regelbalk


 

Canto 10

Sakhî-vrinde Vijñapti

 

 

Hoofdstuk 43: Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

(1) S'ri S'uka zei: 'Toen Krishna en Râma zich gewassen hadden, o bestraffer der vijanden, hoorden Ze de klanken van de pauken voor de worstelwedstrijd en gingen Ze er kijken. (2) Zo gauw Krishna de poort van het strijdperk bereikte, zag Hij daar de olifant Kuvalayâpîda staan, aangespoord door zijn verzorger. (3) Hij haalde Zijn kleren strak aan, bond Zijn krullende lokken samen en zei, met woorden zo gewichtig als de rollende donder, tot de olifantenhoeder: (4) 'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, laat Ons erdoor, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.'

(5) Aldus bedreigd, werd de olifantenhoeder kwaad en stuurde hij de furieuze olifant die als Yama, de tijd en de dood was, in de richting van Krishna. (6) De reuzenolifant stormde op Krishna af en greep Hem met geweld met zijn slurf beet, maar door hem een slag toe te brengen ontsnapte Hij aan de greep en verdween Hij tussen zijn poten. (7) Woedend dat hij Hem niet meer zag, spoorde hij Hem op met zijn reukzin en greep hij Hem beet met het uiteinde van zijn lange neus, maar Krishna zette kracht en kwam weer vrij. (8) Krishna greep hem bij de staart en sleurde hem, die berg van geweld, vijfentwintig booglengten ver met het gemak waarmee Garuda met een slang speelt. (9) Acyuta die hem heen en weer bewoog, werd Zelf ook door hem in beweging gebracht, net zoals een kalfje dat doet met een jongetje [aan zijn staart. Zie ook 10.8: 24]. (10) Zo gauw ze van aangezicht tot aangezicht kwamen te staan, sloeg Hij de olifant met Zijn hand en maakte Hij zich uit de voeten. Aldus verkocht Hij hem een klap bij iedere stap en liet Hij hem toen struikelen. (11) Wegrennend deed Krishna alsof Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat de olifant driest zijn slagtanden in de aarde stak. (12) Met zijn macht gepareerd raakte die heer der olifanten buiten zinnen en aangespoord door zijn verzorgers, viel hij razend Krishna opnieuw aan. (13) De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, trad hem in zijn aanval tegemoet, greep hem bij zijn slurf en bracht hem ten val. (14) Met het gemak van een leeuw bovenop de gevallen kolos springend, rukte de Heer er een slagtand uit en doodde Hij daarmee de olifant en zijn helpers.



(15) De dode olifant achter zich latend nam Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant, de slagtand op Zijn schouder en betrad Hij [het strijdperk] met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die waren verschenen door Zijn eigen transpireren. (16) O Koning, Baladeva en Janârdana omringd door verschillende koeherdersjongens, verschenen aldus voor het publiek met de slagtanden van de olifant als de wapens van hun keuze. (17) Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste en voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve. Voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer en voor Zijn ouders was Hij een kind. Voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen vormde Hij enkel een materiële gedaante, voor de yogi's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid. Op deze verschillende manieren bekeken betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa]. (18) Toen Kamsa zag dat Kuvalayâpîda gedood was en Zij tweeën onoverwinnelijk waren, maakte een zeer grote angst zich meester van zijn geest o heerser der mensen. (19) De twee machtig gearmde Heren, gestoken in ieder Zijn eigen kleding, met versieringen en bloemenslingers, zagen er in hun prachtigste kostuums uit als twee acteurs en straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten van alle toeschouwers overweldigde. (20) De mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen van buiten, o Koning, sperden toen ze de twee Verheven Persoonlijkheden zagen, vol verrukking hun ogen en monden wijd open en dronken de aanblik van Hun gezichten in, nimmer genoeg van Ze krijgend. (21-22) Alsof ze Hen met hun ogen opdronken, met hun tongen oplikten, door hun neusgaten opsnoven en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich door elkaar te herinneren aan de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed die ze van Hen gezien en gehoord hadden: (23) 'Deze twee die naar deze wereld afdaalden in het huis van Vasudeva, zijn vast en zeker de directe expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (24) Deze hier werd geboren uit Devakî en naar Gokula overgebracht waar Hij, opgroeiend in het huis van Nanda, al die tijd in het geheim leefde. (25) Hij maakte een einde aan Pûtanâ en de wervelwind-demon en bracht ook anderen om zoals de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î en Dhenuka. (26-27) Hij redde de koeien en hun herders uit de bosbrand, Hij onderwierp de slang Kâliya en bracht Indra bescheidenheid bij door de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen te behoedden toen Hij voor de duur van zeven dagen met één hand de beste van alle bergen omhoog hield. (28) De gopî's konden, met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en oogopslag die vrij zijn van vermoeidheid, alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven. (29) Men beweert dat dankzij Hem deze Yadudynastie heel beroemd zal worden en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven. (30) En deze broer van Hem, de lotusogige Râma, Hij is van het volle vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij... **] Vatsâsura, Bakâsura en anderen.'

(31) Terwijl de mensen zich aldus uitlieten en de muziekinstrumenten weerklonken, richtte Cânûra zich tot Krishna en Balarâma en sprak de volgende woorden: (32) 'O zoon van Nanda, o Râma, Jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie. (33) Als de burgers in hun denken, woorden en daden tewerk gaan tot het genoegen van de koning, zal geluk hen ten deel vallen, maar als ze dat niet doen bereiken ze het tegenovergestelde. (34) De gopa's zijn er duidelijk steeds gelukkig mee hun kalveren te hoeden en in de bossen te spelen en ravotten terwijl ze de koeien laten grazen. (35) Laten we daarom samen met Jullie twee doen wat de koning behaagt. Iedereen zal tevreden over ons zijn, want de koning belichaamt het belang van alle levende wezens.'

(36) Toen Hij dat hoorde sprak Krishna, die de worstelpartij goed uitkwam en [dus] wenselijk achtte, woorden die gepast waren voor de tijd en plaats [zie ook 4.8: 54]: (37) 'Hoewel we rondtrekken door de bossen, zijn we nog steeds onderdanen van de Bhoja koning. We moeten dan ook steeds dat doen wat hem behaagt, want dat zal ons het hoogste voordeel brengen. (38) Wij zijn jonge jongens en moeten, zoals dat hoort, Ons meten met hen die net zo sterk zijn. De worstelwedstrijd dient zo plaats te vinden dat het verzamelde publiek in dit strijdperk niet van zijn geloof zal vallen.'

(39) Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongens meer of jongeren, Jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant doodden die de kracht had van een duizend olifanten! (40) Daarom moeten Jullie twee de strijd aangaan met hen die sterk zijn. Daar schuilt geen onrecht in, het is Jouw kunnen tegen dat van mij o afstammeling van Vrishni, en Balarâma moet het opnemen tegen Mushthika.'

 

next                       

 
 

Derde herziene editie, geladen 16 februari, 2014.

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'ri S'uka zei: 'Toen Krishna en Râma zich gewassen hadden, o bestraffer der vijanden, hoorden Ze de klanken van de pauken voor de worstelwedstrijd en gingen Ze er kijken.
S'rî S'uka zei: 'Krishna en Râma nadat ze zich gewassen hadden, o bestraffer der vijanden, gingen, met het horen van de klanken van de pauken, erheen om eens te kijken. (Vedabase)

 

Tekst 2

Zo gauw Krishna de poort van het strijdperk bereikte, zag Hij daar de olifant Kuvalayâpîda staan, aangespoord door zijn verzorger.

Toen ze de poort bereikten van het strijdperk zag Krishna daar de olifant Kuvalayâpîda staan, gedirigeerd door zijn verzorger. (Vedabase)

 

Tekst 3

Hij haalde Zijn kleren strak aan, bond Zijn krullende lokken samen en zei, met woorden zo gewichtig als de rollende donder, tot de olifantenhoeder:

Zijn kleren strak aanhalend en Zijn krullende lokken samenbindend, sprak Hij met woorden zo gewichtig als de rollende donder tot de olifantenhoeder: (Vedabase)

 

Tekst 4

'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, laat Ons erdoor, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.'

'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, geef ons vrij baan, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.' (Vedabase)

 

Tekst 5

Aldus bedreigd, werd de olifantenhoeder kwaad en stuurde hij de furieuze olifant die als Yama, de tijd en de dood was, in de richting van Krishna.

Aldus bedreigd stuurde de kwaad geworden olifantenhoeder de kwade olifant in de richting van Krishna, van de tijd, de dood en Yama de uitnemendheid. (Vedabase)

 

Tekst 6

De reuzenolifant stormde op Krishna af en greep Hem met geweld met zijn slurf beet, maar door hem een slag toe te brengen ontsnapte Hij aan de greep en verdween Hij tussen zijn poten.

De reuzenolifant op Hem afstormend greep Hem gewelddadig met zijn slurf, maar door hem een slag toe te brengen slipte Hij ervan weg en verdween Hij tussen zijn poten. (Vedabase)

 

Tekst 7

Woedend dat hij Hem niet meer zag, spoorde hij Hem op met zijn reukzin en greep hij Hem beet met het uiteinde van zijn lange neus, maar Krishna zette kracht en kwam weer vrij.

Getergd Hem niet te zien ontdekte hij Hem met zijn reukzin en nam hij Hem met het uiteinde van zijn lange neus te pakken, maar door kracht te zetten kwam Hij weer vrij. (Vedabase)

 

Tekst 8

Krishna greep hem bij de staart en sleurde hem, die berg van geweld, vijfentwintig booglengten ver met het gemak waarmee Garuda met een slang speelt.

Hem bij de staart grijpend sleurde Hij, zo gemakkelijk als Garuda met een slang, die berg van geweld over een lengte van vijfentwintig booglengten. (Vedabase)

 

Tekst 9

Acyuta die hem heen en weer bewoog, werd Zelf ook door hem in beweging gebracht, net zoals een kalfje dat doet met een jongetje [aan zijn staart. Zie ook 10.8: 24].

Acyuta die hem van links naar rechts bewoog werd ook door hem in beweging gezet, precies als een kalf met een jongetje [aan zijn staart] zou [zie ook 10.8: 24]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Zo gauw ze van aangezicht tot aangezicht kwamen te staan, sloeg Hij de olifant met Zijn hand en maakte Hij zich uit de voeten. Aldus verkocht Hij hem een klap bij iedere stap en liet Hij hem toen struikelen.

Toen van aangezicht tot aangezicht, sloeg Hij de olifant met Zijn hand, rende weg en hem aldus bij iedere stap een klap verkopend, deed Hij hem struikelen. (Vedabase)

 

Tekst 11

Wegrennend deed Krishna alsof Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat de olifant driest zijn slagtanden in de aarde stak.

Hij, rennend, speelde dat Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat hij [de olifant] met zijn slagtanden driest in de aarde stak. (Vedabase)

 

Tekst 12

Met zijn macht gepareerd raakte die heer der olifanten buiten zinnen en aangespoord door zijn verzorgers, viel hij razend Krishna opnieuw aan.

Met zijn kunnen getrotseerd raakte die heer der olifanten gefrustreerd buiten zinnen, maar aangespoord door zijn verzorgers, viel hij opnieuw verwoed Krishna aan. (Vedabase)

  

Tekst 13

De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, trad hem in zijn aanval tegemoet, greep hem bij zijn slurf en bracht hem ten val.

De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, die hem in zijn aanval tegemoet trad greep hem stevig bij zijn slurf en bracht hem ten val. (Vedabase)

 

Tekst 14

Met het gemak van een leeuw bovenop de gevallen kolos springend, rukte de Heer er een slagtand uit en doodde Hij daarmee de olifant en zijn helpers.

Met het gemak van een leeuw op de gevallen kolos springend, rukte de Heer een slagtand er uit en doodde daarmee de olifant en zijn helpers. (Vedabase)

   

 Tekst 15

De dode olifant achter zich latend nam Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant, de slagtand op Zijn schouder en betrad Hij [het strijdperk] met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die waren verschenen door Zijn eigen transpireren.

De dode olifant achter zich latend betrad Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant en met de slagtand over Zijn schouder, het strijdperk met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die door Zijn eigen transpireren waren verschenen. (Vedabase)

 

Tekst 16

O Koning, Baladeva en Janârdana omringd door verschillende koeherdersjongens, verschenen aldus voor het publiek met de slagtanden van de olifant als de wapens van hun keuze.

Omringd door verschillende koeherdersjongens betraden Baladeva en Janârdana het perk, o Koning, met de slagtanden van de olifanten als de wapens van hun keuze. (Vedabase)

 

Tekst 17

Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste en voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve. Voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer en voor Zijn ouders was Hij een kind. Voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen vormde Hij enkel een materiële gedaante, voor de yogi's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid. Op deze verschillende manieren bekeken betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa].

Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste, voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve, voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer, voor Zijn ouders was Hij een kind, voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen was Hij het grofstoffelijke van het universum, voor de yogî's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid - op deze manieren verstaan betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa]. (Vedabase)

 

Tekst 18

Toen Kamsa zag dat Kuvalayâpîda gedood was en Zij tweeën onoverwinnelijk waren, maakte een zeer grote angst zich meester van zijn geest o heerser der mensen.

Bij Kamsa van binnen, die Kuvalayâpîda gedood zag en Hen tweeën onoverwinnelijk, ontwikkelde zich toen waarlijk een grote angst, o heerser der mensen. (Vedabase)

  

Tekst 19

De twee machtig gearmde Heren, gestoken in ieder Zijn eigen kleding, met versieringen en bloemenslingers, zagen er in hun prachtigste kostuums uit als twee acteurs en straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten van alle toeschouwers overweldigde.

De twee machtig gearmde Heren op de manier waarop ze waren aangekleed met hun kleding, sierselen en bloemenslingers als waren ze twee acteurs in de prachtigste kostuums, straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten trof van alle toeschouwers. (Vedabase)

 

Tekst 20

De mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen van buiten, o Koning, sperden toen ze de twee Verheven Persoonlijkheden zagen, vol verrukking hun ogen en monden wijd open en dronken de aanblik van Hun gezichten in, nimmer genoeg van Ze krijgend.

=Met het zien van de twee Verheven Persoonlijkheden sperden de mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen van buiten, o Koning, door de kracht van hun vreugde, hun ogen en monden wijd open en dronken ze hun gezichten in, nimmer genoeg krijgend van de aanblik van Hen. (Vedabase)


Tekst 21-22

Alsof ze Hen met hun ogen opdronken, met hun tongen oplikten, door hun neusgaten opsnoven en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich door elkaar te herinneren aan de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed die ze van Hen gezien en gehoord hadden:

Alsof ze dronken met hun ogen, likten met hun tongen, roken door hun neusgaten en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich met elkaar zich de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed in herinnering brengend van wat ze feitelijk hadden gezien en gehoord: (Vedabase)


Tekst 23

'Deze twee die naar deze wereld afdaalden in het huis van Vasudeva, zijn vast en zeker de directe expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid.

'Deze twee zijn vast en zeker de rechtstreekse expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, die naar deze wereld zijn nedergedaald in het huis van Vasudeva. (Vedabase)

 

Tekst 24

Deze hier werd geboren uit Devakî en naar Gokula overgebracht waar Hij, opgroeiend in het huis van Nanda, al die tijd in het geheim leefde.

Deze hier werd inderdaad, geboren uit Devakî, naar Gokula overgebracht alwaar hij al die tijd in het geheim leefde opgroeiend in het huis van Nanda. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hij maakte een einde aan Pûtanâ en de wervelwind-demon en bracht ook anderen om zoals de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î en Dhenuka.

Pûtanâ zowel als de wervelwind-demon werden door Hem gedood, en zo ging Hij ook te werk met vele anderen: de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î, Dhenuka... (Vedabase)

 

Tekst 26-27

Hij redde de koeien en hun herders uit de bosbrand, Hij onderwierp de slang Kâliya en bracht Indra bescheidenheid bij door de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen te behoedden toen Hij voor de duur van zeven dagen met één hand de beste van alle bergen omhoog hield.

De koeien en hun herders werden door Hem gered uit de bosbrand, Kâliya de slang onderwiep Hij, Indra werd door Hem ontnuchterd, voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand de beste aller bergen omhoog waarmee Hij de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen behoedde... (Vedabase)

 

Tekst 28

De gopî's konden, met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en oogopslag die vrij zijn van vermoeidheid, alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven.

De gopî's met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en blik steeds vrij van vermoeidheid, konden alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven... (Vedabase)

 

Tekst 29

Men beweert dat dankzij Hem deze Yadudynastie heel beroemd zal worden en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven.

Ze zagen dat door Hem deze Yadu-dynastie grote faam zal verwerven en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven... (Vedabase)

 

Tekst 30

En deze broer van Hem, de lotusogige Râma, Hij is van het volle vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij...] Vatsâsura, Bakâsura en anderen.'

En deze broer van Hem, de lotus-ogige Râma, Hij is van het gehele vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij...] Vatsâsura, Bakâsura en anderen...' (Vedabase)

 

Tekst 31

Terwijl de mensen zich aldus uitlieten en de muziekinstrumenten weerklonken, richtte Cânûra zich tot Krishna en Balarâma en sprak de volgende woorden:

Terwijl de mensen aldus aan het spreken waren en de muziekinstrumenten weerklonken, sprak Cânûra, zich op Krishna en Balarâma richtend, de volgende woorden: (Vedabase)

 

Tekst 32

'O zoon van Nanda, o Râma, Jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie.

'O zoon van Nanda, o Râma, jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie. (Vedabase)

 

Tekst 33

Als de burgers in hun denken, woorden en daden tewerk gaan tot het genoegen van de koning, zal geluk hen ten deel vallen, maar als ze dat niet doen bereiken ze het tegenovergestelde.

Inderdaad zal de burgers, als ze in hun denken, woorden en daden te werk gaan naar de koning zijn zin, het geluk ten deel vallen, maar er tegenin gaand is dat een andere zaak. (Vedabase)

 

Tekst 34

De gopa's zijn er duidelijk steeds gelukkig mee hun kalveren te hoeden en in de bossen te spelen en ravotten terwijl ze de koeien laten grazen.

De gopa's duidelijk altijd gelukkig hoeden hun kalveren in de bossen en spelen en worstelen met het weiden van de koeien. (Vedabase)

 

Tekst 35

Laten we daarom samen met Jullie twee doen wat de koning behaagt. Iedereen zal tevreden over ons zijn, want de koning belichaamt het belang van alle levende wezens.'

Laten daarom Jullie twee en wij handelen naar het genoegen van de Koning die de belichaming vormt van ieder levend wezen, zodat een ieder daarmee tevreden gesteld zal zijn.' (Vedabase)


Tekst 36

Toen Hij dat hoorde sprak Krishna, die de worstelpartij goed uitkwam en [dus] wenselijk achtte, woorden die gepast waren voor de tijd en plaats [zie ook 4.8: 54]:

Dat horend sprak Krishna woorden gepast de tijd en omstandigheid [zie ook 4.8: 54] ter verwelkoming van de worstelpartij die ook Hem goed van pas kwam: (Vedabase)

 

Tekst 37

'Hoewel we rondtrekken door de bossen, zijn we nog steeds onderdanen van de Bhoja koning. We moeten dan ook steeds dat doen wat hem behaagt, want dat zal ons het hoogste voordeel brengen.

'Als onderdanen van de Bhoja koning, moeten ook Wij, ook al trekken We rond in de bossen, altijd ten uitvoer brengen wat hem ook maar zou behagen, omdat dat Ons het grootste voordeel zal brengen. (Vedabase)

 

Tekst 38

Wij zijn jonge jongens en moeten, zoals dat hoort, Ons meten met hen die net zo sterk zijn. De worstelwedstrijd dient zo plaats te vinden dat het verzamelde publiek in dit strijdperk niet van zijn geloof zal vallen.'

Wij jonge jongens zullen zoals het hoort Ons meten met hen die aan Ons gewaagd zijn; de worstelwedstrijd behoort plaats te vinden zodat de aanwezigen bijeengekomen in dit strijdperk niet zullen worden blootgesteld aan een breuk met de principes.' (Vedabase)

 

Tekst 39

Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongens meer of jongeren, Jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant doodden die de kracht had van een duizend olifanten!

Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongetjes meer of jongeren, jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant ter dood brachten die de kracht had van duizend olifanten! (Vedabase)

 

Tekst 40

Daarom moeten Jullie twee de strijd aangaan met hen die sterk zijn. Daar schuilt geen onrecht in, het is Jouw kunnen tegen dat van mij o afstammeling van Vrishni, en Balarâma moet het opnemen tegen Mushthika.'

Daarom moeten Jullie twee met hen de strijd aangaan die sterk zijn, daar schuilt geen onrecht in; Jouw kunnen tegen wat ik kan, o afstammeling van Vrishni, en Balarâma met Mushthika.' (Vedabase)

 

*: Aldus spreekt men van tien rasa's, houdingen of gemoedsgesteldheden in relatie tot Krishna: strijdlust [zoals waargenomen door de worstelaars], bewondering [door de mannen], geslachtelijke aantrekking [de vrouwen], lachen [de koeherders], ridderlijkheid [de koningen], genade [Zijn ouders], schrik [Kamsa], afschuw [de dommen], vredige neutraliteit [de yogi's] en liefdevolle toewijding [de Vrishni's].

**: Vatsâsura, Bakâsura werden in feite door Krishna gedood.

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het schilderij van Krishna en Balarâma die Kuvalayâpîda doodt is geschilderd door Kailash Raj.
©
Exoticindiaart.com, gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties