regelbalk


 

 

Canto 11

Nârada Muni

 

 

Hoofdstuk 11: Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; Mijn begoochelende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij [*]. (2) Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ zijn niet meer dan indrukken van het intelligente zelf die laten zien hoezeer de wereldse bestaanstoestanden net zo onwerkelijk zijn als wat men ervaart in een droom. (3) Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid twee vormen van Mijn manifestatie zijn die, als de producten van Mijn oorspronkelijk vermogen, leiden tot gebondenheid en bevrijding. (4) Van het levende wezen, dat een deel en een geheel van Mijn Eenheid vormt o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er als gevolg van de onwetendheid en is er ook het tegendeel van [de bevrijding door] kennis. (5) Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, die er aldus is in één vertoning van karakter. (6) De twee vrienden vormen een paar vogels van een gelijke [spirituele] aard die een nest in een boom blijken te hebben. Daarbij eet de ene vogel van de vruchten van de boom terwijl de andere afziet van voedsel, hoewel hij de krachtigste van de twee is [zie ook 6.4: 24]. (7) Hij die niet van de vruchten van de boom eet, kent alwetend zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere vogel. Zonder verder na te denken is de etende vogel altijd maar gebonden, terwijl hij die vol van kennis is steeds degene is die bevrijd is [zie ook B.G. 4: 5]. (8) De verlichte persoon beschouwt zichzelf niet als gelijk aan het lichaam dat hij bewoont, zoals een dromer bij het opstaan zijn gedroomde zelf vergeet. Een dwaas echter denkt daar, hoewel hij zich [als de zinsbeheerser] in het lichaam ophoudt, anders over, hij denkt alsof hij droomt [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18]. (9) Vrij van de smet van het verlangen zal de verlichte persoon zichzelf niet zien als de doener, hij ziet het handelen meer als de werkzaamheid van de door de natuurlijke geaardheden gestuurde zintuigen die reageren op de door de geaardheden voortgebrachte zinsobjecten [zie B.G. 3: 28]. (10) Als gevolg van de handelingen die feitelijk door de geaardheden worden afgeroepen zit de onwetende ziel, die het door het lot beheerste lichaam bewoont, zodoende vast aan [het egoïstische idee van] 'ik ben degene die bezig is' [zie ook B.G. 3: 27]. (11) Een intelligent iemand die niet hecht aan uiterlijkheden is in zijn rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken, ruiken, eten, luisteren enzovoorts, aldus nimmer gebonden, ongeacht in welke richting hij zich beweegt met zijn zintuiglijkheid. (12-13) Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld, hij snijdt, zich afzijdig houdend van de heersende machten, alle twijfels aan stukken met behulp van de meest ervaren, door de onthechting aangescherpte zienswijze. Zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn heeft hij, als iemand die ontwaakt uit een droom, zich afgekeerd van de veelheid van [of de eenzaamheid met] de dingen. (14) De persoon van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest en de intelligentie niet gestuurd worden door verlangens, is geheel vrij, ookal bevindt hij zich in het door de zintuigen bepaalde lichaam. (15) Soms wordt het lichaam aangevallen [door vijanden of dieren], soms wordt het aanbeden [door geliefden of toegewijden], een intelligent iemand is daar echter nooit door van zijn stuk [zie B.G. 14: 22-25]. (16) Ontstegen aan het idee van goed en kwaad zal een wijze nimmer zij die zich uitmuntend gedragen en uitdrukken prijzen, noch zal hij degenen die het er slecht van afbrengen in woord en daad kritiseren [zie ook B.G. 5: 18]. (17) Hij die innerlijk tevreden is behoort niet handelend op te treden in, zich uit te laten over of zich te bezinnen op kwesties van goed en kwaad. Een wijze moet zich met die manier van doen door het leven bewegen als was hij een versuft, materialistisch iemand [zie ook 5.9]. (18) Iemand die volledig op de hoogte is van de vedische geschriften maar niet in die mate slim tewerk gaat met het allerhoogste belang [de Heer], zal als de vrucht van zijn inspanningen een resutaat bereiken dat te vergelijken is met dat van iemand die voor een koe zorgt die geen melk meer geeft. (19) O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen die zich onwaardig gedragen, ontvangers van giften die niet terecht zijn, en zich wil uitlaten zonder kennis van Mij te hebben [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren. (20) Een wijs iemand, Mijn beste, moet zich niet uitlaten in termen van minachting voor Mijn zuiverende activiteiten of gewenste verschijnen in de vorm van de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] terwille van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava. (21) Als men nu dit op een rijtje zet en aldus de waanvoorstelling van een los van de ziel bestaande [**] materiële verscheidenheid opgeeft, behoort men met het fixeren van zijn gezuiverde geest op Mij, de Allesdoordringende [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55]. (22) En als je er dan niet toe in staat bent je geest te bestendigen op het spirituele vlak, draag dan zonder [van de regulerende beginselen] af te wijken al je handelingen aan Mij op terwijl je er niets voor terugverwacht [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54]. (23-24) Een gelovig persoon die luistert naar de verhalen over Mijn geboorte en handelingen, welke met iemands zuiveren, zingen, voortdurend heugen en ook dramatisch uitbeelden in ieder opzicht de wereld goed doen, zal, als hij onder Mijn bescherming terwille van Mij zijn religiositeit, zijn lusten en zijn geldzaken op orde brengt [de purushârta's], een onversaagde toewijding ontwikkelen voor Mij, de Eeuwige, o Uddhava. (25) Met de toewijding voor Mij zoals men die ontwikkelde in de sat-sanga [de omgang met de toegewijden], wordt men Mijn aanbidder. Zoals men dat kan zien bij Mijn toegewijden bereiken die mensen ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf.'

(26-27) S'rî Uddhava zei: 'Wat voor iemand zou naar Jouw mening, o Uttamas'loka, nu de ware toegewijde zijn, en welke vorm van Jou aanbidden kan de goedkeuring wegdragen van Jouw zuivere toegewijden? AlsJeblieft laat Je hierover uit voor mij, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon. (28) Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer overeenkomstig het verlangen van hen die bij Je horen.'

(29-32) De Allerhoogste Heer zei: 'Als iemand genadig is, geen leed berokkent, tolerant is jegens alle belichaamden, stevig verankerd is in de waarheid en een ziel is die niets te verwijten valt; als iemand gelijkgezind is, altijd te goeder trouw handelt, van een intelligentie is die niet verstoord wordt door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds is, weinig eet en vreedzaam is; als iemand stabiel is, Mij als zijn toevlucht heeft, bedachtzaam is, waakzaam, innerlijk bezonken is, zijn respect niet verliest, de shath-guna [de verschillende vormen van materiële ellende], overwonnen heeft, bescheiden is, van eerbetoon is en inspireert; als iemand vriendelijk, medelevend en onderlegd is en aldus bekend is met de kwaliteiten en tekortkomingen zoals het door Mij wordt onderricht, is zo iemand, zelfs als die zijn eigen religieuze voorkeuren opgeeft [zie ook B.G. 18: 66] met het van aanbidding zijn voor alles van Mij, de beste der waarheidlievenden [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20]. (33) Zij die, of ze nu weten of niet wie Ik precies ben of hoe Ik precies tewerk ga, Mij toegewijd zijn zonder zich te laten afleiden door andere zaken, beschouw ik als de de beste toegewijden. (34-41) Mij ziend, Mij aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden in hun persoonlijke dienstverlening gebeden die Mij verheerlijken en vereren en zingen ze regelmatig over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij mediteren ze steeds met geloof op Mij, o Uddhava, en offeren ze als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn verschijnen en handelen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten, liederen en dansen, met bijeenkomsten naar de orde van de maan [op zondagen of naar de maanfasen] en met feestelijke plechtigheden die ze organiseren in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's brengen ze offers, nemen ze geloften in acht, en zijn ze van initiatie in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnentwille ten dienste van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met de toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht reserverend van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld. Door dat soort van offeren komt iemand in aanmerking voor onsterfelijkheid.

(42) De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de Vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, Mijn beste, vormen allen een medium voor Mijn eredienst. (43-45) Via de zon kan men Mij vinden met een keur aan verzen [als de Gâyatrî], met behulp van eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de Sûrya-namskar]. In het vuur vindt men Mij als men ghee offert. Men kan Mij vinden als de beste onder de geschoolden als men Mij respect betoont door gastvrij voor hen te zijn. Via de koeien, Mijn beste, bereikt men Mij met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de Vaishnava vindt men Mij door die te eren met liefdevolle vriendschap. In het hart treft men Mij aan door zich in meditatie te concentreren op de innerlijke natuur. In lucht vindt men Mij door die te beschouwen als het levengevend beginsel [aanwezig als de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29]. In water vindt men Mij door te offeren met gebruiksvoorwerpen die water aanwenden [zie B.G. 9: 26]. In de aarde vindt men Mij door eetbare zaden te offeren met het toepassen van mantra's vanuit het hart [zie b.v. Prasâda Sevâya en de Bhoga-ârati]. En binnenin het belichaamde zelf treft men Mij aan als de kenner van het veld [zie Paramâtmâ en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met een geest in evenwicht [zie niyama]. (46) Aldus devoot geheel in Mij verzonken op al deze manieren mediterend moet men van eerbied getuigen voor Mijn bovenzinnelijke gedaante die is uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje]. (47) Met de verlangde en goede werken aldus geheel met de aandacht op Mij gevestigd van eerbetoon zijnd, realiseert men dankzij de fijnzinnigheid van de dienstverlening een duurzame vorm van bhakti zodat men Mij in herinnering kan houden [zie ook B.G. 5: 29].

(48) O Uddhava, over het algemeen bestaan er, buiten de bhakti-yoga zoals men die realiseert door om te gaan met toegewijden, geen andere methoden die echt werken, omdat Ik voor hen die van de deugd zijn de ware weg ben [zie ook 4.31: 12]. (49) Om die reden, o kind van de Yadu's, zal Ik tot jou, die er oren naar hebt, spreken over zelfs het hoogst vertrouwelijke opperste geheim [van de intieme omgang met Mij], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B.G. 18: 63 & 68].'

 

 next                     

 
 

 Tweede editie, geladen 19 april 2009  

 

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; Mijn begoochelende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij [*].

De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; mijn illusieverwekkende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij. (Vedabase)

 

Tekst 2

Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ zijn niet meer dan indrukken van het intelligente zelf die laten zien hoezeer de wereldse bestaanstoestanden net zo onwerkelijk zijn als wat men ervaart in een droom.

Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ vormt het geconditioneerde bestaan dat als een hersenspinsel, net als een droom, inderdaad niet het werkelijke bestaan is. (Vedabase)

 

Tekst 3

Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid twee vormen van Mijn manifestatie zijn die, als de producten van Mijn oorspronkelijk vermogen, leiden tot gebondenheid en bevrijding.

Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid, twee van Mijn gemanifesteerde energieën voortgebracht door Mijn oorspronkelijk vermogen, de aanleiding vormen voor de gebondenheid en de bevrijding [*]. (Vedabase)

 

Tekst 4

Van het levende wezen, dat een deel en een geheel van Mijn Eenheid vormt o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er als gevolg van de onwetendheid en is er ook het tegendeel van [de bevrijding door] kennis.

Van het levende wezen, dat voorzeker deel uitmaakt en een geheel vormt van Mijn Eenheid o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er van de onwetendheid en is zo ook het tegendeel er van de kennis. (Vedabase)

 

Tekst 5

Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, die er aldus is in één vertoning van karakter.

Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, zich aldus bevindend in één vertoning van karakter. (Vedabase)

 

Tekst 6

De twee vrienden vormen een paar vogels van een gelijke [spirituele] aard die een nest in een boom blijken te hebben. Daarbij eet de ene vogel van de vruchten van de boom terwijl de andere afziet van voedsel, hoewel hij de krachtigste van de twee is [zie ook 6.4: 24].

Het viel zo voor dat deze twee vrienden, deze gelijksoortige vogels, een nest bouwden in een boom waarbij een ervan de vruchten van de boom eet terwijl de andere niet uit is op voedsel, alhoewel hij de meerdere is qua kracht [zie ook 6.4: 24]. (Vedabase)

 

 Tekst 7

Hij die niet van de vruchten van de boom eet, kent alwetend zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere vogel. Zonder verder na te denken is de etende vogel altijd maar gebonden, terwijl hij die vol van kennis is steeds degene is die bevrijd is [zie ook B.G. 4: 5].

Hij niet etend van de vruchten van de boom, kent alwetend als hij is zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere die zonder een idee te hebben inderdaad altijd maar gebonden is; hij die vol van kennis is, is inderdaad steeds degene die bevrijd is [zie ook B.G.: 4: 5]. (Vedabase)

 

Tekst 8

De verlichte persoon beschouwt zichzelf niet als gelijk aan het lichaam dat hij bewoont, zoals een dromer bij het opstaan zijn gedroomde zelf vergeet. Een dwaas echter denkt daar, hoewel hij zich [als de zinsbeheerser] in het lichaam ophoudt, anders over, hij denkt alsof hij droomt [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18].

Een verlichte persoon ziet, alsof hij opstond uit een droom, zichzelf, hoewel aanwezig in het lichaam, niet als het lichaam; een dwaas iemand ziet hoewel zich bevindend in het lichaam, net als in een droom, zichzelf niet als zodanig [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Vrij van de smet van het verlangen zal de verlichte persoon zichzelf niet zien als de doener, hij ziet het handelen meer als de werkzaamheid van de door de natuurlijke geaardheden gestuurde zintuigen die reageren op de door de geaardheden voortgebrachte zinsobjecten [zie B.G. 3: 28].

Zelfs al is hij door de zinnen voortgebracht uit de geaardheden van de zinnen gericht op de voorwerpen voortgebracht door de geaardheden, dan nog is de verlichte ziel, die, ze aanvaardend, inderdaad niet bezeten is van verlangen, niet valselijk ermee vereenzelvigd dat hij het zou moeten maken [zie B.G. 3: 28]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Als gevolg van de handelingen die feitelijk door de geaardheden worden afgeroepen zit de onwetende ziel, die het door het lot beheerste lichaam bewoont, zodoende vast aan [het egoïstische idee van] 'ik ben degene die bezig is' [zie ook B.G. 3: 27].

Door de lotsbeschikking onder de invloed van het karma zich bevindend in dit lichaam voortgebracht uit de geaardheden, is een dwaas iemand daarop aldus gebonden aan het 'Ik ben degene die handelt' [zie ook B. G. 3: 27]. (Vedabase)

 

 Tekst 11

Een intelligent iemand die niet hecht aan uiterlijkheden is in zijn rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken, ruiken, eten, luisteren enzovoorts, aldus nimmer gebonden, ongeacht in welke richting hij zich beweegt met zijn zintuiglijkheid.

Alzo is een intelligent persoon, waar dan ook met zijn zinnen aan de gang, onverschillig als hij is in het rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken ruiken, eten, luisteren en zo voorts, op die manier niet gebonden. (Vedabase)

  

 Tekst 12-13

Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld, hij snijdt, zich afzijdig houdend van de heersende machten, alle twijfels aan stukken met behulp van de meest ervaren, door de onthechting aangescherpte zienswijze. Zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn heeft hij, als iemand die ontwaakt uit een droom, zich afgekeerd van de veelheid van [of de eenzaamheid met] de dingen.

Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld snijdt hij, volledig afzijdig van de heersende machten ervan, alle twijfels aan stukken middels de meest deskundige visie zoals aangescherpt door de onthechting, net zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn; als was hij ontwaakt uit een droom heeft hij zich afgekeerd van de afzonderlijkheid der dingen. (Vedabase)

   

 Tekst 14

De persoon van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest en de intelligentie niet gestuurd worden door verlangens, is geheel vrij, ookal bevindt hij zich in het door de zintuigen bepaalde lichaam.

De persoon vrij van verlangen van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest, en de intelligentie volledig vrijgemaakt zijn is, hoewel zich in het lichaam bevindend, zeker van Zijn kwaliteiten. (Vedabase)

 

Tekst 15

Soms wordt het lichaam aangevallen [door vijanden of dieren], soms wordt het aanbeden [door geliefden of toegewijden], een intelligent iemand is daar echter nooit door van zijn stuk [zie B.G. 14: 22-25].

Hij die in het lichaam wordt aangevallen door hen die gewelddadig zijn of een andere keer weer om een of andere reden wordt aanbeden, is, intelligent zijnde, daar niet door aangedaan [zie B.G. 14: 22-25]. (Vedabase)

 

Tekst 16

Ontstegen aan het idee van goed en kwaad zal een wijze nimmer zij die zich uitmuntend gedragen en uitdrukken prijzen, noch zal hij degenen die het er slecht van afbrengen in woord en daad kritiseren [zie ook B.G. 5: 18].

Zij die heel goed of heel slecht hun werk doen of zo spreken worden door een geheiligde persoon geprezen noch bekritiseerd; bevrijdt van goede en slechte kwaliteiten beziet hij de dingen gelijkgezind [zie ook B.G. 5: 18]. (Vedabase)

  

Tekst 17

Hij die innerlijk tevreden is behoort niet handelend op te treden in, zich uit te laten over of zich te bezinnen op kwesties van goed en kwaad. Een wijze moet zich met die manier van doen door het leven bewegen als was hij een versuft, materialistisch iemand [zie ook 5.9].

Hij die van binnen tevreden is behoort niet te handelen, te spreken of zich te bezinnen in termen van goed en kwaad; met deze manier van leven moet een muni zich rondbewegen als was hij een materialistisch iemand traag van begrip [zie ook 5.9]. (Vedabase)

 

Tekst 18

Iemand die volledig op de hoogte is van de vedische geschriften maar niet in die mate slim tewerk gaat met het allerhoogste belang [de Heer], zal als de vrucht van zijn inspanningen een resutaat bereiken dat te vergelijken is met dat van iemand die voor een koe zorgt die geen melk meer geeft.

Van iemand die, volledig thuis in de vedische literatuur, niet in die mate slim is met het Allerhoogste [de Heer], is de vrucht van zijn grote inspanning voorzeker gelijk die van iemand die zorg draagt voor een koe die geen melk geeft. (Vedabase)

 

Tekst 19

O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen die zich onwaardig gedragen, ontvangers van giften die niet terecht zijn, en zich wil uitlaten zonder kennis van Mij te hebben [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren.

O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen onwaardig, ontvangers onwaardig als men schenkingen doet en zich wil uitlaten verstoken van de kennis van Mij [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren. (Vedabase)

 

Tekst 20

Een wijs iemand, Mijn beste, moet zich niet uitlaten in termen van minachting voor Mijn zuiverende activiteiten of gewenste verschijnen in de vorm van de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] terwille van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava.

Een wijs iemand, mijn beste, moet niet die uitdrukkingen sanctioneren welke niet van eerbied zijn voor Mijn zuiverende aktiviteiten of gewenste verschijnen als de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava. (Vedabase)

 

Tekst 21

Als men nu dit op een rijtje zet en aldus de waanvoorstelling van een los van de ziel bestaande [**] materiële verscheidenheid opgeeft, behoort men met het fixeren van zijn gezuiverde geest op Mij, de Allesdoordringende [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55].

Aldus met dat verlangen te weten de vergissing loslatend van het zelf dat afzonderlijk zou bestaan [**] behoort men, de geest in Mij de Al-doordringende fixerend [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55]. (Vedabase)

 

 Tekst 22

En als je er dan niet toe in staat bent je geest te bestendigen op het spirituele vlak, draag dan zonder [van de regulerende beginselen] af te wijken al je handelingen aan Mij op terwijl je er niets voor terugverwacht [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54].

Als je er niet toe in staat bent de geest vast te leggen op het spirituele vlak, probeer dan, zonder in Mij te wankelen, om activiteiten te ontplooien zonder verwachtingen te koesteren [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54]. (Vedabase)

 

 Tekst 23-24

Een gelovig persoon die luistert naar de verhalen over Mijn geboorte en handelingen, welke met iemands zuiveren, zingen, voortdurend heugen en ook dramatisch uitbeelden in ieder opzicht de wereld goed doen, zal, als hij onder Mijn bescherming terwille van Mij zijn religiositeit, zijn lusten en zijn geldzaken op orde brengt [de purushârta's], een onversaagde toewijding ontwikkelen voor Mij, de Eeuwige, o Uddhava.

Een gelovige persoon die de vertellingen aanhoort over Mijn geboorte en handelingen, welke zuiverend, zingend en voortdurend herinnerd alleszins gunstig zijn voor de wereld, zal, beschut in Mij te Mijnent wille het dharma, de kâma en de artha ten uitvoer brengend [de purushârta's], een onversaagde toewijding in relatie tot Mijn permanentie verkrijgen, o Uddhava. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Met de toewijding voor Mij zoals men die ontwikkelde in de sat-sanga [de omgang met de toegewijden], wordt men Mijn aanbidder. Zoals men dat kan zien bij Mijn toegewijden bereiken die mensen ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf.'

Door de toewijding tot Mij zoals verworven door de sat-sanga [de associatie met de toegewijden], wordt hij Mijn aanbidder; die persoon bereikt ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf zoals Mijn toegewijden dat laten zien.' (Vedabase)

 

 Tekst 26-27

S'rî Uddhava zei: 'Wat voor iemand zou naar Jouw mening, o Uttamas'loka, nu de ware toegewijde zijn, en welke vorm van Jou aanbidden kan de goedkeuring wegdragen van Jouw zuivere toegewijden? AlsJeblieft laat Je hierover uit voor mij, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon.

S'rî Uddhava zei: 'Welk type persoon zou naar Jouw menig, o Uttamas'loka, een geheiligde persoon zijn, en welk soort van aanbidding voor Jou behoort, zoals goedgekeurd door Jouw zuivere toegewijden, te worden volbracht; alsJeblieft spreek Je hierover voor mij uit, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer overeenkomstig het verlangen van hen die bij Je horen.'

Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer naar het verlangen van hen die bij Je horen. (Vedabase)

 

 Tekst 29-32

De Allerhoogste Heer zei: 'Als iemand genadig is, geen leed berokkent, tolerant is jegens alle belichaamden, stevig verankerd is in de waarheid en een ziel is die niets te verwijten valt; als iemand gelijkgezind is, altijd te goeder trouw handelt, van een intelligentie is die niet verstoord wordt door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds is, weinig eet en vreedzaam is; als iemand stabiel is, Mij als zijn toevlucht heeft, bedachtzaam is, waakzaam, innerlijk bezonken is, zijn respect niet verliest, de shath-guna [de verschillende vormen van materiële ellende], overwonnen heeft, bescheiden is, van eerbetoon is en inspireert; als iemand vriendelijk, medelevend en onderlegd is en aldus bekend is met de kwaliteiten en tekortkomingen zoals het door Mij wordt onderricht, is zo iemand, zelfs als die zijn eigen religieuze voorkeuren opgeeft [zie ook B.G. 18: 66] met het van aanbidding zijn voor alles van Mij, de beste der waarheidlievenden [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20].

De Allerhoogste Heer zei: 'Genadig, geen leed berokkenend, tolerant jegens alle belichaamden, stevig verankerd in de waarheid en een ziel die niets te verwijten valt; gelijkgezind, altijd handelend ten goede, van een intelligentie niet verstoord door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds, weinig etend en vreedzaam; stabiel, met Mij als de toevlucht, bedachtzaam, waakzaam, diepzinnig van ziel, respect houdend, de shath-guna overwonnen hebbend, bescheiden, de eer betonend en inspirerend; vriendelijk, mededogend en onderlegd aldus de kwaliteiten en tekorten kennend zoals door Mij onderricht, is hij, zelfs zijn eigen religieuze voorkeuren opgevend [zie ook B.G. 18: 66] in aanbidding voor alles van Mij, iemand die inderdaad de beste der waarheidlievenden is [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20 ]. (Vedabase)

 

 Tekst 33

Zij die, of ze nu weten of niet wie Ik precies ben of hoe Ik precies tewerk ga, Mij toegewijd zijn zonder zich te laten afleiden door andere zaken, beschouw ik als de de beste toegewijden.

Zij die, voorzeker aldus wetend of niet wetend wie Ik zou zijn of hoe Ik zou zijn, uitsluitend van toewijding zijn voor Mij, worden door Mij de beste toegewijden beschouwd. (Vedabase)

 

 Tekst 34-41

Mij ziend, Mij aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden in hun persoonlijke dienstverlening gebeden die Mij verheerlijken en vereren en zingen ze regelmatig over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij mediteren ze steeds met geloof op Mij, o Uddhava, en offeren ze als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn verschijnen en handelen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten, liederen en dansen, met bijeenkomsten naar de orde van de maan [op zondagen of naar de maanfasen] en met feestelijke plechtigheden die ze organiseren in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's brengen ze offers, nemen ze geloften in acht, en zijn ze van initiatie in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnentwille ten dienste van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met de toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht reserverend van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld. Door dat soort van offeren komt iemand in aanmerking voor onsterfelijkheid.

Ziend, aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden persoonlijk dienst verlenend gebeden van verheerlijking en eerbetoon, regelmatig zingend over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij met geloof altijd op Mij mediterend, o Uddhava, offeren zij als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn geboorte en handelingen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten en liederen te dansen, naar de maan [op zondagen of naar de maanfasen] bijeenkomsten en feestelijke plechtigheden organiserend in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's offers brengend, nemen ze geloften in acht, van initiatie zijnde in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnent wille in dienst van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met hun toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht te reserveren van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand aan Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld, daar dat offer iemand kwalificeert voor de onsterfelijkheid. (Vedabase)

 

 Tekst 42

De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de Vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, Mijn beste, vormen allen een medium voor Mijn eredienst.

De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, mijn beste, vormen alle een medium voor Mijn eredienst. (Vedabase)

 

 Tekst 43-45

Via de zon kan men Mij vinden met een keur aan verzen [als de Gâyatrî], met behulp van eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de Sûrya-namskar]. In het vuur vindt men Mij als men ghee offert. Men kan Mij vinden als de beste onder de geschoolden als men Mij respect betoont door gastvrij voor hen te zijn. Via de koeien, Mijn beste, bereikt men Mij met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de Vaishnava vindt men Mij door die te eren met liefdevolle vriendschap. In het hart treft men Mij aan door zich in meditatie te concentreren op de innerlijke natuur. In lucht vindt men Mij door die te beschouwen als het levengevend beginsel [aanwezig als de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29]. In water vindt men Mij door te offeren met gebruiksvoorwerpen die water aanwenden [zie B.G. 9: 26]. In de aarde vindt men Mij door eetbare zaden te offeren met het toepassen van mantra's vanuit het hart [zie b.v. Prasâda Sevâya en de Bhoga-ârati]. En binnenin het belichaamde zelf treft men Mij aan als de kenner van het veld [zie Paramâtmâ en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met een geest in evenwicht [zie niyama].

In de zon inderdaad [kan men Mij vinden] door een keur aan verzen [als de gâyatrî] met eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de sûrya-namskar]; in het vuur met het offeren van ghee; naar de besten onder de geschoolden toe behoort men van eerbied voor Mij te zijn door gastvrij te zijn; in de koeien, Mijn beste, wordt dat gedaan met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de vaishnava vindt men Mij door ze te eren met liefdevolle vriendschap, in het hart door gefixeerd te zijn in meditatie in de innerlijke ruimte, in de lucht door [Mij als aanwezig in de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29] het meest belangrijke te achten en in het water door de essentie van het water voorop te stellen [en dergelijke zoals een blad en een bloem, zie B.G. 9: 26]. In de aarde [vindt men Mij] door het offeren van aangename dingen [als voedsel], met het toepassen van heilige mantra's vanuit het hart [zie b.v. prasâda sevâya en de bhoga ârati] en binnenin het belichaamde zelf als de kenner van het veld [zie paramâtma en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met evenwichtigheid [zie niyama]. (Vedabase)

 

 Tekst 46

Aldus devoot geheel in Mij verzonken op al deze manieren mediterend moet men van eerbied zijn voor Mijn bovenzinnelijke gedaante die is uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje].

Aldus devoot op deze manieren mediterend moet men volledig verzonken in Mij van eerbied getuigen voor Mijn bovenzinnelijke gedaante uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje]. (Vedabase)

 

 Tekst 47

Met de verlangde en goede werken aldus geheel met de aandacht op Mij gevestigd van eerbetoon zijnd, realiseert men dankzij de fijnzinnigheid van de dienstverlening een duurzame vorm van bhakti zodat men Mij in herinnering kan houden [zie ook B.G. 5: 29].

Met de verlangde en goede werken aldus geheel in Mij gevestigd van eerbetoon zijnde verkrijgt men bij de genade van de fijnzinnigheid van de dienstverlening duurzame bhakti en de herinnering aan Mij [zie ook B.G. 5.29].' (Vedabase)

 

 Tekst 48

O Uddhava, over het algemeen bestaan er, buiten de bhakti-yoga zoals men die realiseert door om te gaan met toegewijden, geen andere methoden die echt werken, omdat Ik voor hen die van de deugd zijn de ware weg ben [zie ook 4.31: 12].

O Uddhava, over het geheel genomen zijn er, zonder de bhakti-yoga gerealiseerd door de omgang met de toegewijden, niet echt methoden te vinden die echt werken, omdat Ik de ware weg ben voor hen die van de deugd zijn [zie ook 4.31: 12]. (Vedabase)

 

 Tekst 49

Om die reden, o kind van de Yadu's, zal Ik tot jou, die er oren naar hebt, spreken over zelfs het hoogst vertrouwelijke opperste geheim [van de intieme omgang met Mij], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B.G. 18: 63 & 68].'

Daarom, o kind van de Yadu's, zal Ik tot je spreken, omdat je er oren naar hebt, over zelfs dit [nu volgende] meest vertrouwelijke hoogste geheim [van de vertrouwelijke omgang], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B. G. 18: 63 & 68]. (Vedabase)

 

*: De paramparâ voegt toe: 'De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschilt niet van Zijn vermogens, niettemin is Hij altijd boven hen verheven als de hoogste beheerser.... Bevrijding houdt in dat het levende wezen zichzelf moet overbrengen in het spirituele vermogen van de Heer, welk kan worden verdeeld in drie categorieën - hlâdinî, het vermogen van de verrukking; sandhinî, het vermogen van het eeuwigdurend bestaan; en samvit, het vermogen der alwetendheid.' Dit is een andere formulering van de goddelijkheid in de termen van sat-cit-ânanda; Krishna als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid.

**: Citerend uit de Viveka, stelt S'rîla Madhvâcârya dat nânâtva-bhramam, de fout die men maakt met de materiële verscheidenheid, wijst op de volgende illusies: denkend dat het levende wezen het Allerhoogste is; denkend dat alle levende wezens uiteindelijk één wezen zijn zonder een afzonderlijke identiteit; denken dat er vele Goden zijn [onafhankelijk van elkaar, zie 5.18: 12]; denken dat Krishna God niet is [d.w.z. niet zowel persoonlijk als onpersoonlijk het volkomen geheel is, vâsudeva sarvam iti, B.G. 7: 19]; en denken dat het materiële universum [het onpersoonlijke] de uiteindelijke werkelijkheid is [zie ook 1.2: 11]. Al deze illusies worden tezamen bestreden in het twee uur per dag zingen van de Mahâmantra of het zo lang aandacht besteden aan de andere bhajans.

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina.
De afbeelding is een klassieke print getiteld: "Tree of life with two peacock pairs'.
Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties