regelbalk

 

Arunodaya-kîrt./Jiv Jâgo

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 17

 

Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

(1-2) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen, door de bhakti voorgeleefd, van alle varnâs'rama volgelingen en zelfs de [onwetende] tweebenige schepselen; Je zou me dit proces moeten uitleggen van de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult, waarmee er, door Jou geschonken, de liefdevolle toegewijde dienst mag zijn. (3-4) De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarvan Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen vandaag de dag na door Jou te zijn onderwezen en zolang gegolden te hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet meer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en kali-yuga]. (5-6) Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jou [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is achtergelaten, o Madhûsudana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o God, zal dan spreken over wat er verloren is gegaan? (7) Daarom, met Jou nog onder ons, beschrijf me alsJeblieft o Meester, o Kenner van Alle Dharma, de manier waarop en door wie de oorspronkelijke plichten, die het kenmerk van Jouw bhakti dragen, kunnen worden uitgevoerd.'

(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, aldus behaagd verzocht door de beste van Zijn toegewijden, sprak toen voor het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de normale menselijke wezens de oorzaak van het hoogste welbevinden; alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hen [de plichten] zoals ze zijn nageleefd door hen van achting voor het varnâs'rama-systeem. (10) In het begin was er het tijdperk van krita waarin de klasse der menselijke wezens hamsa wordt genoemd; de burgers toen zijn van hun geboorte af aan goed bekend met het uitvoeren van de plichten - om die reden kennen de geschoolden het als krita-yuga, het tijdperk van de plichtsvervulling. (11) Aanvankelijk wordt de Veda inderdaad uitgedrukt met de pranava, met Mij als de plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1. 17: 24], waarmee zij, die verankerd in de verzaking bevrijd zijn van zonden, Mij, Heer Hamsa, aanbidden. (12) Aan het begin van tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, verscheen van de prânâ uit Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's] en daaruit verscheen Ik in drie vormen van offeren [vandaar de naam tretâ, zie ritvik]. (13) Voortgekomen uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid werden de geschoolden, de strijders, de kooplieden en de arbeiders [de varna's] geboren en aan de hand van hun persoonlijke activiteiten herkend als [respectievelijk] zijnde van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37]. (14) De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst zijn er degenen die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde bevindt zich in Mijn hoofd [zie âs'rama's]. (15) De hogere of lagere naturen van de menselijke wezens van de varna's en âs'rama's wierpen zich op naar gelang de superieure of inferieure positie van geboorte [in Mijn lichaam]. (16) Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding tot Mij, mededogen en waarachtigheid; dezen dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42]. (17) IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, bedacht zijn op het brahmaanse en leiderschap; dezen dan zijn de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43]. (18) Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, van liefde voor het brahmaanse en rusteloos aangaande het vergaren van geld; dezen dan zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44]. (19) De brahmanen, de koeien en de godvrezenden van dienst zijn, betrouwbaar van aard zijn in dezen en vrede hebbend met wat werd verworven; dit dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44]. (20) Onrein, achterbaks, stelend, ongelovig, van zinloos geruzie, wellustig, van woede en ook van smachten; dit vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen]. (21) Geweldloos zijn, waarachtig zijn, eerlijk zijn, vrij zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk nastreven van alle levende wezens; dit is de plicht van alle leden van de samenleving.

(22) Zoals het hoort [met samskâra's] een tweede geboorte bereikend met de kwijting [der zonden, traditioneel met initiatie in de gâyatrî de heilige draad ontvangend], behoort een tweemaal geborene zich ophoudend in de leefgemeenschap van de goeroe, zelfbeheerst, zoals opgedragen, de geschriften te bestuderen [zie ook B.G. 16: 24]. (23) Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel. (24) Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer doen en het zich ontdoen van ontlasting en urine, doet hij in stilte [vaishnava's mompelen met hun japa]; hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, met inbegrip van het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'îkhâ]. (25) Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zich zelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah]. (26) Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtens en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35]. (27) De leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men als was hij Mij beschouwen; hem moet nooit en te nimmer afgunstig het respect worden misgund met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de heuristiek en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10 81: 39 , 10.45: 32 en 11.15: 27]. (28) 's Avonds en 's morgens hem het voedsel brengend dat werd ingezameld, en dat overhandigend tezamen met andere artikelen, behoort men in ingetogenheid er blij mee te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen. (29) Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen achting te hebben voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan. (30) Aldus bezig moet hij [de upakurvâna brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er ongebroken in de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook kumâra's]. (31) Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het ware zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met achting voor de grote gelofte [zie yama]. (32) Vedisch verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita]. (33) Met [seksueel ontvankelijke] vrouwen of met sex-beluste levende wezens, blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen huishouding op nahoudt [de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68]. (34-35) Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer doen, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken; dit vormt de vrijwillige boete die met Mij, die bestaat in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen, o Uddhava. (36) Een brahmaan aldus zich houdend aan de grote gelofte wordt helder als vuur Mijn toegewijde, smetteloos met het karma verbrand door de intensiteit van de boete. (37) Aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd hebbend, behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, en zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met de toestemming van de goeroe.

(38) Hij moet ofwel het gezinsleven oppakken dan wel leven in het woud [een kluizenaar worden] of, als de beste der tweemaal geborenen, een monnik worden; niet aan Mij overgegeven, moet men van de ene geestelijke afdeling tot de andere âs'rama overgaan en het niet anders doen. (39) Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kenmerken die jonger is, en met de eerste die van dezelfde roeping is mag er een andere volgen [van een lagere kaste]. (40) Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid zijn er voor alle tweemaal geborenen; maar alleen van de brahmaan is er het aanvaarden van liefdadigheid, het onderrichten in de vedische kennis en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14]. (41) Als men het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor de tapas, de geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee in strijd ziet, leven van het vergaren van korenaren achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22]. (42) Voorzeker is het lichaam van een brahmaan bedoeld voor de last van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld en voor een onbegrensd geluk in het hiernamaals en niet voor de doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19]. (43) Geheel tevreden met het zich bezig houden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, hij die zijn geest op Mij vestigde, niet zo erg gehecht de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69]. (44) Zij die de geschoolden verheffen en hen die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende. (45) Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14]. (46) Aldus geniet de menselijk heerser op die manier met Indra, met een hemels voertuig zo schitterend als de zon, met het op aarde verdrijven van alle zonden. (47) Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]; in geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen]. (48) Een koning mag zichzelf in leven houden door te werk te gaan als een koopman, of noodlijdend dat doen door te jagen of in de gedaante van een man van kennis op te treden; in geen geval kan hij de weg van de hond volgen. (49) Een vais'ya mag de zaken oppakken van een s'ûdra en een s'ûdra mag de methode van een handwerksman volgen, manden en matten vervaardigend om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar met de arbeid verricht moet men een kostwinning beneden zijn stand niet begeren [zie ook 7.11: 17]. (50) Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke met [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41]. (51) Niet in verlegenheid met hen die van je afhankelijk zijn, of men nu van geld is verkregen zonder inspanning of van geld verkregen door eerlijk werk te doen, behoort men zo van gepast respect te zijn met vedische rituelen. (52) Aan de familieleden moet men niet gehecht zijn, noch moet men zich gaan opwinden [met de gedachte de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat zelfs dat wat niet geregeld is evenzo tijdelijk is als dat wat is geregeld. (53) Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; als een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer gescheiden met iedere wisseling van lichaam [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28]. (54) Een bevrijde ziel van die overtuiging, die, zich niet met het lichaam identificerend, onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, moet zich niet verstrikken in de huiselijke omstandigheid. (55) Mij aanbiddend met de activiteiten van een gezinsleven mag men, een toegewijde zijnd, aldus thuis blijven of het woud ingaan, ofwel, in geval van verantwoordelijk nageslacht, de wereldverzakende orde oppakken. (56) Echter, hij die gebrand is op vrouwen, wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'. (57) 'Och arme, mijn oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen, mijn kleine onbeschermde kindjes; hoe kunnen zij nu ooit leven, ellendig het zwaar te verduren hebbend zonder mij?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57]. (58) Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, zo een iemand, met zijn hart overweldigd onvoldaan over hen piekerend, met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.'

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Lord Krishna's Description of the Varnâs'rama System

 

Tekst 1-2:

S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen, door de bhakti voorgeleefd, van alle varnâs'rama volgelingen en zelfs de [onwetende] tweebenige schepselen; Je zou me dit proces moeten uitleggen van de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult, waarmee er, door Jou geschonken, de liefdevolle toegewijde dienst mag zijn.

S'rî Uddhava said: My dear Lord, previously You described the principles of devotional service that are to be practiced by followers of the varnâs'rama system and even ordinary, unregulated human beings. My dear lotus-eyed Lord, now please explain to me how all human beings can achieve loving service unto You by the execution of their prescribed duties.

 

Tekst 3-4:

De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarvan Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen vandaag de dag na door Jou te zijn onderwezen en zolang gegolden te hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet meer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en kali-yuga].

My dear Lord, O mighty-armed one, previously in Your form of Lord Hamsa You spoke to Lord Brahmâ those religious principles that bring supreme happiness to the practitioner. My dear Mâdhava, now much time has passed, and that which You previously instructed will soon practically cease to exist, O subduer of the enemy.

   

Tekst 5-6:

Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jou [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is achtergelaten, o Madhûsudana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o God, zal dan spreken over wat er verloren is gegaan?

My dear Lord Acyuta, there is no speaker, creator and protector of supreme religious principles other than Your Lordship, either on the earth or even in the assembly of Lord Brahmâ, where the personified Vedas reside. Thus, my dear Lord Madhusûdana, when You, who are the very creator, protector and speaker of spiritual knowledge, abandon the earth, who will again speak this lost knowledge?

 

Tekst 7

Daarom, met Jou nog onder ons, beschrijf me alsJeblieft o Meester, o Kenner van Alle Dharma, de manier waarop en door wie de oorspronkelijke plichten, die het kenmerk van Jouw bhakti dragen, kunnen worden uitgevoerd.'

Therefore, my Lord, since You are the knower of all religious principles, please describe to me the human beings who may execute the path of loving service to You and how such service is to be rendered.

 

Tekst 8

S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, aldus behaagd verzocht door de beste van Zijn toegewijden, sprak toen voor het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî said: S'rî Uddhava, the best of devotees, thus inquired from the Lord. Hearing his question, the Personality of Godhead, s'rî Krishna, was pleased and for the welfare of all conditioned souls spoke those religious principles that are eternal.

 

Tekst 9

De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de normale menselijke wezens de oorzaak van het hoogste welbevinden; alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hen [de plichten] zoals ze zijn nageleefd door hen van achting voor het varnâs'rama-systeem.

The Supreme Personality of Godhead said - My dear Uddhava, your question is faithful to religious principles and thus gives rise to the highest perfection in life, pure devotional service, for both ordinary human beings and the followers of the varnâs'rama system. Now please learn from Me those supreme religious principles.

 

Tekst 10

In het begin was er het tijdperk van krita waarin de klasse der menselijke wezens hamsa wordt genoemd; de burgers toen zijn van hun geboorte af aan goed bekend met het uitvoeren van de plichten - om die reden kennen de geschoolden het als krita-yuga, het tijdperk van de plichtsvervulling.

In the beginning, in Satya-yuga, there is only one social class, called hamsa, to which all human beings belong. In that age all people are unalloyed devotees of the Lord from birth, and thus learned scholars call this first age Krita-yuga, or the age in which all religious duties are perfectly fulfilled.

 

 Tekst 11

Aanvankelijk wordt de Veda inderdaad uitgedrukt met de pranava, met Mij als de plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1. 17: 24], waarmee zij, die verankerd in de verzaking bevrijd zijn van zonden, Mij, Heer Hamsa, aanbidden.

In Satya-yuga the undivided Veda is expressed by the syllable om, and I am the only object of mental activities. I become manifest as the four-legged bull of religion, and thus the inhabitants of Satya-yuga, fixed in austerity and free from all sins, worship Me as Lord Hamsa.

 

Tekst 12

Aan het begin van tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, verscheen van de prânâ uit Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's] en daaruit verscheen Ik in drie vormen van offeren [vandaar de naam tretâ, zie ritvik].

O greatly fortunate one, at the beginning of Tretâ-yuga Vedic knowledge appeared from My heart, which is the abode of the air of life, in three divisions - as Rig, Sâma and Yajur. Then from that knowledge I appeared as threefold sacrifice.

 

Tekst 13

Voortgekomen uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid werden de geschoolden, de strijders, de kooplieden en de arbeiders [de varna's] geboren en aan de hand van hun persoonlijke activiteiten herkend als [respectievelijk] zijnde van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37].

In Tretâ-yuga the four social orders were manifested from the universal form of the Personality of Godhead. The brâhmanas appeared from the Lord's face, the kshatriyas from the Lord's arms, the vais'yas from the Lord's thighs and the s'ûdras from the legs of that mighty form. Each social division was recognized by its particular duties and behavior.

 

Tekst 14

De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst zijn er degenen die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde bevindt zich in Mijn hoofd [zie âs'rama's].

The married order of life appeared from the loins of My universal form, and the celibate students came from My heart. The forest-dwelling retired order of life appeared from My chest, and the renounced order of life was situated within the head of My universal form.

 

Tekst 15

De hogere of lagere naturen van de menselijke wezens van de varna's en âs'rama's wierpen zich op naar gelang de superieure of inferieure positie van geboorte [in Mijn lichaam].

The various occupational and social divisions of human society appeared according to inferior and superior natures manifest in the situation of the individual's birth.

 

Tekst 16

Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding tot Mij, mededogen en waarachtigheid; dezen dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42].

Peacefulness, self-control, austerity, cleanliness, satisfaction, tolerance, simple straightforwardness, devotion to Me, mercy and truthfulness are the natural qualities of the brâhmanas.

  

Tekst 17

IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, bedacht zijn op het brahmaanse en leiderschap; dezen dan zijn de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43].

Faith in Vedic civilization, dedication to charity, freedom from hypocrisy, service to the brâhmanas and perpetually desiring to accumulate more money are the natural qualities of the vais'yas.

 

Tekst 18

Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, van liefde voor het brahmaanse en rusteloos aangaande het vergaren van geld; dezen dan zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44].

Faith in Vedic civilization, dedication to charity, freedom from hypocrisy, service to the brâhmanas and perpetually desiring to accumulate more money are the natural qualities of the vais'yas.

 

Tekst 19

De brahmanen, de koeien en de godvrezenden van dienst zijn, betrouwbaar van aard zijn in dezen en vrede hebbend met wat werd verworven; dit dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44].

Service without duplicity to the brâhmanas, cows, demigods and other worshipable personalities, and complete satisfaction with whatever income is obtained in such service, are the natural qualities of s'ûdras.

 

Tekst 20

Onrein, achterbaks, stelend, ongelovig, van zinloos geruzie, wellustig, van woede en ook van smachten; dit vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen].

Dirtiness, dishonesty, thievery, faithlessness, useless quarrel, lust, anger and hankering constitute the nature of those in the lowest position outside the varnâs'rama system.

 

Tekst 21

Geweldloos zijn, waarachtig zijn, eerlijk zijn, vrij zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk nastreven van alle levende wezens; dit is de plicht van alle leden van de samenleving.

Nonviolence, truthfulness, honesty, desire for the happiness and welfare of all others and freedom from lust, anger and greed constitute duties for all members of society.

 

 Tekst 22

Zoals het hoort [met samskâra's] een tweede geboorte bereikend met de kwijting [der zonden, traditioneel met initiatie in de gâyatrî de heilige draad ontvangend], behoort een tweemaal geborene zich ophoudend in de leefgemeenschap van de goeroe, zelfbeheerst, zoals opgedragen, de geschriften te bestuderen [zie ook B.G. 16: 24].

The twice-born member of society achieves second birth through the sequence of purificatory ceremonies culminating in Gâyatrî initiation. Being summoned by the spiritual master, he should reside within the guru's âs'rama and with a self-controlled mind carefully study the Vedic literature.

 

 Tekst 23

Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel.

The brahmacârî should regularly dress with a belt of straw and deerskin garments. He should wear matted hair, carry a rod and waterpot and be decorated with aksha beads and a sacred thread. Carrying pure kus'a grass in his hand, he should never accept a luxurious or sensuous sitting place. He should not unnecessarily polish his teeth, nor should he bleach and iron his clothes.

 

 Tekst 24

Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer doen en het zich ontdoen van ontlasting en urine, doet hij in stilte [vaishnava's mompelen met hun japa]; hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, met inbegrip van het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'îkhâ].

A brahmacârî should always remain silent while bathing, eating, attending sacrificial performances, chanting japa or passing stool and urine. He should not cut his nails and hair, including the armpit and pubic hair.

 

 Tekst 25

Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zich zelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah].

One observing the vow of celibate brahmacârî life should never pass semen. If the semen by chance spills out by itself, the brahmacârî should immediately take bath in water, control his breath by prânâyâma and chant the Gâyatrî mantra

 

 Tekst 26

Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtens en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35].

Purified and fixed in consciousness, the brahmacârî should worship the fire-god, sun, âcârya, cows, brâhmanas, guru, elderly respectable persons and demigods. He should perform such worship at sunrise and sunset, without speaking but by silently chanting or murmuring the appropriate mantras.

 

 Tekst 27

De leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men als was hij Mij beschouwen; hem moet nooit en te nimmer afgunstig het respect worden misgund met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de heuristiek en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10 81: 39 , 10.45: 32 en 11.15: 27].

One should know the âcârya as Myself and never disrespect him in any way. One should not envy him, thinking him an ordinary man, for he is the representative of all the demigods.

 

 Tekst 28

's Avonds en 's morgens hem het voedsel brengend dat werd ingezameld, en dat overhandigend tezamen met andere artikelen, behoort men in ingetogenheid er blij mee te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen.

In the morning and evening one should collect foodstuffs and other articles and deliver them to the spiritual master. Then, being self-controlled, one should accept for oneself that which is allotted by the âcârya.

 

 Tekst 29

Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen achting te hebben voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan.

While engaged in serving the spiritual master one should remain as a humble servant, and thus when the guru is walking the servant should humbly walk behind. When the guru lies down to sleep, the servant should also lie down nearby, and when the guru has awakened, the servant should sit near him, massaging his lotus feet and rendering other, similar services. When the guru is sitting down on his âsana, the servant should stand nearby with folded hands, awaiting the guru's order. In this way one should always worship the spiritual master.

 

 Tekst 30

Aldus bezig moet hij [de upakurvâna brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er ongebroken in de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook kumâra's].

Until the student has completed his Vedic education he should remain engaged in the âs'rama of the spiritual master, should remain completely free of material sense gratification and should not break his vow of celibacy [brahmacarya].

 

 Tekst 31

Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het ware zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met achting voor de grote gelofte [zie yama].

If the brahmacârî student desires to ascend to the Maharloka or Brahmaloka planets, then he should completely surrender his activities to the spiritual master and, observing the powerful vow of perpetual celibacy, dedicate himself to superior Vedic studies.

 

 Tekst 32

Vedisch verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita].

Thus enlightened in Vedic knowledge by service to the spiritual master, freed from all sins and duality, one should worship Me as the Supersoul, as I appear within fire, the spiritual master, one's own self and all living entities.

 

 Tekst 33

Met [seksueel ontvankelijke] vrouwen of met sex-beluste levende wezens, blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen huishouding op nahoudt [de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68].

Those who are not married - sannyâsîs, vânaprasthas and brahmacârîs - should never associate with women by glancing, touching, conversing, joking or sporting. Neither should they ever associate with any living entity engaged in sexual activities.

 

 Tekst 34-35

Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer doen, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken; dit vormt de vrijwillige boete die met Mij, die bestaat in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen, o Uddhava.

My dear Uddhava, general cleanliness, washing the hands, bathing, performing religious services at sunrise, noon and sunset, worshiping Me, visiting holy places, chanting japa, avoiding that which is untouchable, uneatable or not to be discussed, and remembering My existence within all living entities as the Supersoul - these principles should be followed by all members of society through regulation of the mind, words and body.

  

 Tekst 36

Een brahmaan aldus zich houdend aan de grote gelofte wordt helder als vuur Mijn toegewijde, smetteloos met het karma verbrand door de intensiteit van de boete.

A brâhmana observing the great vow of celibacy becomes brilliant like fire and by serious austerity burns to ashes the propensity to perform material activities. Free from the contamination of material desire, he becomes My devotee.

 

 Tekst 37

Aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd hebbend, behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, en zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met de toestemming van de goeroe.

A brahmacârî who has completed his Vedic education and desires to enter household life should offer proper remuneration to the spiritual master, bathe, cut his hair, put on proper clothes, and so on. Then, taking permission from the guru, he should go back to his home.

 

 Tekst 38

Hij moet ofwel het gezinsleven oppakken dan wel leven in het woud [een kluizenaar worden] of, als de beste der tweemaal geborenen, een monnik worden; niet aan Mij overgegeven, moet men van de ene geestelijke afdeling tot de andere âs'rama overgaan en het niet anders doen.

A brahmacârî desiring to fulfill his material desires should live at home with his family, and a householder who is eager to purify his consciousness should enter the forest, whereas a purified brâhmana should accept the renounced order of life. One who is not surrendered to Me should move progressively from one âs'rama to another, never acting otherwise.

 

 Tekst 39

Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kenmerken die jonger is, en met de eerste die van dezelfde roeping is mag er een andere volgen [van een lagere kaste].

One who desires to establish family life should marry a wife of his own caste, who is beyond reproach and younger in age. If one desires to accept many wives he must marry them after the first marriage, and each wife should be of a successively lower caste.

 

 Tekst 40

Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid zijn er voor alle tweemaal geborenen; maar alleen van de brahmaan is er het aanvaarden van liefdadigheid, het onderrichten in de vedische kennis en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14].

All twice-born men - brâhmanas, kshatriyas and vais'yas - must perform sacrifice, study the Vedic literature and give charity. Only the brâhmanas, however, accept charity, teach the Vedic knowledge and perform sacrifice on behalf of others.

 

 Tekst 41

Als men het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor de tapas, de geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee in strijd ziet, leven van het vergaren van korenaren achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22].

A brâhmana who considers that accepting charity from others will destroy his austerity, spiritual influence and fame should maintain himself by the other two brahminical occupations, namely teaching Vedic knowledge and performing sacrifice. If the brâhmana considers that those two occupations also compromise his spiritual position, then he should collect rejected grains in agricultural fields and live without any dependence on others.

 

 Tekst 42

Voorzeker is het lichaam van een brahmaan bedoeld voor de last van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld en voor een onbegrensd geluk in het hiernamaals en niet voor de doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19].

The body of a brâhmana is not intended to enjoy insignificant material sense gratification; rather, by accepting difficult austerities in his life, a brâhmana will enjoy unlimited happiness after death.

 

 Tekst 43

Geheel tevreden met het zich bezig houden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, hij die zijn geest op Mij vestigde, niet zo erg gehecht de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69].

A brâhmana householder should remain satisfied in mind by gleaning rejected grains from agricultural fields and marketplaces. Keeping himself free of personal desire, he should practice magnanimous religious principles, with consciousness absorbed in Me. In this way a brâhmana may stay at home as a householder without very much attachment and thus achieve liberation.

 

 Tekst 44

Zij die de geschoolden verheffen en hen die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende.

Just as a ship rescues those who have fallen into the ocean, similarly, I very quickly rescue from all calamities those persons who uplift brâhmanas and devotees suffering in a poverty-stricken condition.

 

 Tekst 45

Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14].

Just as the chief bull elephant protects all other elephants in his herd and defends himself as well, similarly, a fearless king, just like a father, must save all of the citizens from difficulty and also protect himself.

 

 Tekst 46

Aldus geniet de menselijk heerser op die manier met Indra, met een hemels voertuig zo schitterend als de zon, met het op aarde verdrijven van alle zonden.

An earthly king who protects himself and all citizens by removing all sins from his kingdom will certainly enjoy with Lord Indra in airplanes as brilliant as the sun.

 

 Tekst 47

Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]; in geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen].

If a brâhmana cannot support himself through his regular duties and is thus suffering, he may adopt the occupation of a merchant and overcome his destitute condition by buying and selling material things. If he continues to suffer extreme poverty even as a merchant, then he may adopt the occupation of a kshatriya, taking sword in hand. But he cannot in any circumstances become like a dog, accepting an ordinary master.

 

 Tekst 48

Een koning mag zichzelf in leven houden door te werk te gaan als een koopman, of noodlijdend dat doen door te jagen of in de gedaante van een man van kennis op te treden; in geen geval kan hij de weg van de hond volgen.

A king or other member of the royal order who cannot maintain himself by his normal occupation may act as a vais'ya, may live by hunting or may act as a brâhmana by teaching others Vedic knowledge. But he may not under any circumstances adopt the profession of a s'ûdra.

 

 Tekst 49

Een vais'ya mag de zaken oppakken van een s'ûdra en een s'ûdra mag de methode van een handwerksman volgen, manden en matten vervaardigend om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar met de arbeid verricht moet men een kostwinning beneden zijn stand niet begeren [zie ook 7.11: 17].

A vais'ya, or mercantile man, who cannot maintain himself may adopt the occupation of a s'ûdra, and a s'ûdra who cannot find a master can engage in simple activities like making baskets and mats of straw. However, all members of society who have adopted inferior occupations in emergency situations must give up those substitute occupations when the difficulties have passed.

 

 Tekst 50

Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke met [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41].

One in the grihastha order of life should daily worship the sages by Vedic study, the forefathers by offering the mantra svadhâ, the demigods by chanting svâhâ, all living entities by offering shares of one's meals, and human beings by offering grains and water. Thus considering the demigods, sages, forefathers, living entities and human beings to be manifestations of My potency, one should daily perform these five sacrifices.

 

 Tekst 51

Niet in verlegenheid met hen die van je afhankelijk zijn, of men nu van geld is verkregen zonder inspanning of van geld verkregen door eerlijk werk te doen, behoort men zo van gepast respect te zijn met vedische rituelen.

A householder should comfortably maintain his dependents either with money that comes of its own accord or with that gathered by honest execution of one's duties. According to one's means, one should perform sacrifices and other religious ceremonies.

 

 Tekst 52

Aan de familieleden moet men niet gehecht zijn, noch moet men zich gaan opwinden [met de gedachte de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat zelfs dat wat niet geregeld is evenzo tijdelijk is als dat wat is geregeld.

A householder taking care of many dependent family members should not become materially attached to them, nor should he become mentally unbalanced, considering himself to be the lord. An intelligent householder should see that all possible future happiness, just like that which he has already experienced, is temporary.

 

 Tekst 53

Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; als een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer gescheiden met iedere wisseling van lichaam [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28].

The association of children, wife, relatives and friends is just like the brief meeting of travelers. With each change of body one is separated from all such associates, just as one loses the objects one possesses in a dream when the dream is over.

 

 Tekst 54

Een bevrijde ziel van die overtuiging, die, zich niet met het lichaam identificerend, onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, moet zich niet verstrikken in de huiselijke omstandigheid. (

Deeply considering the actual situation, a liberated soul should live at home just like a guest, without any sense of proprietorship or false ego. In this way he will not be bound or entangled by domestic affairs.

 

 Tekst 55

Mij aanbiddend met de activiteiten van een gezinsleven mag men, een toegewijde zijnd, aldus thuis blijven of het woud ingaan, ofwel, in geval van verantwoordelijk nageslacht, de wereldverzakende orde oppakken.

A householder devotee who worships Me by execution of his family duties may remain at home, go to a holy place or, if he has a responsible son, take sannyâsa.

 

 Tekst 56

Echter, hij die gebrand is op vrouwen, wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'.

But a householder whose mind is attached to his home and who is thus disturbed by ardent desires to enjoy his money and children, who is lusty after women, who is possessed of a miserly mentality and who unintelligently thinks, 'Everything is mine and I am everything,' is certainly bound in illusion.

 

 Tekst 57

'Och arme, mijn oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen, mijn kleine onbeschermde kindjes; hoe kunnen zij nu ooit leven, ellendig het zwaar te verduren hebbend zonder mij?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57].

'O my poor elderly parents, and my wife with a mere infant in her arms, and my other young children! Without me they have absolutely no one to protect them and will suffer unbearably. How can my poor relatives possibly live without me?î

 

 Tekst 58

Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, zo een iemand, met zijn hart overweldigd onvoldaan over hen piekerend, met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.'

Thus, because of his foolish mentality, a householder whose heart is overwhelmed by family attachment is never satisfied. Constantly meditating on his relatives, he dies and enters into the darkness of ignorance.

 

* De term adhauta hier gebruikt betekent, volgens het Monier Williams woordenboek, het negatieve van dhauta, hetgeen wit, gewassen en gezuiverd betekent als ook verwijderd en vernietigd. Met betrekking tot tanden en kleren zou dit zowel niet gepoetste tanden en ongewassen kleren kunnen betekenen als tanden die niet zijn gebroken of verrot en kleren die naar behoren het lichaam bedekken. Aldus hangt het van de context van de andere waarden der verzaking af om uit te maken welke betekenis van toepassing zou zijn. Aangezien adhauta in de eerste zin in tegenspraak zou verkeren met de waarde der reinheid, s'aucam [zie b.v. vers 20 van dit hoofdstuk en 1.17: 24], is er, in tegenstelling tot voorgaande interpretaties gekozen voor de tweede zin van goed onderhouden tanden en kleren die naar behoren het lichaam bedekken, hetgeen meer in overeenstemming is met de normale gang van zaken bij vaishnava toegewijden in aanvaarding van een geestelijik leraar [zie ook pp. 11.17: 23].

** Dit proces van 'in orde brengen' wordt de samâvartana-samskâra genoemd die de voltooiing van de studie markeert en de terugkeer naar huis na met de goeroe te hebben geleefd.

 
 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties