regelbalk



 

 

Canto 11

Dâlâlera Gîtâ

 

 


Hoofdstuk 24: De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken die werd ontwikkeld door de klassieke autoriteiten. Daarmee bekend kan een persoon direct de verwarring gebaseerd op de materiële dualiteit opgeven. (2) In het eerste tijdperk der plichtmatigheid [Krita], in het begin toen er [enkel] ontwikkelde personen van [spiritueel] onderscheid waren, zowel als gedurende de tijd daarvoor [tijdens de periode van vernietiging], was de Kenner eenvoudigweg één en hetzelfde als het gekende [universum, zie ook 11.22: 29]. (3) Die Ene Grote Ongedifferentieerde Waarheid waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben [Brahman], veranderde in de tweevoud van de materiële natuur enerzijds en het genieten [door de genieter van dat resultaat] anderzijds [zie 11.22]. (4) De ene wezenshelft, de materiële natuur [prakriti], is zij [de 'moeder'], die dualistisch van aard is, terwijl het andere wezen hij, de kenner, de purusha [de genietende persoon of het mannelijke principe] wordt genoemd. (5) Door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], manifesteerden zich de geaardheden tamas, rajas en sattva [de guna's] als antwoord op de verlangens van het levende wezen. (6) Uit hen wierp zich de draad op [het activerend beginsel van de sûtra], samen met het principe van de intelligentie [mahat]. Vanuit de transformatie van mahat kwam het valse ego tot stand [van de ahankâra van de purusha die zich identificeert met het voorwerp van waarneming] dat de oorzaak is van verbijstering. (7) Dat ik-bewustzijn is aldus van de drie [guna-]categorieën en [maakt dienovereenkomstig afwisselend] begaan met helderheid, emotie en onwetendheid [gebruik van] de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriya's] en de geest [manas]. Zo vormt het [geïdentificeerde zelf] de oorzaak van het begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste]. (8) De traagheid van het valse ego gaf aanleiding tot de subtiele gevoelens met de grove materie, de emotie ervan bracht de zintuigen tot leven en de helderheid van het geïdentificeerde zelf wekte de elf goden op [zie deva]. (9) Omdat al de elementen in combinatie hun functie vonden onder Mijn invloed brachten ze het ei van het universum tot stand dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18].



(10) Ik verscheen [als Nârâyana] in het ei dat zich bevond in het water van de oceaan der oorzaken en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als het universum. Op die lotus vond de uit zichzelf geborene zijn bestaan [Brahmâ, zie 3.8]. (11) Hij, de ziel van het universum gedreven door de passie, schiep door zijn boete bij Mijn genade de drie verschillende werelden genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], met inbegrip van hun heersers [zie Gâyatrî en loka]. (12) De hemel werd de verblijfplaats voor de goden, de atmosfeer die voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen boden onderdak aan de mensen en de andere levende wezens en de plaats voorbij aan deze drie is er voor de Siddha's, zij die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka]. (13) De plaatsen van de onderwereld werden door de meester geschapen als het verblijf voor de asura's ['onverlichte zielen' of demonen] en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]. Al de bestemmingen van de drie werelden ontlenen hun bestaan aan de vruchtdragende handelingen eigen aan de geaardheden [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43]. (14) Door boete, yoga en  door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [Vaikunthha] is er met het verrichten van toegewijde dienst. (15) Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, de Ziel [de energie] van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid. (16) Wat ook het kleine, het grote, het dunne of het dikke van de manifestatie mag zijn, is allemaal het product van de tweevoudige combinatie van de materiële natuur en haar genieter [zie ook B.G. 18: 19]. (17) Dat wat de oorzaak vormt van iets - alledaagse zaken zoals dingen van goud en dingen van klei - is er zowel in het begin, tijdens het leven als aan het einde van dat wat werd voortgebracht en aan verandering onderhevig is [en qua vorm dus illusoir is, vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8]. (18) Iets dat dienst doet als een voorafgaand ingrediënt van een ding dat - als iets anders - een verandering van de vorm van dat ingrediënt voorstelt, wordt het ware van iets genoemd mits het aanwezig is van het begin tot het einde [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16]. (19) De materiële natuur [prakriti] waarvan de basis het oorzakelijke [het getransformeerde] ingrediënt van de Allerhoogste Persoon [de purusha] is, vormt samen met dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [kâla], het drietal van de Absolute Waarheid [Brahman] die Ik ben. (20) Zolang als Ik haar handhaaf met Mijn blik zal de grootse schepping voor het doel van de verscheidenheid van haar kwaliteiten, ononderbroken generatie na generatie blijven voortbestaan tot aan haar voleinding [zie ook B.G. 3: 24]. (21) Als de vorm van het universum die van Mij is doordrongen de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden uit op [het weer oplossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (22-27) Het sterfelijk omhulsel gaat [ten tijde van de vernietiging] op in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur lost op in het water, het water in de kwaliteit van de smaak, de smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de lucht, de lucht in aanraking en die lost op in de ether. De ether lost op in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van dat geluid etc.] gaan op in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen Mijn beste Uddhava, gaan op in de geest van het ego der goedheid, de beheerser van het geluid, die oplost in de oorspronkelijke staat der elementen [het ego der traagheid]. Die almachtige elementaire oernatuur versmelt dan met de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grote principe van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij op hun beurt gaan over in hun uiteindelijke verblijfplaats, de ongemanifesteerde staat van de natuur die opgaat in de onfeilbare Tijd. De Tijd lost op in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelf verwijlt en alleen blijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (28) Hoe kan, net als met de duisternis als de zon oprijst aan de hemel, de verbijstering van de geest der dualiteit zich handhaven in het hart van degene die dit nauwlettend bestudeert? (29) Dit is wat Ik, die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overzie, te zeggen had wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] die de band der twijfels doorbreekt van de mensen die zowel meeleven met als ingaan tegen de natuur.'

  

 next                       

 
 

 

Derde herziene editie, geladen 28 juli, 2015.

 

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'Nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken die werd ontwikkeld door de klassieke autoriteiten. Daarmee bekend kan een persoon direct de verwarring gebaseerd op de materiële dualiteit opgeven.
De Allerhoogste Heer zei: 'En nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken zoals die werd ontwikkeld door de klassieke autoriteiten. Daarvan op de hoogte is een persoon meteen in staat de verbijstering die is gebaseerd op de dualiteit los te laten. (Vedabase)

  

Tekst 2

In het eerste tijdperk der plichtmatigheid [Krita], in het begin toen er [enkel] ontwikkelde personen van [spiritueel] onderscheid waren, zowel als gedurende de tijd daarvoor [tijdens de periode van vernietiging], was de Kenner eenvoudigweg één en hetzelfde als het gekende [universum, zie ook 11.22: 29].

In den beginne, in het tijdperk der plichtmatigheid [Krita] en voor die tijd bestonden er mensen van een hoog onderscheidingsvermogen voor wie de ziener en het geziene eenvoudigweg één en hetzelfde waren [zie ook 11.22: 29]. (Vedabase)

 

Tekst 3

Die Ene Grote Ongedifferentieerde Waarheid waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben [Brahman], veranderde in de tweevoud van de materiële natuur enerzijds en het genieten [door de genieter van dat resultaat] anderzijds [zie 11.22].

Dat ene ongedifferentieerde ware waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben, veranderde in de tweevoud van de vormen die de materiële natuur voortbracht enerzijds en het grote geheel [de integriteit van de natuur zelf] anderzijds [prakriti en purusha, zie 11.22]. (Vedabase)

 

Tekst 4

De ene wezenshelft, de materiële natuur [prakriti], is zij [de 'moeder'], die dualistisch van aard is, terwijl het andere wezen hij, de kenner, de purusha [de genietende persoon of het mannelijke principe] wordt genoemd.

Een van de twee is inderdaad zij, de substantie van de materiële natuur, die bestaat uit een dubbel zelf [voortbrengselen en oorzaken, symmetrie en complementariteit], terwijl het andere wezen hij is, de kenner, die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd [de genieter of het mannelijk principe]. (Vedabase)

 

Tekst 5

Door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], manifesteerden zich de geaardheden tamas, rajas en sattva [de guna's] als antwoord op de verlangens van het levende wezen.

Als antwoord op de verlangens van het levende wezen manifesteerden zich door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], zich de geaardheden: tamas, rajas en sattva [de guna's]. (Vedabase)

 

 Tekst 6

Uit hen wierp zich de draad op [het activerend beginsel van de sûtra], samen met het principe van de intelligentie [mahat]. Vanuit de transformatie van mahat kwam het valse ego tot stand [van de ahankâra van de purusha die zich identificeert met het voorwerp van waarneming] dat de oorzaak is van verbijstering.

Vanuit de realisatie van dezen deed zich de mogelijkheid van de leidraad van de oer-natuur voor [de sûtra] omdat in de transformatie van de grotere werkelijkheid [de mahat-tattva] die daarmee gemoeid is zich de identificatie ontwikkelde [van de purusha die leidde tot ahankâra of vals ego], hetgeen de oorzaak van de verbijstering is. (Vedabase)


 Tekst 7

Dat ik-bewustzijn is aldus van de drie [guna-]categorieën en [maakt dienovereenkomstig afwisselend] begaan met helderheid, emotie en onwetendheid [gebruik van] de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriya's] en de geest [manas]. Zo vormt het [geïdentificeerde zelf] de oorzaak van het begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste].

Dat ik-bewustzijn [of valse ego] is aldus van de drie categorieën en [bedient overeenkomstig afwisselend] met emotie, helderheid en onwetendheid [zich van] de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriya's] en de geest [manas]. Zo vormt het [geïdentificeerde zelf] de oorzaak van het begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste]. (Vedabase)

 

Tekst 8

De traagheid van het valse ego gaf aanleiding tot de subtiele gevoelens met de grove materie, de emotie ervan bracht de zintuigen tot leven en de helderheid van het geïdentificeerde zelf wekte de elf goden op [zie deva].

Uit de traagheid van het valse ego ontwikkelden zich de subtiele gevoelens met de grove materie, aan de helderheid ervan ontsproten de zintuigen, en uit de goedheid van het geïdentificeerde zelf ontwikkelden zich de elf goden [zie deva]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Omdat al de elementen in combinatie hun functie vonden onder Mijn invloed brachten ze het ei van het universum tot stand dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18].

Door het onder Mijn invloed samengaan van al de elementen kwam het ei van het universum tot stand dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Ik verscheen [als Nârâyana] in het ei dat zich bevond in het water van de oceaan der oorzaken en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als het universum. Op die lotus vond de uit zichzelf geborene zijn bestaan [Brahmâ, zie 3.8].

In het water van de oceaan der oorzaken verscheen Ik binnenin dat ei [als Nârâyana] en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als het universum. Op die lotus vond de uit zichzelf geborene zijn bestaan [Brahmâ, zie 3.8]. (Vedabase)

 

 Tekst 11

Hij, de ziel van het universum gedreven door de passie, schiep door zijn boete bij Mijn genade de drie verschillende werelden genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], met inbegrip van hun heersers [zie Gâyatrî en loka].

Hij, de ziel van het universum gedreven door de passie, schiep door zijn boete bij Mijn genade de drie verschillende werelden genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], samen met hun heersers [zie Gâyatrî en loka]. (Vedabase)

 

Tekst 12

De hemel werd de verblijfplaats voor de goden, de atmosfeer die voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen boden onderdak aan de mensen en de andere levende wezens en de plaats voorbij aan deze drie is er voor de Siddha's, zij die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka].

De hemel werd het thuis voor de goden, de atmosfeer het thuis voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen vormen het thuis voor de mensen en de andere levende wezens en het voorbije van deze drie is er voor hen die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka]. (Vedabase)

 

Tekst 13

De plaatsen van de onderwereld werden door de meester geschapen als het verblijf voor de asura's ['onverlichte zielen' of demonen] en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]. Al de bestemmingen van de drie werelden ontlenen hun bestaan aan de vruchtdragende handelingen eigen aan de geaardheden [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43].

De plaatsen van de onderwereld werden door de meester geschapen als het verblijf voor de onverlichte zielen en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]. Al de bestemmingen van de drie werelden ontlenen hun bestaan aan de vruchtdragende handelingen van de zielen die verstrikt zijn in de geaardheden [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43]. (Vedabase)

  

Tekst 14

Door boete, yoga en door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [Vaikunthha] is er met het verrichten van toegewijde dienst.

Door boete, yoga en zelfs door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [Vaikunthha] is er met toegewijde dienst. (Vedabase)

 

Tekst 15

Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, de Ziel [de energie] van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid.

Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, het Zelf van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid. (Vedabase)

 

 Tekst 16

Wat ook het kleine, het grote, het dunne of het dikke van de manifestatie mag zijn, is allemaal het product van de tweevoudige combinatie van de materiële natuur en haar genieter [zie ook B.G. 18: 19].

Wat het kleine, het grote, het dunne of het massieve ook moge zijn van de manifestatie, is allemaal het product van de combinatie van de twee van de materiële natuur en de genieter [zie ook B.G. 18: 16]. (Vedabase)

 

Tekst 17

Dat wat de oorzaak vormt van iets - alledaagse zaken zoals dingen van goud en dingen van klei - is er zowel in het begin, tijdens het leven als aan het einde van dat wat werd voortgebracht en aan verandering onderhevig is [en qua vorm dus illusoir is, vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8].

Dat wat de oorzaak vormt van iets is er zowel in het begin, tijdens het leven als aan het einde van dat wat werd voortgebracht. De transformatie [zowel als het ingrediënt en hij die transformeert en niet zozeer deze of gene vorm] is het werkelijke van alledaagse gebruiksvoorwerpen als zaken van goud en dingen van klei [vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8]. (Vedabase)

  

 Tekst 18

Iets dat dienst doet als een voorafgaand ingrediënt van een ding dat - als iets anders - een verandering van de vorm van dat ingrediënt voorstelt, wordt het ware van iets genoemd mits het aanwezig is van het begin tot het einde [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16].

Iets dat werkzaam is als een voorafgaand ingrediënt in de productie van een ander ding dat aldus een modificatie van dat ingrediënt is, wordt het ware van iets genoemd als het aanwezig is van het begin tot het einde [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16]. (Vedabase)

 

 Tekst 19

De materiële natuur [prakriti] waarvan de basis het oorzakelijke [het getransformeerde] ingrediënt van de Allerhoogste Persoon [de purusha] is, vormt samen met dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [kâla], het drietal van de Absolute Waarheid [Brahman] die Ik ben.

De materiële natuur die de basis vormt [âdhâra] van het oorzakelijke ingediënt [het getransformeerde], het ware van de Oorspronkelijke Persoon [Hij die transformeert], en dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [de transformatie], deze drie [resp. prakriti, Purusha en kâla] vormen tezamen de Absolute Waarheid [het Brahman] die Ik ben. (Vedabase)

 

Tekst 20

Zolang als Ik haar handhaaf met Mijn blik zal de grootse schepping voor het doel van de verscheidenheid van haar kwaliteiten, ononderbroken generatie na generatie blijven voortbestaan tot aan haar voleinding [zie ook B.G. 3: 24].

Zolang Ik erop toezie zal de rijke schepping voor het doel van de verscheidenheid van haar kwaliteiten generatie na generatie zonder ophouden worden gehandhaafd tot aan haar voleinding [zie ook B.G. 3: 24]. (Vedabase)

 

 Tekst 21

Als de vorm van het universum die van Mij is doordrongen de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden uit op [het weer oplossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13].

Als de universele gedaante die van Mij doordrongen is de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden ervoor in aanmerking om [weer op te lossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (Vedabase)

 

 Tekst 22-27

Het sterfelijk omhulsel gaat [ten tijde van de vernietiging] op in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur lost op in het water, het water in de kwaliteit van de smaak, de smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de lucht, de lucht in aanraking en die lost op in de ether. De ether lost op in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van dat geluid etc.] gaan op in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen Mijn beste Uddhava, gaan op in de geest van het ego der goedheid, de beheerser van het geluid, die oplost in de oorspronkelijke staat der elementen [het ego der traagheid]. Die almachtige elementaire oernatuur versmelt dan met de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grote principe van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij op hun beurt gaan over in hun uiteindelijke verblijfplaats, de ongemanifesteerde staat van de natuur die opgaat in de onfeilbare Tijd. De Tijd lost op in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelf verwijlt en alleen blijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15].

Het sterfelijk omhulsel wordt [ten tijde van de vernietiging] opgenomen in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur gaat over in het water, het water in de kwaliteit ervan, die smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de aanraking, de aanraking vervolgens in de ether, de ether in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van het geluid etc.] in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen [als het ahankâra ego van de passie] gaan op in de emoties [het ego der goedheid], Mijn beste, en zij gaan op in de geest, de beheerser van het geluid, welke oplost in het oorspronkelijke van de elementen [het ego der traagheid], en dat almachtige primair elementaire gaat op in de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grotere van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij in hun uiteindelijke verblijftplaats van het ongemanifesteerde dat zijn rustplaats vind in de onfeilbare Tijd. De tijd gaat over in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelve verblijvend alleen overblijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (Vedabase)

 

Tekst 28

Hoe kan, net als met de duisternis als de zon oprijst aan de hemel, de verbijstering van de geest der dualiteit zich handhaven in het hart van degene die dit nauwlettend bestudeert?

Net zoals de duisternis zich niet kan handhaven met de zon die oprijst aan de hemel, kan ook van degene die dit nauwlettend bestudeert de verbijstering van de geest der dualiteit zich niet handhaven in het hart. (Vedabase)

 

Tekst 29

Dit is wat Ik, die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overzie, te zeggen had wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] die de band der twijfels doorbreekt van de mensen die zowel meeleven met als ingaan tegen de natuur.'

Dit is wat Ik, Hij die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overziet, had te zeggen wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] welke de band der twijfels doorbreekt van mensen die in hun levens met de stroom mee en tegen de stroom inroeien.' (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

Schilderij 'Drieluik' (middenpaneel) ter beschikking gesteld door Wim Kuenen, gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties