regelbalk


 

Canto 10

Sakhî-vrinde Vijñapti

 

 

Hoofdstuk 43: Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Krishna en Râma zich gewassen hadden, o bestraffer der vijanden, hoorden ze de klanken van pauken en gingen ze op pad om te kijken wat er gaande was. (2) Toen ze de poort bereikten van het strijdperk zag Krishna daar de olifant Kuvalayâpîda staan, gedirigeerd door zijn verzorger. (3) Zijn kleren strak aanhalend en Zijn krullende lokken samenbindend, sprak Hij met woorden zo gewichtig als de rollende donder tot de olifantenhoeder: (4) 'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, geef ons vrij baan, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.'

(5) Aldus bedreigd stuurde de kwaad geworden olifantenhoeder de kwaaie olifant die was als Yama, de tijd en de dood, in de richting van Krishna. (6) De reuzenolifant op Hem afstormend greep met zijn slurf Krishna met geweld beet, maar door hem een slag toe te brengen ontsnapte Hij aan de greep en verdween Hij tussen zijn poten. (7) Getergd Hem niet te zien spoorde hij Hem op met zijn reukzin en nam hij Hem met het uiteinde van zijn lange neus te pakken, maar door kracht te zetten kwam Hij weer vrij. (8) Hem bij de staart grijpend sleurde Krishna hem, zo gemakkelijk als Garuda met een slang, die berg van geweld over een lengte van vijfentwintig booglengten. (9) Acyuta die hem van links naar rechts bewoog werd ook door hem in beweging gebracht, precies als een kalf met een jongetje [aan zijn staart] zou [zie ook 10.8: 24]. (10) Toen van aangezicht tot aangezicht, sloeg Hij de olifant met Zijn hand en rende Hij weer weg en hem aldus bij iedere stap een klap verkopend, liet Hij hem struikelen. (11) Wegrennend deed Krishna alsof Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat de olifant driest zijn slagtanden in de aarde stak. (12) Met zijn kunnen getrotseerd raakte die heer der olifanten gefrustreerd buiten zinnen, maar aangespoord door zijn verzorgers, viel hij opnieuw verwoed Krishna aan. (13) De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, die hem in zijn aanval tegemoet trad greep hem stevig bij zijn slurf en bracht hem ten val. (14) Met het gemak van een leeuw op de gevallen kolos springend, rukte de Heer een slagtand er uit en doodde daarmee de olifant en zijn helpers.

(15) De dode olifant achter zich latend betrad Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant en met de slagtand over Zijn schouder, het strijdperk met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die door Zijn eigen transpireren waren verschenen. (16) Omringd door verschillende koeherdersjongens betraden Baladeva en Janârdana het perk, o Koning, met de slagtanden van de olifanten als de wapens van hun keuze. (17) Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste, voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve, voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer, voor Zijn ouders was Hij een kind, voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen was Hij het grofstoffelijke van het universum, voor de yogi's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid - op deze verschillende manieren bekeken betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa]. (18) Bij Kamsa vanbinnen, die Kuvalayâpîda gedood zag en Hen tweeën onoverwinnelijk, ontwikkelde zich toen waarlijk een grote angst, o heerser der mensen. (19) De twee machtig gearmde Heren op de manier waarop ze waren aangekleed met hun kleding, sierselen en bloemenslingers als waren ze twee acteurs in de prachtigste kostuums, straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten van alle toeschouwers overweldigde. (20) Met het zien van de twee Verheven Persoonlijkheden sperden de mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen van buiten, o Koning, door de kracht van hun vreugde, hun ogen en monden wijd open en dronken ze hun gezichten in, nimmer genoeg krijgend van de aanblik van Hen. (21-22) Alsof ze dronken met hun ogen, likten met hun tongen, roken door hun neusgaten en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich met elkaar zich de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed in herinnering brengend van wat ze feitelijk hadden gezien en gehoord: (23) 'Deze twee zijn vast en zeker de rechtstreekse expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, die naar deze wereld zijn nedergedaald in het huis van Vasudeva. (24) Deze hier werd inderdaad, geboren uit Devakî, naar Gokula overgebracht alwaar Hij al die tijd in het geheim leefde opgroeiend in het huis van Nanda. (25) Pûtanâ zowel als de wervelwind-demon werden door Hem gedood en zo ging Hij ook tewerk met vele anderen: de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î, Dhenuka... (26-27) De koeien en hun herders werden door Hem gered uit de bosbrand, Kâliya de slang onderwiep Hij, Indra werd door Hem ontnuchterd, voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand de beste aller bergen omhoog waarmee Hij de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen behoedde... (28) De gopî's met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en blik steeds vrij van vermoeidheid, konden alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven... (29) Ze zagen dat door Hem deze Yadu-dynastie grote faam zal verwerven en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven... (30) En deze broer van Hem, de lotusogige Râma, Hij is van het gehele vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij...] Vatsâsura, Bakâsura en anderen...'

(31) Terwijl de mensen aldus aan het spreken waren en de muziekinstrumenten weerklonken, sprak Cânûra, zich op Krishna en Balarâma richtend, de volgende woorden: (32) 'O zoon van Nanda, o Râma, jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie. (33) Inderdaad zal de burgers, als ze in hun denken, woorden en daden tewerk gaan naar de koning zijn zin, het geluk ten deel vallen, maar er tegenin gaand is dat een andere zaak. (34) De gopa's zijn er duidelijk steeds gelukkig mee hun kalveren in de bossen te hoeden en te spelen en te stoeien terwijl ze de koeien weiden. (35) Mogen daarom Jullie twee met ons handelen naar het genoegen van de koning die de belichaming vormt van ieder levend wezen, zodat een ieder daarmee tevredengesteld zal zijn.'

(36) Dat horend sprak Krishna woorden gepast de tijd en omstandigheid [zie ook 4.8: 54] ter verwelkoming van de worstelpartij die ook Hem goed van pas kwam: (37) 'Als onderdanen van de Bhoja koning, moeten ook Wij, ook al trekken We rond in de bossen, altijd ten uitvoer brengen wat hem ook maar zou behagen, omdat dat Ons het grootste voordeel zal brengen. (38) Wij jonge jongens zullen zoals het hoort Ons meten met hen die aan Ons gewaagd zijn; de worstelwedstrijd dient plaats te vinden opdat het publiek bijeengekomen in dit strijdperk niet niet van zijn geloof zal vallen.'

(39) Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongetjes meer of jongeren, jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant ter dood brachten die de kracht had van duizend olifanten! (40) Daarom moeten Jullie twee met hen de strijd aangaan die sterk zijn, daar schuilt geen onrecht in; Jouw kunnen tegen wat ik kan, o afstammeling van Vrishni, en Balarâma moet het opnemen tegen Mushthika.'

 

next                       

 
 

Tweede editie, geladen 29 juli 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Krishna Kills the Elephant Kuvalayâpîda

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Toen Krishna en Râma zich gewassen hadden, o bestraffer der vijanden, hoorden ze de klanken van pauken en gingen ze op pad om te kijken wat er gaande was.

S'ukadeva Gosvâmî said: O chastiser of enemies, Krishna and Balarâma, having executed all necessary purification, then heard the kettledrums resounding at the wrestling arena, and They went there to see what was happening. (Vedabase)

 

Tekst 2

Toen ze de poort bereikten van het strijdperk zag Krishna daar de olifant Kuvalayâpîda staan, gedirigeerd door zijn verzorger.

When Lord Krishna reached the entrance to the arena, He saw the elephant Kuvalayâpîda blocking His way at the urging of his keeper. (Vedabase)

 

Tekst 3

Zijn kleren strak aanhalend en Zijn krullende lokken samenbindend, sprak Hij met woorden zo gewichtig als de rollende donder tot de olifantenhoeder:

Securely binding up His clothes and tying back His curly locks, Lord Krishna addressed the elephant-keeper with words as grave as the rumbling of a cloud. (Vedabase)

 

Tekst 4

'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, geef ons vrij baan, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.'

[Lord Krishna said:l O driver, driver, move aside at once and let Us pass! If you don't, this very day I will send both you and your elephant to the abode of Yamarâja! (Vedabase)

 

Tekst 5

Aldus bedreigd stuurde de kwaad geworden olifantenhoeder de kwaaie olifant die was als Yama, de tijd en de dood, in de richting van Krishna.

Thus threatened, the elephant-keeper became angry. He goaded his furious elephant, who appeared equal to time, death and Yamarâja, into attacking Lord Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 6

De reuzenolifant op Hem afstormend greep met zijn slurf Krishna met geweld beet, maar door hem een slag toe te brengen ontsnapte Hij aan de greep en verdween Hij tussen zijn poten.

The lord of the elephants charged Krishna and violently seized Him with his trunk. But Krishna slipped away, struck him a blow and disappeared from his view among his legs. (Vedabase)

 

Tekst 7

Getergd Hem niet te zien spoorde hij Hem op met zijn reukzin en nam hij Hem met het uiteinde van zijn lange neus te pakken, maar door kracht te zetten kwam Hij weer vrij.

Infuriated at being unable to see Lord Kes'ava, the elephant sought Him out with his sense of smell. Once again Kuvalayâpîda seized the Lord with the end of his trunk, only to have the Lord forcefully free Himself. (Vedabase)

 

Tekst 8

Hem bij de staart grijpend sleurde Krishna hem, zo gemakkelijk als Garuda met een slang, die berg van geweld over een lengte van vijfentwintig booglengten.

Lord Krishna then grabbed the powerful Kuvalayâpîda by the tail and playfully dragged him twenty-five bow-lengths as easily as Garuda might drag a snake. (Vedabase)

 

Tekst 9

Acyuta die hem van links naar rechts bewoog werd ook door hem in beweging gebracht, precies als een kalf met een jongetje [aan zijn staart] zou [zie ook 10.8: 24].

As Lord Acyuta held on to the elephant's tail, the animal tried to twist away to the left and to the right, making the Lord swerve in the opposite direction, as a young boy would swerve when pulling a calf by the tail. (Vedabase)

 

Tekst 10

Toen van aangezicht tot aangezicht, sloeg Hij de olifant met Zijn hand en rende Hij weer weg en hem aldus bij iedere stap een klap verkopend, liet Hij hem struikelen.

Krishna then came face to face with the elephant and slapped him and ran away. Kuvalayâpîda pursued the Lord, managing to touch Him again and again with each step, but Krishna outmaneuvered the elephant and made him trip and fall. (Vedabase)

 

Tekst 11

Wegrennend deed Krishna alsof Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat de olifant driest zijn slagtanden in de aarde stak.

As Krishna dodged about, He playfully fell on the ground and quickly got up again. The raging elephant, thinking Krishna was down, tried to gore Him with his tusks but struck the earth instead. (Vedabase)

 

Tekst 12

Met zijn kunnen getrotseerd raakte die heer der olifanten gefrustreerd buiten zinnen, maar aangespoord door zijn verzorgers, viel hij opnieuw verwoed Krishna aan.

His prowess foiled, the lordly elephant Kuvalayâpîda went into a frenzied rage out of frustration. But the elephant-keepers goaded him on, and he furiously charged Krishna once again. (Vedabase)

  

Tekst 13

De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, die hem in zijn aanval tegemoet trad greep hem stevig bij zijn slurf en bracht hem ten val.

The Supreme Lord, killer of the demon Madhu, confronted the elephant as he attacked. Seizing his trunk with one hand, Krishna threw him to the ground. (Vedabase)

 

Tekst 14

Met het gemak van een leeuw op de gevallen kolos springend, rukte de Heer een slagtand er uit en doodde daarmee de olifant en zijn helpers.

Lord Hari then climbed onto the elephant with the ease of a mighty lion, pulled out a tusk, and with it killed the beast and his keepers. (Vedabase)

   

 Tekst 15

De dode olifant achter zich latend betrad Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant en met de slagtand over Zijn schouder, het strijdperk met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die door Zijn eigen transpireren waren verschenen.

Leaving the dead elephant aside, Lord Krishna held on to the tusk and entered the wrestling arena. With the tusk resting on His shoulder, drops of the elephant's blood and sweat sprinkled all over Him, and His lotus face covered with fine drops of His own perspiration, the Lord shone with great beauty. (Vedabase)

 

Tekst 16

Omringd door verschillende koeherdersjongens betraden Baladeva en Janârdana het perk, o Koning, met de slagtanden van de olifanten als de wapens van hun keuze.

My dear King, Lord Baladeva and Lord Janârdana, each carrying one of the elephant's tusks as His chosen weapon, entered the arena with several cowherd boys. (Vedabase)

 

Tekst 17

Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste, voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve, voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer, voor Zijn ouders was Hij een kind, voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen was Hij het grofstoffelijke van het universum, voor de yogi's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid - op deze verschillende manieren bekeken betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa].

The various groups of people in the arena regarded Krishna in different ways when He entered it with His elder brother. The wrestlers saw Krishna as a lightning bolt, the men of Mathurâ as the best of males, the women as Cupid in person, the cowherd men as their relative, the impious rulers as a chastiser, His parents as their child, the King of the Bhojas as death, the unintelligent as the Supreme Lord's universal form, the yogis as the Absolute Truth and the Vrishnis as their supreme worshipable Deity. (Vedabase)

 

Tekst 18

Bij Kamsa vanbinnen, die Kuvalayâpîda gedood zag en Hen tweeën onoverwinnelijk, ontwikkelde zich toen waarlijk een grote angst, o heerser der mensen.

When Kamsa saw that Kuvalayâpîda was dead and the two brothers were invincible, he was overwhelmed with anxiety, O King. (Vedabase)

  

Tekst 19

De twee machtig gearmde Heren op de manier waarop ze waren aangekleed met hun kleding, sierselen en bloemenslingers als waren ze twee acteurs in de prachtigste kostuums, straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten van alle toeschouwers overweldigde.

Arrayed with variegated ornaments, garlands and garments, just like a pair of excellently costumed actors, the two mighty-armed Lords shone splendidly in the arena. Indeed, They overpowered the minds of all onlookers with Their effulgences. (Vedabase)

 

Tekst 20

Met het zien van de twee Verheven Persoonlijkheden sperden de mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen van buiten, o Koning, door de kracht van hun vreugde, hun ogen en monden wijd open en dronken ze hun gezichten in, nimmer genoeg krijgend van de aanblik van Hen.

O King, as the citizens of the city and the people from outlying districts gazed upon those two Supreme Personalities from their seats in the galleries, the force of the people's happiness caused their eyes to open wide and their faces to blossom. They drank in the vision of the Lords' faces without becoming satiated. (Vedabase)

 

Tekst 21-22

Alsof ze dronken met hun ogen, likten met hun tongen, roken door hun neusgaten en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich met elkaar zich de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed in herinnering brengend van wat ze feitelijk hadden gezien en gehoord:

The people seemed to be drinking Krishna and Balarâma with their eyes, licking Them with their tongues, smelling Them with their nostrils and embracing Them with their arms. Reminded of the Lords' beauty, character, charm and bravery, the members of the audience began describing these features to one another according to what they had seen and heard. (Vedabase)

 .

Tekst 23

'Deze twee zijn vast en zeker de rechtstreekse expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, die naar deze wereld zijn nedergedaald in het huis van Vasudeva.

[The people said:] These two boys are certainly expansions of the Supreme Lord Nârâyana who have descended to this world in the home of Vasudeva. (Vedabase)

 

Tekst 24

Deze hier werd inderdaad, geboren uit Devakî, naar Gokula overgebracht alwaar Hij al die tijd in het geheim leefde opgroeiend in het huis van Nanda.

This one [Krishna] took birth from mother Devakî and was brought to Gokula, where He has remained concealed all this time, growing up in the house of King Nanda. (Vedabase)

 

Tekst 25

Pûtanâ zowel als de wervelwind-demon werden door Hem gedood en zo ging Hij ook tewerk met vele anderen: de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î, Dhenuka...

He made Pûtanâ and the whirlwind demon meet with death, pulled down the twin Arjuna trees and killed S'ankhacûda, Kes'î, Dhenuka and similar demons. (Vedabase)

 

Tekst 26-27

De koeien en hun herders werden door Hem gered uit de bosbrand, Kâliya de slang onderwiep Hij, Indra werd door Hem ontnuchterd, voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand de beste aller bergen omhoog waarmee Hij de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen behoedde...

He saved the cows and the cowherds from a forest fire and subdued the serpent Kâliya. He removed Lord Indra's false pride by holding up the best of mountains with one hand for an entire week, thus protecting the inhabitants of Gokula from rain, wind and hail. (Vedabase)

 

Tekst 28

De gopî's met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en blik steeds vrij van vermoeidheid, konden alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven...

The gopîs overcame all kinds of distress and experienced great happiness by seeing His face, which is always cheerful with smiling glances and ever free of fatigue. (Vedabase)

 

Tekst 29

Ze zagen dat door Hem deze Yadu-dynastie grote faam zal verwerven en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven...

It is said that under His full protection the Yadu dynasty will become extremely famous and attain wealth, glory and power. (Vedabase)

 

Tekst 30

En deze broer van Hem, de lotusogige Râma, Hij is van het gehele vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij...] Vatsâsura, Bakâsura en anderen...'

This lotus-eyed elder brother of His, Lord Balarâma, is the proprietor of all transcendental opulences. He has killed Pralamba, Vatsaka, Baka and other demons. (Vedabase)

 

Tekst 31

Terwijl de mensen aldus aan het spreken waren en de muziekinstrumenten weerklonken, sprak Cânûra, zich op Krishna en Balarâma richtend, de volgende woorden:

While the people talked in this way and the musical instruments resounded, the wrestler Cânûra addressed Krishna and Balarâma with the following words. (Vedabase)

 

Tekst 32

'O zoon van Nanda, o Râma, jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie.

[Cânûra said:l O son of Nanda, O Râma, You two are well respected by courageous men and are both skillful at wrestling. Having heard of Your prowess, the King has called You here, wanting to see for himself. (Vedabase)

 

Tekst 33

Inderdaad zal de burgers, als ze in hun denken, woorden en daden tewerk gaan naar de koning zijn zin, het geluk ten deel vallen, maar er tegenin gaand is dat een andere zaak.

Subjects of the King who try to please him with their thoughts, acts and words are sure to achieve good fortune, but those who fail to do so will suffer the opposite fate. (Vedabase)

 

Tekst 34

De gopa's zijn er duidelijk steeds gelukkig mee hun kalveren in de bossen te hoeden en te spelen en te stoeien terwijl ze de koeien weiden.

It is well known that cowherd boys are always joyful as they tend their calves, and that the boys playfully wrestle with each other while grazing their animals in the various forests. (Vedabase)

 

Tekst 35

Mogen daarom Jullie twee met ons handelen naar het genoegen van de koning die de belichaming vormt van ieder levend wezen, zodat een ieder daarmee tevredengesteld zal zijn.'

Therefore let's do what the King wants. Everyone will be pleased with us, for the king embodies all living beings. (Vedabase)

 

Tekst 36

Dat horend sprak Krishna woorden gepast de tijd en omstandigheid [zie ook 4.8: 54] ter verwelkoming van de worstelpartij die ook Hem goed van pas kwam:

Hearing this, Lord Krishna, who liked to wrestle and welcomed the challenge, replied with words appropriate to the time and place. (Vedabase)

 

Tekst 37

'Als onderdanen van de Bhoja koning, moeten ook Wij, ook al trekken We rond in de bossen, altijd ten uitvoer brengen wat hem ook maar zou behagen, omdat dat Ons het grootste voordeel zal brengen.

[Lord Krishna said:] Although forest-dwellers, We are also subjects of the Bhoja king. We must gratify his desires, for such behavior will confer upon Us the greatest benefit. (Vedabase)

 

Tekst 38

Wij jonge jongens zullen zoals het hoort Ons meten met hen die aan Ons gewaagd zijn; de worstelwedstrijd dient plaats te vinden opdat het publiek bijeengekomen in dit strijdperk niet niet van zijn geloof zal vallen.'

We are just young boys and should play with those of equal strength. The wrestling match must go on properly so that irreligion does not taint the respectable members of the audience. (Vedabase)

 

Tekst 39

Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongetjes meer of jongeren, jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant ter dood brachten die de kracht had van duizend olifanten!

Cânûra said: You aren't really a child or even a young man, and neither is Balarâma, the strongest of the strong. After all, You playfully killed an elephant who had the strength of a thousand other elephants. (Vedabase)

 

Tekst 40

Daarom moeten Jullie twee met hen de strijd aangaan die sterk zijn, daar schuilt geen onrecht in; Jouw kunnen tegen wat ik kan, o afstammeling van Vrishni, en Balarâma moet het opnemen tegen Mushthika.'

Therefore You two should fight powerful wrestlers. There's certainly nothing unfair about that. You, O descendant of Vrishni, can show Your prowess against me, and Balarâma can fight with Mushthika. (Vedabase)

 

 *Aldus spreekt men van tien rasa's, houdingen of gemoedsgesteldheden in relatie tot Krishna: strijdlust [zoals waargenomen door de worstelaars], bewondering [door de mannen], geslachtelijke aantrekking [de vrouwen], lachen [de koeherders], ridderlijkheid [de koningen], genade [Zijn ouders], schrik [Kamsa], afschuw [de dommen], vredige neutraliteit [de yogi's] en liefdevolle toewijding [de Vrishni's].

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties