
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Lord
Krishna's Description of the Varnâs'rama
System
Tekst
1-2:
S'rî
Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze
beginselen, door de bhakti voorgeleefd, van alle
varnâs'rama
volgelingen en zelfs de [onwetende] tweebenige
schepselen; Je zou me dit proces moeten uitleggen van de mens
die zijn beroepsmatige plichten vervult, waarmee er, door Jou
geschonken, de liefdevolle toegewijde dienst mag
zijn.
S'rî
Uddhava said: My dear Lord, previously You described the
principles of devotional service that are to be practiced by
followers of the varnâs'rama system and even ordinary,
unregulated human beings. My dear lotus-eyed Lord, now
please explain to me how all human beings can achieve loving
service unto You by the execution of their prescribed
duties.
Tekst
3-4:
De religieuze
beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarvan Jij,
zoals gezegd [11.13],
voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de
gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen vandaag
de dag na door Jou te zijn onderwezen en zolang gegolden te
hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet meer algemeen zijn in
de menselijke samenleving [zie ook 5.6:
10 en
11.5:
36 en
kali-yuga].
My
dear Lord, O mighty-armed one, previously in Your form of
Lord Hamsa You spoke to Lord Brahmâ those religious
principles that bring supreme happiness to the practitioner.
My dear Mâdhava, now much time has passed, and that
which You previously instructed will soon practically cease
to exist, O subduer of the enemy.
Tekst
5-6:
Beste Acyuta
behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer
van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van
Brahmâ alwaar je aanwezig bent in de gedaante van een
deel van Jou [te weten de Veda's, zie ook
10:
87]. Als
de aarde door Jouw heerlijkheid is achtergelaten, o
Madhûsudana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o
God, zal dan spreken over wat er verloren is
gegaan?
My
dear Lord Acyuta, there is no speaker, creator and protector
of supreme religious principles other than Your Lordship,
either on the earth or even in the assembly of Lord
Brahmâ, where the personified Vedas reside. Thus, my
dear Lord Madhusûdana, when You, who are the very
creator, protector and speaker of spiritual knowledge,
abandon the earth, who will again speak this lost
knowledge?
Tekst
7
Daarom, met Jou
nog onder ons, beschrijf me alsJeblieft o Meester, o Kenner van
Alle Dharma, de manier waarop en door wie de oorspronkelijke
plichten, die het kenmerk van Jouw bhakti dragen, kunnen worden
uitgevoerd.'
Therefore,
my Lord, since You are the knower of all religious
principles, please describe to me the human beings who may
execute the path of loving service to You and how such
service is to be rendered.
Tekst
8
S'rî
S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, aldus behaagd
verzocht door de beste van Zijn toegewijden, sprak toen voor
het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de
eeuwige plichten van het dharma.
S'rî
S'ukadeva Gosvâmî said: S'rî Uddhava, the
best of devotees, thus inquired from the Lord. Hearing his
question, the Personality of Godhead, s'rî Krishna,
was pleased and for the welfare of all conditioned souls
spoke those religious principles that are eternal.
Tekst
9
De Allerhoogste
Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de normale
menselijke wezens de oorzaak van het hoogste welbevinden;
alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hen [de
plichten] zoals ze zijn nageleefd door hen van achting voor
het varnâs'rama-systeem.
The
Supreme Personality of Godhead said - My dear Uddhava, your
question is faithful to religious principles and thus gives
rise to the highest perfection in life, pure devotional
service, for both ordinary human beings and the followers of
the varnâs'rama system. Now please learn from Me those
supreme religious principles.
Tekst
10
In het begin
was er het tijdperk van krita
waarin de klasse der menselijke wezens hamsa
wordt genoemd; de burgers toen zijn van hun geboorte af aan
goed bekend met het uitvoeren van de plichten - om die reden
kennen de geschoolden het als krita-yuga, het tijdperk van de
plichtsvervulling.
In
the beginning, in Satya-yuga, there is only one social
class, called hamsa, to which all human beings belong. In
that age all people are unalloyed devotees of the Lord from
birth, and thus learned scholars call this first age
Krita-yuga, or the age in which all religious duties are
perfectly fulfilled.
Tekst
11
Aanvankelijk
wordt de Veda inderdaad uitgedrukt met de pranava,
met Mij als de plicht in de gedaante van de stier der religie
[zie 1.16:
18 en
1.
17: 24],
waarmee zij, die verankerd in de verzaking bevrijd zijn van
zonden, Mij, Heer Hamsa, aanbidden.
In
Satya-yuga the undivided Veda is expressed by the syllable
om, and I am the only object of mental activities. I become
manifest as the four-legged bull of religion, and thus the
inhabitants of Satya-yuga, fixed in austerity and free from
all sins, worship Me as Lord Hamsa.
Tekst
12
Aan het begin
van tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, verscheen van de
prânâ uit Mijn hart de drievoud van het kennen
[de drie Veda's] en daaruit verscheen Ik in drie vormen
van offeren [vandaar de naam tretâ, zie
ritvik].
O
greatly fortunate one, at the beginning of Tretâ-yuga
Vedic knowledge appeared from My heart, which is the abode
of the air of life, in three divisions - as Rig, Sâma
and Yajur. Then from that knowledge I appeared as threefold
sacrifice.
Tekst
13
Voortgekomen
uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid werden de geschoolden,
de strijders, de kooplieden en de arbeiders [de
varna's]
geboren en aan de hand van hun persoonlijke activiteiten
herkend als [respectievelijk] zijnde van de mond, de
armen, de dijen en de benen van de universele gedaante
[vergelijk 2.1:
37].
In
Tretâ-yuga the four social orders were manifested from
the universal form of the Personality of Godhead. The
brâhmanas appeared from the Lord's face, the
kshatriyas from the Lord's arms, the vais'yas from the
Lord's thighs and the s'ûdras from the legs of that
mighty form. Each social division was recognized by its
particular duties and behavior.
Tekst
14
De huishouders
bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in
Mijn hart, in Mijn borst zijn er degenen die verblijven in het
woud en de wereldverzakende orde bevindt zich in Mijn hoofd
[zie âs'rama's].
The
married order of life appeared from the loins of My
universal form, and the celibate students came from My
heart. The forest-dwelling retired order of life appeared
from My chest, and the renounced order of life was situated
within the head of My universal form.
Tekst
15
De hogere of
lagere naturen van de menselijke wezens van de varna's en
âs'rama's wierpen zich op naar gelang de superieure of
inferieure positie van geboorte [in Mijn
lichaam].
The
various occupational and social divisions of human society
appeared according to inferior and superior natures manifest
in the situation of the individual's birth.
Tekst
16
Gelijkmoedigheid,
zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid,
vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding tot Mij,
mededogen en waarachtigheid; dezen dan zijn de natuurlijke
kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk
7.11:
21 en B.G.
18:
42].
Peacefulness,
self-control, austerity, cleanliness, satisfaction,
tolerance, simple straightforwardness, devotion to Me, mercy
and truthfulness are the natural qualities of the
brâhmanas.
Tekst
17
IJver,
lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie,
vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, bedacht zijn
op het brahmaanse en leiderschap; dezen dan zijn de
eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben
[vergelijk 7.11:
22 en B.G.
18:
43].
Faith
in Vedic civilization, dedication to charity, freedom from
hypocrisy, service to the brâhmanas and perpetually
desiring to accumulate more money are the natural qualities
of the vais'yas.
Tekst
18
Geloof in God
en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, van liefde voor
het brahmaanse en rusteloos aangaande het vergaren van geld;
dezen dan zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's
[vergelijk 7.11:
23 en B.G.
18:
44].
Faith
in Vedic civilization, dedication to charity, freedom from
hypocrisy, service to the brâhmanas and perpetually
desiring to accumulate more money are the natural qualities
of the vais'yas.
Tekst
19
De brahmanen,
de koeien en de godvrezenden van dienst zijn, betrouwbaar van
aard zijn in dezen en vrede hebbend met wat werd verworven; dit
dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's
[vergelijk 7.11:
24 en B.G.
18:
44].
Service
without duplicity to the brâhmanas, cows, demigods and
other worshipable personalities, and complete satisfaction
with whatever income is obtained in such service, are the
natural qualities of s'ûdras.
Tekst
20
Onrein,
achterbaks, stelend, ongelovig, van zinloos geruzie, wellustig,
van woede en ook van smachten; dit vormt de aard van hen die
zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen].
Dirtiness,
dishonesty, thievery, faithlessness, useless quarrel, lust,
anger and hankering constitute the nature of those in the
lowest position outside the varnâs'rama system.
Tekst
21
Geweldloos
zijn, waarachtig zijn, eerlijk zijn, vrij zijn van lust, woede
en begeerte en het welzijn en geluk nastreven van alle levende
wezens; dit is de plicht van alle leden van de
samenleving.
Nonviolence,
truthfulness, honesty, desire for the happiness and welfare
of all others and freedom from lust, anger and greed
constitute duties for all members of society.
Tekst
22
Zoals het hoort
[met samskâra's]
een tweede geboorte bereikend met de kwijting [der zonden,
traditioneel met initiatie in de gâyatrî
de heilige
draad ontvangend], behoort een tweemaal geborene zich
ophoudend in de leefgemeenschap van de goeroe, zelfbeheerst,
zoals opgedragen, de geschriften te bestuderen [zie ook
B.G. 16:
24].
The
twice-born member of society achieves second birth through
the sequence of purificatory ceremonies culminating in
Gâyatrî initiation. Being summoned by the
spiritual master, he should reside within the guru's
âs'rama and with a self-controlled mind carefully
study the Vedic literature.
Tekst
23
Met een gordel,
een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een
staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een
brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar
[toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de
tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam
behoorlijk bedekken [*]
is hij [de brahmacârî], kus'a dragend
[van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste
zetel.
The
brahmacârî should regularly dress with a belt of
straw and deerskin garments. He should wear matted hair,
carry a rod and waterpot and be decorated with aksha beads
and a sacred thread. Carrying pure kus'a grass in his hand,
he should never accept a luxurious or sensuous sitting
place. He should not unnecessarily polish his teeth, nor
should he bleach and iron his clothes.
Tekst
24
Het zich baden
en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer doen
en het zich ontdoen van ontlasting en urine, doet hij in stilte
[vaishnava's mompelen met hun japa];
hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn
nagels of haar te knippen, met inbegrip van het haar onder zijn
armen en het schaamhaar [zie ook s'îkhâ].
A
brahmacârî should always remain silent while
bathing, eating, attending sacrificial performances,
chanting japa or passing stool and urine. He should not cut
his nails and hair, including the armpit and pubic
hair.
Tekst
25
Hij die van de
gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te
verspillen en, als het uit zich zelf wegvloeide, een bad te
nemen, zijn adem te beheersen en de gâyatrî
op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah].
One
observing the vow of celibate brahmacârî life
should never pass semen. If the semen by chance spills out
by itself, the brahmacârî should immediately
take bath in water, control his breath by
prânâyâma and chant the
Gâyatrî mantra
Tekst
26
Gezuiverd met
het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon
[zie cakra],
de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en
de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend,
japa
te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtens en
's avonds, vergelijk: 11.14:
35].
Purified
and fixed in consciousness, the brahmacârî
should worship the fire-god, sun, âcârya, cows,
brâhmanas, guru, elderly respectable persons and
demigods. He should perform such worship at sunrise and
sunset, without speaking but by silently chanting or
murmuring the appropriate mantras.
Tekst
27
De leraar van
het voorbeeld [de âcârya] moet men als was
hij Mij beschouwen; hem moet nooit en te nimmer afgunstig het
respect worden misgund met het idee dat hij maar een gewone
sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al
de goden [zie ook de heuristiek
en vergelijk b.v. 7.14:
17,
10
81: 39 ,
10.45:
32 en
11.15:
27].
One
should know the âcârya as Myself and never
disrespect him in any way. One should not envy him, thinking
him an ordinary man, for he is the representative of all the
demigods.
Tekst
28
's Avonds en 's
morgens hem het voedsel brengend dat werd ingezameld, en dat
overhandigend tezamen met andere artikelen, behoort men in
ingetogenheid er blij mee te zijn te aanvaarden wat [door
hem] wordt toegewezen.
In
the morning and evening one should collect foodstuffs and
other articles and deliver them to the spiritual master.
Then, being self-controlled, one should accept for oneself
that which is allotted by the âcârya.
Tekst
29
Altijd druk met
het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op
een niet te grote afstand met gevouwen handen achting te hebben
voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan.
While
engaged in serving the spiritual master one should remain as
a humble servant, and thus when the guru is walking the
servant should humbly walk behind. When the guru lies down
to sleep, the servant should also lie down nearby, and when
the guru has awakened, the servant should sit near him,
massaging his lotus feet and rendering other, similar
services. When the guru is sitting down on his âsana,
the servant should stand nearby with folded hands, awaiting
the guru's order. In this way one should always worship the
spiritual master.
Tekst
30
Aldus bezig
moet hij [de upakurvâna
brahmacârî],
vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er
ongebroken in de eed [van het celibaat] mee doorgaan te
leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is
voltooid [zie ook kumâra's].
Until
the student has completed his Vedic education he should
remain engaged in the âs'rama of the spiritual master,
should remain completely free of material sense
gratification and should not break his vow of celibacy
[brahmacarya].
Tekst
31
Als hij
[naishthhika,
d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de
wereld der verzen [Maharloka]
om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het
doel van de studie van het ware zelf zijn lichaam ten dienste
stellen van de goeroe met achting voor de grote gelofte
[zie yama].
If
the brahmacârî student desires to ascend to the
Maharloka or Brahmaloka planets, then he should completely
surrender his activities to the spiritual master and,
observing the powerful vow of perpetual celibacy, dedicate
himself to superior Vedic studies.
Tekst
32
Vedisch
verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de
geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens
aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid
[zie ook B.G. 5:
18,
siddhânta
en advaita].
Thus
enlightened in Vedic knowledge by service to the spiritual
master, freed from all sins and duality, one should worship
Me as the Supersoul, as I appear within fire, the spiritual
master, one's own self and all living entities.
Tekst
33
Met
[seksueel ontvankelijke] vrouwen of met sex-beluste
levende wezens, blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee
onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar
iemand die er geen huishouding op nahoudt [de
sannyâsî, de vânaprashtha en de
brahmacârî] van behoort af te zien [zie
11.14:
29 en
6.1:
56-68].
Those
who are not married - sannyâsîs,
vânaprasthas and brahmacârîs - should
never associate with women by glancing, touching,
conversing, joking or sporting. Neither should they ever
associate with any living entity engaged in sexual
activities.
Tekst
34-35
Reinheid, de
handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus
dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken,
het bidsnoer doen, het vermijden van dingen die men niet aan
moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en
dingen waar men niet over behoort te spreken; dit vormt de
vrijwillige boete die met Mij, die bestaat in alle levende
wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het
lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen, o
Uddhava.
My
dear Uddhava, general cleanliness, washing the hands,
bathing, performing religious services at sunrise, noon and
sunset, worshiping Me, visiting holy places, chanting japa,
avoiding that which is untouchable, uneatable or not to be
discussed, and remembering My existence within all living
entities as the Supersoul - these principles should be
followed by all members of society through regulation of the
mind, words and body.
Tekst
36
Een brahmaan
aldus zich houdend aan de grote gelofte wordt helder als vuur
Mijn toegewijde, smetteloos met het karma verbrand door de
intensiteit van de boete.
A
brâhmana observing the great vow of celibacy becomes
brilliant like fire and by serious austerity burns to ashes
the propensity to perform material activities. Free from the
contamination of material desire, he becomes My
devotee.
Tekst
37
Aldus naar
behoren de vedische literatuur bestudeerd hebbend, behoort hij
[als brahmacârî], zich bekommerend om wat
daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe
schadeloos te stellen, en zichzelf in orde te brengen [en
te vertrekken **]
met de toestemming van de goeroe.
A
brahmacârî who has completed his Vedic education
and desires to enter household life should offer proper
remuneration to the spiritual master, bathe, cut his hair,
put on proper clothes, and so on. Then, taking permission
from the guru, he should go back to his home.
Tekst
38
Hij moet ofwel
het gezinsleven oppakken dan wel leven in het woud [een
kluizenaar worden] of, als de beste der tweemaal geborenen,
een monnik worden; niet aan Mij overgegeven, moet men van de
ene geestelijke afdeling tot de andere âs'rama overgaan
en het niet anders doen.
A
brahmacârî desiring to fulfill his material
desires should live at home with his family, and a
householder who is eager to purify his consciousness should
enter the forest, whereas a purified brâhmana should
accept the renounced order of life. One who is not
surrendered to Me should move progressively from one
âs'rama to another, never acting otherwise.
Tekst
39
Een gezinsleven
verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met
gelijksoortige kenmerken die jonger is, en met de eerste die
van dezelfde roeping is mag er een andere volgen [van een
lagere kaste].
One
who desires to establish family life should marry a wife of
his own caste, who is beyond reproach and younger in age. If
one desires to accept many wives he must marry them after
the first marriage, and each wife should be of a
successively lower caste.
Tekst
40
Offerplechtigheden,
vedische studie en liefdadigheid zijn er voor alle tweemaal
geborenen; maar alleen van de brahmaan is er het aanvaarden van
liefdadigheid, het onderrichten in de vedische kennis en het
voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk
7.11:
14].
All
twice-born men - brâhmanas, kshatriyas and vais'yas -
must perform sacrifice, study the Vedic literature and give
charity. Only the brâhmanas, however, accept charity,
teach the Vedic knowledge and perform sacrifice on behalf of
others.
Tekst
41
Als men het
aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor de
tapas,
de geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de
andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of,
als hij deze twee in strijd ziet, leven van het vergaren van
korenaren achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven
van de bijstand, zie ook 6.7:
36,
7.15:
30 en B.G.
9:
22].
A
brâhmana who considers that accepting charity from
others will destroy his austerity, spiritual influence and
fame should maintain himself by the other two brahminical
occupations, namely teaching Vedic knowledge and performing
sacrifice. If the brâhmana considers that those two
occupations also compromise his spiritual position, then he
should collect rejected grains in agricultural fields and
live without any dependence on others.
Tekst
42
Voorzeker is
het lichaam van een brahmaan bedoeld voor de last van
[vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld en voor een
onbegrensd geluk in het hiernamaals en niet voor de doelloze
zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige
vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook
11.6:
9 en B.G.
17:
14-19].
The
body of a brâhmana is not intended to enjoy
insignificant material sense gratification; rather, by
accepting difficult austerities in his life, a
brâhmana will enjoy unlimited happiness after
death.
Tekst
43
Geheel tevreden
met het zich bezig houden met het vergaren van graankorrels en
het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma,
kan, zelfs thuis blijvend, hij die zijn geest op Mij vestigde,
niet zo erg gehecht de bevrijding bereiken [vergelijk B.G.
3:
22 en
10.69].
A
brâhmana householder should remain satisfied in mind
by gleaning rejected grains from agricultural fields and
marketplaces. Keeping himself free of personal desire, he
should practice magnanimous religious principles, with
consciousness absorbed in Me. In this way a brâhmana
may stay at home as a householder without very much
attachment and thus achieve liberation.
Tekst
44
Zij die de
geschoolden verheffen en hen die overgegeven aan Mij te lijden
hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, als een boot
in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende.
Just
as a ship rescues those who have fallen into the ocean,
similarly, I very quickly rescue from all calamities those
persons who uplift brâhmanas and devotees suffering in
a poverty-stricken condition.
Tekst
45
Zoals een
olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten
beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door
anderen te verlossen [zie ook 4.20:
14].
Just
as the chief bull elephant protects all other elephants in
his herd and defends himself as well, similarly, a fearless
king, just like a father, must save all of the citizens from
difficulty and also protect himself.
Tekst
46
Aldus geniet de
menselijk heerser op die manier met Indra, met een hemels
voertuig zo schitterend als de zon, met het op aarde verdrijven
van alle zonden.
An
earthly king who protects himself and all citizens by
removing all sins from his kingdom will certainly enjoy with
Lord Indra in airplanes as brilliant as the sun.
Tekst
47
Als een
geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit
verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan
doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand
nemen [de politiek in te gaan]; in geen geval kan hij
zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan
volgen].
If
a brâhmana cannot support himself through his regular
duties and is thus suffering, he may adopt the occupation of
a merchant and overcome his destitute condition by buying
and selling material things. If he continues to suffer
extreme poverty even as a merchant, then he may adopt the
occupation of a kshatriya, taking sword in hand. But he
cannot in any circumstances become like a dog, accepting an
ordinary master.
Tekst
48
Een koning mag
zichzelf in leven houden door te werk te gaan als een koopman,
of noodlijdend dat doen door te jagen of in de gedaante van een
man van kennis op te treden; in geen geval kan hij de weg van
de hond volgen.
A
king or other member of the royal order who cannot maintain
himself by his normal occupation may act as a vais'ya, may
live by hunting or may act as a brâhmana by teaching
others Vedic knowledge. But he may not under any
circumstances adopt the profession of a s'ûdra.
Tekst
49
Een vais'ya mag
de zaken oppakken van een s'ûdra en een s'ûdra mag
de methode van een handwerksman volgen, manden en matten
vervaardigend om bevrijd te raken uit een penibele situatie,
maar met de arbeid verricht moet men een kostwinning beneden
zijn stand niet begeren [zie ook 7.11:
17].
A
vais'ya, or mercantile man, who cannot maintain himself may
adopt the occupation of a s'ûdra, and a s'ûdra
who cannot find a master can engage in simple activities
like making baskets and mats of straw. However, all members
of society who have adopted inferior occupations in
emergency situations must give up those substitute
occupations when the difficulties have passed.
Tekst
50
Naar gelang
zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de
manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de
voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te
bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke met
[de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en
svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van
toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5:
41].
One
in the grihastha order of life should daily worship the
sages by Vedic study, the forefathers by offering the mantra
svadhâ, the demigods by chanting svâhâ,
all living entities by offering shares of one's meals, and
human beings by offering grains and water. Thus considering
the demigods, sages, forefathers, living entities and human
beings to be manifestations of My potency, one should daily
perform these five sacrifices.
Tekst
51
Niet in
verlegenheid met hen die van je afhankelijk zijn, of men nu van
geld is verkregen zonder inspanning of van geld verkregen door
eerlijk werk te doen, behoort men zo van gepast respect te zijn
met vedische rituelen.
A
householder should comfortably maintain his dependents
either with money that comes of its own accord or with that
gathered by honest execution of one's duties. According to
one's means, one should perform sacrifices and other
religious ceremonies.
Tekst
52
Aan de
familieleden moet men niet gehecht zijn, noch moet men zich
gaan opwinden [met de gedachte de baas te zijn]; neen,
een wijs mens behoort in te zien dat zelfs dat wat niet
geregeld is evenzo tijdelijk is als dat wat is
geregeld.
A
householder taking care of many dependent family members
should not become materially attached to them, nor should he
become mentally unbalanced, considering himself to be the
lord. An intelligent householder should see that all
possible future happiness, just like that which he has
already experienced, is temporary.
Tekst
53
Het gezelschap
van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het
samenzijn met reizigers; als een droom die zich voordoet in de
slaap zijn ze allen weer gescheiden met iedere wisseling van
lichaam [zie ook 7.2:
21,
9.19:
27-28].
The
association of children, wife, relatives and friends is just
like the brief meeting of travelers. With each change of
body one is separated from all such associates, just as one
loses the objects one possesses in a dream when the dream is
over.
Tekst
54
Een bevrijde
ziel van die overtuiging, die, zich niet met het lichaam
identificerend, onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast,
moet zich niet verstrikken in de huiselijke omstandigheid.
(
Deeply
considering the actual situation, a liberated soul should
live at home just like a guest, without any sense of
proprietorship or false ego. In this way he will not be
bound or entangled by domestic affairs.
Tekst
55
Mij aanbiddend
met de activiteiten van een gezinsleven mag men, een toegewijde
zijnd, aldus thuis blijven of het woud ingaan, ofwel, in geval
van verantwoordelijk nageslacht, de wereldverzakende orde
oppakken.
A
householder devotee who worships Me by execution of his
family duties may remain at home, go to a holy place or, if
he has a responsible son, take sannyâsa.
Tekst
56
Echter, hij die
gebrand is op vrouwen, wiens bewustzijn wordt verstoord door
het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in
gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan
het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'.
But
a householder whose mind is attached to his home and who is
thus disturbed by ardent desires to enjoy his money and
children, who is lusty after women, who is possessed of a
miserly mentality and who unintelligently thinks,
'Everything is mine and I am everything,' is certainly bound
in illusion.
Tekst
57
'Och arme, mijn
oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen,
mijn kleine onbeschermde kindjes; hoe kunnen zij nu ooit leven,
ellendig het zwaar te verduren hebbend zonder mij?' [zie
b.v. ook 11.7:
52-57].
'O
my poor elderly parents, and my wife with a mere infant in
her arms, and my other young children! Without me they have
absolutely no one to protect them and will suffer
unbearably. How can my poor relatives possibly live without
me?î
Tekst
58
Aldus zal, met
zijn thuis als zijn vluchtplaats, zo een iemand, met zijn hart
overweldigd onvoldaan over hen piekerend, met een verkeerd
gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij
sterft.'
Thus,
because of his foolish mentality, a householder whose heart
is overwhelmed by family attachment is never satisfied.
Constantly meditating on his relatives, he dies and enters
into the darkness of ignorance.
*
De term adhauta hier gebruikt betekent, volgens het
Monier Williams woordenboek, het negatieve van dhauta,
hetgeen wit, gewassen en gezuiverd betekent als ook verwijderd
en vernietigd. Met betrekking tot tanden en kleren zou dit
zowel niet gepoetste tanden en ongewassen kleren kunnen
betekenen als tanden die niet zijn gebroken of verrot en kleren
die naar behoren het lichaam bedekken. Aldus hangt het van de
context van de andere waarden der verzaking af om uit te maken
welke betekenis van toepassing zou zijn. Aangezien
adhauta in de eerste zin in tegenspraak zou verkeren met
de waarde der reinheid, s'aucam [zie b.v. vers 20
van dit hoofdstuk en 1.17:
24],
is er, in tegenstelling tot voorgaande interpretaties gekozen
voor de tweede zin van goed onderhouden tanden en kleren die
naar behoren het lichaam bedekken, hetgeen meer in
overeenstemming is met de normale gang van zaken bij vaishnava
toegewijden in aanvaarding van een geestelijik leraar [zie
ook pp. 11.17:
23].
**
Dit proces van 'in orde brengen' wordt de
samâvartana-samskâra genoemd die de
voltooiing van de studie markeert en de terugkeer naar huis na
met de goeroe te hebben geleefd.
