
Canto
4
Hoofdstuk 6: Brahmâ stelt Heer S'iva tevreden
(1-2) Maitreya zei: 'Nadat al de halfgoden door de soldaten van Rudra waren verslagen met drietanden, speren, zwaarden, knuppels en hamers, brachten ze tezamen met al de priesters en de andere leden van de bijeenkomst in grote angst verslag uit van de gebeurtenissen aan Heer Brahmâ, hem hun eerbetuigingen brengend. (3) Op voorhand wetend van de onafwendbaarheid van deze gebeurtenissen woonden de Heer geboren uit de lotusbloem [Brahmâ] en Nârâyana, de Superziel van het ganse universum [Vishnu], de offerplechtigheid van Daksha niet bij. (4) Vernemend over wat zich had voorgedaan zei Heer Brahmâ: 'Er is een grote persoonlijkheid geweld aangedaan en dat is, met het oogmerk aldus voort te bestaan, over het algemeen niet bevorderlijk voor uw geluk. (5) Met het begaan hebben van deze overtredingen, Heer S'iva zijn aandeel van de offergaven ontkennend, moet u allen nog steeds, zonder enige terughoudendheid, hem tevredenstellen en snel genade vinden in het zoeken van de beschutting van zijn lotusvoeten. (6) U kan niet verwachten door te gaan met de offerplechtigheid als u niet terstond de god van alle werelden en hun heersers, die u kwaad gemaakt heeft, uw verontschuldigingen aanbiedt; verstoken van zijn echtgenote was hij in zijn hart zeer aangedaan door de onaardige woorden. (7) Noch ik, noch Indra, noch wie van u en de anderen ook die een materiëel lichaam hebben, of zelfs de wijzen die de waarheid van de reikwijdte van zijn kracht en macht kennen, hebben er ook maar enig idee van wat het betekent om iets dergelijks uit te halen met hem, die zich enkel op de ziel verlaat.'
(8) Nadat hij aldus de godsbewusten had geïnstrueerd ging Heer Brahmâ weg, gevolgd door de voorvaderen en de leiders van het volk, om hen vanaf zijn eigen plaats te leiden naar de verblijfplaats van Heer S'iva, Kailâsa, de beste van alle bergen zo geliefd bij de meester. (9) Daar leeft men met de kruiderij en de verzaking van de vedische hymnen van de yoga, is men tezamen met hen die volmaakt zijn en door andere mensen worden aanbeden en is men altijd vol van de Kinnara's, Gandharva's en Apsara's [de bewoners en zangers van de hemel en hun vrouwen]. (10) De bergketen is vol van allerlei soorten van kostbare juwelen en wordt, begroeid zijnde met bomen, klimplanten en een verscheidenheid aan andere planten, bevolkt door verschillende soorten herten. (11) De toppen met hun kristalheldere watervallen hebben verscheidene grotten die de mystici huisvesten die zich daar vermaken met hun liefhebbende echtgenotes. (12) Met het weerklinken van de schreeuwen van pauwen en het gezoem van bijen blind van dronkenschap, is er de nimmer aflatende zang van de koekoeken en het tjilpen van andere vogels. (13) Met het er rondbewegen van de olifanten en het geluid van de watervallen is het alsof de bomen, beantwoordend aan de wensen van allen, zelf in beweging hun armen uitstrekken en roepen om de vogels. (14-15) De berg wordt verder opgesierd door mandâra, pârijâta, sarala (pijnbomen) en tamâla bomen, s'âla en tâla, kovidâra, âsana en arjuna bomen, cûta's (mango), kadamba's, dhûli-kadamba's en nâga's, punnâga's en campaka's en men ziet er ook bomen als pâthala's, as'oka's, bakula's, kunda's en kurabaka's. (16) Hij is goud gekleurd van de lotus en de kaneelboom en prachtig met de mâlatî, de kubja, de mallikâ en de mâdhavî bloemen. (17) Met kata, broodvruchtbomen, julara en banyan bomen, plaksa's, nyagrodha's en bomen die asafoetida voortbrengen zijn er ook betelnoot bomen, pûga's, râjapûga's en jambu's [zwarte bessen en soortgelijk groen]. (18) Met de verscheidenheid aan bomen als kharjûra's, âmrâtaka's, âmra's en dergelijke en anderen als de priyâla's, madhuka's en inguda's, is hij eveneens rijk aan venu-kîcakaih en kîcaka [verschillende soorten bamboe]. (19-20) Kumuda-, utpala-, kahlâra- en s'atapatra-lotussen bedekken de meren van de wouden die, vol van het zachte gefluister van groepen vogels, daarnaast herten, s'alyaka's, bergkoeien en ezels, tijgers, kleinere herten en buffels en dergelijke herbergen. (21) De verschillende soorten herten zoals de karnântra's, ekapada's, as'vâsya's, vrika's en kastûrî's, genieten daar hun leven met de eveneens aanwezige groepjes bananenbomen en de prachtigste lotusmeertjes met zandige oevers. (22) De toegewijden zagen de bijzondere wateren van het Alakanandâ-meer waar Satî had gebaad en ze waren met verwondering geslagen over die berg van de Heer der Geesten. (23) Daar in Alakâ ['ongewoon mooi'] aanschouwden ze daadwerkelijk de verblijfplaats van het woud genaamd Saugandhika ['vol van geuren'], dat zo werd genoemd vanwege het soort van lotusbloemen daar aangetroffen. (24) En zelfs nog meer geheiligd door het stof van de lotusvoeten waren de twee rivieren de Nandâ en de Alakanandâ, die in de buurt van de verblijfplaats van de voeten van de meester stroomden. (25) Beste bestuurder, in die twee rivieren begaven zich de hemelse schoonheden vanuit hun woningen om na hun liefdesspel te spelen met hun echtgenoten, elkaar daarbij natspetterend in het water. (26) De beide stromen geel van het kunkum poeder deden, met het bad dat ze hen boden, de olifanten en hun wijfjes van het water drinken, zelfs als ze niet dorstig waren. (27) De hemelse verblijven genoten door de vrouwen van de deugdzamen waren overdekt met talloze waardevolle edelstenen, paarlen en goud welke ze er deed uitzien als wolken oplichtend door de flitsen van bliksem.
(28) Door het Saugandhika woud trekkend, zo aantrekkelijk met zijn variëteit aan bomen, dat met bloemen, vruchten en groen aan alle wensen tegemoet kwam, bereikten ze de verblijfplaats van de Heer der Yaksha's. (29) Daar zagen ze de schoonheid van vele roodhalzige vogels waarvan de geluiden zich mengden met het gezoem van de bijen, en zagen ze ook meertjes met groepen zwanen en de zeldzaamste lotusbloemen. (30) De bries van de sandelhoutbomen deden de wilde olifanten samendrommen en prikkelde de geesten van de vrouwen der deugdzamen keer op keer. (31) De traptreden gezien hebbend naar de baadplaatsen vol van lotussen, gebruikt door de getrouwen van de goddelijke persoonlijkheid [de kimpurusha's], ontdekten ze niet ver daar vandaan een banyan-boom. (32) Op een hoogte van duizenden meters spreidde die zijn takken uit over een kwart van de voet van de berg, een fijne verkoelende schaduw werpend, terwijl er geen vogels in nestelden. (33) Daaronder zagen de goddelijken Heer S'iva, de toevlucht van menig een grote wijze verlangend naar de bevrijding, daar gezeten zo ernstig als de eeuwige tijd zelve in het hebben opgegeven van zijn gramschap. (34) Heilige, bevrijde zielen als de Kumâra's met Sanandana aan het hoofd en Kuvera, de meester der Guhyaka's en Râkshasa's zaten daar in eerbied rondom de statige en serene Heer. (35) Aldaar zagen ze hem als de meester der zinnen, de kennis der verzaking en het pad van de yoga; de vriend van de hele wereld, die uit zijn volle genegenheid de zegen voor allen is. (36) Hij kon worden herkend zoals hij graag wordt gezien door de asceten: met as, een staf, samengeklit haar, gezeten op een antilopenhuid, met een roze oplichtend lichaam en met de sikkel van een halve maan op zijn hoofd. (37) Gezeten op een strooien mat was hij, voor alle wijzen te horen, in gesprek met Nârada over het eeuwige en de Absolute Waarheid. (38) Met zijn linkervoet geplaatst op zijn rechterdij en met zijn rechterhand rustend op zijn knie zijn gebedssnoer vasthoudend, maakte hij een handgebaar om zijn argument kracht bij te zetten. (39) Hij, leunend met zijn knie aldus vastgezet en verzonken in de trance van spirituele gelukzaligheid als de eerste denker der wijzen, ontving aldaar het eerbetoon van al de andere wijzen aanwezig met hun handen gevouwen. (40) Maar toen Heer S'iva zag dat de zelfgeborene, Heer Brahmâ, wiens voeten worden aanbeden, was aangekomen vergezeld door de besten der verlichten en niet-verlichten, stond hij op en boog hij vol respect zijn hoofd precies zoals Vishnu dat deed toen Hij als Vâmanadeva Kas'yapa verwelkomde. (41) En zo ook deden dat de andere vervolmaakten en grote rishi's, die van alle zijden het voorbeeld van hun Heer volgden in het brengen van eerbetuigingen. Na dat vertoon van respect begon Heer Brahmâ glimlachend tot Heer S'iva te spreken.(42) Brahmâ zei: 'U ken ik als de beheerser, als het vermogen van zowel de vader als de moeder van de ganse kosmische manifestatie en als hij die goedgunstig en verheven is, onveranderlijk en immaterieel. (43) U welzeker vanuit het gunstige van uw energie, schept, handhaaft en vernietigt middels uw persoonlijke expansie, o fortuinlijke, dit universum dat werkt als het web van een spin. (44) Aan u ontlenen waarlijk de getrouwe en gezworen brahmanen de voordelen van de religie en de economie zoals ingesteld met de persoon van Daksha in het bereiden van de offers voor u in deze wereld en het reguleren van het nodige maatschappelijke respect. (45) O meest gunstige van het gunstige, naar uw heerlijkheid leiden de voorgeschreven plichten van de offeraar tot hogere werelden, de hemelen en het bovenzinnelijke en vraagt men zich af waarom er voor iemand ook het tegengestelde en het onfortuinlijke is van een afschuwelijke hel. (46) Maar bij de toegewijden in volle overgave aan uw voeten, die het uwe volmaakt zien in allerlei soorten van levende wezens en vanuit het Allerhoogste geen verschil maken tussen de levende wezens, is er praktisch nimmer de woede aan te treffen, zoals men die aantreft bij de dierlijke mens. (47) Zij die denken dat alles van elkaar verschilt, zien uit naar resultaten en kunnen het niet hebben als het anderen goed gaat; zij die het met het hart hebben opgegeven zijn steeds maar boos op anderen en kwetsen met barse woorden. Zij behoeven niet gedood te worden door u daar ze reeds door de voorzienigheid zijn gedood. (48) Als op sommige plaatsen personen, begoocheld door de onoverkomelijke illusiewekkende energie van de Grote Blauwe [de Heer als Pushkaranâbha], er een ander idee op na houden, zullen heilige personen uit mededogen nooit hun krachten mobiliseren maar in plaats daarvan genade tonen, daar alles door de voorzienigheid is geregeld. (49) Maar, Heer onzer, door het grote vermogen van de Allerhoogste Persoon Zijn materiële energie is de intelligentie die ziet en weet, door diezelfde energie onaangedaan en daarom moet u, in dit geval o Heer, genade hebben met hen die uit hun eigen slaafsheid in hun hart begoocheld zijn. (50) O Heer S'iva, u deed wat u moest doen, een einde makend aan het geheel van de offerplechtigheid van de slechte priesters van Daksha die de opbrengst zouden krijgen van het nu onvoltooide offer dat hij hield; van dat offer hebt u, niet uw deel gegund zijnd, het recht om te nemen wat het uwe is. (51) Laat de offeraar Daksha zijn leven terugkrijgen, Bhagadeva zijn ogen terugkrijgen, Bhrigu zijn snor weer teruggroeien en laat Pûsâ als voorheen zijn rij tanden weer hebben. (52) Laat de godsbewusten wiens ledematen werden gebroken en de priesters die leden onder de wapens en stenen, nu, en wel direct, bij uw gunst, o vertoornde, herstellen van hun verwondingen. (53) O Rudra, laat het deel van wat er ook over is van dit offer het uwe zijn, o beminde Heer, zodat die offerplechtigheid vandaag zijn voltooiing mag vinden, o vernietiger van de yajña.
Tweede editie, geladen 10 september 2006.
![]()
Bronteksten:
Brahmâ geeft Heer S'iva genoegdoening.
Maitreya zei: 'Nadat al de halfgoden door de soldaten van Rudra waren verslagen met drietanden, speren, zwaarden, knuppels en hamers, brachten ze tezamen met al de priesters en de andere leden van de bijeenkomst in grote angst verslag uit van de gebeurtenissen aan Heer Brahmâ, hem hun eerbetuigingen brengend.Alle priesters, alle halfgoden, en de andere deelnemers aan het offer, die verslagen waren door de soldaten van Heer S'iva en wonden opgelopen hadden van wapens als drietanden en zwaarden, wendden zich in grote angst tot Heer Brahmâ. Na hem hun eerbetuigingen te hebben gebracht, vertelden ze hem tot in de kleinste bijzonderheden over alle gebeurtenissen die plaatsgevonden hadden. (Vedabase)
Op voorhand wetend van de onafwendbaarheid van deze gebeurtenissen woonden de Heer geboren uit de lotusbloem [Brahmâ] en Nârâyana, de Superziel van het ganse universum [Vishnu], de offerplechtigheid van Daksha niet bij.
Zowel Heer Brahmâ als Heer Vishnu hadden van tevoren al geweten wat zich in het offerperk van Daksha af zou spelen; daarom waren ze geen van beiden naar de offerplechtigheid toegegaan. (Vedabase)
Vernemend over wat zich had voorgedaan zei Heer Brahmâ: 'Er is een grote persoonlijkheid geweld aangedaan en dat is, met het oogmerk aldus voort te bestaan, over het algemeen niet bevorderlijk voor uw geluk.
Toen Heer Brahmâ van de halfgoden en alle anderen die het offer hadden bijgewoond het hele verhaal gehoord had, antwoordde hij: "Niemand kan gelukkig worden door een offer te brengen als hij daarbij een verheven persoonlijkheid belastert, en zo zijn lotusvoeten beledigt. Op die manier kan men niet gelukkig worden. (Vedabase)"
Met het begaan hebben van deze overtredingen, Heer S'iva zijn aandeel van de offergaven ontkennend, moet u allen nog steeds, zonder enige terughoudendheid, hem tevredenstellen en snel genade vinden in het zoeken van de beschutting van zijn lotusvoeten.
Jullie hebben Heer S'iva zijn aandeel in de vruchten van het offer ontzegd, en je daarmee allemaal schuldig gemaakt aan het beledigen van zijn lotusvoeten. Maar toch zal hij heel blij zijn als jullie zonder voorbehoud naar hem toegaan en je aan hem overgeeft door aan zijn lotusvoeten te vallen. (Vedabase)
U kan niet verwachten door te gaan met de offerplechtigheid als u niet terstond de god van alle werelden en hun heersers, die u kwaad gemaakt heeft, uw verontschuldigingen aanbiedt; verstoken van zijn echtgenote was hij in zijn hart zeer aangedaan door de onaardige woorden.
Heer Brahmâ wees hen er tevens op dat Heer S'iva zo machtig is, dat hij in zijn woede in één klap alle planeten met hun leiders kan vernietigen. Tevens herinnerde hij hen eraan dat Heer S'iva zich bijzonder verdrietig voelde, omdat hij pasgeleden zijn dierbare vrouw verloren had, en dat ook de harde woorden van Daksha hem veel pijn hadden gedaan. Volgens Heer Brahmâ was het daarom onder de gegeven omstandigheden het beste als ze meteen naar Heer S'iva toe zouden gaan en hem om vergiffenis zouden smeken. (Vedabase)
Noch ik, noch Indra, noch wie van u en de anderen ook die een materiëel lichaam hebben, of zelfs de wijzen die de waarheid van de reikwijdte van zijn kracht en macht kennen, hebben er ook maar enig idee van wat het betekent om iets dergelijks uit te halen met hem, die zich enkel op de ziel verlaat.'
Heer Brahmâ zei verder dat niemand, zelfs hijzelf niet, of Indra, of de wijzen, of wie dan ook van degenen die bij het offer waren, zich voor kon stellen hoe machtig Heer S'iva was. Wie zou dan, dit in aanmerking genomen, zijn lotusvoeten durven beledigen. (Vedabase)?
Nadat hij aldus de godsbewusten had geïnstrueerd ging Heer Brahmâ weg, gevolgd door de voorvaderen en de leiders van het volk, om hen vanaf zijn eigen plaats te leiden naar de verblijfplaats van Heer S'iva, Kailâsa, de beste van alle bergen zo geliefd bij de meester.
Nadat Brahmâ de halfgoden, Pitâ's en leiders van de levende wezens zo geïnstrueerd had, nam hij hen met zich mee naar de berg Kailâsa, de woonplaats van Heer S'iva. (Vedabase)
Daar leeft men met de kruiderij en de verzaking van de vedische hymnen van de yoga, is men tezamen met hen die volmaakt zijn en door andere mensen worden aanbeden en is men altijd vol van de Kinnara's, Gandharva's en Apsara's [de bewoners en zangers van de hemel en hun vrouwen].
Het oord dat men kent als Kailâsa, staat vol verschillende kruiden en groenten, en wordt geheiligd door het reciteren van vedische mantra's en het beoefenen van mystieke yoga. Degenen die daar geboren worden, zijn dan ook halfgoden, en beschikken over alle mystieke krachten. Behalve hen wonen er ook andere menselijke wezens, bekend als de Kinnara's en de Gandharva's, die vergezeld gaan van hun mooie vrouwen, de Apsara's of engelen. (Vedabase)
De bergketen is vol van allerlei soorten van kostbare juwelen en wordt, begroeid zijnde met bomen, klimplanten en een verscheidenheid aan andere planten, bevolkt door verschillende soorten herten.
De vele bergen van Kailâsa zijn rijk aan diverse soorten kostbare juwelen en mineralen, en worden omringd door allerlei zeldzame bomen en planten, terwijl de top van de berg verfraaid wordt door de verschillende soorten herten die er wonen. (Vedabase)
De toppen met hun kristalheldere watervallen hebben verscheidene grotten die de mystici huisvesten die zich daar vermaken met hun liefhebbende echtgenotes.
Er zijn vele watervallen, en in de bergen vindt men tal van prachtige grotten, waar de buitengewoon bekoorlijke vrouwen van de mystici verblijven. (Vedabase)
Met het weerklinken van de schreeuwen van pauwen en het gezoem van bijen blind van dronkenschap, is er de nimmer aflatende zang van de koekoeken en het tjilpen van andere vogels.
Op de berg Kailâsa kan men voortdurend het ritmische geluid van de lieflijk roepende pauwen en het gezoem van de bijen horen. De koekoeken roepen er zonder ophouden, terwijl de andere vogels tegen elkaar tjilpen. (Vedabase)
Met het er rondbewegen van de olifanten en het geluid van de watervallen is het alsof de bomen, beantwoordend aan de wensen van allen, zelf in beweging hun armen uitstrekken en roepen om de vogels.
Er staan hoge bomen met rechte takken, die de lieflijke vogels lijken aan te roepen; en als er kuddes olifanten door de heuvels trekken, lijkt het alsof de berg Kailâsa met hen meebeweegt. Ook als de watervallen ruisen, lijkt de berg Kailâsa met hen mee te doen. (Vedabase)
De berg wordt verder opgesierd door mandâra, pârijâta, sarala. (pijnbomen) en tamâla bomen, s'âla en tâla, kovidâra, âsana en arjuna bomen, cûta's. (mango), kadamba's, dhûli-kadamba's en nâga's, punnâga's en campaka's en men ziet er ook bomen als pâthala's, as'oka's, bakula's, kunda's en kurabaka's.
De hele berg Kailâsa wordt verfraaid door verschillende soorten bomen, waaronder mandâra's, pârijâta's, sarala's, tamâla's, tâla's, kovidâra's, âsana's, arjuna's, âmra-jâti's. (mango), kadamba's, dhûli-kadamba's, nâga's, punnâga's, campaka's, pâthala's, as'oka's, bakula's, kunda's en kurabaka's. Aan deze bomen, die de schoonheid van de berg verhogen, groeien heerlijk geurende bloemen. (Vedabase)
Hij is goud gekleurd van de lotus en de kaneelboom en prachtig met de mâlatî, de kubja, de mallikâ en de mâdhavî bloemen.
Er zijn nog meer bomen die de berg verfraaien, zoals de gouden lotus, de kaneelboom, de mâlatî, de kubja, de mallikâ en de mâdhavî. (Vedabase)Tekst 17:
Met kata, broodvruchtbomen, julara en banyan bomen, plaksa's, nyagrodha's en bomen die asafoetida voortbrengen zijn er ook betelnoot bomen, pûga's, râjapûga's en jambu's [zwarte bessen en soortgelijk groen].
Ook vindt men er kata's, broodvruchtbomen, julara's, banyanbomen, plaksa's, nyagrodha's en bomen die asafoetida produceren. Tevens zijn er betelnootbomen, bhûrja-patra's, râjapûga's, braamstruiken en meer van dat soort bomen en struiken. (Vedabase)
Met de verscheidenheid aan bomen als kharjûra's, âmrâtaka's, âmra's en dergelijke en anderen als de priyâla's, madhuka's en inguda's, is hij eveneens rijk aan venu-kîcakaih en kîcaka [verschillende soorten bamboe].
Men kan er mangobomen, priyâla's, madhuka's en inguda's vinden, en bovendien dunne bamboe, kîcaka en verschillende andere soorten bamboe, die alle aan de schoonheid van de berg Kailâsa bijdragen. (Vedabase)
Kumuda-, utpala-, kahlâra- en s'atapatra-lotussen bedekken de meren van de wouden die, vol van het zachte gefluister van groepen vogels, daarnaast herten, s'alyaka's, bergkoeien en ezels, tijgers, kleinere herten en buffels en dergelijke herbergen.
Er groeien verschillende soorten lotussen, zoals kumuda's, utpala's en satapatra's. Het woud lijkt op een prachtige tuin en de meertjes zitten vol met verschillende soorten vogels, die heel aangenaam tjilpen. Er zijn nog veel meer dieren, zoals herten, apen, wilde zwijnen, leeuwen, riksha's, s'alyaka's, wilde koeien, wilde ezels, tijgers, reeën, buffels enzovoort, die allen volop van het leven genieten. (Vedabase)
De verschillende soorten herten zoals de karnântra's, ekapada's, as'vâsya's, vrika's en kastûrî's, genieten daar hun leven met de eveneens aanwezige groepjes bananenbomen en de prachtigste lotusmeertjes met zandige oevers.
Men vindt er allerlei herten, zoals karnântra's, ekapada's, as'vâsya's, vrika's, en kastûrî's, die muskus produceren. Bovendien zijn er vele bananebomen, die de bergmeertjes verfraaien. (Vedabase)De toegewijden zagen de bijzondere wateren van het Alakanandâ-meer waar Satî had gebaad en ze waren met verwondering geslagen over die berg van de Heer der Geesten.
In een van die meertjes, Alakanandâ genaamd, kwam Satî zich altijd baden, en dit meer is bijzonder zegenrijk. Toen de halfgoden de schoonheid van de berg Kailâsa zagen, waren ze diep onder de indruk van alle pracht en weelde. (Vedabase)
Daar in Alakâ ['ongewoon mooi'] aanschouwden ze daadwerkelijk de verblijfplaats van het woud genaamd Saugandhika ['vol van geuren'], dat zo werd genoemd vanwege het soort van lotusbloemen daar aangetroffen.
Zo zagen de halfgoden het wonderlijk mooie gebied dat men kent als Alakâ, in het woud van Saugandhika, hetgeen "vol geur" betekent; een naam die het te danken heeft aan de vele lotussen die er groeien. (Vedabase)
En zelfs nog meer geheiligd door het stof van de lotusvoeten waren de twee rivieren de Nandâ en de Alakanandâ, die in de buurt van de verblijfplaats van de voeten van de meester stroomden.
Ze zagen ook de twee rivieren, de Nandâ en de Alakanandâ, die geheiligd worden door het stof van de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon, Govinda. (Vedabase)
Beste bestuurder, in die twee rivieren begaven zich de hemelse schoonheden vanuit hun woningen om na hun liefdesspel te spelen met hun echtgenoten, elkaar daarbij natspetterend in het water.
Mijn beste Ksattâ, Vidura, de hemelse godinnen komen met hun echtgenoten per vliegtuig naar deze rivieren, en na van seks genoten te hebben, gaan ze het water in en vermaken zich daar door hun echtgenoten nat te spatten. (Vedabase)
De beide stromen geel van het kunkum poeder deden, met het bad dat ze hen boden, de olifanten en hun wijfjes van het water drinken, zelfs als ze niet dorstig waren.
Als de godinnen van de hemelse planeten een bad genomen hebben, is het water geelgekleurd en geurig door de kunkuma van hun lichaam. Daarom komen de olifanten met hun vrouwtjes er baden, en drinken ze het water, hoewel ze geen dorst hebben. (Vedabase)
De hemelse verblijven genoten door de vrouwen van de deugdzamen waren overdekt met talloze waardevolle edelstenen, paarlen en goud welke ze er deed uitzien als wolken oplichtend door de flitsen van bliksem.
De hemelbewoners, wier vliegtuigen versierd zijn met parels, goud en vele kostbare juwelen, worden vergeleken met wolken in de lucht, die af en toe opgeluisterd worden door een bliksemschicht. (Vedabase)
Door het Saugandhika woud trekkend, zo aantrekkelijk met zijn variëteit aan bomen, dat met bloemen, vruchten en groen aan alle wensen tegemoet kwam, bereikten ze de verblijfplaats van de Heer der Yaksha's.
De halfgoden vlogen tijdens hun reis over het Saugandhika-woud, dat vol staat met verschillende soorten bloemen, vruchten en wensbomen. Toen ze over het woud vlogen, zagen ze ook het gebied van Yakshes'vara. (Vedabase)
Daar zagen ze de schoonheid van vele roodhalzige vogels waarvan de geluiden zich mengden met het gezoem van de bijen, en zagen ze ook meertjes met groepen zwanen en de zeldzaamste lotusbloemen.
Dat hemelse woud werd bewoond door vele vogels met roodachtige kelen, wier lieflijke getjilp zich vermengde met het gezoem van de bijen. Zingende zwanen en lotusbloemen met sterke stengels verhoogden de pracht van de meren vele malen. (Vedabase)
De bries van de sandelhoutbomen deden de wilde olifanten samendrommen en prikkelde de geesten van de vrouwen der deugdzamen keer op keer.
Deze hele sfeer maakte de wilde olifanten, die in kuddes door het sandelbos zwierven, onrustig, en het briesje dat er waaide inspireerde de godinnen tot meer seksueel genot. (Vedabase)
De traptreden gezien hebbend naar de baadplaatsen vol van lotussen, gebruikt door de getrouwen van de goddelijke persoonlijkheid [de kimpurusha's], ontdekten ze niet ver daar vandaan een banyan-boom.
Ze zagen ook dat de badplaatsen [ghâta's] en hun trappen van vaidûrya-mani gemaakt waren, en dat er overal lotusbloemen op het water dreven. Nadat ze deze meren achter zich hadden gelaten, kwamen ze op een plek waar een grote banyan-boom stond. (Vedabase)
Op een hoogte van duizenden meters spreidde die zijn takken uit over een kwart van de voet van de berg, een fijne verkoelende schaduw werpend, terwijl er geen vogels in nestelden.
Deze banyan-boom was dertienhonderd kilometer hoog, en zijn takken bestreken een gebied van meer dan negenhonderd kilometer in de rondte. De boom gaf een volmaakte schaduw, die voor een voortdurende koelte zorgde, en toch werd de rust er niet verstoord door het gekwetter van vogels. (Vedabase)
Daaronder zagen de goddelijken Heer S'iva, de toevlucht van menig een grote wijze verlangend naar de bevrijding, daar gezeten zo ernstig als de eeuwige tijd zelve in het hebben opgegeven van zijn gramschap.
Onder deze boom, die het vermogen had om mystieke yogî's volmaaktheid te schenken en alle mensen te bevrijden, zagen de halfgoden Heer S'iva zitten. De uitdrukking op zijn gelaat was zo ernstig als de eeuwige tijd, en hij scheen al zijn boosheid te hebben laten varen. (Vedabase)
Heilige, bevrijde zielen als de Kumâra's met Sanandana aan het hoofd en Kuvera, de meester der Guhyaka's en Râkshasa's zaten daar in eerbied rondom de statige en serene Heer.
Heer S'iva was omringd door heilige personen zoals Kuvera, de meester van de Guhyaka's, en de vier Kumâra's, die reeds bevrijde zielen waren. Hij zag er ernstig en heilig uit. (Vedabase)
Aldaar zagen ze hem als de meester der zinnen, de kennis der verzaking en het pad van de yoga; de vriend van de hele wereld, die uit zijn volle genegenheid de zegen voor allen is.
De halfgoden zagen Heer S'iva, de meester van de zintuigen, kennis, baatzuchtige activiteiten en het pad dat naar volmaaktheid leidt, de vriend van de hele wereld, en bron van zege vanwege zijn volkomen genegenheid voor iedereen, in al zijn volmaaktheid. (Vedabase)
Hij kon worden herkend zoals hij graag wordt gezien door de asceten: met as, een staf, samengeklit haar, gezeten op een antilopenhuid, met een roze oplichtend lichaam en met de sikkel van een halve maan op zijn hoofd.
Gezeten op een hertevel beoefende hij allerlei vormen van zelfdiscipline. Omdat zijn lichaam met as was ingesmeerd, leek hij op een wolk in de avondschemering. Op zijn haar droeg hij het symbool van een halve maan. (Vedabase)
Gezeten op een strooien mat was hij, voor alle wijzen te horen, in gesprek met Nârada over het eeuwige en de Absolute Waarheid.
Hij zat op een mat van stro en sprak in het bijzijn van alle anderen tot de grote wijze Nârada over de Absolute Waarheid. (Vedabase)
Met zijn linkervoet geplaatst op zijn rechterdij en met zijn rechterhand rustend op zijn knie zijn gebedssnoer vasthoudend, maakte hij een handgebaar om zijn argument kracht bij te zetten.
Zijn linkerbeen lag op zijn rechterdij, en zijn linkerhand rustte op zijn linkerdij. In zijn rechterhand hield hij een snoer rudrâksha-kralen. Deze zithouding noemt men vîrâsana. Hij zat dus in de vîrâsana-houding, en aan zijn verheven wijsvinger kon men zien dat hij een betoog voerde. (Vedabase)
Hij, leunend met zijn knie aldus vastgezet en verzonken in de trance van spirituele gelukzaligheid als de eerste denker der wijzen, ontving aldaar het eerbetoon van al de andere wijzen aanwezig met hun handen gevouwen.
Alle wijzen en halfgoden, aangevoerd door Indra, brachten met gevouwen handen hun nederige eerbetuigingen aan Heer S'iva. Gekleed in het saffraan en verzonken in trance, leek Heer S'iva op de meest verhevene van alle wijzen. (Vedabase)Maar toen Heer S'iva zag dat de zelfgeborene, Heer Brahmâ, wiens voeten worden aanbeden, was aangekomen vergezeld door de besten der verlichten en niet-verlichten, stond hij op en boog hij vol respect zijn hoofd precies zoals Vishnu dat deed toen Hij als Vâmanadeva Kas'yapa verwelkomde.
Hoewel Heer S'iva's lotusvoeten door zowel de halfgoden als de demonen aanbeden werden, stond hij ondanks zijn verheven positie toch onmiddellijk op toen hij zag dat Heer Brahmâ zich onder de halfgoden bevond, en bewees hem eer door voor hem neer te buigen en zijn lotusvoeten aan te raken, net zoals Vâmanadeva Zijn nederige eerbetuigingen aan Kas'yapa Muni bracht. (Vedabase)
En zo ook deden dat de andere vervolmaakten en grote rishi's, die van alle zijden het voorbeeld van hun Heer volgden in het brengen van eerbetuigingen. Na dat vertoon van respect begon Heer Brahmâ glimlachend tot Heer S'iva te spreken.
Ook de wijzen die bij Heer S'iva zaten, zoals Nârada en anderen, brachten hun nederige eerbetuigingen aan Heer Brahmâ, die, nadat hij aldus aanbeden was, glimlachend tot Heer S'iva begon te spreken. (Vedabase)
Brahmâ zei: 'U ken ik als de beheerser, als het vermogen van zowel de vader als de moeder van de ganse kosmische manifestatie en als hij die goedgunstig en verheven is, onveranderlijk en immaterieel.
Heer Brahmâ zei: Mijn dierbare Heer S'iva, ik weet dat u de meester van de hele stoffelijke openbaring bent, en zowel de vader als de moeder van de kosmische openbaring, en bovendien het Allerhoogste Brahman daarbuiten. Dat is hoe ik u ken. (Vedabase)
U welzeker vanuit het gunstige van uw energie, schept, handhaaft en vernietigt middels uw persoonlijke expansie, o fortuinlijke, dit universum dat werkt als het web van een spin.
Mijn dierbare heer, u schept, onderhoudt, en vernietigt deze kosmische openbaring door uw persoonlijke energie te expanderen, precies zoals een spin zijn web weeft, in stand houdt, en het weer oprolt. (Vedabase)Aan u ontlenen waarlijk de getrouwe en gezworen brahmanen de voordelen van de religie en de economie zoals ingesteld met de persoon van Daksha in het bereiden van de offers voor u in deze wereld en het reguleren van het nodige maatschappelijke respect.
Mijn dierbare heer, via Daksha heeft u het principe van het brengen van offers ingang doen vinden, waardoor men de voordelen kan genieten die het gevolg zijn van religieuze activiteiten en materiële vooruitgang. Het varna- en âs'rama-stelsel wordt nageleefd volgens regels die van u afkomstig zijn. Daarom leggen de brâhmana's de gelofte af om dit stelsel strikt te volgen. (Vedabase)
O meest gunstige van het gunstige, naar uw heerlijkheid leiden de voorgeschreven plichten van de offeraar tot hogere werelden, de hemelen en het bovenzinnelijke en vraagt men zich af waarom er voor iemand ook het tegengestelde en het onfortuinlijke is van een afschuwelijke hel.
O meest zegenrijke heer, u heeft de hemelse planeten, de geestelijke Vaikunthha-planeten en het onpersoonlijke Brahman voorbeschikt als de bestemmingen van degenen die zegenrijke activiteiten verrichten. Op dezelfde manier heeft u voor anderen, die ongelovig zijn, verschillende soorten hellen voorbestemd, die verschrikkelijk en gruwelijk zijn. Maar soms zien we dat hun bestemmingen juist precies tegenovergesteld zijn. Het is heel moeilijk te bepalen wat de oorzaak hiervan is. (Vedabase)
Maar bij de toegewijden in volle overgave aan uw voeten, die het uwe volmaakt zien in allerlei soorten van levende wezens en vanuit het Allerhoogste geen verschil maken tussen de levende wezens, is er praktisch nimmer de woede aan te treffen, zoals men die aantreft bij de dierlijke mens.
Mijn dierbare Heer, toegewijden die hun leven volkomen aan uw lotusvoeten gewijd hebben, ervaren zeker uw aanwezigheid als Paramâtmâ in ieder levend wezen, en daarom maken ze geen onderscheid tussen het ene levend wezen en het andere, maar behandelen iedereen gelijk. Ze worden nooit overmand door woede, zoals de dieren, die niets kunnen zien zonder onderscheid te maken. (Vedabase)
Zij die denken dat alles van elkaar verschilt, zien uit naar resultaten en kunnen het niet hebben als het anderen goed gaat; zij die het met het hart hebben opgegeven zijn steeds maar boos op anderen en kwetsen met barse woorden. Zij behoeven niet gedood te worden door u daar ze reeds door de voorzienigheid zijn gedood.
Degenen die overal verschillen zien, slechts gehecht zijn aan baatzuchtige activiteiten, slechte bedoelingen hebben, er altijd onder lijden als ze zien dat het anderen goed gaat, en hen daarom verdriet doen door ruwe en snijdende woorden tegen ze te spreken, zijn reeds door de voorzienigheid gedood. Daarom is het niet nodig dat ze nogmaals gedood worden door een verheven persoonlijkheid als uzelf. (Vedabase)
Als op sommige plaatsen personen, begoocheld door de onoverkomelijke illusiewekkende energie van de Grote Blauwe [de Heer als Pushkaranâbha], er een ander idee op na houden, zullen heilige personen uit mededogen nooit hun krachten mobiliseren maar in plaats daarvan genade tonen, daar alles door de voorzienigheid is geregeld.
Mijn dierbare heer, als materialisten, die reeds verbijsterd zijn door de onoverkomelijke begoochelende energie van de Allerhoogste Godheid, soms iemand beledigen, neemt een heilige dat uit zijn mededogen niet serieus. Hij weet dat ze zo handelen omdat ze overweldigd zijn door de begoochelende energie, en daarom maakt hij geen gebruik van zijn vermogens om tegen hen op te treden. (Vedabase)
Maar, Heer onzer, door het grote vermogen van de Allerhoogste Persoon Zijn materiële energie is de intelligentie die ziet en weet, door diezelfde energie onaangedaan en daarom moet u, in dit geval o Heer, genade hebben met hen die uit hun eigen slaafsheid in hun hart begoocheld zijn.
Mijn dierbare heer, u raakt nooit in de war door de geweldige invloed van de begoochelende energie van de Allerhoogste Godspersoon. Daarom bent u alwetend, en zou u genadig en mededogend moeten zijn tegenover degenen die wel verward zijn door die begoochelende energie, en die zeer gehecht zijn aan baatzuchtige activiteiten. (Vedabase)
O Heer S'iva, u deed wat u moest doen, een einde makend aan het geheel van de offerplechtigheid van de slechte priesters van Daksha die de opbrengst zouden krijgen van het nu onvoltooide offer dat hij hield; van dat offer hebt u, niet uw deel gegund zijnd, het recht om te nemen wat het uwe is.
Mijn beste Heer S'iva, u hebt recht op een deel van hetgeen geofferd wordt, en u bent het die de resultaten geeft. Omdat de onwaardige priesters u uw aandeel niet gegeven hebben, hebt u alles vernietigd en is het offer nog steeds niet volbracht. Nu kunt u doen wat nodig is en het deel nemen dat u rechtmatig toekomt. (Vedabase)
Laat de offeraar Daksha zijn leven terugkrijgen, Bhagadeva zijn ogen terugkrijgen, Bhrigu zijn snor weer teruggroeien en laat Pûsâ als voorheen zijn rij tanden weer hebben.
Mijn dierbare heer, moge door uw genade degene die het offer brengt. (koning Daksha) zijn leven terugkrijgen. Bhaga zijn ogen, Bhrigu zijn snor, en Pûsâ zijn tanden. (Vedabase)
Laat de godsbewusten wiens ledematen werden gebroken en de priesters die leden onder de wapens en stenen, nu, en wel direct, bij uw gunst, o vertoornde, herstellen van hun verwondingen.
O Heer S'iva, moge door uw genade de halfgoden en priesters wier ledematen door uw soldaten gebroken zijn, herstellen van hun verwondingen. (Vedabase)
O Rudra, laat het deel van wat er ook over is van dit offer het uwe zijn, o beminde Heer, zodat die offerplechtigheid vandaag zijn voltooiing mag vinden, o vernietiger van de yajña.
O vernietiger van het offer, neem alstublieft uw aandeel en laat het offer door uw genade volbracht worden. (Vedabase)
Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Ramadasa-abhirama dasa
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties