regelbalk


 

 

Canto 10

S'rî Godruma

 

 

Hoofdstuk 60: Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

(1) De zoon van Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een dag comfortabel gezeten werd Hij, de geestelijk leraar van het Universum, Zich op haar bed bevindend bediend door Rukminî die Hem, de Echtgenoot, koelte toewuifde samen met haar vrouwelijke metgezellen. (2) Dit dan was Zijn spel: dat Hij, als de Allerhoogste Beheerser die het universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, waarlijk was geboren om Zijn eigen heerschappij hoog te houden [*] als de Ongeboren Heer onder de Yadu's [zie ook 6.3: 19]. (3-6) In dat privé-gedeelte van het paleis zo schitterend, behangen met strengen parels en verrijkt met een baldakijn, met lampen gemaakt van edelstenen, met jasmijnbloemenslingers met zoemende bijen eromheen zwermend, met het licht van de zuivere maan gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen, met de geur meegevoerd door de wind van de groepjes pârijâta bomen die de atmosfeer overbrachten uit de tuin en met de opwindende geur voortgebracht door de aguru die ontsnapte uit de raamopeningen, o Koning, bediende ze haar Echtgenoot, de Beheerser van Alle Werelden, comfortabel gezeten op een prima kussen van het bed dat zo wit straalde als de schuim van melk. (7) Uit de hand van een dienstmaagd een waaier van yak-haar aanpakkend met een met juwelen ingelegd handvat wuifde de godin er in eerbetoon voor haar Meester Hem er koelte mee toe. (8) Naast Krishna met het gerucht van haar enkelbelletjes kwam ze prachtig naar voren met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen en met haar kleding die met één uiteinde haar borsten rood van de kunkum verhulde, de gloed van haar halssnoer en de kostbare gordel die ze om haar heupen droeg. (9) Bij de aanblik van haar verschijning als de godin van het geluk met geen ander doel, als zij die verheugd en lachend met haar lokken, oorhangers en juwelen om haar hals en haar heldere gelukkige gezicht, terwille van Zijn spel en vermaak overeenstemt in lichamen overeenkomstig Zijn aannemen van gestalten [**], liet de Heer een zoete glimlach zien en sprak Hij.


(10) De Allerhoogste Heer zei: 'O prinses, je werd begeerd door koningen, wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en weelde. (11) Met voor handen vrijers zoals S'is'upâla en anderen die gek van Cupido door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel anders ben. (12) Bang van de koningen, o mooie wenkbrauwtjes, en verhuisd naar de oceaan als onze toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij, in vijandschap met degenen die aan de macht zijn, praktisch de troon eraan gegeven. (13) O fraaie wenkbrauwtjes, vrouwen hebben het gewoonlijk zwaar die omzien naar mannen wiens gedrag onzeker is in het volgen van een pad dat niet aanvaardbaar is voor de normale samenleving. (14) Wij die het zonder bezittingen moeten stellen zijn altijd zeer geliefd bij hen die ook niets hebben en zijn daarom in de regel inderdaad niet zo geliefd bij de rijken, die Me zelden de eer bewijzen, o slanke vrouwe. (15) Huwelijk en vriendschap is er tussen twee mensen die gelijk zijn qua bezit, geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te nimmer tussen een hogere en een lagere [in dezen]! (16) O prinses van Vidarbha, je hebt dit niet zien aankomen, je had er geen weet van toen je koos voor Ons die het zo ontbreekt aan goede kwaliteiten, Wij die worden geprezen door bedelaars die hun verstand kwijt zijn! (17) Aanvaard nu alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die werkelijk geschikt is, een eersteklas edelman die je al je wensen in dit en het volgende leven in vervulling kan doen gaan. (18) S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen kunnen Me geen van allen lijden, o mooie dijen, en zo ook je oudere broer Rukmî niet. (19) Om van hen, die verblind zijn door de bedwelming van hun macht, de trots en hoogmoed te breken werd je door Mij in een huwelijk aanvaard, o goedgeaarde; We deden dat om de macht weg te nemen van de slechtgeaarden [zie ook B.G. 4: 7]. (20) Wij onverschillig over een thuis en een lichaam geven niet echt om echtgenotes, kinderen en rijkdommen; Wij afzijdig van welk ondernemen ook zijn volkomen in Onszelf tevreden zoals een opzichzelf bestaand licht dat ook is.'

(21) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, zoveel gezegd hebbende als de vernietiger van de trots van haar die zich als Zijn geliefde onafscheidelijk achtte, stopte toen. (22) Van de Meester van de Heren der Drie Werelden, haar eigen Geliefde, had zij, de godin, nog nooit zoiets onaangenaams te horen gekregen, en met de schrik die haar toen om het hart sloeg begon ze, trillend gegrepen door een verschrikkelijke angst, te huilen [zie S'ikshâshthaka vers 6 &7]. (23) Met haar o zo tere voet die rood opgloeide van haar nagels over de vloer schrapend, en met haar tranen de make-up van haar ogen doen uitlopend en het rode kunkumapoeder op haar borsten natsprenkelend, stond ze daar roerloos, met het gezicht naar beneden, verstikt in haar extreme verdriet en was ze niet in staat ook maar een woord uit te brengen. (24) Door haar grote treurnis, vrees en benauwdheid niet langer meer helder denkend, gleden haar armbanden en haar waaier haar uit handen en viel haar lichaam, met haar geest ontsteld het bezwijmend, plots op de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan geveld door de wind [zie rasa]. (25) Ziend wat, niet begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij inhield voor de band van goddelijke liefde van Zijn geliefde, kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met haar. (26) Van het bed afkomend tilde Hij, met vier armen, haar snel op en wiste Hij, haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn lotushand. (27-28) Haar met tranen gevulde ogen en borsten besmeurd door haar tranen afvegend, sloeg Hij, o Koning, Zijn arm om haar heen die kuis als ze was geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die, zo zielig met haar geest in de war door Zijn slimme grappenmakerij, dit niet verdiend had met het Doel van Degenen die Zuiver Zijn. (29) De Opperheer zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet dat je Me volledig toegewijd bent, Mijn liefste, Ik deed het voor de grap om te horen wat je zou zeggen. (30) Zo wilde Ik het gezicht van de liefde zien met lippen trillend van de emotie, blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en prachtige wenkbrauwen bijeen geknepen. (31) Voor een gewone huishouder is het grappen maken met degene van wie hij houdt werkelijk het hoogste dat hij kan bereiken in het gezinsleven, o verlegen meisje van temperament.'

(32) S'rî S'uka zei: 'Zij, Vaidarbhî, o Koning, die aldus geheel gerustgesteld door de Allerhoogste Heer begreep dat Zijn woorden als grap bedoeld waren, gaf haar angst op te zijn afgewezen door haar Geliefde. (33) Bedeesd met een charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend richtte ze zich, o afstammeling van Bharata, met liefdevolle blikken tot de Beste van Alle Mannen. (34) S'rî Rukminî zei: 'Goed, zo zij het dan met dat wat Je gezegd hebt o Lotusogige; wat stel ik, ongelijk aan de Allerhoogste Heer, nu voor vergeleken met de Almachtige die behagen schept in Zijn eigen heerlijkheid, met de Beheerser, de Opperheer van de Drie [belangrijkste godheden] - wie ben ik nu vergeleken met Hem, ik als iemand aan wiens voeten vanwege haar materiële kwaliteiten de dwazen zich vastklampen? (35) Het is waar, Jij, o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je, alsof Je de geaardheden zou vrezen, neer in de oceaan, altijd in het zuivere bewustzijn van de Opperziel strijdend tegen de slechtheid van de materiële zinnen en hebt, net als Je dienaren, de positie van een koning afgewezen als zijnde blinde onwetendheid [zie ook S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka vers vier en de S'ikshâshthaka vers 4]. (36) Voor wijzen die de honing waarderen van Je lotusgelijke voeten is Jouw pad, dat voor dieren in een menselijke gedaante voorzeker moeilijk te doorgronden is, niet zo duidelijk want - [zo mag men zich afvragen] - is het wel zo dat zij, die zich bovenwerelds voordoen met activiteiten voor de Allerhoogste Beheerser [van de Tijd], o Almachtige, Jou [als een persoon] nu aan het volgen zijn? (37) Jij inderdaad kent geen bezittingen, Jij voorbij Wie er niets te vinden is en Die zelfs van de genieters van de eerbewijzen met Brahmâ voorop de eer krijgt bewezen; personen die materieel voldaan zijn kennen Je, verblind door hun status, niet als hun dood, maar voor de grote genieters ben Je de meest geliefde, net zoals zij dat voor Jou zijn [zie ook 1.7: 10]. (38) Jij bent waarlijk het uiteindelijke doel dat alle doelen van het menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar verlangend intelligente personen van alles afzien; Jouw omgang, o Almachtige, leent zich voor hen en niet voor een man en vrouw die in de lust gelukkig en ongelukkig zijn. (39) Jij, de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken, Paramahamsa's wordend, zie 5.1*], bent aldus door mij uitverkozen in afwijzing van die meesters van de hemel, geboren op de lotus [Brahmâ] en het bestaan beheersend [S'iva], wiens ambities teniet zijn gedaan door de kracht van de Tijd voortgebracht door Je wenkbrauwen. Wat voor belang zou ik dan hebben bij anderen? (40) Dwaas die woorden van Je dat Jij in de oceaan uit angst Je toevlucht zou zoeken, o Gadâgraja, Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen op de terugtocht dwong met het weghalen van mij, de voor Jou bestemde huldeblijk, zoals een leeuw zijn deel wegsnaait bij de dieren [zie ook jalpa 10.47: 12-21]. (41) Uit behoefte aan Jou zijn de koningen Anga [vader van Vena, 4.13: 47], Vainya [Prithu, 4.23], Jâyanta [Bharata, 6.7: 11], Nâhusha [Yayâti, 9.19], Gaya [15.15: 6-7] en anderen met het afstand doen van hun kroon, hun soevereine macht over hun koninkrijken, het bos ingegaan, o Lotusogige; hoe konden zij, bezonnen op Jouw pad in deze wereld, nu angstig beven? (42) Welke vrouw zou haar toevlucht tot een andere man nemen, die eenmaal het door de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw lotusvoeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen de bevrijding brengen; welke sterfelijke dame met het inzicht om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en iemand willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse ego]? (43) Voor Hem, Jijzelf, als de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle Werelden heb ik gekozen om onze wensen in vervulling te doen gaan in dit leven en het volgende [zie laatste vers S'ikshâshthaka]; moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen er de toevlucht zijn van Jouw voeten welke, inderdaad op hun aanbidder afstappend, lonen met de bevrijding van het onware. (44) Laat de koningen waar Je het over had, o Acyuta, over aan die vrouwen bij wie ze in huis zijn als ezels, ossen, honden, katten en slaven en wiens oren nimmer in de buurt kwamen van de kern die Jij als de plaag van Je vijanden bent; Jij die bezongen wordt in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige' ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de hartstocht' ofwel Brahmâ]. (45) De vrouw die niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten houdt er een totaal verbijsterd idee op na; zij aanbidt als haar partner een levend lijk overdekt door een huid, snorharen, lichaamsbeharing, nagels en hoofdhaar met vanbinnen vlees, botten, bloed, wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht. (46) Laat er, o Lotusoog, mijn niet aflatende aantrekking zijn tot de voeten van Jou die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij, Jij die voor de toename van dit universum in hartstocht de vorm van een overvloed aanneemt en met Je blik daarin mij aanschouwend ons inderdaad de grootste genade toont [zie ook 10.53: 2]. (47) Ik beschouw Je woorden in feite niet als vals, o Doder van Madhu, het is zeker vaak zo dat bij een meisje [zoals ik met de koningen] zich de aantrekking opwerpt zoals ook bij Ambâ [dochter van de koning van Kâs'î aangetrokken tot S'âlva, zie Mahâbhârata en noot 9.22: 20*]. (48) Een promiscue vrouw voelt zich zelfs als ze getrouwd is aangetrokken tot telkens weer een nieuwe man; als men intelligent is behoort men [zoals Jij misschien] niet aan een ontrouwe vrouw vast te houden daar men, als men dan aan haar vasthoudt, in tweeërlei zin [in dit leven enerzijds en het volgende leven anderzijds] ten val is gekomen [zie ook 9.14: 36].'

(49) De Allerhoogste Heer zei: 'Al wat je antwoordde is inderdaad juist; wat Ik heb gezegd toen ik je voor de gek hield, o prinses, deed Ik in de behoefte jou hierover te horen praten, o heilige dame! (50) O rechtschapene, je zal altijd kunnen rekenen op welke zegeningen je ook van Me verlangt om van de lust bevrijd te zijn, o genadige, o jij die werkelijk uitsluitend Mij toegewijd bent. (51) O zondeloze, Ik heb je zuivere liefde gezien en je in geloften zien vasthouden aan de echtgenoot; voor zover woorden je van streek konden brengen, kon je geest in gehechtheid aan Mij, niet worden afgeleid. (52) Zij die vallen voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en het naleven van geloften, zijn, lustig van aard, verbijsterd door de begoochelende energie van Mij, de Beheerser van de Uiteindelijke Gelukzaligheid. (53) O reservoir van liefde, voor hen die met het verkrijgen van Mij, de Schat der Emancipatie, ongelukkigerwijze van Mij, de Meester erover, alleen materiële schatten verlangen, zaken die er zelfs zijn voor personen die in de hel verkeren, is het, omdat ze bezeten zijn van de zinsbevrediging, [dan ook] de hel die ze het beste past [zie ook 3.32, en 7.5: 32]. (54) Gelukkig, o vrouwe van het huis, was je de constante trouwe dienst aan Mij aan het leveren die de bevrijding schenkt uit een materieel bestaan, de dienst die zeer moeilijk op te brengen is in het bijzonder voor gevaarlijke vrouwen met kwade bedoelingen, die zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich vergenoegen in het verbreken [van relaties]. (55) In mijn paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, o respectvolle; Jij die ten tijde van haar eigen huwelijk afzag van de koningen die waren gearriveerd; jij door wie, met het je ter ore komen van de ware stand van zaken, een brahmaanse boodschapper naar Mij werd gestuurd met een vertrouwelijk bericht. (56) Toen je broer verslagen in de strijd werd toegetakeld [10.54] en op de dag aangewezen voor de huwelijksplechtigheid [van Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je vanwege Ons een ondraaglijk leed te verduren, maar er bang voor gescheiden te raken repte je er met geen woord over en daardoor heb je Ons voor je gewonnen. (57) Toen Ik, met de boodschapper die je stuurde met het meest vertrouwelijke verzoek om Mijn persoon, op Mij liet wachten, wilde jij, deze wereld als geheel leeg beziend, dit lichaam opgeven dat voor niemand anders bestemd zou zijn [zie 10.53: 22-25]; moge dat [die standvastigheid] altijd met je zijn tezamen met het Ons verheugd zijn in reactie daarop.'

(58) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier in echtelijke gesprekken de menselijke wereld nabootsend schiep de Allerhoogste Heer er behagen in Zichzelf met Ramâ te vermaken. (59) Zich dienovereenkomstig als een huishouder gedragend in de paleizen van de andere koninginnen, beantwoordde de Almachtige Heer en Geestelijk Leraar van Al de Werelden aan de verplichtingen van een gezinshoofd.'

 

 

next                       

 
 

Tweede editie, geladen 2 oktober 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Lord Krishna Teases Queen Rukminî.

 

Tekst 1

De zoon van Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een dag comfortabel gezeten werd Hij, de geestelijk leraar van het Universum, Zich op haar bed bevindend bediend door Rukminî die Hem, de Echtgenoot, koelte toewuifde samen met haar vrouwelijke metgezellen.

S'rî Bâdarâyani said: Once, in the company of her maidservants, Queen Rukminî was personally serving her husband, the spiritual master of the universe, by fanning Him as He relaxed on her bed. (Vedabase)

 

Tekst 2

Dit dan was Zijn spel: dat Hij, als de Allerhoogste Beheerser die het universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, waarlijk was geboren om Zijn eigen heerschappij hoog te houden [*] als de Ongeboren Heer onder de Yadu's [zie ook 6.3: 19].

The unborn Personality of Godhead, the supreme controller, who creates, maintains and then devours this universe simply as His play, took birth among the Yadus to preserve His own laws. (Vedabase)

 

Tekst 3-6

In dat privé-gedeelte van het paleis zo schitterend, behangen met strengen parels en verrijkt met een baldakijn, met lampen gemaakt van edelstenen, met jasmijnbloemenslingers met zoemende bijen eromheen zwermend, met het licht van de zuivere maan gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen, met de geur meegevoerd door de wind van de groepjes pârijâta bomen die de atmosfeer overbrachten uit de tuin en met de opwindende geur voortgebracht door de aguru die ontsnapte uit de raamopeningen, o Koning, bediende ze haar Echtgenoot, de Beheerser van Alle Werelden, comfortabel gezeten op een prima kussen van het bed dat zo wit straalde als de schuim van melk.

Queen Rukminî's quarters were extremely beautiful, boasting a canopy hung with brilliant strings of pearls, as well as effulgent jewels serving as lamps. Garlands of jasmine and other flowers hung here and there, attracting swarms of humming bees, and the spotless rays of the moon shone through the holes of the lattice windows. As aguru incense drifted out of the window holes, my dear King, the breeze wafting the scent of the pârijâta grove carried the mood of a garden into the room. There the Queen served her husband, the Supreme Lord of all the worlds, as He reclined upon an opulent pillow on her bed, which was as soft and white as the foam of milk. (Vedabase)

 

Tekst 7

Uit de hand van een dienstmaagd een waaier van yak-haar aanpakkend met een met juwelen ingelegd handvat wuifde de godin er in eerbetoon voor haar Meester Hem er koelte mee toe.

From her maidservant's hand Goddess Rukminî took a yak-hair fan with a jeweled handle, and then she began to worship her master by fanning Him. (Vedabase)

 

Tekst 8

Naast Krishna met het gerucht van haar enkelbelletjes kwam ze prachtig naar voren met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen en met haar kleding die met één uiteinde haar borsten rood van de kunkum verhulde, de gloed van haar halssnoer en de kostbare gordel die ze om haar heupen droeg.

Her hand adorned with rings, bangles and the câmara fan, Queen Rukminî looked resplendent standing near Lord Krishna. Her jeweled ankle-bells tinkled, and her necklace glittered, reddened by the kunkuma from her breasts, which were covered by the end of her sâri. On her hips she wore a priceless belt. (Vedabase)

 

Tekst 9

Bij de aanblik van haar verschijning als de godin van het geluk met geen ander doel, als zij die verheugd en lachend met haar lokken, oorhangers en juwelen om haar hals en haar heldere gelukkige gezicht, terwille van Zijn spel en vermaak overeenstemt in lichamen overeenkomstig Zijn aannemen van gestalten [**], liet de Heer een zoete glimlach zien en sprak Hij.

As He contemplated her, the goddess of fortune herself, who desires only Him, Lord Krishna smiled. The Lord assumes various forms to enact His pastimes, and He was pleased that the form the goddess of fortune had assumed was just suitable for her to serve as His consort. Her charming face was adorned with curling hair, earrings, a locket on her neck, and the nectar of her bright, happy smile. The Lord then spoke to Her as follows. (Vedabase)

 

Tekst 10

De Allerhoogste Heer zei: 'O prinses, je werd begeerd door koningen, wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en weelde.

The Supreme Lord said: My dear princess, you were sought after by many kings as powerful as the rulers of planets. They were all abundantly endowed with political influence, wealth, beauty, generosity and physical strength. (Vedabase)

 

Tekst 11

Met voor handen vrijers zoals S'is'upâla en anderen die gek van Cupido door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel anders ben.

Since your brother and father offered you to them, why did you reject the King of Cedi and all those other suitors, who stood before you, maddened by Cupid? Why, instead, did you choose Us, who are not at all your equal? (Vedabase)

 

Tekst 12

Bang van de koningen, o mooie wenkbrauwtjes, en verhuisd naar de oceaan als onze toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij, in vijandschap met degenen die aan de macht zijn, praktisch de troon eraan gegeven.

Terrified of these kings, O lovely-browed one, We took shelter in the ocean. We have become enemies of powerful men, and We practically abandoned Our royal throne. (Vedabase)

   

Tekst 13

O fraaie wenkbrauwtjes, vrouwen hebben het gewoonlijk zwaar die omzien naar mannen wiens gedrag onzeker is in het volgen van een pad dat niet aanvaardbaar is voor de normale samenleving.

O fine-browed lady, women are usually destined to suffer when they stay with men whose behavior is uncertain and who pursue a path not approved by society. (Vedabase)

 

Tekst 14

Wij die het zonder bezittingen moeten stellen zijn altijd zeer geliefd bij hen die ook niets hebben en zijn daarom in de regel inderdaad niet zo geliefd bij de rijken, die Me zelden de eer bewijzen, o slanke vrouwe.

We have no material possessions, and We are dear to those who similarly have nothing. Therefore, O slender one, the wealthy hardly ever worship Me. (Vedabase)

 

Tekst 15

Huwelijk en vriendschap is er tussen twee mensen die gelijk zijn qua bezit, geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te nimmer tussen een hogere en een lagere [in dezen]!

Marriage and friendship are proper between two people who are equal in terms of their wealth, birth, influence, physical appearance and capacity for good progeny, but never between a superior and an inferior. (Vedabase)

 

Tekst 16

O prinses van Vidarbha, je hebt dit niet zien aankomen, je had er geen weet van toen je koos voor Ons die het zo ontbreekt aan goede kwaliteiten, Wij die worden geprezen door bedelaars die hun verstand kwijt zijn!

O Vaidarbhî, not being farsighted, you didn't realize this, and therefore you chose Us as your husband, even though We have no good qualities and are glorified only by deluded beggars. (Vedabase)

    

Tekst 17

Aanvaard nu alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die werkelijk geschikt is, een eersteklas edelman die je al je wensen in dit en het volgende leven in vervulling kan doen gaan.

Now you should definitely accept a more suitable husband, a first-class man of the royal order who can help you achieve everything you want, both in this life and the next. (Vedabase)

  

Tekst 18

S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen kunnen Me geen van allen lijden, o mooie dijen, en zo ook je oudere broer Rukmî niet.

Kings like S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha and Dantavakra all hate Me, O beautiful-thighed one, and so does your elder brother Rukmî. (Vedabase)

 

Tekst 19

Om van hen, die verblind zijn door de bedwelming van hun macht, de trots en hoogmoed te breken werd je door Mij in een huwelijk aanvaard, o goedgeaarde; We deden dat om de macht weg te nemen van de slechtgeaarden [zie ook B.G. 4: 7].

It was to dispel the arrogance of these kings that I carried you away, My good woman, for they were blinded by the intoxication of power. My purpose was to curb the strength of the wicked. (Vedabase)

  

Tekst 20

Wij onverschillig over een thuis en een lichaam geven niet echt om echtgenotes, kinderen en rijkdommen; Wij afzijdig van welk ondernemen ook zijn volkomen in Onszelf tevreden zoals een opzichzelf bestaand licht dat ook is.'

We care nothing for wives, children and wealth. Always satisfied within Ourselves, We do not work for body and home, but like a light, We merely witness. (Vedabase)

  

Tekst 21

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, zoveel gezegd hebbende als de vernietiger van de trots van haar die zich als Zijn geliefde onafscheidelijk achtte, stopte toen.

S'ukadeva Gosvâmî said: Rukminî had thought herself especially beloved by the Lord because He never left her company. By saying these things to her He vanquished her pride, and then He stopped speaking. (Vedabase)

  

Tekst 22

Van de Meester van de Heren der Drie Werelden, haar eigen Geliefde, had zij, de godin, nog nooit zoiets onaangenaams te horen gekregen, en met de schrik die haar toen om het hart sloeg begon ze, trillend gegrepen door een verschrikkelijke angst, te huilen [zie S'ikshâshthaka vers 6 &7].

Goddess Rukminî had never before heard such unpleasantries from her beloved, the Lord of universal rulers, and she became frightened. A tremor arose in her heart, and in terrible anxiety she began to cry. (Vedabase)

 

Tekst 23

Met haar o zo tere voet die rood opgloeide van haar nagels over de vloer schrapend, en met haar tranen de make-up van haar ogen doen uitlopend en het rode kunkumapoeder op haar borsten natsprenkelend, stond ze daar roerloos, met het gezicht naar beneden, verstikt in haar extreme verdriet en was ze niet in staat ook maar een woord uit te brengen.

With her tender foot, effulgent with the reddish glow of her nails, she scratched the ground, and tears darkened by her eye makeup sprinkled her kunkuma-reddened breasts. There she stood, face downward, her voice choked up by extreme sorrow. (Vedabase)

 

Tekst 24

Door haar grote treurnis, vrees en benauwdheid niet langer meer helder denkend, gleden haar armbanden en haar waaier haar uit handen en viel haar lichaam, met haar geest ontsteld het bezwijmend, plots op de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan geveld door de wind [zie rasa].

Rukminî's mind was overwhelmed with unhappiness, fear and grief. Her bangles slipped from her hand, and her fan fell to the ground. In her bewilderment she suddenly fainted, her hair scattering all about as her body fell to the ground like a plantain tree blown over by the wind. (Vedabase)

 

Tekst 25

Ziend wat, niet begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij inhield voor de band van goddelijke liefde van Zijn geliefde, kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met haar.

Seeing that His beloved was so bound to Him in love that she could not understand the full meaning of His teasing, merciful Lord Krishna felt compassion for her. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Van het bed afkomend tilde Hij, met vier armen, haar snel op en wiste Hij, haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn lotushand.

The Lord quickly got down from the bed. Manifesting four arms, He picked her up, gathered her hair and caressed her face with His lotus hand. (Vedabase)

 

Tekst 27-28

Haar met tranen gevulde ogen en borsten besmeurd door haar tranen afvegend, sloeg Hij, o Koning, Zijn arm om haar heen die kuis als ze was geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die, zo zielig met haar geest in de war door Zijn slimme grappenmakerij, dit niet verdiend had met het Doel van Degenen die Zuiver Zijn.

Wiping her tear-filled eyes and her breasts, which were stained by tears of grief, the Supreme Lord, the goal of His devotees, embraced His chaste wife, who desired nothing but Him, O King. Expert in the art of pacification, S'rî Krishna tenderly consoled pitiable Rukminî, whose mind was bewildered by His clever joking and who did not deserve to suffer so. (Vedabase)

  

Tekst 29

De Opperheer zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet dat je Me volledig toegewijd bent, Mijn liefste, Ik deed het voor de grap om te horen wat je zou zeggen.

The Supreme Lord said: O Vaidarbhî, do not be displeased with Me. I know that you are fully devoted to Me. I only spoke in jest, dear lady, because I wanted to hear what you would say. (Vedabase)

 

Tekst 30

Zo wilde Ik het gezicht van de liefde zien met lippen trillend van de emotie, blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en prachtige wenkbrauwen bijeen geknepen.

I also wanted to see your face with lips trembling in loving anger, the reddish corners of your eyes throwing sidelong glances and the line of your beautiful eyebrows knit in a frown. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Voor een gewone huishouder is het grappen maken met degene van wie hij houdt werkelijk het hoogste dat hij kan bereiken in het gezinsleven, o verlegen meisje van temperament.'

The greatest pleasure worldly householders can enjoy at home is to spend time joking with their beloved wives, My dear timid and temperamental one. (Vedabase)

  

Tekst 32

S'rî S'uka zei: 'Zij, Vaidarbhî, o Koning, die aldus geheel gerustgesteld door de Allerhoogste Heer begreep dat Zijn woorden als grap bedoeld waren, gaf haar angst op te zijn afgewezen door haar Geliefde.

S'ukadeva Gosvâmî said: O King, Queen Vaidarbhî was fully pacified by the Supreme Personality of Godhead and understood that His words had been spoken in jest. Thus she gave up her fear that her beloved would reject her. (Vedabase)

 

Tekst 33

Bedeesd met een charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend richtte ze zich, o afstammeling van Bharata, met liefdevolle blikken tot de Beste van Alle Mannen.

Smiling bashfully as she cast charming, affectionate glances upon the face of the Lord, the best of males, Rukminî spoke the following, O descendant of Bharata. (Vedabase)

 

Tekst 34

S'rî Rukminî zei: 'Goed, zo zij het dan met dat wat Je gezegd hebt o Lotusogige; wat stel ik, ongelijk aan de Allerhoogste Heer, nu voor vergeleken met de Almachtige die behagen schept in Zijn eigen heerlijkheid, met de Beheerser, de Opperheer van de Drie [belangrijkste godheden] - wie ben ik nu vergeleken met Hem, ik als iemand aan wiens voeten vanwege haar materiële kwaliteiten de dwazen zich vastklampen?

S'rî Rukminî said: Actually, what You have said is true, O lotus-eyed one. I am indeed unsuitable for the almighty Personality of Godhead. What comparison is there between that Supreme Lord, who is master of the three primal deities and who delights in His own glory, and myself, a woman of mundane qualities whose feet are grasped by fools? (Vedabase)

    

Tekst 35

Het is waar, Jij, o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je, alsof Je de geaardheden zou vrezen, neer in de oceaan, altijd in het zuivere bewustzijn van de Opperziel strijdend tegen de slechtheid van de materiële zinnen en hebt, net als Je dienaren, de positie van een koning afgewezen als zijnde blinde onwetendheid [zie ook S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka vers vier en de S'ikshâshthaka vers 4].

Yes, my Lord Urukrama, You lay down within the ocean as if afraid of the material modes, and thus in pure consciousness You appear within the heart as the Supersoul. You are always battling against the foolish material senses, and indeed even Your servants reject the privilege of royal dominion, which leads to the blindness of ignorance. (Vedabase)

 

Tekst 36

Voor wijzen die de honing waarderen van Je lotusgelijke voeten is Jouw pad, dat voor dieren in een menselijke gedaante voorzeker moeilijk te doorgronden is, niet zo duidelijk want - [zo mag men zich afvragen] - is het wel zo dat zij, die zich bovenwerelds voordoen met activiteiten voor de Allerhoogste Beheerser [van de Tijd], o Almachtige, Jou [als een persoon] nu aan het volgen zijn?

Your movements, inscrutable even for sages who relish the honey of Your lotus feet, are certainly incomprehensible for human beings who behave like animals. And just as Your activities are transcendental, O all-powerful Lord, so too are those of Your followers. (Vedabase)

 

Tekst 37

Jij inderdaad kent geen bezittingen, Jij voorbij Wie er niets te vinden is en Die zelfs van de genieters van de eerbewijzen met Brahmâ voorop de eer krijgt bewezen; personen die materieel voldaan zijn kennen Je, verblind door hun status, niet als hun dood, maar voor de grote genieters ben Je de meest geliefde, net zoals zij dat voor Jou zijn [zie ook 1.7: 10]

You possess nothing because there is nothing beyond You. Even the great enjoyers of tribute - Brahmâ and other demigods - pay tribute to You. Those who are blinded by their wealth and absorbed in gratifying their senses do not recognize You in the form of death. But to the gods, the enjoyers of tribute, You are the most dear, as they are to You. (Vedabase)

 

Tekst 38

Jij bent waarlijk het uiteindelijke doel dat alle doelen van het menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar verlangend intelligente personen van alles afzien; Jouw omgang, o Almachtige, leent zich voor hen en niet voor een man en vrouw die in de lust gelukkig en ongelukkig zijn.

You are the embodiment of all human goals and are Yourself the final aim of life. Desiring to attain You, O all-powerful Lord, intelligent persons abandon everything else. It is they who are worthy of Your association, not men and women absorbed in the pleasure and grief resulting from their mutual lust. (Vedabase)

  

Tekst 39

Jij, de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken, Paramahamsa's wordend, zie 5.1*], bent aldus door mij uitverkozen in afwijzing van die meesters van de hemel, geboren op de lotus [Brahmâ] en het bestaan beheersend [S'iva], wiens ambities teniet zijn gedaan door de kracht van de Tijd voortgebracht door Je wenkbrauwen. Wat voor belang zou ik dan hebben bij anderen?

Knowing that great sages who have renounced the sannyâsî's danda proclaim Your glories, that You are the Supreme Soul of all the worlds, and that You are so gracious that You give away even Your own self, I chose You as my husband, rejecting Lord Brahmâ, Lord S'iva and the rulers of heaven, whose aspirations are all frustrated by the force of time, which is born from Your eyebrows. What interest, then, could I have in any other suitors? (Vedabase)

 

Tekst 40

Dwaas die woorden van Je dat Jij in de oceaan uit angst Je toevlucht zou zoeken, o Gadâgraja, Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen op de terugtocht dwong met het weghalen van mij, de voor Jou bestemde huldeblijk, zoals een leeuw zijn deel wegsnaait bij de dieren [zie ook jalpa 10.47: 12-21].

My Lord, as a lion drives away lesser animals to claim his proper tribute, You drove off the assembled kings with the resounding twang of Your S'ârnga bow and then claimed me, Your fair share. Thus it is sheer foolishness, my dear Gadâgraja, for You to say You took shelter in the ocean out of fear of those kings. (Vedabase)

 

Tekst 41

Uit behoefte aan Jou zijn de koningen Anga [vader van Vena, 4.13: 47], Vainya [Prithu, 4.23], Jâyanta [Bharata, 6.7: 11], Nâhusha [Yayâti, 9.19], Gaya [15.15: 6-7] en anderen met het afstand doen van hun kroon, hun soevereine macht over hun koninkrijken, het bos ingegaan, o Lotusogige; hoe konden zij, bezonnen op Jouw pad in deze wereld, nu angstig beven?

Wanting Your association, the best of kings - Anga, Vainya, Jâyanta, Nâhusha, Gaya and others - abandoned their absolute sovereignty and entered the forest to seek You out. How could those kings suffer frustration in this world, O lotus-eyed one? (Vedabase)

 

Tekst 42

Welke vrouw zou haar toevlucht tot een andere man nemen, die eenmaal het door de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw lotusvoeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen de bevrijding brengen; welke sterfelijke dame met het inzicht om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en iemand willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse ego]?

The aroma of Your lotus feet, which is glorified by great saints, awards people liberation and is the abode of Goddess Lakshmî. What woman would take shelter of any other man after savoring that aroma? Since You are the abode of transcendental qualities, what mortal woman with the insight to distinguish her own true interest would disregard that fragrance and depend instead on someone who is always subject to terrible fear? (Vedabase)

 

Tekst 43

Voor Hem, Jijzelf, als de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle Werelden heb ik gekozen om onze wensen in vervulling te doen gaan in dit leven en het volgende [zie laatste vers S'ikshâshthaka]; moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen er de toevlucht zijn van Jouw voeten welke, inderdaad op hun aanbidder afstappend, lonen met de bevrijding van het onware.

Because You are suitable for me, I have chosen You, the master and Supreme Soul of all the worlds, who fulfill our desires in this life and the next. May Your feet, which give freedom from illusion by approaching their worshiper, give shelter to me, who have been wandering from one material situation to another. (Vedabase)

 

Tekst 44

Laat de koningen waar Je het over had, o Acyuta, over aan die vrouwen bij wie ze in huis zijn als ezels, ossen, honden, katten en slaven en wiens oren nimmer in de buurt kwamen van de kern die Jij als de plaag van Je vijanden bent; Jij die bezongen wordt in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige' ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de hartstocht' ofwel Brahmâ].

O infallible Krishna, let each of the kings You named become the husband of a woman whose ears have never heard Your glories, which are sung in the assemblies of S'iva and Brahmâ. After all, in the households of such women these kings live like asses, oxen, dogs, cats and slaves. (Vedabase)

 

Tekst 45

De vrouw die niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten houdt er een totaal verbijsterd idee op na; zij aanbidt als haar partner een levend lijk overdekt door een huid, snorharen, lichaamsbeharing, nagels en hoofdhaar met vanbinnen vlees, botten, bloed, wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht.

A woman who fails to relish the fragrance of the honey of Your lotus feet becomes totally befooled, and thus she accepts as her husband or lover a living corpse covered with skin, whiskers, nails, head-hair and body-hair and filled with flesh, bones, blood, parasites, feces, mucus, bile and air. (Vedabase)

 

Tekst 46

Laat er, o Lotusoog, mijn niet aflatende aantrekking zijn tot de voeten van Jou die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij, Jij die voor de toename van dit universum in hartstocht de vorm van een overvloed aanneemt en met Je blik daarin mij aanschouwend ons inderdaad de grootste genade toont [zie ook 10.53: 2].

O lotus-eyed one, though You are satisfied within Yourself and thus rarely turn Your attention toward me, please bless me with steady love for Your feet. It is when You assume a predominance of passion in order to manifest the universe that You glance upon me, showing me what is indeed Your greatest mercy. (Vedabase)

 

Tekst 47

Ik beschouw Je woorden in feite niet als vals, o Doder van Madhu, het is zeker vaak zo dat bij een meisje [zoals ik met de koningen] zich de aantrekking opwerpt zoals ook bij Ambâ [dochter van de koning van Kâs'î aangetrokken tot S'âlva, zie Mahâbhârata en noot 9.22: 20*].

Actually, I don't consider Your words false, Madhûsudana. Quite often an unmarried girl is attracted to a man, as in the case of Ambâ. (Vedabase)

 

Tekst 48

Een promiscue vrouw voelt zich zelfs als ze getrouwd is aangetrokken tot telkens weer een nieuwe man; als men intelligent is behoort men [zoals Jij misschien] niet aan een ontrouwe vrouw vast te houden daar men, als men dan aan haar vasthoudt, in tweeërlei zin [in dit leven enerzijds en het volgende leven anderzijds] ten val is gekomen [zie ook 9.14: 36].'

The mind of a promiscuous woman always hankers for new lovers, even if she is married. An intelligent man should not keep such an unchaste wife, for if he does he will lose his good fortune both in this life and the next. (Vedabase)

 

Tekst 49

De Allerhoogste Heer zei: 'Al wat je antwoordde is inderdaad juist; wat Ik heb gezegd toen ik je voor de gek hield, o prinses, deed Ik in de behoefte jou hierover te horen praten, o heilige dame!

The Supreme Lord said: O saintly lady, O princess, We deceived you only because We wanted to hear you speak like this. Indeed, everything you said in reply to My words is most certainly true. (Vedabase)

 

Tekst 50

O rechtschapene, je zal altijd kunnen rekenen op welke zegeningen je ook van Me verlangt om van de lust bevrijd te zijn, o genadige, o jij die werkelijk uitsluitend Mij toegewijd bent.

Whatever benedictions you hope for in order to become free of material desires are ever yours, O fair and noble lady, for you are My unalloyed devotee. (Vedabase)

 

Tekst 51

O zondeloze, Ik heb je zuivere liefde gezien en je in geloften zien vasthouden aan de echtgenoot; voor zover woorden je van streek konden brengen, kon je geest in gehechtheid aan Mij, niet worden afgeleid.

O sinless one, I have now seen firsthand the pure love and chaste attachment you have for your husband. Even though shaken by My words, your mind could not be pulled away from Me. (Vedabase)

 

Tekst 52

Zij die vallen voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en het naleven van geloften, zijn, lustig van aard, verbijsterd door de begoochelende energie van Mij, de Beheerser van de Uiteindelijke Gelukzaligheid.

Although I have the power to award spiritual liberation, lusty persons worship Me with penance and vows in order to get My blessings for their mundane family life. Such persons are bewildered by My illusory energy. (Vedabase)

 

Tekst 53

O reservoir van liefde, voor hen die met het verkrijgen van Mij, de Schat der Emancipatie, ongelukkigerwijze van Mij, de Meester erover, alleen materiële schatten verlangen, zaken die er zelfs zijn voor personen die in de hel verkeren, is het, omdat ze bezeten zijn van de zinsbevrediging, [dan ook] de hel die ze het beste past [zie ook 3.32, en 7.5: 32].

O supreme reservoir of love, unfortunate are they who even after obtaining Me, the Lord of both liberation and material riches, hanker only for material treasures. These worldly gains can be found even in hell. Since such persons are obsessed with sense gratification, hell is a fitting place for them. (Vedabase)

 

Tekst 54

Gelukkig, o vrouwe van het huis, was je de constante trouwe dienst aan Mij aan het leveren die de bevrijding schenkt uit een materieel bestaan, de dienst die zeer moeilijk op te brengen is in het bijzonder voor gevaarlijke vrouwen met kwade bedoelingen, die zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich vergenoegen in het verbreken [van relaties].

Fortunately, O mistress of the house, you have always rendered Me faithful devotional service, which liberates one from material existence. This service is very difficult for the envious to perform, especially for a woman whose intentions are wicked, who lives only to gratify her bodily demands, and who indulges in duplicity. (Vedabase)

 

Tekst 55

In mijn paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, o respectvolle; Jij die ten tijde van haar eigen huwelijk afzag van de koningen die waren gearriveerd; jij door wie, met het je ter ore komen van de ware stand van zaken, een brahmaanse boodschapper naar Mij werd gestuurd met een vertrouwelijk bericht.

In all My palaces I can find no other wife as loving as you, O most respectful one. When you were to be married, you disregarded all the kings who had assembled to seek your hand, and simply because you had heard authentic accounts concerning Me, you sent a brâhmana to Me with your confidential message. (Vedabase)

 

Tekst 56

Toen je broer verslagen in de strijd werd toegetakeld [10.54] en op de dag aangewezen voor de huwelijksplechtigheid [van Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je vanwege Ons een ondraaglijk leed te verduren, maar er bang voor gescheiden te raken repte je er met geen woord over en daardoor heb je Ons voor je gewonnen.

When your brother, who had been defeated in battle and then disfigured, was later killed during a gambling match on Aniruddha's wedding day, you felt unbearable grief, yet out of fear of losing Me you spoke not a word. By this silence you have conquered Me. (Vedabase)

 

Tekst 57

Toen Ik, met de boodschapper die je stuurde met het meest vertrouwelijke verzoek om Mijn persoon, op Mij liet wachten, wilde jij, deze wereld als geheel leeg beziend, dit lichaam opgeven dat voor niemand anders bestemd zou zijn [zie 10.53: 22-25]; moge dat [die standvastigheid] altijd met je zijn tezamen met het Ons verheugd zijn in reactie daarop.'

When you sent the messenger with your most confidential plan and yet I delayed going to you, you began to see the whole world as void and wanted to quit your body, which could never have been given to anyone but Me. May this greatness of yours remain with you always; I can do nothing to reciprocate except joyfully thank you for your devotion. (Vedabase)

 

Tekst 58

S'rî S'uka zei: 'Op deze manier in echtelijke gesprekken de menselijke wereld nabootsend schiep de Allerhoogste Heer er behagen in Zichzelf met Ramâ te vermaken.

S'ukadeva Gosvâmî said: And so the self-satisfied Supreme Lord of the universe enjoyed with the goddess of fortune, engaging her in lovers' talks and thus imitating the ways of human society. (Vedabase)

 

Tekst 59

Zich dienovereenkomstig als een huishouder gedragend in de paleizen van de andere koninginnen, beantwoordde de Almachtige Heer en Geestelijk Leraar van Al de Werelden aan de verplichtingen van een gezinshoofd.'  

The almighty Lord Hari, preceptor of all the worlds, similarly behaved like a conventional householder in the palaces of His other queens, performing the religious duties of a family man. (Vedabase)

 

* Het Sanskriet woord hier gebruikt is setu: dat betekent brug, dam, grens, limiet, dus in deze context Zijn leiding, religie, regel en wet.

** Gesproken door S'rî Parâs'ara in de Vishnu Purâna is er, zo brengt S'rîla S'rîdhara Svâmî ons in herinnering, een vers in bevestiging van dit vers:

devatve deva-deheyam
manushyatve ca mânushî
vishnor dehânurûpâm vai
karoty eshâtmanas tanum

"Als de Heer verschijnt als een halfgod, neemt zij [de godin van het geluk] de gedaante aan van een godin, en als Hij verschijnt als een menselijk wezen, neemt ze een menselijke gedaante aan. Op die manier is het lichaam dat ze aanneemt in overeenstemming met het lichaam aangenomen door Heer Vishnu."

 

 

 

 

 

 

 

 Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Dhriti devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties