
Canto
4
Hoofdstuk 9: Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis
(1) Maitreya zei: 'Zij [de halfgoden], aldus bevrijd van alle angst, brachten de Heer van het buitengewone hun eerbetuigingen, waarop ze terugkeerden naar hun drie werelden. De Heer met de duizend gezichten [Sahasras'îrshâ, de oorspronkelijke Vishnu] begaf zich toen vandaar naar het Madhuvana woud er naar uitziend hem, Zijn dienaar te zien [Dhruva]. (2) Hij die van de rijpheid van zijn meditatie Hem gadesloeg, schitterend als de bliksem gemanifesteerd op de lotus van zijn hart, merkte opeens dat Hij was verdwenen, maar om zich heen kijkend zag hij Hem recht voor zich staan in dezelfde gedaante. (3) Met Hem voor zich aanwezig, wierp hij, in verwarring gebracht, zich ter aarde; met zijn lichaam languit als een stok Hem zijn eerbetuigingen brengend en Hem aankijkend, was het alsof de jongen Hem indronk, alsof hij Hem kuste met zijn mond en omhelsde met zijn armen.(4) Ziend dat hij Hem wilde verheerlijken, maar dat het hem aan de nodige ervaring ontbrak om dat te volbrengen, beroerde de Heer, die het gebed is in overeenstemming met de geschriften in het hart van een ieder, de jongen begrijpend, genadevol zijn voorhoofd met Zijn schelphoorn. (5) Daarmee de inspiratie ontvangend om in staat te zijn precies dat te zeggen wat hij wilde, kon hij, zijn gebeden doend in de liefde van zijn toewijding, begrijpen waar het met het opperste van de ziel allemaal om ging en dat hij, langs de wegen der geleidelijkheid, de bekende en beroemde Dhruva zou zijn die men zijn eigen wereld niet kon ontzeggen.
(6) Dhruva zei: 'Laat me mijn eerbetuigingen brengen aan U, de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon die als de Ene van binnen, vanuit Zijn innerlijk vermogen de universele energie dirigeert en mijn woorden en adem binnengaande, mijn passieve zinnen als ook mijn ledematen, handen, benen en huid tot leven heeft gebracht. (7) U bent voorzeker de Ene, Allerhoogste Heer, die, na middels Zijn eigen vermogen deze immense buitenwereld genaamd mâyâ geschapen te hebben - dat onbegrensd complete van de werkelijkheid met zijn geaardheden - als de Oorspronkelijke Persoonlijk erin is binnengegaan, in de tijdelijke kwaliteiten op verschillende manieren verschijnend zoals vuur dat doet in brandhout. (8) Zoals een man ontwakend uit zijn slaap, kon de Ene van overgave aan U [Brahmâ], dit hele universum overzien door de kennis door U geschonken, o mijn Heer; hoe kan, in relatie tot U als de beschutting van een ieder die de bevrijding verlangt, wie dan ook die geleerd heeft Uw Lotusvoeten buiten beschouwing laten, o vriend van hen die lijden? (9) Het lijdt geen twijfel dat U voor hen, die het onder de invloed van de buitenwereld ontbreekt aan de juiste opvatting en U aanbidden met andere bedoelingen, er als de oorzaak van de bevrijding van geboorte en dood bent als een wensboom; en U bent dat zelfs voor personen in de hel die uitzien naar een bevrediging die hen alleen aanspreekt op hun zinnen. (10) Dat wat de verrukking van de belichaamden is, ontleend aan de onpersoonlijke geest, kan de vergelijking niet doorstaan met de gelukzaligheid ontleend aan het mediteren op wat U eigen is, U zo magnifiek, Uw lotusvoeten en het luisteren naar de uiteenzettingen van diegenen die U lief hebben. En wat te zeggen het vergelijkend met de verrukking van hen die vanuit hun verheven posities ten val moeten komen vernietigd door het zwaard van de dood? (11) Ik bidt de intieme omgang te mogen genieten met hen die voortdurend bezig zijn in Uw toegewijde dienst, o Onbegrensde, met die grote toegewijden door wiens gezuiverde harten men met gemak de verschrikkelijke en enorme oceaan van gevaren die het materieel bestaan vormt kan oversteken; Ik bidt dat ik gek wordt van het drinken van de nectar van de verhalen over Uw kwaliteiten. (12) Zij, zo hoogstaand, mijn lieve Heer, denken nooit aan hun materiële lichaam, hun zich verhouden tot hun zoons, vrienden, thuis, weelde en vrouw; zij, o Heer van de Lotus Navel, hebben de omgang bereikt met hen die in hun harten altijd uit zijn op de geur van Uw lotusvoeten. (13) De dieren, de bomen, de vogels, reptielen, goden, demonen en mensen voortgedreven door de materiële energie treft men in het ganse universum aan in allerlei manieren van voortbestaan en worden om verschillende redenen dan weer wel en dan weer niet gezien, o Ongeborene, dat is wat ik weet, maar hier had ik geen idee van; van deze bovenzinnelijke gedaante, o Allerhoogste, weet ik niets anders dan het einde van mijn argument. (14) Aan het einde van ieder tijdperk wordt alles van dit Universum teruggetrokken in de buik van de Allerhoogste Persoon die terugziend neerligt in het gezelschap van Ananta S'esha die zijn bed vormt; uit de oceaan van Zijn navel ontsprong de gouden globe, met Brahmâ op de werveling van de lotus. Hem, die Allerhoogste Heer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (15) U bent het eeuwige van de bevrijding, de smetteloze, de Allerhoogste Ziel vol van kennis, de onveranderlijke, de eigenlijke Oorspronkelijke Persoon, de Opperheer en heerser van de drie geaardheden, de voortdurende intelligentie dwars door alle handelingen van het intellect heen, de bovenzinnelijke visie en getuige, de handhaver, genieter en Hij die verschilt van alle anderen. (16) U, in wiens tegengestelde natuur de verschillende energieën van kennis en onwetendheid altijd worden aangetroffen en die dat continuerende Brahman is, de oorzaak van de materiële manifestatie, de Oorspronkelijke en Onbeperkte die eenvoudigweg gelukzalig is, betoon ik mijn respekt. (17) Vergeleken met andere zegeningen zijn Uw lotusvoeten voorzeker de ware, o mijn Heer, en hoewel U als zodanig aldus de verpersoonlijking bent van het levensdoel van ieder mens, o geliefde Fortuinlijke, handhaaft U, volijverig Uw genade te doen nederdalen, hen die arm zijn van hart als ik, zoals een koe dat met een kalf doet.'
(18) Maitreya zei: 'Toen, aldus ten volle aanbeden door de fijne intelligentie van enkel zijn goede bedoelingen, sprak de Opperheer die altijd ten gunste is van Zijn toegewijden, nadat Hij hem eerst had gefeliciteerd. (19) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik weet waar je in je hart toe besloten bent, o zoon van de koning. Aangezien je zweert bij het vrome, zal Ik, hoewel het moeilijk is te vervullen, je al dat goede geluk schenken. (20-21) Nimmer, Mijn beste jongen, kende men zo'n helder stralende plaats als de planeet van Dhruva, waaromheen alle andere planeten en sterrenbeelden draaien zoals een groep stieren dat doet die vastzitten aan een paal in het midden [voor het pletten van graan]. Het is de planeet waaromheen draaiend, hem aan hun rechterzijde houdend, tezamen met de sterren, al de grote wijzen van het woud, wiens levens zich uitstrekken voorbij een millennium, zoals Dharma, Agni, Kas'yapa en S'ukra, zich bewegen. (22) Zo gauw je vader vertrokken is naar het woud, zal je worden beloond met de hele wereld. Zij zal voor zesendertigduizend jaar onder de vrome heerschappij van jouw regering staan zonder verval in de volle zin der macht. (23) Als je broer Uttama, gedood tijdens de jacht, in het woud wordt gezocht door de al te aangedane moeder, zal ze in een bosbrand terecht komen. (24) Na voor Mij, het hart van ieder offer, grote offers te hebben gebracht en vele gulle giften te hebben uitgedeeld, zal jij eveneens, nadat je de zegeningen van deze wereld hebt genoten, aan het eind van jouw leven in staat zijn Mij te herinneren. (25) Daarna zal je je op weg begeven naar Mijn verblijfplaats die op alle planeten wordt aanbeden en die zich bevindt boven die van de rishi's en daarnaar vertrokken, zal je nooit weer terugkeren.'
(26) Maitreya zei: 'Aldus, na de jongen te hebben verzekerd van zijn persoonlijke bescherming, keerde Hij, de geëerde en aanbeden Opperheer die Garuda in Zijn vlag voert, terwijl hij toekeek, naar Zijn eigen plaats terug. (27) Hoewel Dhruva met het resultaat van zijn dienst door zijn overtuiging de voeten van Vishnu had bereikt, was hij niet erg blij met de bevrediging die hij daaruit verkreeg en keerde hij huiswaarts.'
(28) Vidura zei: 'Waarom is het zo dat hij, met de zeer toegenegen aanbidding van Zijn lotusvoeten het in één enkel leven hebben verworven van de zelden bereikte allerhoogste positie van de Heer, het zo ver gebracht hebbend en zo wijs zijnd, zich niet in zijn hart voldaan voelde?'
(29) Maitreya antwoordde: 'Door de harde woorden van zijn stiefmoeder was hij in zijn hart diep geraakt en ze zich nog alle herinnerend en geen bevrijding verlangend van de Heer der Verlossing, had hij bijgevolg te kampen met verdriet. (30) Dhruva zei tot zichzelf: 'Wat door hun vervoering de vier Kumâra's, die onfeilbare celibatairen, nimmer met één enkele geboorte konden bereiken, heb ik binnen zes maanden begrepen, maar met het verwerven van de beschutting van Zijn lotusvoeten kwam ik ten val omdat ik mijn zinnen had gezet op andere zaken dan op Hem. (31) Oh helaas, bezie toch het onfortuinlijke er vanwege mijn lichamelijk bewustzijn; de lotusvoeten benaderd hebbend van Hem die alle banden kan doorbreken, heb ik gebeden voor dat wat vergankelijk is. (32) Mijn intelligentie was besmet door die intolerante lieden van God die gedoemd zijn ten val te komen en zo kon ik alleronwetendst de waarheid niet aanvaarden van wat Nârada me had gezegd. (33) Alsof ik droomde in mijn slaap zocht ik mijn toevlucht bij de begoochelende energie van het goddelijke, me in mijn hart beklagend; het in tegenstelling ziend, onder de invloed van de wereld buiten, weeklaagde ik dat mijn broeder mijn vijand was, hoewel hij alleen maar tot het tijdelijke behoort. (34) Dit, waar ik voor heb gebeden, is zo nutteloos als iemand een behandeling geven wiens leven reeds beëindigd is; na de Ziel van het Universum tevreden te hebben gesteld middels ontzeggingen, iets wat zeer moeilijk te doen is, bad ik met Hem waarmee men met de wereld kapt, voor een herhaling van geboorte en dood en moet ik het daarom zonder het fortuinlijke stellen. (35) Van Hem, bereid me Zijn volledige onafhankelijkheid te bieden, vroeg ik helaas, uit materiële dwaasheid, om materiële voorspoed; het is als een arme man die een grote keizer die onder de indruk is van zijn deugd, vraagt om een paar gebroken korrels gepelde rijst.'
(36) Maitreya zei verder: 'Mijn beste Vidura, vanzelf zijn personen, zoals jijzelf, die volijverig zijn het stof te smaken van de voeten van de Heer der Bevrijding, in het dienen van Hem, niet van enige interesse voor zichzelf uit op dat wat er automatisch mee wordt bereikt; ze beschouwen zichzelf als heel rijk. (37) Ervan gehoord hebbend dat zijn zoon was terug gekomen als was hij van de dood teruggekeerd, kon koning Uttânapâda, niet geloven waarom een zondaar als hij zulk een groot geluk ten deel zou vallen. (38) Geloof houdend in de woorden van devarishi Nârada, was hij overweldigd door de tijding die de boodschapper bracht en er zeer tevreden over, bood hij hem een kostbaar parelsnoer aan. (39-40) Zeer begerig zijn zoon te zien, beklom hij in grote haast een met goud beslagen wagen getrokken door de fijnste paarden en vertliet hij, begeleid door het geluid van schelphoorns, pauken, fluiten en het gezang van hymnen, de stad tezamen met brahmanen, de ouderen en zijn officieren, bewindslieden en vrienden. (41) Zijn beide koninginnen Sunîci en Suruci bestegen, behangen met hun goud, samen met Uttama een draagstoel en voegden zich bij de optocht. (42-43) Toen ze hem zagen nabij een in de buurt gelegen klein bos, spoedde de koning zich van zijn wagen en was hij terstond overmand door liefde op het moment dat hij in zijn buurt kwam. Emotioneel vanwege zijn grote bezorgdheid omhelsde hij met zijn beide armen langdurig zijn zoon, wiens gebondenheid van eindeloze materiële besmetting was vernietigd door de Heer Zijn lotusvoeten. (44) Daarop zijn hoofd keer op keer beruikend, baadde hij, zijn grootste wens in vervulling gegaan ziend, zijn zoon met het water koel van zijn ogen. (45) Na het respekteren van zijn vaders voeten en zijn zegen te hebben ontvangen, boog hij zijn hoofd naar zijn twee moeders en werd hij geëerd door de meest vooraanstaande der edelen. (46) Suruci, die, toen de onschuldige jongen aan haar voeten neerviel, hem optilde, omhelsde hem en sprak, verstikt van de tranen, tot hem de woorden: 'Moge je lang leven'. (47) Een ieder over wiens kwaliteiten en vriendschap de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer Hari, tevreden is; jegens hem betonen alle levende wezens, zoals water dat uit zich zelf naar de laagste plaats stroomt, hun respekt. (48) Uttama en Dhruva beiden overmand door hun emoties omhelsden elkaar keer op keer, met hun haren overeind, terwijl ze hun tranen de vrije loop lieten. (49) Sunîti, zijn moeder, omhelsde haar zoon die haar dierbaarder was dan haar eigen levensadem en gaf, er tevreden over zijn lichaam aan te raken, alle verdriet op. (50) Daar en toen, o heldhaftige, werd hij nat van de niet te stuiten tranen van de ogen en de melk die uit de beide borsten van de moeder van deze held begon te vloeien. (51) De mensen om haar heen uitten voor haar, de Koningin, hun lof: 'Het geluk van uw zoon zal al uw pijn verdrijven nu hij teruggekeerd is om het aangezicht van de aarde te beschermen nadat hij zo'n lange tijd verloren was. (52) De Allerhoogste Heer, die je kan vrijwaren van het grootste gevaar, moet door u geëerd zijn, met het verslaan van de dood die zo moeilijk is te overwinnen, zoals de grote heiligen dat doen in voortdurende meditatie op Hem.'
(53) Dhruva, aldus geprezen door de omstanders, werd door de koning tezamen met zijn broer geplaatst op de rug van een vrouwtjes-olifant en op die manier behaagd en gevierd keerde hij terug naar zijn hoofdstad. (54) Hier en daar waren van rijen bananenbomen en jonge betelnootbomen prachtige feestbogen opgezet die er haaientand-achtig uitzagen met hun trossen bloemen en vruchten. (55) Bij iedere poort was er de versiering van hangende mangobladeren, stoffen, bloemenslingers en parelkettingen tezamen met potten gevuld met water en brandende lampen. (56) Met de omringende muren, stadspoorten en huizen waren de koepels van het paleis van alle kanten schitterend om te zien, prachtig versierd als ze waren met gouden ornamenten. (57) De pleinen, lanen en daken waren grondig gereinigd en besprenkeld met sandelhoutwater en voorzien van gelukbrengende uitstallingen van gebakken rijst, gerst, bloemen en vruchten. (58-59) Toen ze Dhruva op straat zagen strooiden hier en daar de huisvrouwen, onder de uitroep van liefdevolle zegeningen, wit mosterdzaad, gerst, yoghurt, water, vers gras, bloemen en vruchten over hem uit en aldus hun zeer aangename liederen horend betrad hij het paleis van zijn vader. (60) In die fijne woning, die overdekt was met mozaïeken van kostbaar gesteente leefde hij, onder de voortdurende zorg van zijn vader tot het goddelijke opgeheven, als een god zelve. (61) Het had stoelen en meubels van goud met zeer kostbare ivoren bedden met gouden versieringen en beddengoed zo wit als het schuim van melk. (62) In de muren gemaakt van marmer, waren kostbare edelstenen verwerkt en ook de lampen die straalden van de juwelen werden omhooggehouden door vrouwelijke figuren die eveneens van kostbaar gesteente waren vervaardigd. (63) Ook de tuinen waren zeer mooi met verscheidene hemelse bomen, paartjes zangvogels en het gezoem van doldwaze hommels. (64) Smaragden traptreden leidden naar vijvers vol met lelies en blauwe lotussen, zwanen en eenden en groepjes ganzen, en kraanvogels die in de buurt verbleven.
(65) De rechtschapen koning Uttânapâda voelde zich onder de invloed van het horen en zien van zijn totaal verwonderlijke zoon, zeer gelukkig over het opperste van zijn pracht. (66) Toen hij zag dat Dhruva volwassen genoeg was qua leeftijd maakte de koning hem, met de goedkeuring van zijn liefhebbende onderdanen en ministers, heer en meester over de wereld. (67) Hij, deze koning van Vishnu, in overweging van de verlossing van zijn eigen ziel, beschouwde zichzelf eveneens oud genoeg en ging onthecht het woud in.
Tweede editie, geladen 26 september, 2006. ![]()
Source Teksts:
Dhruva Mahârâja keert terug naar huis.
Maitreya zei: 'Zij [de halfgoden], aldus bevrijd van alle angst, brachten de Heer van het buitengewone hun eerbetuigingen, waarop zij terugkeerden naar hun drie werelden. De Heer met de duizend gezichten [Sahasras'îrshâ, de oorspronkelijke Vishnu] begaf zich toen vandaar naar het Madhuvana woud er naar uitziend hem, Zijn dienaar te zien [Dhruva].De grote wijze Maitreya zei tot Vidura: Toen de halfgoden aldus gerustgesteld waren door de Allerhoogste Godspersoon, waren ze van al hun angst bevrijd en keerden, na hun eerbetuigingen te hebben gebracht, terug naar hun hemelse planeten. De Heer, die niet van de Sahasras'îrshâ-incarnatie verschilt, ging vervolgens op de rug van Garuda zitten, die Hem naar het Madhuvana-woud bracht om er Zijn dienaar Dhruva op te zoeken. (Vedabase)
Hij die van de rijpheid van zijn meditatie Hem gadesloeg, schitterend als de bliksem gemanifesteerd op de lotus van zijn hart, merkte opeens dat Hij was verdwenen, maar om zich heen kijkend zag hij Hem recht voor zich staan in dezelfde gedaante.
Terwijl Dhruva Mahârâja, die zeer gevorderd was in yoga, volkomen opging in meditatie op de gedaante van de Heer, die schitterde als de bliksem, verdween deze plotseling. Omdat Dhruva hierdoor verstoord was, werd zijn meditatie verbroken. Zodra hij echter zijn ogen opende, zag hij de Allerhoogste Godspersoon persoonlijk voor zich staan, precies zoals hij de Heer in zijn hart gezien had. (Vedabase)
Met Hem voor zich aanwezig, wierp hij, in verwarring gebracht, zich ter aarde; met zijn lichaam languit als een stok Hem zijn eerbetuigingen brengend en Hem aankijkend, was het alsof de jongen Hem indronk, alsof hij Hem kuste met zijn mond en omhelsde met zijn armen.
Toen Dhruva Mahârâja zijn Heer voor zich zag staan, was hij hevig aangedaan. Hij bracht Hem vol respect zijn eerbetuigingen door zich als een stok voor Hem op de grond te laten vallen en raakte volkomen geabsorbeerd in liefde voor God. In zijn vervoering keek Dhruva Mahârâja naar de Heer alsof hij Hem met zijn ogen indronk, met zijn mond Zijn lotusvoeten kuste, en Hem met zijn armen omhelsde. (Vedabase)
Ziend dat hij hem wilde verheerlijken, maar dat het hem aan de nodige ervaring ontbrak om dat te volbrengen, beroerde de Heer, die het gebed is in overeenstemming met de geschriften in het hart van een ieder, de jongen begrijpend, genadevol zijn voorhoofd met Zijn schelphoorn.
Hoewel Dhruva Mahârâja maar een klein jongetje was, wilde hij in gepaste taal gebeden opzeggen voor de Allerhoogste Godspersoon. Maar onervaren als hij was, kon hij niet meteen de juiste woorden vinden. De Allerhoogste Godspersoon, die Zich in ieders hart bevindt, begreep de moeilijke situatie waarin Dhruva Mahârâja zich bevond en raakte uit Zijn grondeloze genade met Zijn hoornschelp het voorhoofd van Dhruva Mahârâja aan, die met gevouwen handen voor Hem stond. (Vedabase)
Daarmee de inspiratie ontvangend om in staat te zijn precies dat te zeggen wat hij wilde, kon hij, zijn gebeden doend in de liefde van zijn toewijding, begrijpen waar het het met het opperste van de ziel allemaal om ging en dat hij, langs de wegen der geleidelijkheid, de bekende en beroemde Dhruva zou zijn die men zijn eigen wereld niet kon ontzeggen.
Op dat moment werd Dhruva Mahârâja zich volkomen bewust van de conclusie van de Veda's, en begreep hij de Absolute Waarheid en Zijn relatie met alle levende wezens. Overeenkomstig het pad van toegewijde dienst aan de Heer, wiens roem wijd verbreid is, sprak Dhruva, die later een planeet zou krijgen die nooit vernietigd zou worden, zelfs niet ten tijde van de verwoesting, zijn weloverwogen en welgekozen gebeden uit. (Vedabase)
Dhruva zei: 'Laat me mijn eerbetuigingen brengen aan U, de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon die als de Ene van binnen, vanuit Zijn innerlijk vermogen de universele energie dirigeert en mijn woorden en adem binnengaande, mijn passieve zinnen als ook mijn ledematen, handen, benen en huid tot leven heeft gebracht.
Dhruva Mahârâja zei: O mijn Heer, U bent almachtig. Na in mij binnen te zijn gegaan, hebt U al mijn slapende zinnen tot leven gewekt - mijn handen , benen, oren, tastzin, levenskracht en vooral mijn spraakvermogen. Ik breng U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
U bent voorzeker de Ene, Allerhoogste Heer, die, na middels Zijn eigen vermogen deze immense buitenwereld genaamd mâyâ geschapen te hebben - dat onbegrensd complete van de werkelijkheid met zijn geaardheden - als de Oorspronkelijke Persoonlijk erin is binnengegaan, in de tijdelijke kwaliteiten op verschillende manieren verschijnend zoals vuur dat doet in brandhout.
Mijn Heer, U bent de ene allerhoogste, maar door middel van Uw diverse energieën openbaart U Zich in de geestelijke en materiële werelden op verschillende manieren. Door Uw uitwendige vermogen schept U de totale energie van de materiële wereld, en na de schepping in de materiële wereld gaat U erin binnen als de Superziel. U bent de Allerhoogste Persoon, en U schept verschillende openbaringen via de tijdelijke geaardheden van de materiële natuur, net zoals de schitterende vlammen van een vuur verschillende vormen aannemen wanneer ze stukken hout van verschillende afmetingen verteren. (Vedabase)
Zoals een man ontwakend uit zijn slaap, kon de Ene van overgave aan U [Brahmâ], dit hele universum overzien door de kennis door U geschonken, o mijn Heer; hoe kan, in relatie tot U als de beschutting van een ieder die de bevrijding verlangt, wie dan ook die geleerd heeft Uw Lotusvoeten buiten beschouwing laten, o vriend van hen die lijden?
O mijn meester, Heer Brahmâ is volledig aan U overgegeven. In het begin gaf U hem kennis, waardoor hij het hele universum kon zien en begrijpen, net zoals iemand die wakker wordt uit zijn slaap onmiddellijk de plichten die hem wachten voor zich ziet. U bent de enige toevlucht voor al diegenen die naar bevrijding streven, en de vriend van iedereen die in nood verkeert. Hoe kan een wijze die volmaakte kennis bezit U daarom ooit vergeten? (Vedabase)
Het lijdt geen twijfel dat U voor hen, die het onder de invloed van de buitenwereld ontbreekt aan de juiste opvatting en U aanbidden met andere bedoelingen, er als de oorzaak van de bevrijding van geboorte en dood bent als een wensboom; en U bent dat zelfs voor personen in de hel die uitzien naar een bevrediging die hen alleen aanspreekt op hun zinnen.
Degenen die U aanbidden om eenvoudigweg deze huidzak te bevredigen, staan ongetwijfeld onder invloed van Uw begoochelende energie. Ondanks het feit dat ze U hebben, die als een wensboom bent en ze van geboorte en dood kan bevrijden, willen dwazen zoals ik zegeningen voor zinsbevrediging van U ontvangen, hetgeen zelfs binnen het bereik ligt van degenen die in helse omstandigheden leven. (Vedabase)
Dat wat de verrukking van de belichaamden is, ontleend aan de onpersoonlijke geest, kan de vergelijking niet doorstaan met de gelukzaligheid ontleend aan het mediteren op wat U eigen is, U zo magnifiek, Uw lotusvoeten en het luisteren naar de uiteenzettingen van diegenen die U lief hebben. En wat te zeggen het vergelijkend met de verrukking van hen die vanuit hun verheven posities ten val moeten komen vernietigd door het zwaard van de dood?
O mijn Heer, de transcendentale gelukzaligheid die men ervaart door op Uw lotusvoeten te mediteren of naar zuivere toegewijden te luisteren die over Uw heerlijkheid vertellen, is zo onbegrensd, dat ze zelfs ver uitstijgt boven het niveau van brahmânanda, waarop men denkt dat men in het onpersoonlijke Brahman is opgegaan en één is geworden met de Allerhoogste. Als zelfs brahmânanda overtroffen wordt door de transcendentale gelukzaligheid van toegewijde dienst, wat valt er dan nog te zeggen van de tijdelijke gelukzaligheid die men beleeft door naar de hemelse planeten te gaan? Dat soort gelukzaligheid wordt beëindigd door het scheidende zwaard van de tijd. Ook al wordt iemand naar de hemelse planeten bevorderd, dan zal hij toch vroeg of laat weer terugvallen. (Vedabase)
Ik bidt de intieme omgang te mogen genieten met hen die voortdurend bezig zijn in Uw toegewijde dienst, o Onbegrensde; van die grote toegewijden door wiens gezuiverde harten men met gemak de verschrikkelijke en enorme oceaan van gevaren die het materieel bestaan vormt, kan oversteken; dat ik gek wordt van het drinken van de nectar van de verhalen over Uw kwaliteiten.
Dhruva Mahârâja vervolgde: O onbegrensde Heer, wees zo goed me te zegenen met de omgang van grote toegewijden die U voortdurend transcendentale liefdedienst bewijzen, net zoals de golven van een rivier onophoudelijk voortkabbelen. Zulke transcendentale toegewijden bevinden zich op een bestaansniveau dat volkomen vrij is van alle besmetting. Door het pad van toegewijde dienst te volgen zal ik zeker in staat zijn de oceaan der onwetendheid van het materiële bestaan over te steken, die vol is met golven van laaiend, vurig gevaar. Het zal me heel gemakkelijk vallen, omdat ik dol van verlangen ben om de verhalen te horen over Uw eeuwig-bestaande transcendentale eigenschappen en spel en vermaak. (Vedabase)
Zij, zo hoogstaand, mijn lieve Heer, denken nooit aan hun materiële lichaam, hun zich verhouden tot hun zoons, vrienden, thuis, weelde en vrouw; zij, o Heer van de Lotus Navel, hebben de omgang bereikt met hen die in hun harten altijd uit zijn op de geur van Uw lotusvoeten.
O Heer, wiens navel als een lotus is, als iemand in de gelegenheid is om in het gezelschap te verkeren van een toegewijde wiens hart altijd naar Uw lotusvoeten hunkert, en die voortdurend op zoek is naar hun aroma, zal hij zich nooit hechten aan het lichaam of aan zaken die daarmee verband houden zoals kinderen, vrienden, een huis, rijkdom en een vrouw; zaken die de materialisten alle bijzonder dierbaar zijn. Hij geeft er eenvoudigweg niet om. (Vedabase)
De dieren, de bomen, de vogels, reptielen, goden, demonen en mensen voortgedreven door de materiële energie treft men in het ganse universum aan in allerlei manieren van voortbestaan en worden om verschillende redenen dan weer wel en dan weer niet gezien, o Ongeborene, dat is wat ik weet, maar hier had ik geen idee van; van deze bovenzinnelijke gedaante, o Allerhoogste, weet ik niets anders dan het einde van mijn argument.
O mijn Heer, o Allerhoogste Ongeborene, ik weet dat de verschillende soorten levende wezens zoals dieren, bomen, vogels, reptielen, halfgoden en mensen, verspreid zijn over het hele universum, dat voortkomt uit het geheel der materiële energie, en ik weet ook dat ze soms geopenbaard zijn en soms ongeopenbaard; maar nog nooit heb ik de allerhoogste gedaante gezien die ik nu voor me zie. Dit maakt een eind aan alle vormen van speculatief denken. (Vedabase)
Aan het einde van ieder tijdperk wordt alles van dit Universum teruggetrokken in de buik van de Allerhoogste Persoon die terugziend neerligt in het gezelschap van Ananta S'esha die zijn bed vormt; uit de oceaan van Zijn navel ontsprong de gouden globe, met Brahmâ op de werveling van de lotus. Hem, die Allerhoogste Heer, biedt ik mijn eerbetuigingen.
O mijn Heer, aan het eind van ieder millennium ontbindt de Allerhoogste Godspersoon Garbhodakasâyî Vishnu al het geopenbaarde in dit universum, en neemt het op in Zijn buik. Hij gaat op de schoot van S'esha Nâga liggen, waarna er uit Zijn navel een stengel met een gouden lotus groeit, en op die lotus wordt Heer Brahmâ geschapen. Ik begrijp dat U dezelfde Allerhoogste Godheid bent. Daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
U bent het eeuwige van de bevrijding, de smetteloze, de Allerhoogste Ziel vol van kennis, de onveranderlijke, de eigenlijke Oorspronkelijke Persoon, de Opperheer en heerser van de drie geaardheden, de voortdurende intelligentie dwars door alle handelingen van het intellect heen, de bovenzinnelijke visie en getuige, de handhaver, genieter en Hij die verschilt van alle anderen.
Mijn Heer, door Uw ononderbroken transcendentale blik bent U de allerhoogste getuige van alle niveaus van intellectuele activiteit. U bent eeuwig bevrijd, gevestigd in zuivere goedheid, en als Superziel onveranderlijk. U bent de oorspronkelijke Allerhoogste Godspersoon, vervuld van zes volheden, en de eeuwige meester van de drie geaardheden der materiële natuur. Dat onderscheidt U altijd van de gewone levende wezens. Als Heer Vishnu houdt U alles wat er in het universum gaande is in stand, maar toch staat U er altijd los van, en bent U de genieter van de resultaten van alle offers. (Vedabase)
U, in wiens tegengestelde natuur de verschillende energieën van kennis en onwetendheid altijd worden aangetroffen en die dat continuerende Brahman is, de oorzaak van de materiële manifestatie, de Oorspronkelijke en Onbeperkte die eenvoudigweg gelukzalig is, betoon ik mijn respekt.
O mijn Heer, in Uw onpersoonlijke openbaring van het Brahman bestaan er eeuwig twee tegengestelde elementen - kennis en onwetendheid. Uw talrijke energieën zijn voortdurend geopenbaard, maar het onpersoonlijke Brahman, dat onverdeeld, oorspronkelijk, onveranderlijk, oneindig en gelukzalig is, is de oorzaak van de materiële openbaring. Aangezien U dat onpersoonlijke Brahman bent, breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)Tekst 17:
Vergeleken met andere zegeningen zijn Uw lotusvoeten voorzeker de ware, o mijn Heer, en hoewel U als zodanig aldus de verpersoonlijking bent van het levensdoel van ieder mens, o geliefde Fortuinlijke, handhaaft U, volijverig Uw genade te doen nederdalen, hen die arm zijn van hart als ik, zoals een koe dat met een kalf doet.'
Mijn Heer, o Allerhoogste Heer, U bent de allerhoogste verpersoonlijking van alle zegen. Daarom is voor iemand die zich zonder enig ander verlangen aan Uw toegewijde dienst geeft, het vereren van Uw lotusvoeten waardevoller dan wanneer hij koning zou worden en een koninkrijk kon regeren. Zo groot is de zegen van het vereren van Uw lotusvoeten. Onwetende toegewijden zoals ik, houdt U uit Uw grondeloze genade in stand, net zoals een koe voor haar pasgeboren kalf zorgt door het melk te geven en het tegen alle gevaar te beschermen. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Toen, aldus ten volle aanbeden door de fijne intelligentie van enkel zijn goede bedoelingen, sprak de Opperheer die altijd ten gunste is van Zijn toegewijden, nadat Hij hem eerst had gefeliciteerd.
De grote wijze Maitreya vervolgde: Mijn beste Vidura, toen Dhruva Mahârâja, die alleen goede bedoelingen in zijn hart had, klaar was met zijn gebed, prees de Allerhoogste Godspersoon, die Zijn toegewijden en dienaren zeer welgezind is, hem met de volgende woorden. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Ik weet waar je in je hart toe besloten bent, o zoon van de koning. Aangezien je zweert bij het vrome, zal Ik, hoewel het moeilijk is te vervullen, je al dat goede geluk schenken.
De Godspersoon zei: Mijn beste Dhruva, zoon van de koning, je hebt je aan vrome geloften gehouden, en Ik ken ook het verlangen in je hart. Hoewel je verlangen bijzonder ambitieus is en zeer moeilijk te verwezenlijken, zal Ik je begunstigen door het te vervullen. Je hebt al Mijn zegen. (Vedabase)
Nimmer, Mijn beste jongen, kende men zo'n helder stralende plaats als de planeet van Dhruva, waaromheen alle andere planeten en sterrenbeelden draaien zoals een groep stieren dat doet die vastzitten aan een paal in het midden [voor het pletten van graan]. Het is de planeet waaromheen draaiend, hem aan hun rechterzijde houdend, tezamen met de sterren, al de grote wijzen van het woud, wiens levens zich uitstrekken voorbij een millennium, zoals Dharma, Agni, Kas'yapa en S'ukra, zich bewegen.
De Allerhoogste Godspersoon vervolgde: Mijn beste Dhruva, Ik zal je de stralende planeet die bekendstaat als de poolster schenken, welke zelfs na de verwoesting aan het einde van dit millennium zal blijven voortbestaan. Niemand heeft deze planeet, die omringd wordt door alle zonnestelsels, planeten en sterren, ooit geregeerd. Alle andere hemellichamen omcirkelen deze planeet, net zoals stieren rondom een paal lopen om het graan te malen. De poolster rechts van zich houdend, beschrijven alle sterren, die bewoond worden door grote wijzen als Dharma, Agni, Kas'yapa en S'ukra, een baan om deze planeet heen, die zelfs na de vernietiging van alle andere planeten blijft voortbestaan. (Vedabase)
Zo gauw je vader vertrokken is naar het woud, zal je worden beloond met de hele wereld. Zij zal voor zesendertigduizend jaar onder de vrome heerschappij van jouw regering staan zonder verval in de volle zin der macht.
Wanneer je vader naar het woud gaat en de heerschappij over zijn koninkrijk aan jou geeft, zul je de hele wereld gedurende zesendertigduizend jaar onafgebroken regeren, en al je zintuigen zullen net zo sterk blijven als ze nu zijn. Je zult nooit oud worden. (Vedabase)
Als je broer Uttama, gedood tijdens de jacht, in het woud wordt gezocht door de al te aangedane moeder, zal ze in een bosbrand terecht komen.
De Heer vervolgde: Op een dag zal je broer Uttama het woud ingaan om te jagen en daarbij de dood vinden. Je stiefmoeder Suruci zal, waanzinnig door de dood van haar zoon, naar hem gaan zoeken in het woud, en omkomen in een bosbrand. (Vedabase)
Na voor Mij, het hart van ieder offer, grote offers te hebben gebracht en vele gulle giften te hebben uitgedeeld, zal jij eveneens, nadat je de zegeningen van deze wereld hebt genoten, aan het eind van jouw leven in staat zijn Mij te herinneren.
De Heer vervolgde: Ik ben het hart van alle offers. Je zult in staat zijn vele indrukwekkende offers te brengen en vele giften te schenken. Op deze manier zul je in dit leven van de zegeningen van materieel geluk kunnen genieten, en op het moment van de dood in staat zijn om aan Mij te denken. (Vedabase)
Daarna zal je je op weg begeven naar Mijn verblijfplaats die op alle planeten wordt aanbeden en die zich bevindt boven die van de rishi's en daarnaar vertrokken, zal je nooit weer terugkeren.'
De Godspersoon vervolgde: Mijn beste Dhruva, na je materiële leven in dit lichaam ga je naar Mijn planeet, waaraan de bewoners van alle andere planetenstelsels altijd hun eerbetuigingen brengen. Deze planeet bevindt zich boven de planeten van de zeven rishi's, en eenmaal dat je daar bent, zul je nooit meere terug hoeven te keren naar deze materiële wereld. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Aldus, na de jongen te hebben verzekerd van zijn persoonlijke bescherming, keerde Hij, de geëerde en aanbeden Opperheer die Garuda in Zijn vlag voert, terwijl hij toekeek, naar Zijn eigen plaats terug.
De grote wijze Maitreya zei: Na door de jongen, Dhruva Mahârâja, te zijn vereerd en hem Zijn eigen planeet te hebben aangeboden, keerde Heer Vishnu op de rug van Garuda terug naar Zijn woonplaats terwijl Dhruva Mahârâja Hem nakeek(Vedabase)
Hoewel Dhruva met het resultaat van zijn dienst door zijn overtuiging de voeten van Vishnu had bereikt, was hij niet erg blij met de bevrediging die hij daaruit verkreeg en keerde hij huiswaarts.'
Hoewel Dhruva Mahârâja nu hetgeen bereikt had waar hij zo vastberaden naar gestreefd had door de lotusvoeten van de Heer te aanbidden, was hij niet erg tevreden. Aldus keerde hij terug naar huis. (Vedabase)
Vidura zei: 'Waarom is het zo dat hij, met de zeer toegenegen aanbidding van Zijn lotusvoeten het in één enkel leven hebben verworven van de zelden bereikte allerhoogste positie van de Heer, het zo ver gebracht hebbend en zo wijs zijnd, zich niet in zijn hart voldaan voelde?'
S'rî Vidura vroeg: Mijn beste brâhmana, de woonplaats van de Heer is heel moeilijk te bereiken. Men kan daar alleen komen zoor zuivere toegewijde dienst, omdat dat het enige is waarmee men de zeer toegenegen en genadige Heer tevreden kan stellen. Dhruva Mahârâja had deze positie in slechts één leven bereikt, en hij was zeer wijs en gewetensvol. Waarom was hij dan niet voldaan? (Vedabase)
Maitreya antwoordde: 'Door de harde woorden van zijn stiefmoeder was hij in zijn hart diep geraakt en ze zich nog alle herinnerend en geen bevrijding verlangend van de Heer der Verlossing, had hij bijgevolg te kampen met verdriet.
Maitreya antwoordde: Dhruva Mahârâja, wiens hart doorboord was door de pijlen van de snijdende woorden van zijn stiefmoeder, was diep gegriefd, en daarom vergat hij haar slechte gedrag niet toen hij zich op het doel van zijn leven richtte. Zijn wens was niet om werkelijk bevrijd te worden uit deze materiële wereld, maar aan het einde van zijn toegewijde dienst, toen de Allerhoogste Godspersoon voor hem verscheen, schaamde hij zich gewoon voor de materiële verlangens die hij gekoesterd had. (Vedabase)
Dhruva zei tot zichzelf: 'Wat door hun vervoering de vier Kumâra's, die onfeilbare celibatairen, nimmer met één enkele geboorte konden bereiken, heb ik binnen zes maanden begrepen, maar met het verwerven van de beschutting van Zijn lotusvoeten kwam ik ten val omdat ik mijn zinnen had gezet op andere zaken dan op Hem.
Dhruva Mahârâja dacht bij zichzelf: Ernaar streven om toevlucht te vinden in de schaduw van de lotusvoeten van de Heer is geen eenvoudige opdracht, want zelfs de grote brahmacârî's onder leiding van Sanandana, die in trance astânga-yoga beoefenden, bereikten de bescherming van de lotusvoeten van de Heer pas na vele, vele levens. Ik heb hetzelfde resultaat binnen zes maanden behaald, maar omdat ik aan iets anders dan de Heer dacht, heb ik mijn positie verloren. (Vedabase)
Oh helaas, bezie toch het onfortuinlijke er vanwege mijn lichamelijk bewustzijn; de lotusvoeten benaderd hebbend van Hem die alle banden kan doorbreken, heb ik gebeden voor dat wat vergankelijk is.
Helaas! Zie toch hoe onfortuinlijk ik ben. Ik heb de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon benaderd, die onmiddellijk de ketenen van herhaalde geboorte en dood door kan snijden, maar in mijn dwaasheid heb ik om dingen gebeden die vergankelijk zijn. (Vedabase)
Mijn intelligentie was besmet door die intolerante lieden van God die gedoemd zijn ten val te komen en zo kon ik alleronwetendst de waarheid niet aanvaarden van wat Nârada me had gezegd.
Aangezien alle halfgoden in de hogere planetenstelsels weer naar beneden zullen moeten komen, zijn ze afgunstig op het feit dat ik door mijn toegewijde dienst naar Vaikunthaloka ben bevorderd. Deze onverdraagzame halfgoden hebben mijn intelligentie weggenomen; dat is de enige reden waarom ik de ware zegen van de aanwijzingen van de wijze Nârada niet kon aanvaarden. (Vedabase)
Alsof ik droomde in mijn slaap zocht ik mijn toevlucht bij de begoochelende energie van het goddelijke, me in mijn hart beklagend; het in tegenstelling ziend, onder de invloed van de wereld buiten, weeklaagde ik dat mijn broeder mijn vijand was, hoewel hij alleen maar tot het tijdelijke behoort.
Dhruva Mahârâja klaagde: Ik was in de ban van de begoochelende energie; onbekend met de werkelijke feiten, sliep ik op haar schoot. In de greep van de dualiteit, zag ik mijn broer als mijn vijand en treurde valselijk, denkende: "Dat zijn mijn vijanden. (Vedabase)"
Dit, waar ik voor heb gebeden, is zo nutteloos als iemand een behandeling geven wiens leven reeds beëindigd is; na de Ziel van het Universum tevreden te hebben gesteld middels ontzeggingen, iets wat zeer moeilijk te doen is, bad ik met Hem waarmee men met de wereld kapt, voor een herhaling van geboorte en dood en moet ik het daarom zonder het fortuinlijke stellen.
Het is heel moeilijk om de Allerhoogste Godspersoon tevreden te stellen, maar hoewel ik erin geslaagd ben de Superziel van het hele universum te plezieren, heb ik om niets dan waardeloze dingen gevraagd. Mijn activiteiten waren net zo nutteloos als de behandeling die men geeft aan het lichaam van iemand die al dood is. Zie toch hoe onfortuinlijk ik ben, want hoewel ik de Allerhoogste Heer heb ontmoet, die de banden van geboorte en dood kan doorsnijden, heb ik opnieuw om dezelfde toestand gebeden. (Vedabase)
Van Hem, bereid me Zijn volledige onafhankelijkheid te bieden, vroeg ik helaas, uit materiële dwaasheid, om materiële voorspoed; het is als een arme man die een grote keizer die onder de indruk is van zijn deugd, vraagt om een paar gebroken korrels gepelde rijst.'
Door mijn volkomen dwaasheid en gebrek aan vrome activiteiten verlangde ik naar materiële naam, faam en voorspoed, hoewel de Heer me aanbood om Hem persoonlijk te dienen. Ik ben precies als de arme man die de keizer tevreden had gesteld en toen deze hem alles aanbood wat hij maar wilde hebben, uit onwetendheid om een paar gebroken korrels gepelde rijst vroeg. (Vedabase)
Maitreya zei verder: 'Mijn beste Vidura, vanzelf zijn personen, zoals jijzelf, die volijverig zijn het stof te smaken van de voeten van de Heer der Bevrijding, in het dienen van Hem, niet van enige interesse voor zichzelf uit op dat wat er automatisch mee wordt bereikt; ze beschouwen zichzelf als heel rijk.
De grote wijze Maitreya vervolgde: Mijn beste Vidura, mensen zoals jij, zuivere toegewijden van de lotusvoeten van Mukunda [de Allerhoogste Godspersoon, die bevrijding kan schenken], en die onafgebroken gehecht zijn aan de honing van Zijn lotusvoeten, voelen zich altijd tevreden door Hem op deze manier dienst te bewijzen. Zulke mensen blijven onder alle omstandigheden voldaan, en vragen de Heer daarom nooit om materiële voorspoed. (Vedabase)
Ervan gehoord hebbend dat zijn zoon was terug gekomen als was hij van de dood teruggekeerd, kon koning Uttânapâda, niet geloven waarom een zondaar als hij zulk een groot geluk ten deel zou vallen.
Toen koning Uttânapâda vernam dat zijn zoon Dhruva terug naar huis kwam, alsof hij terugkeerde uit de dood, kon hij geen vertrouwen hebben in deze boodschap, omdat hij betwijfelde dat dit mogelijk was. Hij beschouwde zichzelf als de meest verachtelijke persoon, en dacht daarom dat zoveel geluk hem niet toekwam. (Vedabase)
Geloof houdend in de woorden van devarishi Nârada, was hij overweldigd door de tijding die de boodschapper bracht en er zeer tevreden over, bood hij hem een kostbaar parelsnoer aan.
Hoewel hij de woorden van de boodschapper niet kon geloven, had hij volkomen vertrouwen in het woord van de grote wijze Nârada. Daarom was hij diep bewogen door het nieuws, en schonk de boodschapper uit grote blijdschap onmiddellijk een zeer waardevol parelsnoer. (Vedabase)
Zeer begerig zijn zoon te zien, beklom hij in grote haast een met goud beslagen wagen getrokken door de fijnste paarden en vertrliet hij, begeleid door het geluid van schelphoorns, pauken, fluiten en het gezang van hymnen, de stad tezamen met brahmanen, de ouderen en zijn officieren, bewindslieden en vrienden.
Vervolgens besteeg koning Uttânapâda, uit groot verlangen om het gezicht van zijn verloren zoon te zien, een triomfwagen, die getrokken werd door voortreffelijke paarden en versierd was met gouddraadwerk. Vergezeld van vele wijze brâhmana's, alsook alle oudere leden van zijn familie, zijn officieren, zijn ministers en naaste vrienden, verliet hij ogenblikkelijk de stad. Terwijl hij in deze parade reed, kon men de zegenrijke geluiden van hoornschelpen, pauken en fluiten horen, en het chanten van de vedische mantra's waarmee de gelukkige gebeurtenis werd aangekondigd. (Vedabase)Zijn beide koninginnen Sunîci en Suruci bestegen, behangen met hun goud, samen met Uttama een draagstoel en voegden zich bij de optocht.
De beide koninginnen van koning Uttânapâda, Sunîti en Suruci, en ook de andere zoon van de koning, Uttama, maakten eveneens deel uit van de optocht. De koninginnen waren in een palankijn gezeten. (Vedabase)
Toen ze hem zagen nabij een in de buurt gelegen klein bos, spoedde de koning zich van zijn wagen en was hij terstond overmand door liefde op het moment dat hij in zijn buurt kwam. Emotioneel vanwege zijn grote bezorgdheid omhelsde hij met zijn beide armen langdurig zijn zoon, wiens gebondenheid van eindeloze materiële besmetting was vernietigd door de Heer Zijn lotusvoeten.
Toen koning Uttânapâda Dhruva Mahârâja het nabijgelegen bos zag naderen, stapte hij in grote haast uit zijn triomfwagen. Hij had er al zolang en hevig naar verlangd om zijn zoon Dhruva te zien, dat hij vol liefde en genegenheid vooruit liep om zijn lang-verloren jongen te omhelzen. Zeer zwaar ademend sloot de koning Dhruva in zijn armen. Maar Dhruva Mahârâja was niet dezelfde als vroeger, want hij was volkomen geheiligd door de geestelijke vooruitgang die hij gemaakt had omdat de Allerhoogste Heer hem met Zijn lotusvoeten beroerd had. (Vedabase)
Daarop zijn hoofd keer op keer beruikend, baadde hij, zijn grootste wens in vervulling gegaan ziend, zijn zoon met het water koel van zijn ogen.
Deze hereniging met Dhruva Mahârâja vervulde koning Uttânapâda's lang gekoesterde wens; daarom snoof hij steeds opnieuw de geur van Dhruva's hoofd op en baadde hem in een stortvloed van zeer koude tranen. (Vedabase)
Na het respekteren van zijn vaders voeten en zijn zegen te hebben ontvangen, boog hij zijn hoofd naar zijn twee moeders en werd hij geëerd door de meest vooraanstaande der edelen.
Dhruva Mahârâja, de beste onder alle nobele mensen, bracht daarna allereerst zijn eerbetuigingen aan de voeten van zijn vader, waarna hij door zijn vader onthaald werd met verschillende vragen. Vervolgens boog hij zich neer aan de voeten van zijn twee moeders. (Vedabase)
Suruci, die, toen de onschuldige jongen aan haar voeten neerviel, hem optilde, omhelsde hem en sprak, verstikt van de tranen, tot hem de woorden: 'Moge je lang leven'.
Suruci, the younger mother of Dhruva Mahârâja, seeing that the innocent boy had fallen at her feet, immediately picked him up, embracing him with her hands, and with tears of feeling she blessed him with the words, "My dear boy, long may you live!. (Vedabase)"
Een ieder over wiens kwaliteiten en vriendschap de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer Hari, tevreden is; jegens hem betonen alle levende wezens, zoals water dat uit zich zelf naar de laagste plaats stroomt, hun respekt.
Toen Suruci, de jongste moeder van Dhruva Mahârâja, zag dat de onschuldige jongen aan haar voeten was gevallen, pakte ze hem onmiddellijk op en omhelsde hem. Met tranen in haar ogen zegende ze hem met de woorden: "Mijn beste jongen, dat je lang moge leven!"
Uttama en Dhruva beiden overmand door hun emoties omhelsden elkaar keer op keer, met hun haren overeind, terwijl ze hun tranen de vrije loop lieten.
Ook de twee broers Uttama en Dhruva Mahârâja vergoten tranen toen ze elkaar zagen. Ze werden overmand door extase van liefde en genegenheid en toen ze elkaar omhelsden, ging het haar op hun lichaam overeind staan. (Vedabase)
Sunîti, zijn moeder, omhelsde haar zoon die haar dierbaarder was dan haar eigen levensadem en gaf, er tevreden over zijn lichaam aan te raken, alle verdriet op.
Sunîti, de echte moeder van Dhruva Mahârâja, omhelsde het tere lichaam van haar zoon, die haar liever was dan haar eigen leven. In haar grote blijdschap vergat ze al haar materiële verdriet. (Vedabase)
Daar en toen, o heldhaftige, werd hij nat van de niet te stuiten tranen van de ogen en de melk die uit de beide borsten van de moeder van deze held begon te vloeien.
Mijn beste Vidura, Sunîti was de moeder van een grote held. Haar tranen raakten vermengd met de melk die uit haar borsten stroomde en maakten het hele lichaam van Dhruva Mahârâja nat. Dit was een zeer zegenrijk teken. (Vedabase)
De mensen om haar heen uitten voor haar, de Koningin, hun lof: 'Het geluk van uw zoon zal al uw pijn verdrijven nu hij teruggekeerd is om het aangezicht van de aarde te beschermen nadat hij zo'n lange tijd verloren was.
De paleisbewoners prezen de koningin: Beste koningin, uw geliefde zoon is lange tijd zoek geweest, en u bent zo fortuinlijk dat hij nu teruggekomen is. Het lijkt er daarom op dat uw zoon u zeer lange tijd zal kunnen beschermen en een einde zal maken aan al uw materiële ellende. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer, die je kan vrijwaren van het grootste gevaar, moet door u geëerd zijn, met het verslaan van de dood die zo moeilijk is te overwinnen, zoals de grote heiligen dat doen in voortdurende meditatie op Hem.'
Beste koningin, u moet de Allerhoogste Godspersoon hebben vereerd, die Zijn toegewijden uit de meest gevaarlijke situatie redt. Wie voortdurend op Hem mediteert ontstijgt aan de kringloop van geboorte en dood. Deze volmaaktheid is heel moeilijk te bereiken. (Vedabase)
Dhruva, aldus geprezen door de omstanders, werd door de koning tezamen met zijn broer geplaatst op de rug van een vrouwtjes-olifant en op die manier behaagd en gevierd keerde hij terug naar zijn hoofdstad.
De wijze Maitreya vervolgde: Mijn beste Vidura, het feit dat Dhruva Mahârâja door iedereen geprezen werd, maakte de koning heel gelukkig. Hij liet Dhruva en zijn broer op de rug van een vrouwtjesolifant zetten en keerde zo naar zijn hoofdstad terug, waar hij door al zijn onderdanen, ongeacht hun sociale positie, met lofuitingen ontvangen werd. (Vedabase)
Hier en daar waren van rijen bananenbomen en jonge betelnootbomen prachtige feestbogen opgezet die er haaientand-achtig uitzagen met hun trossen bloemen en vruchten.
De hele stad was versierd met pilaren van bananebomen, waarin trossen vruchten en bloemen hingen, en hier en daar zag men betelnootbomen met takken vol bladeren. Ook waren er vele erepoorten opgericht, die zo waren gemaakt dat ze aan haaien deden denken. (Vedabase)
Bij iedere poort was er de versiering van hangende mangobladeren, stoffen, bloemenslingers en parelkettingen tezamen met potten gevuld met water en brandende lampen.
Aan iedere poort hingen brandende lampen en grote waterpotten versierd met verschillende kleuren stof, parelsnoeren, kransen van bloemen en bladeren van de mangoboom. (Vedabase)
Met de omringende muren, stadspoorten en huizen waren de koepels van het paleis van alle kanten schitterend om te zien, prachtig versierd als ze waren met gouden ornamenten.
De vele paleizen, stadspoorten en wallen van de hoofdstad, die op zichzelf al buitengewoon mooi waren, waren voor deze gelegenheid allemaal versierd met gouden ornamenten. De koepels van de stadspaleizen glinsterden, evenals die van de prachtige vliegtuigen die boven de stad vlogen. (Vedabase)
De pleinen, lanen en daken waren grondig gereinigd en besprenkeld met sandelhoutwater en voorzien van gelukbrengende uitstallingen van gebakken rijst, gerst, bloemen en vruchten.
Zowel alle binnenplaatsen, lanen en straten in de stad, als de tribunes op de kruispunten, waren grondig schoongemaakt en besprenkeld met sandelhoutwater, en overal zag men zegenbrengende granen zoals rijst en gerst, alsook bloemen, vruchten en vele andere zegenrijke decoraties. (Vedabase)
Toen ze Dhruva op straat zagen strooiden hier en daar de huisvrouwen, onder de uitroep van liefdevolle zegeningen, wit mosterdzaad, gerst, yoghurt, water, vers gras, bloemen en vruchten over hem uit en aldus hun zeer aangename liederen horend betrad hij het paleis van zijn vader.
Toen Dhruva Mahârâja zo door de straten trok, kwamen alle voorname dames uit de nabije omgeving naar buiten om hem te zien, en spraken uit moederlijke genegenheid hun zegen over hem uit, terwijl ze een regen van witte mosterdzaadjes, gerst, yoghurt, water, jong gras, vruchten en bloemen over hem uitstrooiden. Zo ging Dhruva Mahârâja, onder het aangename gezang van de dames, het paleis van zijn vader binnen. (Vedabase)
In die fijne woning, die overdekt was met mozaïeken van kostbaar gesteente leefde hij, onder de voortdurende zorg van zijn vader tot het goddelijke opgeheven, als een god zelve.
Dhruva Mahârâja woonde daarna in het paleis van zijn vader, waarvan de muren ingelegd waren met zeer kostbare juwelen. Zijn liefhebbende vader omringde hem met speciale zorg, en zijn leven daar leek precies op dat van de halfgoden in hun paleizen op de hemelse planeten. (Vedabase)
Het had stoelen en meubels van goud met zeer kostbare ivoren bedden met gouden versieringen en beddengoed zo wit als het schuim van melk.
Het beddegoed in het paleis was zo wit als melkschuim, en heel zacht. De ledikanten waren gemaakt van met goud versierd ivoor, en de stoelen, banken en andere meubelen waren van goud(Vedabase)
In de muren gemaakt van marmer, waren kostbare edelstenen verwerkt en ook de lampen die straalden van de juwelen werden omhooggehouden door vrouwelijke figuren die eveneens van kostbaar gesteente waren vervaardigd.
Het paleis van de koning was omringd met marmeren muren, waarin vele afbeeldingen gegraveerd stonden die waren ingelegd met kostbare juwelen zoals saffieren, en mooie vrouwen voorstelden met lichtgevende juwelen lampen in hun handen. (Vedabase)
Ook de tuinen waren zeer mooi met verscheidene hemelse bomen, paartjes zangvogels en het gezoem van doldwaze hommels.
De koninklijke residentie was omgeven door tuinen waarin verschillende soorten bomen stonden die van de hemelse planeten waren meegebracht. In die bomen zaten paartjes lieflijk zingende vogels en bijna krankzinnige hommels, die een zeer plezierig zoemgeluid maakten. (Vedabase)
Smaragden traptreden leidden naar vijvers vol met lelies en blauwe lotussen, zwanen en eenden en groepjes ganzen, en kraanvogels die in de buurt verbleven.
Trappen van smaragd leidden naar meren die vol stonden met lelies en lotusbloemen van verschillende kleuren. Bovendien wemelde het er van de zwanen, kârandava's, cakravâka's, kraanvogels en meer van dat soort zeldzame vogels. (Vedabase)
De rechtschapen koning Uttânapâda voelde zich onder de invloed van het horen en zien van zijn totaal verwonderlijke zoon, zeer gelukkig over het opperste van zijn pracht.
Toen de heilige koning Uttânapâda over de glorieuze daden van Dhruva Mahârâja hoorde en ook zelf zag hoe invloedrijk en groots hij was, voelde hij zich zeer voldaan, omdat de activiteiten van Dhruva Mahârâja werkelijk allerwonderbaarlijkst waren. (Vedabase)
Toen hij zag dat Dhruva volwassen genoeg was qua leeftijd maakte de koning hem, met de goedkeuring van zijn liefhebbende onderdanen en ministers, heer en meester over de wereld.
Toen koning Uttânapâda - na Dhruva Mahârâja goed te hebben geobserveerd - zag dat hij volwassen genoeg was om het koninkrijk over te nemen, en hij zich ervan verzekerd had dat zijn ministers ermee instemden en dat ook de bevolking zeer op hem gesteld was, kroonde hij Dhruva tot keizer van deze planeet. (Vedabase)
Hij, deze koning van Vishnu, in overweging van de verlossing van zijn eigen ziel, beschouwde zichzelf eveneens oud genoeg en ging onthecht het woud in.
Zijn gevorderde leeftijd en het welzijn van zijn geestelijke zelf in overweging nemend, onthechtte koning Uttânapâda zich van wereldse aangelegenheden en trok het woud in. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Prasanta
dasa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties