regelbalk

   

S'achî Sutâshthakam

  

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 66

 

De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

(1) S'rî S'uka zei: 'Met Balarâma vertrokken naar Nanda's koeherdersdorp stuurde de heerser van Karûsha [Paundraka], o Koning, dwaas denkend 'Ik ben Vâsudeva', een boodschapper naar Krishna. (2) Kinderlijke lieden hadden hem ingefluisterd: 'Je bent Vâsudeva, de Allerhoogste Heer nedergedaald als de Meester van het Universum!', en aldus beeldde hij zich in dat hij de Onfeilbare was. (3) Als een jongetje van een gering bevattingsvermogen door kinderen tot koning uitgeroepen stuurde hij, in zijn zotternij, een boodschapper naar Krishna Wiens Wegen Ondoorgrondelijk Zijn in Dvârakâ. (4) De afgezant in Dvârakâ aangekomen bracht toen in de koninklijke vergadering aan Krishna Almachtig met de Lotusblaadjesogen het bericht over van zijn koning: (5) 'Ik Vâsudeva, de enige ware echte, ben naar deze wereld nedergedaald met de bedoeling van genade te zijn voor de levende wezens. U echter, moet de valse aanspraak op de titel opgeven! (6) O Sâtvata, met het opgeven van Uw symbolen, welke U in de waan met U meevoert, kan U maar beter naar mij als Uw toevlucht toe komen; zo niet, lever dan anders strijd.'

(7) S'rî S'uka zei: 'Toen ze die opsnijderij van de idiote Paundraka hoorden, lachten de leden van de vergadering voorgezeten door Ugrasena luidkeels. (8) De Allerhoogste Heer zei toen, nadat iedereen was uitgegierd, tot de boodschapper: 'Ik zal jouw, o dwaas, de symbolen naar je hoofd slingeren waar je zo over opschept. (9) De toevlucht van honden zal je zijn, jij onbenul, voor lijk liggend met dat gezicht van je overdekt door gieren, reigers en vatha's overal om je heen.'

(10) Aldus toegesproken bracht de boodschapper die beledigingen in hun geheel over aan zijn meester en ging Krishna, rijdend met Zijn wagen, naar Kâs'î [Vârânasî]. (11) De machtige krijgsheer Paundraka toen hij Zijn voorbereidingen zag, kwam snel uit de stad tevoorschijn vergezeld door twee akshauhinî's. (12-14) De Heer zag Paundraka met achter zich aan zijn vriend, de meester van Kâs'î, met drie akshauhinî's, o Koning, terwijl hij met zich meevoerde een schelphoorn, een werpschijf, een zwaard en een knots, een S'ârnga en het s'rîvatsa-teken en andere symbolen, met inbegrip van een kaustubha-juweel en de sier van een woudbloemenslinger. Een stel fijne geelzijden kleren dragend en met in zijn vaandel Garuda droeg hij een kostbare kroon en had hij glanzende haaienvormige oorhangers als zijn sieraad. (15) De aanblik van hem uitgedost als Zijn evenbeeld, als was hij een acteur op het toneel, deed de Heer hartelijk lachen. (16) Met drietanden, knotsen en knuppels, spiesen, messen, projectielen met weerhaken, lansen, zwaarden, bijlen en pijlen werd de Heer aangevallen door de vijanden. (17) Krishna echter met Zijn strijdknots, zwaard, werpschijf en pijlen teisterde die militaire macht van olifanten, wagens, paarden en voetsoldaten van Paundraka en de koning van Kâs'î hevig, als was hij het vuur aan het einde van de wereld voor de verschillende levende wezens. (18) Dat slagveld, bezaaid met de door Zijn schijf aan stukken gesneden wagens, paarden, muilezels, olifanten, tweebenigen en kamelen, straalde als het verschrikkelijke schouwtoneel van de Heer der Geesten [Bhûtapati, of S'iva], de wijzen genoegen verschaffend. (19) S'auri zei toen tot Paundraka: 'Die wapens waar je het tegen Mij over had bij monde van je afgezant, laat Ik nu op jou los. (20) Ik zal je dwingen afstand te doen van Mijn naam en alles erbij, door jou valselijk aangenomen, o dwaas; voor vandaag [zoals je het wilde] bij jou Mijn toevlucht zoekend, zo niet strijd met je te leveren.'

(21) Aldus de spot drijvend en met Zijn scherpe pijlen Paundraka uit zijn wagen drijvend, sneed Hij met Zijn schijf hem het hoofd eraf, zoals Indra met zijn bliksemstraal een bergtop klieft. (22) Zo ook scheidde Hij met Zijn pijlen het hoofd van de romp van de koning van Kâs'î, het vliegend door de lucht Kâs'î-puri injagend als de wind die een bloemkelk van een lotus meevoert. (23) Na aldus de jaloerse Paundraka tezamen met zijn vriend ter dood te hebben gebracht ging de Heer Dvârakâ binnen aangeroepen door de vervolmaakten die de nectargelijke verhalen over Hem zongen. (24) En zo gebeurde het dat hij [Paundraka], van wie door zijn voortdurend mediteren op Hem in het aannemen van de persoonlijke gedaante van de Heer alle gebondenheid volledig werd vernietigd, volledig verzonken raakte in Hem [ofwel Krishnabewust werd], o Koning [zie sârûpya]. (25) Toen zij het hoofd met de oorhangers neergevallen bij de paleispoort zagen twijfelden de mensen: 'Wiens hoofd zou dat zijn?' (26) Het herkennend als het hoofd van de koning, de heerser van Kâs'î, riepen zijn koninginnen, zijn zoons en andere verwanten en de burgers er toen luidkeels bij uit: 'Helaas meester, o meester, o Koning, we zijn gedood!' (27-28) Zijn zoon genaamd Sudakshina die voor de vader de begrafenisplechtigheden voltrok, ging bij zichzelf te rade en besloot: 'Om mijn vader te wreken zal ik de moordenaar van mijn vader ter dood brengen' en zo aanbad hij als su-dakshina, 'de kampioen der beloning', tezamen met de priesters met grote aandacht Mahes'vara [Heer S'iva]. (29) In [de heilige plaats] Avimukta bood de grote heer hem tevredengesteld een zegen naar eigen keuze, waarop hij voor zichzelf bij de machtige halfgod de gunst bedong van een manier om de Doder van zijn vader te verslaan. (30-31) [S'iva zei: ] 'Weest met brahmanen en de geëigende priester van dienst voor het dakshina [zuidelijke] vuur met een abhicâra ['schade berokkenend'] ritueel dat van nut is tegen een vijand van de brahmanen, zodat omringd door de Pramatha's [zie ook 10.63: 6] uw wens in vervulling zal gaan', en aldus geïnstrueerd nam hij met de bedoeling Krishna kwaad te doen de geloften in acht. (32-33) Uit het vuur rees toen op uit de offerplaats een indrukwekkende figuur allerverschrikkelijkst met een haarknot, baard en snor als van gesmolten koper, roodgloeiende kolen van ogen, afschrikwekkende tanden en een ruw gezicht met omhooggetrokken, samengeknepen wenkbrauwen, die, met zijn tong zijn mondhoeken likkend, naakt met een laaiende drietand zwaaide [zie ook 4.5: 3 en 6.9: 12]. (34) Met benen massief als palmbomen het aardoppervlak doen schuddend rende hij vergezeld van geesten naar Dvârakâ de windrichtingen in lichterlaaie zettend. (35) Toen ze hem, voortgebracht uit het abhicâra-vuur, op zich af zagen komen, raakten al de ingezeten van Dvârakâ als dieren voor een grote bosbrand door angst bevangen. (36) Van streek gingen ze in paniek naar de Hoogste Persoonlijkheid van God die in het hof een potje aan het dobbelen was [en zeiden]: 'Redt ons, redt ons van het vuur dat de stad verzengt, o Heer van de Drie Werelden!'

(37) Horend van deze roep van de mensen en ziend hoezeer Zijn eigen mannen van streek waren, lachte S'aranya, de Beschermheer, hardop en zei: 'Wees hier maar niet bang voor, Ik zal jullie beschermen!'

(38) De Almachtige Heer, van binnen en van buiten ieders Getuige, begreep dat het schepsel van Mahes'vara afkomstig was en mikte toen voor zijn vernietiging Zijn cakra die zich aan Zijn zijde bevond. (39) Dat wapen, de sudars'ana cakra van Krishna, gelijk miljoenen zonnen laaiend met een gloed gelijk het vuur aan het einde van het universum, teisterde met zijn hitte de lucht, de hemelen en de aarde in alle tien de richtingen zowel als het vuur [van de demon; zie ook 9.4: 46]. (40) Hij, het vuur dat was geschapen, maakte gefrustreerd door de macht van het wapen van Hem met de Cakra in Zijn Hand rechtsomkeert, o Koning, en belaagde in zijn verslagenheid van alle kanten Vârânasî en verbrandde Sudakshina en al zijn priesters met de abhicâra die hij zelf in het leven had geroepen. (41) Zo ook ging de cakra van Vishnu er achter aan Vârânasî binnen met zijn toegangspoorten, wachttorens en zijn vele hoge veranda's, vergaderzalen, marktplaatsen, warenhuizen en gebouwen die de olifanten, paarden, wagens en granen behuisden. (42) Na heel Vârânasî in de as te hebben gelegd keerde Vishnu's sudars'ana schijf terug naar de zijde van Krishna die Moeiteloos in Zijn Handelingen is. (43) De sterfelijke mens die geconcentreerd verhaalt van of luistert naar dit heldhaftige avontuur van de Allerhoogste Geprezen in de Verzen zal worden verlost van al zijn zonden.

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

Paundraka, the False Vâsudeva

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Met Balarâma vertrokken naar Nanda's koeherdersdorp stuurde de heerser van Karûsha [Paundraka], o Koning, dwaas denkend 'Ik ben Vâsudeva', een boodschapper naar Krishna.

S'ukadeva Gosvâmî said: O King, while Lord Balarâma was away visiting Nanda's village of Vraja, the ruler of Karûsha, foolishly thinking "I am the Supreme Lord, Vâsudeva," sent a messenger to Lord Krishna.

 

Tekst 2

Kinderlijke lieden hadden hem ingefluisterd: 'Je bent Vâsudeva, de Allerhoogste Heer nedergedaald als de Meester van het Universum!', en aldus beeldde hij zich in dat hij de Onfeilbare was.

Paundraka was emboldened by the flattery of childish men, who told him, "You are Vâsudeva, the Supreme Lord and master of the universe, who have now descended to the earth." Thus he imagined himself to be the infallible Personality of Godhead.

 

Tekst 3

Als een jongetje van een gering bevattingsvermogen door kinderen tot koning uitgeroepen stuurde hij, in zijn zotternij, een boodschapper naar Krishna Wiens Wegen Ondoorgrondelijk Zijn in Dvârakâ.

Thus slow-witted King Paundraka sent a messenger to the inscrutable Lord Krishna at Dvârakâ. Paundraka was acting just like an unintelligent child whom other children are pretending is a king.

  

Tekst 4

De afgezant in Dvârakâ aangekomen bracht toen in de koninklijke vergadering aan Krishna Almachtig met de Lotusblaadjesogen het bericht over van zijn koning:

Arriving in Dvârakâ, the messenger found lotus-eyed Krishna in His royal assembly and relayed the King's message to that almighty Lord.

 

Tekst 5:

'Ik Vâsudeva, de enige ware echte, ben naar deze wereld nedergedaald met de bedoeling van genade te zijn voor de levende wezens. U echter, moet de valse aanspraak op de titel opgeven!

[On Paundraka's behalf, the messenger said:] I am the one and only Lord Vâsudeva, and there is no other. It is I who have descended to this world to show mercy to the living beings. Therefore give up Your false name.

 

Tekst 6:

O Sâtvata, met het opgeven van Uw symbolen, welke U in de waan met U meevoert, kan U maar beter naar mij als Uw toevlucht toe komen; zo niet, lever dan anders strijd.'

O Sâtvata, give up my personal symbols, which out of foolishness You now carry, and come to me for shelter. If You do not, then You must give me battle.

 

Tekst 7:

S'rî S'uka zei: 'Toen ze die opsnijderij van de idiote Paundraka hoorden, lachten de leden van de vergadering voorgezeten door Ugrasena luidkeels.

S'ukadeva Gosvâmî said: King Ugrasena and the other members of the assembly laughed loudly when they heard this vain boasting of unintelligent Paundraka.

    

Tekst 8:

De Allerhoogste Heer zei toen, nadat iedereen was uitgegierd, tot de boodschapper: 'Ik zal jouw, o dwaas, de symbolen naar je hoofd slingeren waar je zo over opschept.

The Personality of Godhead, after enjoying the jokes of the assembly, told the messenger [to relay a message to his master:] "You fool, I will indeed let loose the weapons you boast of in this way.

 

Tekst 9:

De toevlucht van honden zal je zijn, jij onbenul, voor lijk liggend met dat gezicht van je overdekt door gieren, reigers en vatha's overal om je heen.'

"When you lie dead, O fool, your face covered by vultures, herons and vatha birds, you will become the shelter of dogs."

  

Tekst 10:

Aldus toegesproken bracht de boodschapper die beledigingen in hun geheel over aan zijn meester en ging Krishna, rijdend met Zijn wagen, naar Kâs'î [Vârânasî].

When the Lord had thus spoken, the messenger conveyed His insulting reply to his master in its entirety. Lord Krishna then mounted His chariot and went to the vicinity of Kâs'î.

 

Tekst 11:

De machtige krijgsheer Paundraka toen hij Zijn voorbereidingen zag, kwam snel uit de stad tevoorschijn vergezeld door twee akshauhinî's.

Upon observing Lord Krishna's preparations for battle, the mighty warrior Paundraka quickly went out of the city with two full military divisions.

 

Tekst 12-14:

De Heer zag Paundraka met achter zich aan zijn vriend, de meester van Kâs'î, met drie akshauhinî's, o Koning, terwijl hij met zich meevoerde een schelphoorn, een werpschijf, een zwaard en een knots, een S'ârnga en het s'rîvatsa-teken en andere symbolen, met inbegrip van een kaustubha-juweel en de sier van een woudbloemenslinger. Een stel fijne geelzijden kleren dragend en met in zijn vaandel Garuda droeg hij een kostbare kroon en had hij glanzende haaienvormige oorhangers als zijn sieraad.

Paundraka's friend, the King of Kâs'î, followed behind, O King, leading the rear guard with three akshauhinî divisions. Lord Krishna saw that Paundraka was carrying the Lord's own insignia, such as the conchshell, disc, sword and club, and also an imitation S'ârnga bow and S'rîvatsa mark. He wore a mock Kaustubha gem, was decorated with a garland of forest flowers and was dressed in upper and lower garments of fine yellow silk. His banner bore the image of Garuda, and he wore a valuable crown and gleaming, shark- shaped earrings.

  

Tekst 15:

De aanblik van hem uitgedost als Zijn evenbeeld, als was hij een acteur op het toneel, deed de Heer hartelijk lachen.

Lord Hari laughed heartily when He saw how the King had dressed up in exact imitation of His own appearance, just like an actor on a stage.

    

Tekst 16

Met drietanden, knotsen en knuppels, spiesen, messen, projectielen met weerhaken, lansen, zwaarden, bijlen en pijlen werd de Heer aangevallen door de vijanden.

The enemies of Lord Hari attacked Him with tridents, clubs, bludgeons, pikes, rishtis, barbed darts, lances, swords, axes and arrows.

 

Tekst 17

Krishna echter met Zijn strijdknots, zwaard, werpschijf en pijlen teisterde die militaire macht van olifanten, wagens, paarden en voetsoldaten van Paundraka en de koning van Kâs'î hevig, als was hij het vuur aan het einde van de wereld voor de verschillende levende wezens.

But Lord Krishna fiercely struck back at the army of Paundraka and Kâs'îrâja, which consisted of elephants, chariots, cavalry and infantry. The Lord tormented His enemies with His club, sword, Sudars'ana disc and arrows, just as the fire of annihilation torments the various kinds of creatures at the end of a cosmic age.

 

Tekst 18

Dat slagveld, bezaaid met de door Zijn schijf aan stukken gesneden wagens, paarden, muilezels, olifanten, tweebenigen en kamelen, straalde als het verschrikkelijke schouwtoneel van de Heer der Geesten [Bhûtapati, of S'iva], de wijzen genoegen verschaffend.

The battlefield, strewn with the dismembered chariots, horses, elephants, humans, mules and camels that had been cut to pieces by the Lord's disc weapon, shone like the gruesome playground of Lord Bhûtapati, giving pleasure to the wise.

  

Tekst 19

S'auri zei toen tot Paundraka: 'Die wapens waar je het tegen Mij over had bij monde van je afgezant, laat Ik nu op jou los.

Lord Krishna then addressed Paundraka: My dear Paundraka, the very weapons you spoke of through your messenger, I now release unto you.

 

Tekst 20

Ik zal je dwingen afstand te doen van Mijn naam en alles erbij, door jou valselijk aangenomen, o dwaas; voor vandaag [zoals je het wilde] bij jou Mijn toevlucht zoekend, zo niet strijd met je te leveren.'

O fool, now I shall make you renounce My name, which you have falsely assumed. And I will certainly take shelter of you if I do not wish to fight you.

  

Tekst 21

Aldus de spot drijvend en met Zijn scherpe pijlen Paundraka uit zijn wagen drijvend, sneed Hij met Zijn schijf hem het hoofd eraf, zoals Indra met zijn bliksemstraal een bergtop klieft.

Having thus derided Paundraka, Lord Krishna destroyed his chariot with His sharp arrows. The Lord then cut off his head with the Sudars'ana disc, just as Lord Indra lops off a mountain peak with his thunderbolt weapon.

 

Tekst 22

Zo ook scheidde Hij met Zijn pijlen het hoofd van de romp van de koning van Kâs'î, het vliegend door de lucht Kâs'î-puri injagend als de wind die een bloemkelk van een lotus meevoert.

With His arrows, Lord Krishna similarly severed Kâs'îrâja's head from his body, sending it flying into Kâs'î city like a lotus flower thrown by the wind.

 

Tekst 23

Na aldus de jaloerse Paundraka tezamen met zijn vriend ter dood te hebben gebracht ging de Heer Dvârakâ binnen aangeroepen door de vervolmaakten die de nectargelijke verhalen over Hem zongen.

Having thus killed envious Paundraka and his ally, Lord Krishna returned to Dvârakâ. As He entered the city, the Siddhas of heaven chanted His immortal, nectarean glories.

  

 Tekst 24

En zo gebeurde het dat hij [Paundraka], van wie door zijn voortdurend mediteren op Hem in het aannemen van de persoonlijke gedaante van de Heer alle gebondenheid volledig werd vernietigd, volledig verzonken raakte in Hem [ofwel Krishnabewust werd], o Koning [zie sârûpya].

By constantly meditating upon the Supreme Lord, Paundraka shattered all his material bonds. Indeed, by imitating Lord Krishna's appearance, O King, he ultimately became Krishna conscious.

 

Tekst 25

Toen zij het hoofd met de oorhangers neergevallen bij de paleispoort zagen twijfelden de mensen: 'Wiens hoofd zou dat zijn?'

Seeing a head decorated with earrings lying at the gate of the royal palace, the people present were puzzled. Some of them asked, "What is this?" and others said, "It is a head, but whose is it?"

  

Tekst 26

Het herkennend als het hoofd van de koning, de heerser van Kâs'î, riepen zijn koninginnen, zijn zoons en andere verwanten en de burgers er toen luidkeels bij uit: 'Helaas meester, o meester, o Koning, we zijn gedood!'

My dear King, when they recognized it as the head of their King - the lord of Kâs'î - his queens, sons and other relatives, along with all the citizens of the city, began to cry pitifully: "Alas, we are killed! O my lord, my lord!"

 

 Tekst 27-28

Zijn zoon genaamd Sudakshina die voor de vader de begrafenisplechtigheden voltrok, ging bij zichzelf te rade en besloot: 'Om mijn vader te wreken zal ik de moordenaar van mijn vader ter dood brengen' en zo aanbad hij als su-dakshina, 'de kampioen der beloning', tezamen met de priesters met grote aandacht Mahes'vara [Heer S'iva].

After the King's son Sudakshina had performed the obligatory funeral rituals for his father, he resolved within his mind: "Only by killing my father's murderer can I avenge his death." Thus the charitable Sudakshina, together with his priests, began worshiping Lord Mahes'vara with great attention.

 

 Tekst 29

In [de heilige plaats] Avimukta bood de grote heer hem tevredengesteld een zegen naar eigen keuze, waarop hij voor zichzelf bij de machtige halfgod de gunst bedong van een manier om de Doder van zijn vader te verslaan.

Satisfied by the worship, the powerful Lord S'iva appeared in the sacred precinct of Avimukta and offered Sudakshina his choice of benedictions. The prince chose as his benediction a means to slay his father's killer.

 

Tekst 30-31

[S'iva zei: ] 'Weest met brahmanen en de geëigende priester van dienst voor het dakshina [zuidelijke] vuur met een abhicâra ['schade berokkenend'] ritueel dat van nut is tegen een vijand van de brahmanen, zodat omringd door de Pramatha's [zie ook 10.63: 6] uw wens in vervulling zal gaan', en aldus geïnstrueerd nam hij met de bedoeling Krishna kwaad te doen de geloften in acht.

Lord S'iva told him, "Accompanied by brâhmanas, serve the Dakshinâgni fire - the original priest - following the injunctions of the abhicâra ritual. Then the Dakshinâgni fire, together with many Pramathas, will fulfill your desire if you direct it against someone inimical to the brâhmanas." So instructed, Sudakshina strictly observed the ritualistic vows and invoked the abhicâra against Lord Krishna.

 

Tekst 32-33

Uit het vuur rees toen op uit de offerplaats een indrukwekkende figuur allerverschrikkelijkst met een haarknot, baard en snor als van gesmolten koper, roodgloeiende kolen van ogen, afschrikwekkende tanden en een ruw gezicht met omhooggetrokken, samengeknepen wenkbrauwen, die, met zijn tong zijn mondhoeken likkend, naakt met een laaiende drietand zwaaide [zie ook 4.5: 3 en 6.9: 12].

Thereupon the fire rose up out of the altar pit, assuming the form of an extremely fearsome, naked person. The fiery creature's beard and tuft of hair were like molten copper, and his eyes emitted blazing hot cinders. His face looked most frightful with its fangs and terrible arched and furrowed brows. As he licked the corners of his mouth with his tongue, the demon shook his flaming trident.

  

Tekst 34

Met benen massief als palmbomen het aardoppervlak doen schuddend rende hij vergezeld van geesten naar Dvârakâ de windrichtingen in lichterlaaie zettend.

On legs as tall as palm trees, the monster raced toward Dvârakâ in the company of ghostly spirits, shaking the ground and burning the world in all directions.

 

Tekst 35

Toen ze hem, voortgebracht uit het abhicâra-vuur, op zich af zagen komen, raakten al de ingezeten van Dvârakâ als dieren voor een grote bosbrand door angst bevangen.

Seeing the approach of the fiery demon created by the abhicâra ritual, the residents of Dvârakâ were all struck with fear, like animals terrified by a forest fire.

 

Tekst 36

Van streek gingen ze in paniek naar de Hoogste Persoonlijkheid van God die in het hof een potje aan het dobbelen was [en zeiden]: 'Redt ons, redt ons van het vuur dat de stad verzengt, o Heer van de Drie Werelden!'

Distraught with fear, the people cried out to the Supreme Personality of Godhead, who was then playing at dice in the royal court: "Save us! Save us, O Lord of the three worlds, from this fire burning up the city!"

 

Tekst 37

Horend van deze roep van de mensen en ziend hoezeer Zijn eigen mannen van streek waren, lachte S'aranya, de Beschermheer, hardop en zei: 'Wees hier maar niet bang voor, Ik zal jullie beschermen!'

When Lord Krishna heard the people's agitation and saw that even His own men were disturbed, that most worthy giver of shelter simply laughed and told them, "Do not fear; I shall protect you."

 

Tekst 38

De Almachtige Heer, van binnen en van buiten ieders Getuige, begreep dat het schepsel van Mahes'vara afkomstig was en mikte toen voor zijn vernietiging Zijn cakra die zich aan Zijn zijde bevond.

The almighty Lord, the internal and external witness of all, understood that the monster had been produced by Lord S'iva from the sacrificial fire. To defeat the demon, Krishna dispatched His disc weapon, who was waiting at His side.

 

Tekst 39

Dat wapen, de sudars'ana cakra van Krishna, gelijk miljoenen zonnen laaiend met een gloed gelijk het vuur aan het einde van het universum, teisterde met zijn hitte de lucht, de hemelen en de aarde in alle tien de richtingen zowel als het vuur [van de demon; zie ook 9.4: 46].

That Sudars'ana, the disc weapon of Lord Mukunda, blazed forth like millions of suns. His effulgence blazed like the fire of universal annihilation, and with his heat he pained the sky, all the directions, heaven and earth, and also the fiery demon.

 

Tekst 40

Hij, het vuur dat was geschapen, maakte gefrustreerd door de macht van het wapen van Hem met de Cakra in Zijn Hand rechtsomkeert, o Koning, en belaagde in zijn verslagenheid van alle kanten Vârânasî en verbrandde Sudakshina en al zijn priesters met de abhicâra die hij zelf in het leven had geroepen.

Frustrated by the power of Lord Krishna's weapon, O King, the fiery creature produced by black magic turned his face away and retreated. Created for violence, the demon then returned to Vârânasî, where he surrounded the city and then burned Sudakshina and his priests to death, even though Sudakshina was his creator.

 

Tekst 41

Zo ook ging de cakra van Vishnu er achter aan Vârânasî binnen met zijn toegangspoorten, wachttorens en zijn vele hoge veranda's, vergaderzalen, marktplaatsen, warenhuizen en gebouwen die de olifanten, paarden, wagens en granen behuisden.

Lord Vishnu's disc also entered Vârânasî, in pursuit of the fiery demon, and proceeded to burn the city to the ground, including all its assembly halls and residential palaces with raised porches, its numerous marketplaces, gateways, watchtowers, warehouses and treasuries, and all the buildings housing elephants, horses, chariots and grains.

 

Tekst 42

Na heel Vârânasî in de as te hebben gelegd keerde Vishnu's sudars'ana schijf terug naar de zijde van Krishna die Moeiteloos in Zijn Handelingen is.

After burning down the entire city of Vârânasî, Lord Vishnu's Sudars'ana cakra returned to the side of S'rî Krishna, whose actions are effortless.

 

Tekst 43

De sterfelijke mens die geconcentreerd verhaalt van of luistert naar dit heldhaftige avontuur van de Allerhoogste Geprezen in de Verzen zal worden verlost van al zijn zonden.

Any mortal who recounts this heroic pastime of Lord Uttamah-s'loka's, or who simply hears it attentively, will become freed from all sins.

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties