
Canto
4
Hoofdstuk 13: Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja
(1) Sûta zei [tot de rishi's in Naimishâranya]: "Het aanhoren van de beschrijving van Maitreya van Dhruva's opklimmen naar de verblijfplaats Vaikunthha, deed Vidura's liefde voor de Allerhoogste Heer, die men met normale ogen niet kan waarnemen, groeien en wederom deed hij moeite Maitreya Muni vragen te stellen.
(2) Vidura vroeg: 'Wie waren zij, die u de Pracetâ's noemde? Waarom stond hun familie bekend en wie, o beste onder de gezworenen, waren hun zonen en wat voor offer brachten zij? (3) Ik denk dat Nârada de grootste van alle toegewijden is; hij zag God in het gelaat en hij sprak over de gang van zaken van het leveren van dienst in toewijding tot de Heer [kriya-yoga of de pâncarâtrika-methode]. (4) Toen deze mannen hun plichten vervulden in het aanbidden van de Allerhoogste Heer, werd Hij vol van toewijding beschreven door Nârada. (5) O brahmaan, wees zo goed me alles te vertellen van de verhalen over de Heer toen door de devarishi verteld.'
(6) Maitreya zei: 'Utkala, de zoon van Dhruva, verlangde niet, nadat zijn vader naar het woud was vertrokken, de positie van de troon van zijn vader met alle land en weelde. (7) Vanaf de dag dat hij geboren werd, was hij een tevreden, onthechte ziel, die gelijkgestemd, alomtegenwoordig in de wereld de Superziel waarnam en de hele wereld zag rusten in de Superziel. (8-9) Het zich betrekken op de heilige geest had, voor zijn geestelijke ziel, het afgescheiden zijn van de hemel beëindigd [nirvana] en door een niet aflatende yogapraktijk had hij zijn gelukzaligheid vergroot, die als een vuur al de onzuiverheden van zijn karma uit zijn geest had weggebrand; op die manier zijn eigenlijke positie inziend zag hij niets anders meer dan de Superziel. (10) Op straat onder de mensen deed hij zich aan de minder intelligenten voor als een dwaas, blind, doof, stom en gek, maar in feite was zijn intelligentie meer als een vuur waarvan de vlammen getemperd zijn. (11) Er van uitgaande dat Utkala verstoken was van intelligentie en gek was, stelden de ouderen van de familie en de ministers van staat Vatsara, de jongere zoon van Bhrami, tot heerser aan over de wereld. (12) Svarvîthi, koning Vatsara's beminde echtgenote, liet zes zonen het leven zien: Pushpârna, Tigmaketu, Isha, Ûrja, Vasu en Jaya. (13) Pushpârna had twee vrouwen Doshâ en Prabhâ en van Prabhâ genoot men het geluk de zonen Prâtar, Madhyandinam en Sâyam te mogen zien. (14) Pradosha, Nis'itha en Viyushtha waren zoo ook de drie zoons van Dosâ. Viyushtha verwekte bij zijn vrouw Pushkarinî een zoon genaamd Sarvatejâ [de almachtige]. (15-16) Zijn vrouw, Âkûti geheten, schonk het leven aan Câkshusha Manu die inderdaad de [zesde] Manu was. Vrij van hartstocht schonk hij, van zijn koningin Nadvalâ, de wereld de zonen Puru, Kutsa, Trita, Dyumna, Satyavân, Rita, Vrata, Agnishthoma, Atîrâtra, Pradyumna, S'ibi en Ulmuka. (17) In Pushkarinî verwekte Ulmuka zes uitnemende zonen: Anga, Sumanâ, Khyâti, Kratu, Angirâ en Gaya. (18) De vrouw van Anga, Sunîthâ gaf geboorte aan Vena die zeer boosaardig was en vanwege zijn slechte karakter verliet de zedige koning Anga uit teleurstelling de stad. (19-20) Hij [Vena] werd vervloekt door de grote wijzen, wiens vertoornde woorden hem troffen als een donderslag; daarop verliet hij toen het leven en verstoken van een koning, leden daarop hadden al de bewoners van de wereld het te stellen met dieven en schurken. Ze karnden zijn rechter hand, waarop een deelincarnatie [ams'a-avatâra] van Nârâyana genaamd Prithu nederdaalde, die de oorspronkelijk Heer van de Aarde werd.
(21) Vidura zei: 'Als koning Anga zo'n toonbeeld van goed karakter was en een heilige persoon, een aanhanger van de brahmaanse cultuur en een grote ziel, hoe kon zijn zoon dan zó slecht zijn dat hij zijn belangstelling verloor en vertrok? (22) Waarom koesterden de wijzen bekend met de beginselen der religie, fouten opmerkend, het verlangden over Vena de brahmaanse vloek uit te spreken terwijl hij het zelf was die de roede der kastijding gegeven was? (23) De koning moet nooit door de bevolking worden beledigd hoe zondig hij ook mag zijn, omdat hij van al de plaatselijke vertegenwoordigers, middels zijn persoonlijke invloed, de macht handhaaft. (24) Alstublieft beschrijf mij, uw trouwe dienaar, al dit over de activiteiten van de zoon van Sunitha, o brahmaan, daar u goed op de hoogte bent met de zaken van hierboven en beneden.
(25) Maitreya gaf ten antwoord: 'Koning Anga bracht eens een groot as'vamedha-offer, maar voor die grootse plechtigheid kwamen de goddelijken, hoewel genodigd door de voorgaande brahmanen, nimmer opdagen. (26) Daarover peinzend zeiden ze toen tot hem die de aanzet voor het offer had gegeven: ' De goddelijken accepteren de priesters hun uitgietingen in het vuur niet. (27) O Koning, er is niets onzuivers met de offergaven die u met grote zorg hebt ingezameld, noch is er ook maar iets mis met de juiste uitvoering van de mantra's door de gekwalificeerde brahmanen. (28) In dit verband kunnen wij niet de geringste belediging of nalatigheid constateren jegens de goddelijken, waardoor zij die van de goddelijkheid zijn en de offerplechtigheid moeten bijwonen, niet hun eigen deel zouden accepteren.'
(29) Maitreya zei: 'Koning Anga, die het offer bracht, was, nadat hij hoorde wat de twee maal geborenen zeiden, er zeer over terneergeslagen en richtte zich toen, met hun permissie, tot hen, om nader te worden geïnformeerd: (30) 'Ertoe uitgenodigd komen zij die van God zijn niet opdagen om hun deel van het offer in ontvangst te nemen; mijn beste priesters, alstublieft zeg me wat de aard van de overtreding is die ik heb begaan?'
(31) De leidende priesters zeiden: 'O God der Mensen, in dit leven hebt u ook niet maar de geringste zonde begaan, maar in uw vorige leven was er een zonde waardoor in dit leven u navenant zonder een zoon zit. (32) Derhalve - alle geluk aan u - breng het offer ten uitvoer om een goede zoon te krijgen, o Koning; de Heer, de genieter van het offer, aanbeden in het verlangen naar een zoon, zal u er een schenken. (33) Daarop zullen alle mannen van God hun deel van het offer aanvaarden, omdat voor het doel van een zoon dan rechtstreeks de Hoogste Persoonlijkheid is uitgenodigd. (34) De Heer die is aanbeden zal de persoon met wat er ook verlangd werd belonen, als het zeker is dat daarmee in overeenstemming Hij voor de mensen het verlangde resultaat is.
(35) Aldus besloten gingen de geleerden met hun middelen van offeren over tot de offerande voor Vishnu, de Heer der Vlammen, met de bedoeling dat de koning een zoon zou krijgen. (36) Uit het offervuur verscheen een persoon gekleed in het wit met een gouden krans en een gouden pot waarin hij rijst gekookt in melk met zich meevoerde. (37) Hij, de koning, verankerd in de geest der adel, nam met de instemming van de geleerden de in melk gekookte rijst in zijn bijeen gebrachte handpalmen en bood het, er met groot genoegen aan gesnoven hebbend, aan zijn vrouw aan. (38) Zij, de koningin, van het voedsel etend dat haar een kind zou schenken, werd inderdaad door de echtgenoot bevrucht en raakte zwanger en gaf aldus na de nodige tijd geboorte aan de zoon die, er geen hebbend, node moest verschijnen.(39) Dat kind, voorwaar een zoon, verscheen ten dele in navolging van het op de dood begrepen areligieuze van de grootvader van moeders kant en daarvan groeide hij uit tot een schender van de heilige plicht. (40) Hij had de gewoonte zijn boog op te pakken als een jager en het bos in te gaan om onschuldige herten te doden en om die reden riepen alle mensen uit: 'Daar heb je hem, de wrede Vena!'. (41) Als hij buiten speelde met jongens van zijn leeftijd bracht hij ze zeer wreed met geweld ter dood alsof hij dieren afslachtte. (42) Ziend hoe wreed zijn zoon was, was de koning met verschillende strafmaatregelen niet in staat hem onder controle te krijgen en zodoende raakte hij zeer bedroefd denkend: (43) 'Zij die het zonder een zoon moeten stellen moeten God de eer bewezen hebben; zij hebben niet te lijden onder dit ondraaglijk leed thuis te moeten leven met een dermate slechte zoon. (44) Van de kwade roep en het onrechtgeaarde van een slechte zoon zal er grote onenigheid onder de mannen zijn en een eindeloze bezorgdheid onder de mensen in het algemeen. (45) Wie wil er nu een dergelijke zogenaamde zoon? Zonder twijfel betekent hij voor de ziel gebondenheid aan illusie; welk intelligent mens zou waarde hechten aan iemand die zijn huis ellende bezorgt? (46) Ik denk dat het beter is een slechte zoon te hebben dan een goede, daar men door het verdriet onthecht raakt van zijn thuis, dat als de bron van alle treurnis, het leven van een sterfelijk man in een hoop ellende verandert.'
(47) Aldus onverschillig geraakt stond hij, de koning, niet in staat te slapen, in het holst van de nacht van zijn bed op om zijn, van de zegeningen der grote zielen zo welvarende, woning op te geven en verliet hij, niet gezien door wie dan ook, Vena's moeder die diep in slaap was. (48) Toen ze doorkregen dat de koning, zich niet langer bekommerend, vertrokken was, zochten al de burgers, priesters en ministers, vrienden en de rest van de mensen, de aarde af in grote droefenis, precies zoals onervaren yogî's van buitenaf speuren naar wat er allemaal binnenin de persoon verborgen zit. (49) Niet ook maar een spoor van hun vader des vaderlands vindend, o Kaurava, keerden de burgers teleurgesteld naar hun stad terug en stelden ze, na hun eerbetuigingen te hebben gebracht, met tranen in de ogen de wijzen op de hoogte van de afwezigheid van de koning.'
Tweede editie, geladen 11 oktober, 2006.
Bronteksten:
Het Nageslacht van Dhruva Mahârâja
Sûta zei [tot de rishi's in Naimishâranya]: "Het aanhoren van de beschrijving van Maitreya van Dhruva's opklimmen naar de verblijfplaats Vaikunthha, deed Vidura's liefde voor de Allerhoogste Heer, die men met normale ogen niet kan waarnemen, groeien en wederom deed hij moeite Maitreya Muni vragen te stellen.'Sûta Gosvâmî zei tot alle rishi's onder leiding van S'aunaka: Nadat Vidura Maitreya Rishi had horen vertellen hoe Dhruva Mahârâja naar de woonplaats van Heer Vishnu was opgestegen, voelde hij zich zeer verlicht en overweldigd door gevoelens van toewijding, en stelde Maitreya de volgende vragen. (Vedabase)
Vidura vroeg: 'Wie waren zij, die u de Pracetâ's noemde? Waarom stond hun familie bekend en wie, o beste onder de gezworenen, waren hun zonen en wat voor offer brachten zij?
Vidura vroeg Maitreya: O zeer gevorderde toegewijde, wie waren de Pracetâ's? Tot welke familie behoorden ze? Wiens zonen waren ze, en waar brachten ze hun grote offers? (Vedabase)
Ik denk dat Nârada de grootste van alle toegewijden is; hij zag God in het gelaat en hij sprak over de gang van zaken van het leveren van dienst in toewijding tot de Heer [kriya-yoga of de pâncarâtrika-methode].
Vidura vervolgde: Ik weet dat de grote wijze Nârada de grootste van alle toegewijden is. Hij heeft de pâncarâtrika-methode van toegewijde dienst samengesteld en de Allerhoogste Godspersoon persoonlijk ontmoet. (Vedabase)
Toen deze mannen hun plichten vervulden in het aanbidden van de Allerhoogste Heer, werd Hij vol van toewijding beschreven door Nârada.
Terwijl alle Pracetâ's de Allerhoogste Godspersoon vereerden en Hem tevreden probeerden te stellen met religieuze riten en offers, beschreef de grote wijze Nârada de transcendentale eigenschappen van Dhruva Mahârâja. (Vedabase)
O brahmaan, wees zo goed me alles te vertellen van de verhalen over de Heer toen door de devarishi verteld.'
Mijn beste brâhmana, hoe verheerlijkte Nârada Muni de Allerhoogste Godspersoon, en welke van Zijn activiteiten werden er tijdens die ontmoeting besproken? Ik verlang er zeer naar dit te horen. Vertel me er alstublieft alles over. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Utkala, de zoon van Dhruva, verlangde niet, nadat zijn vader naar het woud was vertrokken, de positie van de troon van zijn vader met alle land en weelde.
De grote wijze Maitreya zei: Mijn beste Vidura, toen Mahârâja Dhruva het woud introk, had zijn zoon Utkala niet het minste verlangen om de weelderige troon van zijn vader te bestijgen, die bestemd was voor de vorst van alle landen op deze planeet. (Vedabase)
Vanaf de dag dat hij geboren werd, was hij een tevreden, onthechte ziel, die gelijkgestemd, alomtegenwoordig in de wereld de Superziel waarnam en de hele wereld zag rusten in de Superziel.
Al vanaf zijn geboorte was Utkala volkomen tevreden, en onthecht van de wereld. Hij was evenwichtig, omdat hij kon zien dat alles in de Superziel rust, en dat de Superziel Zich in ieders hart bevindt. (Vedabase)
Het zich betrekken op de heilige geest had, voor zijn geestelijke ziel, het afgescheiden zijn van de hemel beëindigd [nirvana] en door een niet aflatende yogapraktijk had hij zijn gelukzaligheid vergroot, die als een vuur al de onzuiverheden van zijn karma uit zijn geest had weggebrand; op die manier zijn eigenlijke positie inziend zag hij niets anders meer dan de Superziel.
Door zijn kennis van het Allerhoogste Brahman te vergroten, was hij reeds bevrijd van de gebondenheid aan het lichaam. Deze bevrijding noemt men nirvâna. Hij had het niveau van transcendentale gelukzaligheid bereikt, en ging voortdurend op in die gelukzaligheid, die steeds maar toenam omdat hij voortdurend bhakti-yoga beoefende, dat vergeleken wordt met vuur, aangezien het alle onzuivere, materiële dingen opbrandt. Hij was zich altijd bewust van zijn wezenspositie, en zag niets dan de Allerhoogste Heer en zichzelf verbonden in toegewijde dienst. (Vedabase)
Op straat onder de mensen deed hij zich aan de minder intelligenten voor als een dwaas, blind, doof, stom en gek, maar in feite was zijn intelligentie meer als een vuur waarvan de vlammen getemperd zijn.
De minder intelligente mensen die Utkala tegenkwamen, beschouwden hem als dwaas, blind, stom, doof en gek, hoewel hij dat in feite niet was. Hij hield zich als vuur dat bedekt is met as, zonder dat er vlammen te zien zijn. (Vedabase)
Er van uitgaande dat Utkala verstoken was van intelligentie en gek was, stelden de ouderen van de familie en de ministers van staat Vatsara, de jongere zoon van Bhrami, tot heerser aan over de wereld.
Om deze reden dachten de ministers en de oudere leden van de familie dat Utkala geen intelligentie bezat en eigenlijk gek was. Daarom werd zijn jongere broer Vatsara, de zoon van Bhrami, op de troon gezet, en werd hij koning van de wereld. (Vedabase)
Svarvîthi, koning Vatsara's beminde echtgenote, liet zes zonen het leven zien: Pushpârna, Tigmaketu, Isha, Ûrja, Vasu en Jaya.
Koning Vatsara had een zeer goede vrouw, Svarvîthi, die zes zonen ter wereld bracht, Pushpârna, Tigmaketu, Isha, Ûrja, Vasu en Jaya genaamd. (Vedabase)
Pushpârna had twee vrouwen Doshâ en Prabhâ en van Prabhâ genoot men het geluk de zonen Prâtar, Madhyandinam en Sâyam te mogen zien.
Pushpârna had twee vrouwen, Prabhâ en Dosâ. Prabhâ kreeg drie zonen, namelijk Prâtar, Madhyandinam en Sâyam. (Vedabase)
Pradosha, Nis'itha en Viyushtha waren zoo ook de drie zoons van Dosâ. Viyushtha verwekte bij zijn vrouw Pushkarinî een zoon genaamd Sarvatejâ [de almachtige].
Dosâ had drie zonen: Pradosha, Nis'itha en Viyushtha. Viyushtha's vrouw heette Pushkarinî, en zij bracht een zeer machtige zoon ter wereld, Sarvatejâ genaamd. (Vedabase)
Zijn vrouw, Âkûti geheten, schonk het leven aan Câkshusha Manu die inderdaad de [zesde] Manu was. Vrij van hartstocht schonk hij, van zijn koningin Nadvalâ, de wereld de zonen Puru, Kutsa, Trita, Dyumna, Satyavân, Rita, Vrata, Agnishthoma, Atîrâtra, Pradyumna, S'ibi en Ulmuka.
De vrouw van Sarvatejâ, Âkûti, schonk het leven aan een zoon genaamd Câkshusha, die de zesde Manu werd toen het tijdperk van de voorgaande Manu ten einde kwam. Nadvalâ, de vrouw van Câkshusha Manu, bracht de volgende onberispelijke zonen ter wereld: Puru, Kutsa, Trita, Dyumna, Satyavân, Rita, Vrata, Agnishthoma, Atîrâtra, Pradyumna, S'ibi en Ulmuka. (Vedabase)
In Pushkarinî verwekte Ulmuka zes uitnemende zonen: Anga, Sumanâ, Khyâti, Kratu, Angirâ en Gaya.
Een van die twaalf zonen, Ulmuka, kreeg bij zijn vrouw Pushkarinî zes zeer goede zonen. Hun namen waren Anga, Sumanâ, Khyâti, Kratu, Angirâ en Gaya. (Vedabase)
De vrouw van Anga, Sunîthâ gaf geboorte aan Vena die zeer boosaardig was en vanwege zijn slechte karakter verliet de zedige koning Anga uit teleurstelling de stad.
De vrouw van Anga, Sunîthâ, bracht een hele slechte zoon ter wereld, Vena genaamd. Uit diepe teleurstelling over het slechte karakter van Vena, liet de heilige koning Anga zijn gezin en zijn koninkrijk achter en ging naar het woud. (Vedabase)Tekst 19-20:
Hij [Vena] werd vervloekt door de grote wijzen, wiens vertoornde woorden hem troffen als een donderslag; daarop verliet hij toen het leven en verstoken van een koning, leden daarop hadden al de bewoners van de wereld het te stellen met dieven en schurken. Ze karnden zijn rechter hand, waarop een deel-incarnatie [ams'a-avatâra] van Nârâyana genaamd Prithu nederdaalde, die de oorspronkelijk Heer van de Aarde werd.
Mijn beste Vidura, als een grote wijze een vloek uitspreekt, zijn zijn woorden even onoverwinnelijk als een bliksemflits. Daarom stierf koning Vena toen de grote wijzen hem uit woede vervloekten. Aangezien er na zijn dood geen koning was, konden alle schurken en dieven hun gang gaan, waardoor het koninkrijk in een chaos veranderde en alle burgers enorm te lijden hadden. Toen de grote wijzen dit zagen, gebruikten ze Vena's rechterarm als een stok om mee te karnen, en als gevolg van hun karnen verscheen Heer Vishnu in Zijn deel-incarnatie als koning Prithu, de oorspronkelijke keizer van de wereld. (Vedabase)
Vidura zei: 'Als koning Anga zo'n toonbeeld van goed karakter was en een heilge persoon, een aanhanger van de brahmaanse cultuur en een grote ziel, hoe kon zijn zoon dan zó slecht zijn dat hij zijn belangstelling verloor en vertrok?
Vidura vroeg de wijze Maitreya: Mijn beste brâhmana, koning Anga was heel zachtmoedig. Hij had een nobel karakter en was een heilige persoonlijkheid en een liefhebber van de brahmaanse cultuur. Hoe komt het dat zo'n grote ziel zo'n slechte zoon als Vena kreeg, door wie hij zijn belangstelling voor het koninkrijk verloor en het achterliet? (Vedabase)
Waarom koesterden de wijzen bekend met de beginselen der religie, fouten opmerkend, het verlangden over Vena de brahmaanse vloek uit te spreken terwijl hij het zelf was die de roede der kastijding gegeven was?
Vidura vroeg verder: Hoe komt het dat de grote wijzen, die zeer goed op de hoogte waren van de religieuze beginselen, koning Vena, die zelf de roede der kastijding in de hand hield, wilden vervloeken, en hem de zwaarste straf gaven[brahma-s'âpa]? (Vedabase)
De koning moet nooit door de bevolking worden beledigd hoe zondig hij ook mag zijn, omdat hij van al de plaatselijke vertegenwoordigers, middels zijn persoonlijke invloed, de macht handhaaft.
De inwoners van een staat mogen de koning nooit beledigen - dit is een van hun plichten - zelfs als soms blijkt dat hij een grote zonde heeft begaan. Door zijn macht en bekwaamheid heeft de koning altijd meer invloed dan alle andere leiders. (Vedabase)
Alstublieft beschrijf mij, uw trouwe dienaar, al dit over de activiteiten van de zoon van Sunitha, o brahmaan, daar u goed op de hoogte bent met de zaken van hierboven en beneden.
Vidura vroeg Maitreya: Mijn beste brâhmana, u bent van elk onderwerp op de hoogte, of het nu het verleden of de toekomst betreft. Daarom zou ik willen dat u me over alle activiteiten van koning Vena vertelde. Wees alstublieft zo vriendelijk dit te doen, want ik ben uw trouwe toegewijde. (Vedabase)
Maitreya gaf ten antwoord: 'Koning Anga bracht eens een groot as'vamedha-offer, maar voor die grootse plechtigheid kwamen de goddelijken, hoewel genodigd door de voorgaande brahmanen, nimmer opdagen.
S'rî Maitreya antwoordde: Mijn beste Vidura, op een keer organiseerde de grote koning Anga een enorm offer, dat as'vamedha genoemd wordt. Alle uiterst bekwame brâhmana's die daar aanwezig waren, wisten hoe ze de halfgoden uit moesten nodigen, maar ondanks al hun inspanningen kwam er niet één halfgod om aan het offer deel te nemen. (Vedabase)
Daarover peinzend zeiden ze toen tot hem die de aanzet voor het offer had gegeven: 'De goddelijken accepteren de priesters hun uitgietingen in het vuur niet.
De priesters die het offer brachten, zeiden toen tegen koning Anga: O koning, we gieten de geklaarde boter naar behoren op het offervuur, maar ondanks al onze inspanningen aanvaarden de halfgoden het niet. (Vedabase)
O Koning, er is niets onzuivers met de offergaven die u met grote zorg hebt ingezameld, noch is er ook maar iets mis met de juiste uitvoering van de mantra's door de gekwalificeerde brahmanen.
O koning, we weten dat u alle artikelen die nodig zijn om het offer te brengen naar behoren en met groot vertrouwen en zorg bijeengebracht hebt, en dat ze niet besmet zijn. En wij hebben geen enkele fout gemaakt bij het chanten van de vedische mantra's, want alle brâhmana's en priesters die hier aanwezig zijn, zijn zeer bekwaam en verrichten de ceremonies naar behoren. (Vedabase)
In dit verband kunnen wij niet de geringste belediging of nalatigheid constateren jegens de goddelijken, waardoor zij die van de goddelijkheid zijn en de offerplechtigheid moeten bijwonen, niet hun eigen deel zouden accepteren.'
Beste koning, we zien geen enkele reden waarom de halfgoden zich beledigd of verwaarloosd zouden kunnen voelen; hoewel ze gewoonlijk getuige van het offer zijn, aanvaarden ze hun deel niet. We weten niet waarom dit zo is. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Koning Anga, die het offer bracht, was, nadat hij hoorde wat de twee maal geborenen zeiden, er zeer over teneergeslagen en richtte zich toen, met hun permissie, tot hen, om nader te worden geïnformeerd:
Maitreya vertelde verder: Koning Anga was zeer ontsteld nadat hij de verklaringen van de priesters had gehoord. Hij vroeg hun vervolgens toestemming om zijn stilzwijgen te verbreken, en stelde alle priesters die in het offerperk aanwezig waren de volgende vraag. (Vedabase)
'Ertoe uitgenodigd komen zij die van God zijn niet opdagen om hun deel van het offer in ontvangst te nemen; mijn beste priesters, alstublieft zeg me wat de aard van de overtreding is die ik heb begaan?'
Koning Anga vroeg: Mijn beste priesters, vertel me alstublieft wat voor overtreding ik heb begaan. Hoewel de halfgoden zijn uitgenodigd, komen ze het offer niet bijwonen en aanvaarden ze hun aandeel evenmin. (Vedabase)
De leidende priesters zeiden: 'O God der Mensen, in dit leven hebt u ook niet maar de geringste zonde begaan, maar in uw vorige leven was er een zonde waardoor in dit leven u navenant zonder een zoon zit.
De hoofdpriesters zeiden: O koning, in dit leven kunnen we geen enkele zondige activiteit in u bespeuren, zelfs niet in uw geest, en daarom hebt u niet de minste overtreding begaan. Maar we kunnen zien dat u in uw vorige leven bepaalde zonden hebt begaan, waardoor u nu, ondanks het feit dat u alle goede eigenschappen bezit, geen zoon hebt. (Vedabase)
Derhalve - alle geluk aan u - breng het offer ten uitvoer om een goede zoon te krijgen, o Koning; de Heer, de genieter van het offer, aanbeden in het verlangen naar een zoon, zal u er een schenken.
O koning, we wensen u alle geluk toe. U hebt geen zoon, maar als u nu onmiddellijk tot de Allerhoogste Heer bidt om een zoon en het voor dit doel bestemde offer brengt, zal de begunstigde van het offer, de Allerhoogste Godspersoon, uw wens vervullen. (Vedabase)
Daarop zullen alle mannen van God hun deel van het offer aanvaarden, omdat voor het doel van een zoon dan rechtstreeks de Hoogste Persoonlijkheid is uitgenodigd.
Als u Hari, de allerhoogste begunstigde van alle offers, uitnodigt om uw verlangen naar een zoon te vervullen, zullen alle halfgoden met Hem meekomen en hun aandeel in het offer aanvaarden. (Vedabase)
De Heer die is aanbeden zal de persoon met wat er ook verlangd werd belonen, als het zeker is dat daarmee in overeenstemming Hij voor de mensen het verlangde resultaat is.
Degene die de offers [in het kader van karma-kânda-activiteiten] brengt, ziet het verlangen waarvoor hij de Heer aanbidt, vervuld. (Vedabase)
Aldus besloten gingen de geleerden met hun middelen van offeren over tot de offerande voor Vishnu, de Heer der Vlammen, met de bedoeling dat de koning een zoon zou krijgen.
Zo besloten ze Heer Vishnu, die Zich in het hart van alle levende wezens bevindt, offerandes te brengen, opdat koning Anga een zoon zou krijgen. (Vedabase)
Uit het offervuur verscheen een persoon gekleed in het wit met een gouden krans en een gouden pot waarin hij rijst gekookt in melk met zich meevoerde.
Zodra de offerandes op de vlammen waren gegoten, verscheen er van het vuuraltaar een in het wit gehulde persoon met een gouden krans om. Hij hield een gouden pot vast, die gevuld was met in melk gekookte rijst. (Vedabase)
Hij, de koning, verankerd in de geest der adel, nam met de instemming van de geleerden de in melk gekookte rijst in zijn bijeen gebrachte handpalmen en bood het, er met groot genoegen aan gesnoven hebbend, aan zijn vrouw aan.
De koning, die heel ruimdenkend was, vroeg eerst de priesters om toestemming en aanvaardde de rijst toen in zijn beide handpalmen, rook eraan, en gaf er vervolgens een deel van aan zijn vrouw. (Vedabase)
Zij, de koningin, van het voedsel etend dat haar een kind zou schenken, werd inderdaad door de echtgenoot bevrucht en raakte zwanger en gaf aldus na de nodige tijd geboorte aan de zoon die, er geen hebbend, node moest verschijnen.
Hoewel de koningin geen zoon had, raakte ze na het eten van dit voedsel, dat de kracht had om een mannelijk kind voort te brengen, van haar man in verwachting, en bracht te bestemder tijd een zoon ter wereld. (Vedabase)
Dat kind, voorwaar een zoon, verscheen ten dele in navolging van het op de dood begrepen areligieuze van de grootvader van moeders kant en daarvan groeide hij uit tot een schenner van de heilige plicht.
Deze jongen behoorde ten dele tot de dynastie der goddeloosheid. Zijn grootvader was de dood in persoon, en de jongen bleek naarmate hij opgroeide van hetzelfde gehalte; hij werd een buitengewoon goddeloos mens. (Vedabase)
Hij had de gewoonte zijn boog op te pakken als een jager en het bos in te gaan om onschuldige herten te doden en om die reden riepen alle mensen uit: 'Daar heb je hem, de wrede Vena!'.
Gewapend met pijl en boog placht de wrede jongen naar het woud te gaan om er onnodig onschuldige herten te doden. Zodra hij verscheen, begonnen alle mensen te roepen: "De wrede Vena komt eraan! De wrede Vena komt eraan!". (Vedabase)
Als hij buiten speelde met jongens van zijn leeftijd bracht hij ze zeer wreed met geweld ter dood alsof hij dieren afslachtte.
Hij was zo wreed, dat hij zijn leeftijdgenootjes tijdens het spelen zonder enige genade doodde, alsof het slachtdieren waren. (Vedabase)
Ziend hoe wreed zijn zoon was, was de koning met verschillende strafmaatregelen niet in staat hem onder controle te krijgen en zodoende raakte hij zeer bedroefd denkend:
Toen koning Anga het wrede en genadeloze gedrag van zijn zoon Vena zag, strafte hij hem op verschillende manieren, maar hij slaagde er niet in om hem op het goede pad te brengen. Dit maakte hem zeer bedroefd. (Vedabase)
'Zij die het zonder een zoon moeten stellen moeten God de eer bewezen hebben; zij hebben niet te lijden onder dit ondraaglijk leed thuis te moeten leven met een dermate slechte zoon.
De koning dacht bij zichzelf: Wie geen zoon heeft, is zeer zeker fortuinlijk. Zulke mensen moeten de Heer in hun vorige leven hebben aanbeden, zodat ze niet zouden hoeven te lijden onder het ondraaglijke verdriet dat wordt veroorzaakt door een slechte zoon. (Vedabase)
Van de kwade roep en het onrechtgeaarde van een slechte zoon zal er grote onenigheid onder de mannen zijn en een eindeloze bezorgdheid onder de mensen in het algemeen.
Een slechte zoon richt iemands goede naam ten gronde. Thuis zijn zijn zondige activiteiten de oorzaak van goddeloosheid en creëren ze ruzie tussen iedereen, waardoor er geen eind komt aan de angst en de zorgen. (Vedabase)
Wie wil er nu een dergelijke zogenaamde zoon? Zonder twijfel betekent hij voor de ziel gebondenheid aan illusie; welk intelligent mens zou waarde hechten aan iemand die zijn huis ellende bezorgt?
Welk bedachtzaam en intelligent mens zou zich zo'n waardeloze zoon wensen? Zo'n zoon bindt het levend wezen slechts aan illusie en maakt zijn gezinsleven miserabel. (Vedabase)
Ik denk dat het beter is een slechte zoon te hebben dan een goede, daar men door het verdriet onthecht raakt van zijn thuis, dat als de bron van alle treurnis, het leven van een sterfelijk man in een hoop ellende verandert.'
Toen dacht de koning: Een slechte zoon is beter dan een goede zoon, omdat een goede zoon iemand gehecht doet raken aan zijn gezin, terwijl een slechte zoon dat niet doet. Een slechte zoon maakt het gezinsleven tot een hel, waar een intelligent mens zich uiteraard zeer gemakkelijk van onthecht. (Vedabase)
Aldus onverschillig geraakt stond hij, de koning, niet in staat te slapen, in het holst van de nacht van zijn bed op om zijn, van de zegeningen der grote zielen zo welvarende, woning op te geven en verliet hij, niet gezien door wie dan ook, Vena's moeder die diep in slaap was.
Doordat zulke gedachten door zijn hoofd speelden, kon koning Anga 's nachts niet slapen. Hij verloor al zijn belangstelling voor het gezinsleven. Daarom stond hij op een keer in het holst van de nacht op, en verliet Vena's moeder [zijn vrouw], die diep in slaap was. Hij gaf alle gehechtheid voor zijn buitengewoon welvarende koninkrijk op, en verliet stilletjes, zonder dat iemand hem zag, zijn woning en bezittingen en begaf zich naar het woud. (Vedabase)
Toen ze doorkregen dat de koning, zich niet langer bekommerend, vertrokken was, zochten al de burgers, priesters en ministers, vrienden en de rest van de mensen, naar hem over de hele wereld in grote droevenis, precies zoals onervaren yogî's van buitenaf speuren naar wat er allemaal binnenin de persoon verborgen zit.
Toen het duidelijk werd dat de koning zonder om te zien zijn woning had verlaten, waren de burgers, priesters, ministers, vrienden en alle andere mensen zeer bedroefd. Ze begonnen over de hele wereld naar hem te zoeken, net zoals een onervaren mysticus de Superziel in zichzelf zoekt. (Vedabase)
Niet ook maar een spoor van hun vader des vaderlands vindend, o Kaurava, keerden de burgers teleurgesteld naar hun stad terug en stelden ze, na hun eerbetuigingen te hebben gebracht, met tranen in de ogen de wijzen op de hoogte van de afwezigheid van de koning.'
Toen de burgers, ondanks het feit dat ze overal naar de koning hadden gezocht, geen spoor van hem konden vinden, waren ze diep teleurgesteld en keerden ze terug naar de stad, waar alle wijzen van het land vanwege de afwezigheid van de koning bijeen waren gekomen. Met tranen in hun ogen brachten de burgers hun nederige eerbetuigingen, en legden ze de wijzen tot in de kleinste bijzonderheden uit dat ze de koning nergens konden vinden. (Vedabase)
![]()
Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties