin, o Koning, wat kan ik voor u betekenen?

Beste koning, als u nog steeds denkt dat u de meester bent en ik uw dienaar, moet u mij maar bevelen, dan zal ik u gehoorzamen. Ik zou daar echter tegenin kunnen brengen dat dit onderscheid tijdelijk is, en dat het slechts voortkomt uit een gewoonte of gebruik; een andere oorzaak zie ik niet. Wie is in dat geval dan de meester en wie de dienaar? Iedereen is gedwongen de wetten der materiële natuur te gehoorzamen; daarom is niemand meester en niemand dienaar. Als u echter denkt dat u de meester bent en ik de dienaar, zal ik dit aanvaarden. Beveel me alstublieft. Wat kan ik voor u doen? (Vedabase)

 

Tekst 13:

Van zoals ik mezelf ben, o Koning, leidde u af dat ik een chaotisch, gek stuk onbenul zou zijn; wat zou het dan voor nut hebben door u te worden bestraft; hoe kan men een waanzinnige, stupide persoon iets bijbrengen - het is alsof je meel probeert te malen!'

Beste koning, u zei tegen me: "jij schurk, jij achterlijke idioot! Ik zal je straffen, dat zal je helpen om je verstand weer terug te krijgen. "In dit verband kan ik zeggen dat hoewel ik me voordoe als achterlijk en doofstom, ik in feite zelfgerealiseerd ben. Wat wint u door me te straffen? Als u het bij het rechte eind heeft en ik werkelijk gek ben, dan zal de straf die u me geeft niet meer uitwerking op mij hebben dan zweepslagen op een dood paard. U zult er eenvoudigweg niets mee bereiken. Als een gek gestraft wordt, geneest hij daardoor nog niet van zijn krankzinnigheid. (Vedabase)

 

Tekst 14:

S'rî S'uka zei: 'Consequent zo op ieder woord dat was gevallen ingaand, hield de grote wijze kalm en vredig het voor gezien - wat betreft de zaak van dingen die vreemd zijn aan de ziel aanvaarde hij alles wat zich voordeed als een gevolg van wat hij voorheen genoten had, en zo ging hij, teneinde zijn verworven karma tot een goed einde te brengen, weer verder met het dragen van de draagstoel van de koning zoals hij dat gedaan had.

S'ukadeva Gosvâmî zei: O Mahârâja Parîkshit, toen koning Rahûgana de grote toegewijde Jada Bharata met harde woorden toesprak, verdroeg de vreedzame heilige dit, en gaf hij de koning het juiste antwoord. Onwetendheid komt voort uit de lichamelijke levensbeschouwing, en Jada Bharata was vrij van zulke valse concepties. Door zijn natuurlijke nederigheid beschouwde hij zichzelf nooit als een groot toegewijde en aanvaardde hij leed dat op zijn weg kwam als het gevolg van vroeger karma. Hij dacht net als een gewoon mens dat hij door het dragen van de palankijn de gevolgen van zijn vroegere slechte daden tenietdeed; daarom begon hij de palankijn weer net als voorheen te dragen. (Vedabase)

 

Tekst 15:

O beste van de Pându-dynastie, hij, de heerser van Sindhu en Sauvîra, was in feite eveneens van een groot geloof aangaande de controlekwestie in relatie tot de Absolute Waarheid; aldus ter zake kundig zijnde vernemend wat de tweemaal geborene zei over dat wat de valsheid uitroeit in het hart en wat de goedkeuring wegdraagt van alles van de yoga en de cultuur eromheen, kwam hij haastig naar beneden en viel hij met zijn hoofd naar voren plat ter aarde voor de lotusvoeten om zich te excuseren voor zijn overtreding. Het zo opgevend met zijn valse claim de te respecteren koning te zijn zei hij:

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O beste der leden van de Pându-dynastie [Mahârâja Parîkshit], de koning van de staten Sindhu en Sauvîra [Mahârâja Rahûgana] hechtte zeer veel waarde aan gesprekken over de Absolute Waarheid. Dankzij deze goede eigenschap luisterde hij aandachtig naar Jada Bharata's filosofische uiteenzetting. Alles wat Jada Bharata zei, wordt gestaafd door de geschriften die verband houden met mystieke yoga, en ontwart de knoop in het hart. Daardoor werd de materiële opvatting die de koning over zichzelf had tenietgedaan. Hij stapte onmiddellijk uit zijn palankijn en viel languit neer op de grond met zijn hoofd aan de lotusvoeten van Jada Bharata, opdat zijn beledigende woorden aan het adres van de verheven brâhmana hem vergeven zouden worden. Daarna bad hij als volgt. (Vedabase)
 
Tekst 16:

'Wie van al de tweemaal geborenen bent u, zich verholen rondbewegend in deze wereld? Ik zie dat u een heilige draad draagt. Van welke verzaker van de wereld bent u de discipel? Vanwaar en met welke bedoeling bent u hier gekomen? Bent u, als iemand van de zuivere goedheid, hier voor ons heil of niet misschien?

Koning Rahûgana zei: O brâhmana, het lijkt alsof u zich incognito door deze wereld beweegt, door niemand gekend. Wie bent u? Ik zie dat u een heilige draad om heeft; bent u soms een geleerde brâhmana of een heilig persoon? Of bent u een van die verheven, bevrijde heiligen zoals Dattâtreya en andere zeer ontwikkelde geleerden? Mag ik vragen wiens leerling u bent? Waar woont u, en waarom bent u hier naar toe gekomen? Is het ter wille van ons dat u gekomen bent? Vertel me alstublieft wie u bent. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Ik ben niet bang voor Indra's bliksemschicht noch vrees ik S'iva's drietand of de straf van Yamarâja, noch schuw ik de hitte van de zonnestralen, de maan, de wind of de wapens van Kuvera; waar ik het meest beducht voor ben is in overtreding te verkeren met de klasse der brahmanen.

Beste heer, ik ben in het geheel niet bang voor de bliksemschicht van koning Indra, noch voor de slangachtige, puntige drietand van Heer S'iva. Ik ben niet bevreesd voor de straf van Yamarâja, de heer des doods, noch voor vuur, de brandende zon, de maan, de wind of de wapens van Kuvera. Waar ik echter wel heel bang voor ben, is voor het begaan van een overtreding tegenover een brâhmana. Daar schrik ik werkelijk voor terug. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Derhalve, als een volledig onthecht persoon die de macht der wijsheid verhult, als iemand die zich rondbeweegt terwijl hij in het voorbije verblijft, spreek tot ons, daar niemand van ons, o heilige, in staat is ook maar in enige mate te bevatten wat de woorden vol van yogabetekenis inhouden die u te berde bracht.

Beste heer, uw enorme vermogen aan geestelijke kennis lijkt verhuld te zijn, maar in werkelijkheid hebt u geen enkele band met de materie, en gaat u volkomen op in gedachten aan de Allerhoogste. Daardoor bent u oneindig gevorderd op het gebied van geestelijke kennis. Zoudt u me alstublieft willen vertellen waarom u rondzwerft als een achterlijk iemand? O nobele, heilige ziel, hetgeen u gezegd heeft wordt in de yoga-wetenschap bevestigd, maar al deze dingen zijn voor ons onbegrijpelijk. Wilt u daarom zo goed zijn om het uit te leggen? (Vedabase)

 

Tekst 19:

Daartoe waag ik het u zowaar te vragen, meester van de yoga, o allerbeste leraar der heilige geleerden van de werkelijkheid van de ziel, wat in deze wereld de beste bezigheid is, de veiligste toevlucht, o rechtstreekse incarnatie van de Heer der geestelijke kennis [zie Kapila 3.25].

Ik beschouw u als de meest verheven meester van mystieke vermogens. Uw kennis van de geestelijke wetenschap is volmaakt. U bent de beste van alle geleerde wijzen, en bent naar deze wereld afgedaald voor het welzijn van de hele mensheid. Omdat u gekomen bent om geestelijke kennis door te geven, bent u een rechtstreekse vertegenwoordiger van Kapiladeva, de incarnatie van God en de volkomen deelexpansie van kennis. Daarom stel ik u deze vraag, o geestelijk leraar: Wat is in deze wereld de veiligste toevlucht? (Vedabase)

 

Tekst 20:

Als zijnde Hem in eigen persoon trekt uwe goedheid rond over deze aardkloot, u bekommerend om de motieven van de mensen alhier en dat zonder uw ware identiteit te tonen; mag ik weten hoe wij, die gebonden aan familiezaken de intelligentie moeten missen, niettemin zich kunnen richten op de eindbestemming van de meesters in de yoga?

Is het niet een feit dat u een rechtstreekse vertegenwoordiger bent van Kapiladeva, de incarnatie van de Allerhoogste Godspersoon? Om de mensen gade te slaan en degenen die werkelijk mens zijn te onderscheiden van degenen die dat niet zijn, geeft u zich voor een doofstomme uit. Is dat niet zo? Reist u niet daarom zo over de wereld? Ik ben zeer gehecht aan gezinsleven en wereldse activiteiten, en blind voor geestelijke kennis. Desalniettemin sta ik nu voor u, en zou ik graag door u verlicht worden. Hoe kan ik vooruitgang maken in het geestelijk leven? (Vedabase)

 

Tekst 21:

Men kent de vermoeidheid als men op een bepaalde manier in relatie tot de ziel tewerk gaat, zoals de manier waarop u zich beweegt met het dragen van de draagstoel; ik veronderstel dat, in navolging van het respect voor de uiterlijkheid, het evenzo goed een bewijs is van iets dat materieel niet bestaat, als het hebben van iets dat water kan bevatten als er helemaal geen water is.

U zei: "Ik ben niet moe van het werken." Hoewel de ziel verschillend is van het lichaam, veroorzaakt de arbeid die het lichaam verricht vermoeidheid, en lijkt het of de ziel die voelt. Als u de palankijn draagt, moet de ziel beslist hard werken - zo zie ik het tenminste. U heeft ook gezegd dat de activiteiten binnen de relatie tussen meester en dienaar niet op werkelijkheid berusten, maar hoewel de fenomenale wereld inderdaad niet werkelijk is, kunnen de elementen waaruit hij is opgebouwd, de dingen wel degelijk beïnvloeden. Dat kan men zien en ervaren. Hoewel materiële activiteiten van voorbijgaande aard zijn, kan men daarom nog niet zeggen dat ze onwerkelijk zijn. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Vanwege de hitte onder een kookpan, wordt de melk erin gedaan heet en vanwege de verhitte melk wordt de harde kern van de rijst erin gekookt; zo ook is er van het gebonden zijn aan de zintuigen de ervaring van vermoeidheid en dergelijke door de ziel die zich moet schikken naar de materie.

Koning Rahûgana vervolgde: O heer, u zei dat lichamelijke kenmerken als corpulentie en magerheid geen eigenschappen zijn van de ziel; dit is echter niet juist, omdat de ziel verschijnselen als pijn en genot wel degelijk ervaart. Als men een pan met melk en rijst op het vuur zet, worden beide ingrediënten verwarmd - eerst de melk en dan de rijst. Op dezelfde manier werken lichamelijke pijn en genot in op de zinnen, de geest en de ziel. De ziel kan niet helemaal los staan van deze conditionering. (Vedabase)

 

Tekst 23:

De bestuurder die goed is voor zijn onderdanen is, als een menselijk heerser over de burgerij, iemand die daadwerkelijk opdrachten ten uitvoer brengt; niet vermalend wat reeds vermalen is, is men in de plichtsvervulling van zijn eigen beroep van aanbidding voor de Onfeilbare, voor wie men handelend, verlost wordt van allerlei vormen van zonde.

O heer, u zei dat de relatie tussen koning en onderdaan of meester en dienaar niet eeuwig is, maar hoewel dergelijke relaties tijdelijk zijn, is het de plicht van iemand die de positie van koning inneemt, om de burgers te regeren en degenen die zich niet aan de wetten houden te straffen. Door de burgers te straffen, leert hij hen de wetten houden te straffen. Door de burgers te straffen, leert hij hen de wetten van de staat te gehoorzamen. Verder heeft u gezegd dat het straffen van iemand die doofstom is te vergelijken valt met het kauwen op iets dat reeds uitgekauwd is, of het malen van iets dat al gemalen is - met andere woorden, dat het volstrekt geen zin heeft. Als iemand echter zijn voorgeschreven plicht doet zoals opgedragen door de Allerhoogste Heer, worden zijn zonden daardoor beslist verminderd; daarom vaart iemand er wel bij wanneer hij gedwongen wordt om zijn plicht te doen, aangezien dit hem in staat stelt om zich van al zijn zonden te ontdoen. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Wees derhalve vanuit uw goede zelf waarachtig in boete, jegens mij, deze gek geworden en trotse god der mensen, zo goed uw grondeloze genade te tonen als een vriend, een vriend van mensen in nood, zodat ik bevrijding kan vinden van de zonde van het in minachting verkeren met een zo grote persoonlijkheid als u.

Alles wat u gezegd hebt is in mijn ogen tegenstrijdig. O beste vriend van de ongelukkigen, door u te beledigen heb ik een grote overtreding begaan. Ik was ten onrechte trots op het feit dat ik het lichaam van een koning heb, en daardoor heb ik zonder meer overtredingen gemaakt. Daarom smeek ik u zo goed te willen zijn om me uw grondeloze genade te tonen. Als u dat doet, zal ik bevrijd worden van de zonden waaraan ik me schuldig gemaakt heb door u te beledigen. (Vedabase)

 

Tekst 25:

U, vriend van de Vriend van Allen, bent, als iemand ver van het lichamelijk begrip van het leven, niet uit evenwicht gebracht; maar zelfs als men zo machtig is als Heer S'iva [S'ûlapâni], zal een persoon als ik, met mijn praktijk van hooghartigheid in relatie tot de groten, zeker spoedig zijn vernietiging vinden.'

O heer, u bent de vriend van de Allerhoogste Godspersoon, die de vriend van alle levende wezens is. Daarom beziet u iedereen met gelijke blik, en bent u vrij van de lichamelijke levensbeschouwing. Hoewel ik een overtreding begaan heb door u te beledigen, weet ik dat mijn beledigende woorden verlies noch winst voor u betekenen, want u zult uw vastberadenheid niet verliezen. Dit neemt echter niet weg dat ik een overtreding begaan heb. Door deze overtreding tegenover de lotusvoeten van een vaishnava zal ik zonder meer vernietigd worden, zelfs al was ik zo sterk als Heer S'iva. (Vedabase)

 

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties