regelbalk


 

 

Canto 11

Arunodaya-kîrt./Jiv Jâgo

 

 

Hoofdstuk 17: Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

(1-2) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen die de bhakti voorschrijft en die worden gerespecteerd door alle varnâs'rama volgelingen en zelfs door hen die dat systeem niet volgen. Je zou me dit proces moeten uitleggen waarin de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult met Jouw genade tot liefdevolle toegewijde dienst kan komen. (3-4) De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarover Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen, zoals ze vandaag de dag door Jou zijn onderwezen, nadat ze zolang gegolden hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet langer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en Kali-yuga]. (5-6) Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar Je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jezelf [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is verlaten, o Madhusûdana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o Heer, zal dan spreken over de kennis die verloren ging? (7) Beschrijf daarom zolang Je nog onder ons verkeert alsJeblieft voor mij o Meester, o Kenner van Alle Dharma, wie ervoor in aanmerking komt om de oorspronkelijke plichten, die kenmerkend zijn voor Jouw bhakti, uit te voeren en op welke manier dat moet geschieden.'

(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, die blij was met dat verzoek van de beste van Zijn toegewijden, sprak toen terwille van het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de gewone man de oorzaak van het hoogste welbevinden. Alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hoe ze [de plichten] worden nageleefd door hen die respect hebben voor het varnâs'rama-systeem. (10) In het begin was er het tijdperk van Krita waarin de menselijke wezens tot één klasse behoorden die Hamsa wordt genoemd. De burgers van die tijd zijn van hun geboorte af aan goed op de hoogte van de uit te voeren plichten - om die reden kennen de geschoolden dat tijdperk als Krita-yuga, het tijdperk van de plichtsbetrachting. (11) Om te beginnen wordt aan de [onverdeelde] Veda uitdrukking gegeven met de Pranava, waarbij men Mij kent als plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1.17: 24]. Daarmee aanbidden zij die verankerd in de verzaking vrij zijn van zonden Mij als Heer Hamsa. (12) Aan het begin van Tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, ontstond vanuit de prânâ in Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's Rig, Sâma en Yajur] waarmee Ik verscheen in de drie vormen van offeren [vandaar de naam Tretâ, zie ritvik]. (13) Uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid kwamen de geschoolden, de krijgers, de kooplieden en de arbeiders voort [de varna's] waarvan de individuele handelingen te herkennen zijn als [respectievelijk] die van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37]. (14) De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst houden zich degenen op die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde houdt zich op in Mijn hoofd [zie âs'rama's]. (15) Afhankelijk van de superieure danwel inferieure positie die men overeenkomstig zijn geboorte inneemt in Mijn lichaam ontwikkelde de hogere en lagere menselijke aard zich van de mensen behorende tot de verschillende maatschappelijke klassen [varna's] en statusvormen [âs'rama's]. (16) Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding voor Mij, mededogen en waarachtigheid zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42]. (17) IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, aandacht hebben voor het brahmaanse en leiderschap vormen de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43]. (18) Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, liefde voor het brahmaanse en altijd druk in de weer met het vergaren van geld zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44]. (19) Betrouwbaar te zijn in het dienen van de brahmanen, de koeien en de godvrezenden en volmaakt tevreden zijn met wat ermee verdiend wordt vormen de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44]. (20) Onrein, achterbaks, diefachtig, ongelovig, ruziezoekerig, wellustig, licht ontvlambaar zijn en steeds maar smachten naar vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen]. (21) Het is de plicht van alle leden van de samenleving om geweldloos, waarheidlievend en eerlijk te zijn, vrij te zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk na te streven van alle levende wezens.

(22) Als hij zoals het hoort [middels samskâra's] een nieuw leven begint met het zich kwijten van zijn taken [de zonden overwint, het karma afwerpt, en daar traditioneel aan gepaard met initiatie in de Gâyatrî de heilige draad ontvangt], behoort een tweemaal geborene verblijvend in de leefgemeenschap van de goeroe, met zijn zinnen in bedwang het voorschrift na te leven dat men de heilige boeken moet bestuderen [zie ook B.G. 16: 24]. (23) Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel. (24) Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer hanteren en het zich ontdoen van ontlasting en urine doet hij in stilte [Vaishnava's mompelen met hun japa]. Hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, ook niet het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'ikhâ]. (25) Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zichzelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de Gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah]. (26) Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtends en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35]. (27) In de leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men Mij herkennen. De âcârya moet men nooit en te nimmer afgunstig het respect misgunnen met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de vuistregel en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10.81: 39, 10.45: 32 en 11.15: 27]. (28) 's Avonds en 's morgens moet men hem het voedsel brengen dat werd ingezameld en het overhandigen tezamen met andere artikelen. Daarbij behoort men met ingetogenheid blij te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen. (29) Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen repect te tonen voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan. (30) Aldus bezig moet hij [de upakurvâna brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er zonder te breken met de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook Kumâra's]. (31) Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het Ware Zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met het in acht nemen van de grote gelofte [zie yama]. (32) Vedisch verlicht en zondeloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita]. (33) Met [seksueel ontvankelijke] vrouwen - of met op seks beluste levende wezens - blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen eigen huishouding op nahoudt [die niet getrouwd is: de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68]. (34-35) Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer hanteren, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken - dit alles vormt de vrijwillige boete die met Mij, Ik die zich ophoudt in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen [alle âs'rama's] o Uddhava. (36) Een brahmaan die zich aldus houdt aan de grote gelofte wordt helder als vuur een onberispelijke toegewijde van Mij waarvan het karma verbrandde door de intensiteit van de boete. (37) Na aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd te hebben behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met de toestemming van de goeroe.

(38) Hij moet een gezin stichten of anders leven in het woud [een kluizenaar worden] of, behorende tot de besten der tweemaal geborenen [de brahmanen], een [bedel-]monnik worden. Iemand die zich niet aan Mij heeft overgegeven kan niets anders doen dan zich systematisch van de ene geestelijke afdeling ontwikkelen tot de volgende. (39) Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kwaliteiten die jonger is. Met de eerste echtgenote van eenzelfde levensroeping mag er een andere volgen [die van een lagere klasse of kaste is]. (40) Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid vormt de praktijk van alle tweemaal geborenen, maar alleen de brahmanen houden zich bezig met het aanvaarden van liefdadigheid, vedisch onderricht en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14]. (41) Als een intellectueel [de brahmaan] het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor zijn boetvaardigheid, geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee niet kan verenigen met zijn spiritualiteit, leven van het vergaren van korenaren die werden achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22]. (42) Zeker is dat een een brahmaan een lichaam heeft om de last te dragen van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld zodat hij een onbegrensd geluk in het hiernamaals vindt en niet voor doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19]. (43) Geheel tevreden met het zich bezighouden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, degene die zijn geest op Mij vestigde - en aldus niet zo erg gehecht is - de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69]. (44) Zij die zowel de geschoolden verheffen als zij die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, net als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende. (45) Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14]. (46) Een menselijke vorst geniet, met het op aarde verdrijven van alle zonden, aldus de hemel, samen met Indra zich in een hemels voertuig verplaatsend zo schitterend als de zon. (47) Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]. In geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen]. (48) Een koning mag in geval van nood zichzelf in leven houden door tewerk te gaan als een koopman, of door te jagen of door naar voren te treden als een man van kennis. De weg van een hond kan hij echter nooit volgen. (49) Een vais'ya kan het werk doen van een s'ûdra en een s'ûdra kan het werk verrichten van een handwerksman en manden en matten vervaardigen om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar als dat voorbij is moet men niet een kostwinning beneden zijn stand willen [zie ook 7.11: 17]. (50) Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke vergezeld van [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41]. (51) Er met hen die van je afhankelijk zijn niet over in verlegenheid verkerend of men nu zijn geld verkrijgt zonder zich in te spannen of door zich eerlijk in te spannen, behoort men van gepast respect te zijn met behulp van vedische rituelen. (52) Voor familieleden moet men geen gehechtheid koesteren, noch moet men zich gaan opwinden [met het idee de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat dat wat in het verschiet ligt net zo tijdelijk is als dat wat zich heeft afgespeeld. (53) Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; net als met een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer verdwenen als men van lichaam verwisselt [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28]. (54) Daarvan overtuigd zal een bevrijde ziel die zich niet met het lichaam identificeert en onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, niet verstrikt raken in huiselijke aangelegenheden. (55) Als men met de activiteiten van een gezinsleven Mij aanbidt, mag men als toegewijde thuis blijven of het woud ingaan, of ook, als nazaten de verantwoordelijkheid over kunnen nemen, de wereldverzakende orde oppakken. (56) Hij die gebrand is op vrouwen echter en wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in zijn gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'. (57) 'Och mijn arme oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen en mijn kleine, weerloze kindjes! Hoe moeten zij nu leven als ze ellendig het zwaar te verduren hebben als ik er niet ben?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57]. (58) Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, het hart van zo iemand in beslag zijn genomen en zal hij ontevreden over hen piekerend met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.'

 

 next                       

 
 

Tweede editie, geladen 2 juni 2009

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1-2

S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen die de bhakti voorschrijft en die worden gerespecteerd door alle varnâs'rama volgelingen en zelfs door hen die dat systeem niet volgen. Je zou me dit proces moeten uitleggen waarin de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult met Jouw genade tot liefdevolle toegewijde dienst kan komen.

S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen, door de bhakti voorgeleefd, van alle varnâs'rama volgelingen en zelfs de [onwetende] tweebenige schepselen; Je zou me dit proces moeten uitleggen van de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult, waarmee er, door Jou geschonken, de liefdevolle toegewijde dienst mag zijn. (Vedabase)

 

Tekst 3-4

De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarover Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen, zoals ze vandaag de dag door Jou zijn onderwezen, nadat ze zolang gegolden hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet langer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en Kali-yuga].

De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarvan Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen vandaag de dag na door Jou te zijn onderwezen en zolang gegolden te hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet meer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en kali-yuga]. (Vedabase)

   

Tekst 5-6

Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar Je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jezelf [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is verlaten, o Madhusûdana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o Heer, zal dan spreken over de kennis die verloren ging?

Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jou [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is achtergelaten, o Madhûsudana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o God, zal dan spreken over wat er verloren is gegaan? (Vedabase)

 

Tekst 7

Beschrijf daarom zolang Je nog onder ons verkeert alsJeblieft voor mij o Meester, o Kenner van Alle Dharma, wie ervoor in aanmerking komt om de oorspronkelijke plichten, die kenmerkend zijn voor Jouw bhakti, uit te voeren en op welke manier dat moet geschieden.'

Daarom, met Jou nog onder ons, beschrijf me alsJeblieft o Meester, o Kenner van Alle Dharma, de manier waarop en door wie de oorspronkelijke plichten, die het kenmerk van Jouw bhakti dragen, kunnen worden uitgevoerd.' (Vedabase)

 

Tekst 8

S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, die blij was met dat verzoek van de beste van Zijn toegewijden, sprak toen terwille van het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma.

S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, aldus behaagd verzocht door de beste van Zijn toegewijden, sprak toen voor het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma. (Vedabase)

 

Tekst 9

De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de gewone man de oorzaak van het hoogste welbevinden. Alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hoe ze [de plichten] worden nageleefd door hen die respect hebben voor het varnâs'rama-systeem.

De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de normale menselijke wezens de oorzaak van het hoogste welbevinden; alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hen [de plichten] zoals ze zijn nageleefd door hen van achting voor het varnâs'rama-systeem. (Vedabase)

 

Tekst 10

In het begin was er het tijdperk van Krita waarin de menselijke wezens tot één klasse behoorden die hamsa wordt genoemd. De burgers van die tijd zijn van hun geboorte af aan goed op de hoogte van de uit te voeren plichten - om die reden kennen de geschoolden dat tijdperk als Krita-yuga, het tijdperk van de plichtsbetrachting.

In het begin was er het tijdperk van krita waarin de klasse der menselijke wezens hamsa wordt genoemd; de burgers toen zijn van hun geboorte af aan goed bekend met het uitvoeren van de plichten - om die reden kennen de geschoolden het als krita-yuga, het tijdperk van de plichtsvervulling. (Vedabase)

 

 Tekst 11

Om te beginnen wordt aan de [onverdeelde] Veda uitdrukking gegeven met de Pranava, waarbij men Mij kent als plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1.17: 24]. Daarmee aanbidden zij die verankerd in de verzaking vrij zijn van zonden Mij als Heer Hamsa.

Aanvankelijk wordt de Veda inderdaad uitgedrukt met de pranava, met Mij als de plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1. 17: 24], waarmee zij, die verankerd in de verzaking bevrijd zijn van zonden, Mij, Heer Hamsa, aanbidden. (Vedabase)

 

Tekst 12

Aan het begin van Tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, ontstond vanuit de prânâ in Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's Rig, Sâma en Yajur] waarmee Ik verscheen in de drie vormen van offeren [vandaar de naam Tretâ, zie ritvik].

Aan het begin van tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, verscheen van de prânâ uit Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's] en daaruit verscheen Ik in drie vormen van offeren [vandaar de naam tretâ, zie ritvik]. (Vedabase)

 

Tekst 13

Uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid kwamen de geschoolden, de krijgers, de kooplieden en de arbeiders voort [de varna's] waarvan de individuele handelingen te herkennen zijn als [respectievelijk] die van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37].

Voortgekomen uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid werden de geschoolden, de strijders, de kooplieden en de arbeiders [de varna's] geboren en aan de hand van hun persoonlijke activiteiten herkend als [respectievelijk] zijnde van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37]. (Vedabase)

 

Tekst 14

De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst houden zich degenen op die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde houdt zich op in Mijn hoofd [zie âs'rama's].

De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst zijn er degenen die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde bevindt zich in Mijn hoofd [zie âs'rama's]. (Vedabase)

 

Tekst 15

Afhankelijk van de superieure danwel inferieure positie die men overeenkomstig zijn geboorte inneemt in Mijn lichaam ontwikkelde de hogere en lagere menselijke aard zich van de mensen behorende tot de verschillende maatschappelijke klassen [varna's] en statusvormen [âs'rama's].

De hogere of lagere naturen van de menselijke wezens van de varna's en âs'rama's wierpen zich op naar gelang de superieure of inferieure positie van geboorte [in Mijn lichaam]. (Vedabase)

 

Tekst 16

Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding voor Mij, mededogen en waarachtigheid zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42].

Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding tot Mij, mededogen en waarachtigheid; dezen dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42]. (Vedabase)

  

Tekst 17

IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, aandacht hebben voor het brahmaanse en leiderschap vormen de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43].

IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, bedacht zijn op het brahmaanse en leiderschap; dezen dan zijn de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43]. (Vedabase)

 

Tekst 18

Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, liefde voor het brahmaanse en altijd druk in de weer met het vergaren van geld zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44].

Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, van liefde voor het brahmaanse en rusteloos aangaande het vergaren van geld; dezen dan zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44]. (Vedabase)

 

Tekst 19

Betrouwbaar te zijn in het dienen van de brahmanen, de koeien en de godvrezenden en volmaakt tevreden zijn met wat ermee verdiend wordt vormen de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44].

De brahmanen, de koeien en de godvrezenden van dienst zijn, betrouwbaar van aard zijn in dezen en vrede hebbend met wat werd verworven; dit dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44]. (Vedabase)

 

Tekst 20

Onrein, achterbaks, diefachtig, ongelovig, ruziezoekerig, wellustig, licht ontvlambaar zijn en steeds maar smachten naar vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen].

Onrein, achterbaks, stelend, ongelovig, van zinloos geruzie, wellustig, van woede en ook van smachten; dit vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen]. (Vedabase)

 

Tekst 21

Het is de plicht van alle leden van de samenleving om geweldloos, waarheidlievend en eerlijk te zijn, vrij te zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk na te streven van alle levende wezens.

Geweldloos zijn, waarachtig zijn, eerlijk zijn, vrij zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk nastreven van alle levende wezens; dit is de plicht van alle leden van de samenleving. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Als hij zoals het hoort [middels samskâra's] een nieuw leven begint met het zich kwijten van zijn taken [de zonden overwint, het karma afwerpt, en daar traditioneel aan gepaard met initiatie in de Gâyatrî de heilige draad ontvangt], behoort een tweemaal geborene verblijvend in de leefgemeenschap van de goeroe, met zijn zinnen in bedwang het voorschrift na te leven dat men de heilige boeken moet bestuderen [zie ook B.G. 16: 24].

Zoals het hoort [met samskâra's] een tweede geboorte bereikend met de kwijting [der zonden, traditioneel met initiatie in de gâyatrî de heilige draad ontvangend], behoort een tweemaal geborene zich ophoudend in de leefgemeenschap van de goeroe, zelfbeheerst, zoals opgedragen, de geschriften te bestuderen [zie ook B.G. 16: 24]. (Vedabase)

 

 Tekst 23

Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel.

Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer hanteren en het zich ontdoen van ontlasting en urine doet hij in stilte [Vaishnava's mompelen met hun japa]. Hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, ook niet het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'ikhâ].

Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer doen en het zich ontdoen van ontlasting en urine, doet hij in stilte [vaishnava's mompelen met hun japa]; hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, met inbegrip van het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'îkhâ]. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zichzelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de Gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah].

Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zich zelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah]. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtends en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35].

Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtens en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35]. (Vedabase)

 

 Tekst 27

In de leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men Mij herkennen. De âcârya moet men nooit en te nimmer afgunstig het respect misgunnen met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de vuistregel en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10.81: 39, 10.45: 32 en 11.15: 27].

De leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men als was hij Mij beschouwen; hem moet nooit en te nimmer afgunstig het respect worden misgund met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de heuristiek en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10 81: 39 , 10.45: 32 en 11.15: 27]. (Vedabase)

 

 Tekst 28

's Avonds en 's morgens moet men hem het voedsel brengen dat werd ingezameld en het overhandigen tezamen met andere artikelen. Daarbij behoort men met ingetogenheid blij te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen.

's Avonds en 's morgens hem het voedsel brengend dat werd ingezameld, en dat overhandigend tezamen met andere artikelen, behoort men in ingetogenheid er blij mee te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen. (Vedabase)

 

 Tekst 29

Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen repect te tonen voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan.

Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen achting te hebben voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Aldus bezig moet hij [de upakurvâna brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er zonder te breken met de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook Kumâra's].

Aldus bezig moet hij [de upakurvâna brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er ongebroken in de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook kumâra's]. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het Ware Zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met het in acht nemen van de grote gelofte [zie yama].

Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het ware zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met achting voor de grote gelofte [zie yama]. (Vedabase)

 

 Tekst 32

Vedisch verlicht en zondeloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita].

Vedisch verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita]. (Vedabase)

 

 Tekst 33

Met [seksueel ontvankelijke] vrouwen - of met op seks beluste levende wezens - blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen eigen huishouding op nahoudt [die niet getrouwd is: de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68].

Met [sexueel ontvankelijke] vrouwen of met sex-beluste levende wezens, blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen huishouding op nahoudt [de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68]. (Vedabase)

 

 Tekst 34-35

Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer hanteren, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken - dit alles vormt de vrijwillige boete die met Mij, Ik die zich ophoudt in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen [alle âs'rama's] o Uddhava.

Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer doen, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken; dit vormt de vrijwillige boete die met Mij, die bestaat in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen, o Uddhava. (Vedabase)

  

 Tekst 36

Een brahmaan die zich aldus houdt aan de grote gelofte wordt helder als vuur een onberispelijke toegewijde van Mij waarvan het karma verbrandde door de intensiteit van de boete.

Een brahmaan aldus zich houdend aan de grote gelofte wordt helder als vuur Mijn toegewijde, smetteloos met het karma verbrand door de intensiteit van de boete. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Na aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd te hebben behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met zijn toestemming.

Aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd hebbend, behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, en zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met de toestemming van de goeroe. (Vedabase)

 

 Tekst 38

Hij moet een gezin stichten of anders leven in het woud [een kluizenaar worden] of, behorende tot de besten der tweemaal geborenen [de brahmanen], een [bedel-]monnik worden. Iemand die zich niet aan Mij heeft overgegeven kan niets anders doen dan zich systematisch van de ene geestelijke afdeling ontwikkelen tot de volgende.

Hij moet ofwel het gezinsleven oppakken danwel leven in het woud [een kluizenaar worden] of, als de beste der tweemaal geborenen, een monnik worden; niet aan Mij overgegeven, moet men van de ene geestelijke afdeling tot de andere âs'rama overgaan en het niet anders doen. (Vedabase)

 

 Tekst 39

Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kwaliteiten die jonger is. Met de eerste echtgenote van eenzelfde levensroeping mag er een andere volgen [die van een lagere klasse of kaste is].

Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kenmerken die jonger is, en met de eerste die van dezelfde roeping is mag er een andere volgen [van een lagere kaste]. (Vedabase)

 

 Tekst 40

Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid vormt de praktijk van alle tweemaal geborenen, maar alleen de brahmanen houden zich bezig met het aanvaarden van liefdadigheid, vedisch onderricht en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14].

Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid zijn er voor alle tweemaal geborenen; maar alleen van de brahmaan is er het aanvaarden van liefdadigheid, het onderrichten in de vedische kennis en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14]. (Vedabase)

 

 Tekst 41

Als een intellectueel [de brahmaan] het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor zijn boetvaardigheid, geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee niet kan verenigen met zijn spiritualiteit, leven van het vergaren van korenaren die werden achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22].

Als men het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor de tapas, de geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee in strijd ziet, leven van het vergaren van korenaren achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22]. (Vedabase)

 

 Tekst 42

Zeker is dat een een brahmaan een lichaam heeft om de last te dragen van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld zodat hij een onbegrensd geluk in het hiernamaals vindt en niet voor doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19].

Voorzeker is het lichaam van een brahmaan bedoeld voor de last van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld en voor een onbegrensd geluk in het hiernamaals en niet voor de doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19]. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Geheel tevreden met het zich bezighouden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, degene die zijn geest op Mij vestigde - en aldus niet zo erg gehecht is - de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69].

Geheel tevreden met het zich bezig houden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, hij die zijn geest op Mij vestigde, niet zo erg gehecht de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69]. (Vedabase)

 

 Tekst 44

Zij die zowel de geschoolden verheffen als zij die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, net als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende.

Zij die de geschoolden verheffen en hen die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende. (Vedabase)

 

 Tekst 45

Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14].

Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14]. (Vedabase)

 

 Tekst 46

Een menselijke vorst geniet, met het op aarde verdrijven van alle zonden, aldus de hemel, samen met Indra zich in een hemels voertuig verplaatsend zo schitterend als de zon.

Aldus geniet de menselijk heerser op die manier met Indra, met een hemels voertuig zo schitterend als de zon, met het op aarde verdrijven van alle zonden. (Vedabase)

 

 Tekst 47

Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]. In geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen].

Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]; in geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen].(Vedabase)

 

 Tekst 48

Een koning mag in geval van nood zichzelf in leven houden door tewerk te gaan als een koopman, of door te jagen of door naar voren te treden als een man van kennis. De weg van een hond kan hij echter nooit volgen.

(48) Een koning mag zichzelf in leven houden door te werk te gaan als een koopman, of noodlijdend dat doen door te jagen of in de gedaante van een man van kennis op te treden; in geen geval kan hij de weg van de hond volgen. (Vedabase)

 

 Tekst 49

Een vais'ya kan het werk doen van een s'ûdra en een s'ûdra kan het werk verrichten van een handwerksman en manden en matten vervaardigen om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar als dat voorbij is moet men niet een kostwinning beneden zijn stand willen [zie ook 7.11: 17].

Een vais'ya mag de zaken oppakken van een s'ûdra en een s'ûdra mag de methode van een handwerksman volgen, manden en matten vervaardigend om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar met de arbeid verricht moet men een kostwinning beneden zijn stand niet begeren [zie ook 7.11: 17]. (Vedabase)

 

 Tekst 50

Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke vergezeld van [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41].

Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke met [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41]. (Vedabase)

 

 Tekst 51

Er met hen die van je afhankelijk zijn niet over in verlegenheid verkerend of men nu zijn geld verkrijgt zonder zich in te spannen of door zich eerlijk in te spannen, behoort men van gepast respect te zijn met behulp van vedische rituelen.

Niet in verlegenheid met hen die van je afhankelijk zijn, of men nu van geld is verkregen zonder inspanning of van geld verkregen door eerlijk werk te doen, behoort men zo van gepast respect te zijn met vedische rituelen. (Vedabase)

 

 Tekst 52

Voor familieleden moet men geen gehechtheid koesteren, noch moet men zich gaan opwinden [met het idee de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat dat wat in het verschiet ligt net zo tijdelijk is als dat wat zich heeft afgespeeld.

Aan de familieleden moet men niet gehecht zijn, noch moet men zich gaan opwinden [met de gedachte de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat zelfs dat wat niet geregeld is even zo tijdelijk is als dat wat is geregeld. (Vedabase)

 

 Tekst 53

Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; net als met een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer verdwenen als men van lichaam verwisselt [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28].

Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; als een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer gescheiden met iedere wisseling van lichaam [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28]. (Vedabase)

 

 Tekst 54

Daarvan overtuigd zal een bevrijde ziel die zich niet met het lichaam identificeert en onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, niet verstrikt raken in huiselijke aangelegenheden.

Een bevrijde ziel van die overtuiging, die, zich niet met het lichaam identificerend, onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, moet zich niet verstrikken in de huiselijke omstandigheid. (Vedabase)

 

 Tekst 55

Als men met de activiteiten van een gezinsleven Mij aanbidt, mag men als toegewijde thuis blijven of het woud ingaan, of ook, als nazaten de verantwoordelijkheid over kunnen nemen, de wereldverzakende orde oppakken.

Mij aanbiddend met de activiteiten van een gezinsleven mag men, een toegewijde zijnd, aldus thuis blijven of het woud ingaan, ofwel, in geval van verantwoordelijk nageslacht, de wereldverzakende orde oppakken.(Vedabase)

 

 Tekst 56

Hij die gebrand is op vrouwen echter en wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in zijn gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'.

Echter, hij die gebrand is op vrouwen, wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'. (Vedabase)

 

 Tekst 57

'Och mijn arme oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen en mijn kleine, weerloze kindjes! Hoe moeten zij nu leven als ze ellendig het zwaar te verduren hebben als ik er niet ben?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57].

'Och arme, mijn oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen, mijn kleine onbeschermde kindjes; hoe kunnen zij nu ooit leven, ellendig het zwaar te verduren hebbend zonder mij?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57]. (Vedabase)

 

 Tekst 58

Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, het hart van zo iemand in beslag zijn genomen en zal hij ontevreden over hen piekerend met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.'

Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, zo een iemand, met zijn hart overweldigd onvoldaan over hen piekerend, met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.' (Vedabase)

 

* De term adhauta hier gebruikt betekent, volgens het Monier Williams woordenboek, het negatieve van dhauta, hetgeen wit, gewassen en gezuiverd betekent alsook verwijderd en vernietigd. Met betrekking tot tanden en kleren zou dit zowel niet gepoetste tanden en ongewassen kleren kunnen betekenen als tanden die niet zijn gebroken of verrot en kleren die naar behoren het lichaam bedekken. Aldus hangt het van de context van de andere waarden der verzaking af om uit te maken welke betekenis van toepassing zou zijn. Aangezien adhauta in de eerste zin in tegenspraak zou verkeren met de waarde der reinheid, s'aucam [zie b.v. vers 20 van dit hoofdstuk en 1.17: 24], is er, in tegenstelling tot voorgaande interpretaties gekozen voor de tweede zin van goed onderhouden tanden en kleren die naar behoren het lichaam bedekken, hetgeen meer in overeenstemming is met de normale gang van zaken bij vaishnava toegewijden in aanvaarding van een geestelijk leraar [zie ook pp. 11.17: 23].

** Dit proces van 'in orde brengen' wordt de samâvartana-samskâra genoemd die de voltooiing van de studie markeert en de terugkeer naar huis na met de goeroe te hebben geleefd.

 
 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij van de godin Gayatri is van
R.R. Varma.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties