
Canto
3
Hoofdstuk 20: De wezens geschapen door Brahmâ
(1) S'aunaka zei: "Wat was het, nadat de aarde in haar positie was teruggeplaatst [door Heer Varâha] o zoon van Romaharshana [Sûta], dat Svâyambhuva Manu [zie 2.7: 2, 3.12: 54, 3.13: 2] deed om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen? (2) Vidura, de grote, zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, verliet zijn oudere broer [Dhritarâshthra] omdat hij en zijn honderd zoons tegen Krishna ingingen. (3) Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht minder dan hij, nam hij met heel zijn hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen die Hem zijn toegewijd. (4) Wat vroeg deze held van de zuiverheid toen hij de heilige plaatsen bezocht aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij had ontmoet te Kus'âvarta [Hardwar] waar hij toen verbleef? (5) Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, resulteerde dat in de onberispelijke vertellingen die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men zijn toevlucht neemt tot de Heer Zijn lotusvoeten. (6) Moge al het goede uw deel zijn! Vertel ons de verhalen over Zijn onzelfzuchtige handelingen die het bezingen zo waard zijn. Welke toegewijde die waardering heeft voor de emotionele relaties [rasa's] die men met Hem heeft zou ooit genoeg hebben van het zich laven aan de nectar van de Heer Zijn spel en vermaak?"
(7) Aldus verzocht door de wijzen verzameld in het Naimishâranyawoud, zei Sûta die zijn denken aan de Heer had gewijd hen toen: "Luister enkel hiernaar."
(8) Sûta zei: "Vidura die had gehoord hoe de Heer het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze achteloos Hiranyâksha had gedood, was vol van vreugde en richtte zich tot de wijze. (9) Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstublieft waar Brahmâ mee begon nadat hij de Prajâpati's had voortgebracht die de mensheid tot stand brachten. (10) Hoe leefden de geleerden onder leiding van Marîci de brahmaanse orde van Svâyambhuva Manu na en hoe ontwikkelden ze deze wereld? (11) Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?'
(12) Maitreya zei: 'Door Mahâ-Vishnu, door de eeuwig werkende macht van de goddelijke voorzienigheid, raakte het evenwicht van de drie geaardheden in de natuur verstoord zodat het geheel van de materiële elementen van de Fortuinlijke werd voortgebracht. (13) Vanuit het grootste van de kosmische intelligentie [de mahat-tattva], vond zoals beschikt door de goddelijkheid, beginnend vanuit [het ruimtelijk krachtveld van] de ether de geboorte van de fundamentele werkelijkheid van de materiële elementen plaats [het ego zoals gekend in] in groepen van vijf [de vijf elementen, vijf zintuigen, vijf zinsobjecten en vijf zinsorganen] met de drievoudigheid van de natuur waarin het onderdeel van de hartstocht [of de kwaliteit van de beweging] overheerst. (14) Die elementen, welke op zichzelf de materiële samenhang van het universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud. (15) Hij lag in de wateren van de Oceaan der Oorzaken als een ei in een onbewuste staat voor de duur van in feite nogal wat meer dan een duizendtal [hemelse] jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging. (16) Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2: 24-25]. Hij vormt de verblijfplaats voor alle geconditioneerde zielen waar de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] als eerste zijn bestaan vond. (17) Toen de Heer die in de causale wateren rust Brahmâ's hart binnenging, schiep hij het universum zoals hij dat voorheen had gedaan.
(18) Allereerst schiep hij vanuit zijn schaduw de vijf soorten onwetendheid genaamd tâmisra [vergetelheid], andha-tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zich niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâ-moha [verzot zijn op de materie, de hunkering; vergelijk 3.12: 2]. (19) Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af dat toen in de vorm van de nacht, die de bron vormt van honger en dorst, in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen]. (20) Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem te verslinden en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!' (21) Dat stoorde de godheid die hen toen zei: 'Eet me niet op, maar hou me in leven, want jullie Râkshasa's en Yaksha's zijn mijn zoons!' (22) De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid en het eerst werden voortgebracht, namen bezit van de stralende vorm van het daglicht dat als het voertuig van God was achtergebleven. (23) De god schonk toen van achteren het leven aan de goddelozen die, verzot op seks, in hun lust te copuleren toenadering zochten tot de Schepper. (24) Aanvankelijk moest de aanbiddelijke Heer erom lachen te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich verschrikt en geïrriteerd, om weg te komen. (25) Hij wendde zich tot Hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft en die, om de toegewijden Zijn genade te tonen, zich manifesteert in een geschikte gedaante: (26) 'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep ik al die zondige levende wezens die me benaderen om seks te hebben, o Meester. (27) Alleen U kan werkelijk de mensen verlossen die te lijden hebben onder het materiële leed, alleen U kan hen die niet hun heil zoeken bij Uw voeten een halt toeroepen.'
(28) Hij die feilloos weet wat er in iedere ziel omgaat zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag: 'Werp uw onzuivere lichaam af' en aldus opgedragen wierp hij het af. (29) Dat lichaam [in de vorm van een vrouw] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten, overweldigende ogen en een met goud versierde, blinkende gordel om de heupen gehuld in een fijne stof. (30) De borsten waren dicht op elkaar gedrukt en hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik uitdagend. (31) Ze verborg zichzelf uit verlegenheid. O Vidura, kijkend naar de vlechten van haar zwarte haar waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen: (32) 'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd! Dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen, alsof ze vrij is van hartstocht!' (33) Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, vroegen ze vol van respect verzot op haar, maar met slechte gedachten in hun hoofd: (34) 'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons ongelukkigen, het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid! (35) Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien spelen met een bal zijn wij toeschouwers van ons verstand beroofd. (36) Rondstappend met je lotusvoeten o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand. Het gewicht van je volle borsten moet wel erg vermoeiend zijn bij die taille van je. Je ziet er wat moe uit, maak je vlechten maar los!'
(37) De goddelozen die aldus met hun verstand beneveld de avondschemering hielden voor de verlokkende, begeerlijke vorm van een vrouw, grepen haar toen. (38) Met een veelbetekenende glimlach schiep de aanbiddelijke Heer daarop vanuit het zelfbewustzijn van Zijn eigen lieflijkheid de geledingen der hemelse muzikanten en dansmeisjes [de Gandharva's en Apsara's]. (39) De lieftallige gedaante die feitelijk het schijnsel van het maanlicht was, gaf hij op en werd door de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu verheugd in bezit genomen. (40) Nadat Heer Brahmâ vanuit de luiheid de spoken en boze geesten had geschapen, zag hij hen naakt en met hun haar in de war voor zich en sloot hij zijn ogen. (41) Zij namen bezit van het lichaam dat de meester der schepping afwierp en dat bekend staat als het gapen. Men ziet de levende wezens ermee kwijlen in hun slaap en dat is een onreine staat die [met de erbij behorende spoken en boze geesten] de verbijstering vormt waarvan men spreekt als de krankzinnigheid. (42) Zich realiserend dat hij vol van energie was, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geledingen der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen]. (43) Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan, en het is door dat lichaam dat zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] verrichten voor deze Sâdhya's en Pitâ's. (44) De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vidyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven]. (45) Vanuit het zich bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld in het water zag, schiep de meester in zijn zelfreflectie de Kinnara's [de machtigen] en Kimpurusha's [de aapachtigen]. (46) Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze telkens omstreeks de dageraad [tijdens de brâhma-muhûrta, anderhalf uur voor zonsopkomst] samenkomen met hun echtgenotes om zijn daden te bezingen. (47) Toen hij eens zijn lichaam volledig uitstrekte terwijl hij neerlag, zag hij tot zijn grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang. Daarop gaf hij uit zijn woede toen ook dat lichaam op. (48) O Vidura, uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen. Uit hun kruipende lichamen kwamen de slangen voort waarvan men bij de nijdige cobras de kraag aan hun nek ziet.
(49) Toen hij [eens] het gevoel had alsof hij zijn levensdoel had bereikt, ontsproten aan zijn geest de Manu's [de oorspronkelijke vaders der mensheid] die er zijn om het welzijn van de wereld te bevorderen. (50) Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde, persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen de Prajâpati [de stamvader] verwelkomden met de volgende lofzang: (51) 'O schepper van het universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht. O, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we kunnen delen in de offerhandelingen! (52) Door boete te doen, van aanbidding te zijn en door verbondenheid in de yogadiscipline opgegaan in de fijnste verzonkenheid, bracht u, de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen die uw geliefde zoons zijn tot ontwikkeling. (53) Ieder van hen schonk u, de ongeborene, een deel van uw eigen lichaam dat diepe meditatie, de eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, de kennis en de verzaking in zich draagt.'
Derde herziene editie, geladen 11 augustus 2010.
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'aunaka zei: "Wat was het, nadat de aarde in haar positie was teruggeplaatst [door Heer Varâha] o zoon van Romaharshana [Sûta], dat Svâyambhuva Manu [zie 2.7: 2, 3.12: 54, 3.13: 2] deed om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen?S'aunaka zei: "Wat deed, na de positie van de aarde te hebben hersteld, o Sûta, Svâyambhuva Manu (zie 2.7:2, 3.12:54, 3.13:2 ) om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen? (Vedabase)
Vidura, de grote, zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, verliet zijn oudere broer [Dhritarâshthra] omdat hij en zijn honderd zoons tegen Krishna ingingen.
Vidura, de grote en zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, werd verbannen door zijn oudere broer [Dhritarâshthra] die aldus, tezamen met zijn honderd zoons, zwaar in overtreding was met Krishna. (Vedabase)
Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht minder dan hij, nam hij met heel zijn hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen die Hem zijn toegewijd.
Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht zijn mindere in grootheid, nam hij met zijn hele hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen na die Hem zijn toegewijd. (Vedabase)
Wat vroeg deze held van de zuiverheid toen hij de heilige plaatsen bezocht aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij had ontmoet te Kus'âvarta [Hardwar] waar hij toen verbleef?
Wat vroeg deze held van de zuiverheid, toen hij de heilige plaatsen bezocht, aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij te Kus'âvarta [Hardwar], waar hij toen verbleef, had ontmoet? (Vedabase)
Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, resulteerde dat in de onberispelijke vertellingen die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men zijn toevlucht neemt tot de Heer Zijn lotusvoeten.
Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, kwamen waarlijk de vertellingen boven die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men eenmaal zijn toevlucht tot de Heer Zijn lotusvoeten heeft genomen. (Vedabase)
Moge al het goede uw deel zijn! Vertel ons de verhalen over Zijn onzelfzuchtige handelingen die het bezingen zo waard zijn. Welke toegewijde die waardering heeft voor de emotionele relaties [rasa's] die men met Hem heeft zou ooit genoeg hebben van het zich laven aan de nectar van de Heer Zijn spel en vermaak?"
Vertel ons over die gesprekken van grootheid die de moeite van het reciteren waard zijn en moge al het goede uw deel zijn! De nectar van de Heer Zijn spel en vermaak indrinkend zou een toegewijde die met Hem een relatie aangaat daadwerkelijk voldoening vinden." (Vedabase)
Aldus verzocht door de wijzen verzameld in het Naimishâranyawoud, zei Sûta die zijn denken aan de Heer had gewijd hen toen: "Luister enkel hiernaar."
Sûta, desgevraagd door de wijzen verzameld in het Naimishâranya-woud, zei toen, met zijn denken gewijd aan de Heer, tot hen: "Luister enkel hiernaar". (Vedabase)"
Sûta zei: "Vidura die had gehoord hoe de Heer het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze achteloos Hiranyâksha had gedood, was vol van vreugde en richtte zich tot de wijze.
Sûta zei: "Toen Vidura had vernomen over de Heer, die het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze de onachtzame Hiranyâksha had gedood, was hij vol vreugde en richtte hij zich tot de wijze. (Vedabase)
Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstublieft waar Brahmâ mee begon nadat hij de Prajâpati's had voortgebracht die de mensheid tot stand brachten.
Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstublieft hoe Brahmâ begon na de Prajâpati's, de stamvaders van de mensheid, voort te hebben gebracht? (Vedabase)
Hoe leefden de geleerden onder leiding van Marîci de brahmaanse orde van Svâyambhuva Manu na en hoe ontwikkelden ze deze wereld?
Hoe leefden de geleerden aangevoerd door Marîci, de brahmaanse orde na van Svâyambhuva Manu en hoe ontwikkelden ze deze wereld? (Vedabase)
Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?'
Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?' (Vedabase)
Maitreya zei: 'Door Mahâ-Vishnu, door de eeuwig werkende macht van de goddelijke voorzienigheid, raakte het evenwicht van de drie geaardheden in de natuur verstoord zodat het geheel van de materiële elementen van de Fortuinlijke werd voortgebracht.
Maitreya zei: 'Opgedragen door het goddelijke en boven alle twijfel verheven bracht Mahâ-Vishnu bij machte van de eeuwige tijd, door de drie geaardheden der natuur, de agitatie voort van het evenwicht van het geheel der materie van de Allerhoogste. (Vedabase)
Vanuit het grootste van de kosmische intelligentie [de mahat-tattva], vond zoals beschikt door de goddelijkheid, beginnend vanuit [het ruimtelijk krachtveld van] de ether de geboorte van de fundamentele werkelijkheid van de materiële elementen plaats [het ego zoals gekend in] in groepen van vijf [de vijf elementen, vijf zintuigen, vijf zinsobjecten en vijf zinsorganen] met de drievoudigheid van de natuur waarin het onderdeel van de hartstocht [of de kwaliteit van de beweging] overheerst.
Er toe aangezet door het goddelijke werd het drievoudige van de volledige werkelijkheid geboren waarin de hartstocht overheerste. De identificatie met de materie [het valse ego], leidde toen tot het vijfvoudige [naar de elementen van water, aarde, ether, vuur en lucht] beginnend bij de ether. (Vedabase)
Die elementen, welke op zichzelf de materiële samenhang van het universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud.
Die elementen, welke op zichzelf het materiële universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud. (Vedabase)
Hij lag in de wateren van de Oceaan der Oorzaken als een ei in een onbewuste staat voor de duur van in feite nogal wat meer dan een duizendtal [hemelse] jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging.
Hij lag in de wateren van de Causale Oceaan als een ei in een onbewuste staat voor de duur van een regenseizoen van in feite nogal wat langer dan een duizendtal jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging. (Vedabase)
Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2: 24-25]. Hij vormt de verblijfplaats voor alle geconditioneerde zielen waar de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] als eerste zijn bestaan vond.
Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2.24-25 ] welk in zijn geheel een rustplaats was voor de gekonditioneerde zielen waar hij zelf, de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] uit voortkwam. (Vedabase)
Toen de Heer die in de causale wateren rust Brahmâ's hart binnenging, schiep hij het universum zoals hij dat voorheen had gedaan.
Toen de Heer, die lag te slapen in de Causale Oceaan, Brahmâ's hart binnenging, werd het universum als tevoren geschapen door zijn eigen intelligentie. (Vedabase)
Allereerst schiep hij vanuit zijn schaduw de vijf soorten onwetendheid genaamd tâmisra [vergetelheid], andha-tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zich niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâ-moha [verzot zijn op de materie, de hunkering; vergelijk 3.12: 2].
Op de eerste plaats werd met zijn schaduw de onwetendheid geschapen in vijf soorten genaamd tâmisra [vergetelheid], andha tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zichzelf niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâmoha [verzot zijn op de materie, de hunkering][vergelijk 3.12:2]. (Vedabase)
Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af dat toen in de vorm van de nacht, die de bron vormt van honger en dorst, in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen].
Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af, welk toen in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen] om de duisternis te vormen, de bron van honger en dorst. (Vedabase)
Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem te verslinden en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!'
Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem op te eten en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!' (Vedabase)!"
Dat stoorde de godheid die hen toen zei: 'Eet me niet op, maar hou me in leven, want jullie Râkshasa's en Yaksha's zijn mijn zoons!'
God zei toen vol zorg tot hen: 'Eet me niet op, maar bescherm me, daar, jullie Râkshasa's en Yaksha's, mijn zoons zijn!' (Vedabase)"
De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid en het eerst werden voortgebracht, namen bezit van de stralende vorm van het daglicht dat als het voertuig van God was achtergebleven.
De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid werden afzonderlijk voortgebracht, hoofdzakelijk om de aktiviteiten te behartigen in de stralende vorm van het daglicht. (Vedabase)
De god schonk toen van achteren het leven aan de goddelozen die, verzot op seks, in hun lust te copuleren toenadering zochten tot de Schepper.
God schonk toen uit het grove het leven aan de goddelozen die, verzot op sex in hun lust te copuleren, toenadering zoeken tot de Schepper. (Vedabase)
Aanvankelijk moest de aanbiddelijke Heer erom lachen te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich verschrikt en geïrriteerd, om weg te komen.
Aanvankelijk maakte het de aanbiddelijke Heer aan het lachen om te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich geïrriteerd, in verschrikking verzet, om weg te komen. (Vedabase)
Tekst 25
Hij wendde zich tot Hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft en die, om de toegewijden Zijn genade te tonen, zich manifesteert in een geschikte gedaante:
Hij keerde zich tot hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft, om zijn toevlucht te zoeken zodat Hij Zijn toegewijden genade zou tonen door zichzelf in een geschikte vorm te manifesteren: (Vedabase)
'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep ik al die zondige levende wezens die me benaderen om seks te hebben, o Meester.
'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep Ik al die zondige levende wezens die me benaderen om sex te hebben, o Meester. (Vedabase)
Alleen U kan werkelijk de mensen verlossen die te lijden hebben onder het materiële leed, alleen U kan hen die niet hun heil zoeken bij Uw voeten een halt toeroepen.'
Alleen u kan waarlijk de mensen verlossen die Zijn aangedaan door de misère van hun hindernissen; alleen U kan hen die niet hun toevlucht tot Uw voeten zoeken stoppen.' (Vedabase)
Hij die feilloos weet wat er in iedere ziel omgaat zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag: 'Werp uw onzuivere lichaam af' en aldus opgedragen wierp hij het af.
Hij die feilloos in iedere ziel kan zien, zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag tot hem: 'Werp uw onzuivere lichaam af ' en aldus opgedragen wierp hij het af. (Vedabase)
Dat lichaam [in de vorm van een vrouw] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten, overweldigende ogen en een met goud versierde, blinkende gordel om de heupen gehuld in een fijne stof.
Dat lichaam [de vorm die het toen aannam] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten en imponerende ogen, een met goud versierde gordel en heupen bedekt met een fijne glanzende stof. (Vedabase)
De borsten waren dicht op elkaar gedrukt en hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik uitdagend.
De borsten waren dicht op elkaar gedrukt, hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik sportief. (Vedabase)
Ze verborg zichzelf uit verlegenheid. O Vidura, kijkend naar de vlechten van haar zwarte haar waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen:
Ze verborg zichzelf uit verlegenheid en, o Vidura, met hun oog op de tressen van haar zwarte haar, waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen: (Vedabase)
'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd! Dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen, alsof ze vrij is van hartstocht!'
'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd; dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen; alsof ze vrij is van hartstocht!' (Vedabase)
Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, vroegen ze vol van respect verzot op haar, maar met slechte gedachten in hun hoofd:
Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering [van hun hartstocht] die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, ondervroegen zij verzot, met hun slechte gedachten, haar vol respekt: (Vedabase)
'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons ongelukkigen het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid!
'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons, gelukkigen, het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid! (Vedabase)
Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien spelen met een bal zijn wij toeschouwers van ons verstand beroofd.
Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien is die geest van ons, de toeschouwers die je van streek brengt, een bal om mee te spelen. (Vedabase)
Rondstappend met je lotusvoeten o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand. Het gewicht van je volle borsten moet wel erg vermoeiend zijn bij die taille van je. Je ziet er wat moe uit, maak je vlechten maar los!'
Door het rondlopen van jouw lotusvoeten, o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand; het gewicht van je volgroeide borsten moet wel erg vermoeiend zijn voor die taille van je; je ziet er wat moe uit, maak je gebonden haar maar los!' (Vedabase)
De goddelozen die aldus met hun verstand beneveld de avondschemering hielden voor de verlokkende, begeerlijke vorm van een vrouw, grepen haar toen.
Op deze manier werd de schemering van de avond door de goddelozen gezien in een verlokkende, begeerlijke vorm en vol illusie denkend dat het een vrouw was, grepen ze haar. (Vedabase)
Met een veelbetekenende glimlach schiep de aanbiddelijke Heer daarop vanuit het zelfbewustzijn van Zijn eigen lieflijkheid de geledingen der hemelse muzikanten en dansmeisjes [de Gandharva's en Apsara's].
Met een glimlach vol van diepe betekenis, schiep de aanbiddelijke Heer toen, door de zoetheid van zichzelf door middel van zichzelf, de geleden der hemelse muzikanten en dansmeisjes [Gandharva's en Apsara's]. (Vedabase)
De lieftallige gedaante die feitelijk het schijnsel van het maanlicht was, gaf hij op en werd door de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu verheugd in bezit genomen.
Die geliefde vorm van in feite het schijnsel van het maanlicht gaf hij op en de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu namen het verheugd in bezit. (Vedabase)
Nadat Heer Brahmâ vanuit de luiheid de spoken en boze geesten had geschapen, zag hij hen naakt en met hun haar in de war voor zich en sloot hij zijn ogen.
Toen Heer Brahmâ, nadat hij de spoken en boze geesten uit de luiheid had geschapen, hen naakt en met hun haar in de war voor zich zag, sloot hij zijn beide ogen. (Vedabase)
Zij namen bezit van het lichaam dat de meester der schepping afwierp en dat bekend staat als het gapen. Men ziet de levende wezens ermee kwijlen in hun slaap en dat is een onreine staat die [met de erbij behorende spoken en boze geesten] de verbijstering vormt waarvan men spreekt als de krankzinnigheid.
Het lichaam dat bekend staat als het gapen dat de meester der schepping afwierp en waarvan men de levende wezens in hun slaap ziet kwijlen in een onreine staat, is de verbijstering waarvan men spreekt als de krankzinnigheid. (Vedabase)
Zich realiserend dat hij vol van energie was, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geledingen der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen].
Zichzelf herkennend als zijnde vol energie, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geleden der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen]. (Vedabase)
Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan, en het is door dat lichaam dat zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] verrichten voor deze Sâdhya's en Pitâ's.
Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan. Door dat lichaam verrichten zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] voor deze Sadhyâ's en Pitâ's. (Vedabase)
De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vydyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven].
De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vidyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven]. (Vedabase)
Vanuit het zich bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld in het water zag, schiep de meester in zijn zelfreflectie de Kinnara's [de machtigen] en Kimpurusha's [de aapachtigen].
Van het zichzelf bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld zag in het water, schiep de meester vanuit zichzelf de Kinnara's en Kimpurusha's. (Vedabase)
Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze telkens omstreeks de dageraad [tijdens de brâhma-muhûrta, anderhalf uur voor zonsopkomst] samenkomen met hun echtgenotes om zijn daden te bezingen.
Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze enkel bij de dageraad met hun echtgenotes tesaam komen om zijn daden in gezang te prijzen. (Vedabase)
Toen hij eens zijn lichaam volledig uitstrekte terwijl hij neerlag, zag hij tot zijn grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang. Daarop gaf hij uit zijn woede toen ook dat lichaam op.
Toen hij eens neerliggend zijn lichaam volledig uitstrekte zag hij met grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang en toen gaf hij uit woede ook dat lichaam op. (Vedabase)
O Vidura, uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen. Uit hun kruipende lichamen kwamen de slangen voort waarvan men bij de nijdige cobras de kraag aan hun nek ziet.
Uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen, o Vidura, die geboorte namen als slangen van wiens kruipende lichamen de grote kraag van de felle Cobra zijn nek kan worden waargenomen. (Vedabase)
Toen hij [eens] het gevoel had alsof hij zijn levensdoel had bereikt, ontsproten aan zijn geest de Manu's [de oorspronkelijke vaders der mensheid] die er zijn om het welzijn van de wereld te bevorderen.
Over zichzelf nadenkend alsof hij het doel van zijn leven had bereikt, kwamen ten leste uit zijn geest de Manu's voort die staan voor het bevorderen van het welzijn van de wereld. (Vedabase)
Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde, persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen de Prajâpati [de stamvader] verwelkomden met de volgende lofzang:
Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen, de Prajâpati [de vader der mensheid] verwelkomend bewierookten: (Vedabase)
'O schepper van het universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht. O, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we kunnen delen in de offerhandelingen!
'O schepper van het Universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht; oh, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we zullen delen in de offerhandelingen! (Vedabase)
Door boete te doen, van aanbidding te zijn en door verbondenheid in de yogadiscipline opgegaan in de fijnste verzonkenheid, bracht u, de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen die uw geliefde zoons zijn tot ontwikkeling.
Door boetedoening, aanbidding, verbondenheid in de discipline van de yoga en in de fijnste verzonkenheid, bracht de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen, zijn geliefde zoons tot ontwikkeling. (Vedabase)
Ieder van hen schonk u, de ongeborene, een deel van uw eigen lichaam dat diepe meditatie, de eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, de kennis en de verzaking in zich draagt.'
Ieder van hen schonk hij, de ongeborene, een deel van zijn eigen lichaam dat de diepe meditatie, eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, kennis en de verzaking met zich meedroeg. (Vedabase)

De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons
Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De afbeelding is
getiteld: "Vishnu on Ananta" Datum: omstreeks begin
19e eeuw.
Indiaas manuscript. Zie ook: gerestaureerde
versie.
Bron: The
University of Michigan Museum of Art.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties