regelbalk

 
Canto 1

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

Hoofdstuk 8: Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en familieleden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat het mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht!' "

(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kuru-dynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, van al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.

(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor U, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel van binnen als van buiten bestaat. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, bent U als een acteur uitgedost voor het acteren. (20) U bent er opdat de gevorderde transcendentalisten en filosofen, die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, kunnen overgaan tot de wetenschap van het zich verenigen in de toewijding; maar hoe moeten wij vrouwen U dan in acht nemen? (21) Daarom breng ik U mijn respectvolle eerbetuigingen, U de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, van Nanda en de koeherders van Vrindâvana, die de beschermer bent van de koeien en de zinnen. (22) Mijn eerbetoon is er voor U, die een lotusachtige welving in Zijn buik heeft, die altijd gesierd is met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is, en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) U bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een lange gevangenschap veroorzaakt door de afgunstige [oom] koning Kamsa, en, o Heer, U hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, hebt U ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we U keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want U ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven te zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot U te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan U, de rijkdom van hen die in armoede leven; U die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; U als degene die in zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor U die de Meester der Zaligheid bent. (28) Ik beschouw U als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en einde is, en als de alles doordringende Ene die Uw genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Uw spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat U partijdig bent, maar U begunstigt niemand en heeft ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Uw geboorte nemend hoewel U ongeboren bent en handelend hoewel U inactief bent, bent U waarlijk verbijsterend in Uw Zich manifesteren met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me dat toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw oppakte om U vast te binden, U bang was en U de make-up van Uw ogen huilde, hoewel U gevreesd wordt door de Vrees in eigen persoon. (32) Sommigen zeggen dat U, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat U bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor U baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat U, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat U Uw geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat U verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over U vernemen, het U in gedachten houden en met het U aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Uw handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Uw lotusvoeten zien, die een eind maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat U voor ons gedaan hebt, laat U, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter - wij Uw intieme vrienden die, enkel bij Uw genade, in afhankelijkheid van Uw lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder U, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Uw voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Uw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishni's. (42) Maak mijn aantrekking voor U zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishni's, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Uw niet aflatende heldenmoed bevrijdt U de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, U biedt ik mijn eerbetuigingen."

(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn Mystiek vermogen. (45) Dat alles op die wijze aanvaardend en na verder respectbetoon jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, werd de Heer, bij het vertrek naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden hem, van streek als hij was, niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) Koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij sprak: (48) 'O, bezie mij in mijn onwetendheid van hart, diep gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Vele jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren gedood hebbend, zal ik voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, bevrijding vinden uit de hel. (50) Voor een koning vechtend voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hadden, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "

 

                       

 
Tweede editie, geladen  18 febr. 2006    

 

 

Bronteksten:

Parîkchit Gered; De gebeden van Koningin Kuntî.

 

Tekst 1

Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten.

Sûta Gosvâmî zei: Daarna gingen de Pândava's, die water wilden brengen aan hun dode bloedverwanten, omdat zulks verlangd werd, met Draupadî naar de Ganges. De dames liepen vooraan. (Vedabase)  

 

Tekst 2

Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer.

Na hen beweeklaagd te hebben en voldoende Ganges-water te hebben geofferd, namen ze een bad in de Ganges, waarvan het water geheiligd is door het stof van 's Heren lotusvoeten, dat zich ermee vermengd heeft. (Vedabase)

 

Tekst 3

Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve.

Daar zaten de koning der Kuru's, Mahârâja Yudhishthhira met zijn jongere broers, en Dhritarâshthra, Gândhârî, Kuntî en Draupadî, allen door verdriet overweldigd. Heer Krishna was er ook. (Vedabase)

 

Tekst 4

Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en familieleden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd.

Heer Krishna en de muni's troosstten degenen die geschokt en aangedaan waren, door hun de strenge wetten van de Almachtige en de reakties ervan op de levende wezens voor te houden. (Vedabase)

 

Tekst 5

Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî].

De sluwe Duryodhana en de zijnen trokken het koninkrijk van Yudhishthhira, die geen vijanden kende, aan zich. Door 's Heren genade werd het teruggenomen, terwijl de gewetenloze vorsten die met Duryodhana geheuld hadden door Zijn hand werden gedood. Anderen verloren eveneens het leven, dat in duur was afgenomen vanwege hun ruwe gedoe met het haar van Koningin Draupadî. (Vedabase)

 

Tekst 6

Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

Heer S'rî Krishna liet Mahârâja Yudhishthhira drie goed geregelde As'vamedha-yajña's [paardoffers] brengen, waardoor zijn roem en deugd alom werden verheerlijkt, zoals het geval was met Indra, die honderd van zulke offers had gebracht. (Vedabase)

 

Tekst 7

Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna].

Heer S'rî Krishna maakte Zich toen gereed om weg te gaan. Hij nodige de zoons van Pându bij Zich uit, nadat de brâhmana's onder leiding van Vyâsadeva Hem aanbeden hadden. De Heer beantwoordde ook de afscheidsgroeten. (Vedabase)

 

Tekst 8

Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde.

 Zodra Hij op Zijn wagen plaatsgenomen had om naar Dvârakâ te vertrekken, zag Hij Uttarâ doodsbang op Zich komen toehollen. (Vedabase)

 

Tekst 9

Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit.

Uttarâ zei: O Heer der heren, Heer van het universum! U bent de grootste onder de mystici. Bescherm me alstublieft, want in deze wereld der tegenstellingen is er behalve U niemand die me uit de greep van de dood kan redden. (Vedabase)

 

Tekst 10

O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat het mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht!' "

O Heer, U bent almachtig. Er komt een vurige pijl op me toegevlogen. O Heer, moge ik verbranden, zo U zulks begeert, maar laat alstublieft mijn vrucht niet verbranden en misgeboren worden. Verleen me deze gunst, o Heer. (Vedabase)

 

Tekst 11

Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra-wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken.

Sûta Gosvâmî sprak: Na haar geduldig te hebben aangehoord kon Heer S'rî Krishna, die Zijn toegewijden altijd zeer welgezind is, begrijpen dat As'vatthâmâ, de zoon van Dronâcârya, de brahmâstra gelanceerd had om de laatste telg van het geslacht Pândava te vernietigen. (Vedabase)

 

Tekst 12

O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens.

O eerste onder de grote denkers [muni's] [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende brahmâstra op zich af zagen komen, namen ze hun verschillende wapens ter hand. (Vedabase)

 

Tekst 13

Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen.

Toen de almachtige Persoonlijkheid Gods, S'rî Krishna, ontwaarde dat Zijn ongerepte toegewijden, die zich geheel aan Hem overgegeven hadden, een groot gevaar boven het hoofd hing, nam Hij terstond Zijn Sudars'ana-werpschijf ter hand om hen te beschermen. (Vedabase)

 

Tekst 14

Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kuru-dynastie te beschermen.

De Heer der hoogste mystiek, S'rî Krishna, verwijlt in ieders hart als Paramâtma. Als zodanig verhulde Hij door Zijn persoonlijke energie ter bescherming van het nageslacht van de Kuru-dynastie Uttarâ's vrucht. (Vedabase)

 

Tekst 15

O S'aunaka, hoewel het brahmâstra wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd.

O S'aunaka, hoewel het hoogmogende brahmâstra-wapen gelanceerd door As'vatthâmâ onweerstaanbaar, onstuitbaar en onafwendbaar was, werd het door de kracht van Vishnu [Heer Krishna] tot niets teruggebracht en verslagen. (Vedabase)

 

Tekst 16

Maar bezie dit alles, van al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.

O brâhmana's, denk niet dat dit onder de aktiviteiten van de mysterieuze en onfeilbare Persoonlijkheid Gods iets bijzonder geweldigs zou zijn. Door Zijn eigen bovenzinnelijke energie handhaaft en vernietigt Hij alle stoffelijke aangelegenheden, hoewel Hijzelf ongeboren is. (Vedabase)

 

Tekst 17

Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken.

Aldus van de straling van het brahmâstra gered, richtten Kuntî, 's Heren kuise toegewijde, en haar vijf zoons en Draupadî als volgt het woord tot Krishna, die Zich opmaakte om naar huis te gaan. (Vedabase)

 

Tekst 18

Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor U, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel van binnen als van buiten bestaat.

S'rîmatî Kuntî zei: O Krishna, ik breng Je mijn eerbetuigingen, omdat Je de Oorspronkelijke Persoon bent en niet door de geaardheden van de stoffelijke wereld wordt beroerd. Je bestaat zowel in als buiten alles, maar bent voor iedereen onzichtbaar. (Vedabase)

 

Tekst 19

Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, bent U als een acteur uitgedost voor het acteren.

Buiten bereik der beperkte zintuiglijke waarneming, ben Je de eeuwige onberispelijke faktor, verhuld door de sluier der begoochelende energie. Voor dwaze waarnemers ben je onzichtbaar, zoals een akteur onherkenbaar verkleed kan gaan. (Vedabase)

 

Tekst 20

U bent er opdat de gevorderde transcendentalisten en filosofen, die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, kunnen overgaan tot de wetenschap van het zich verenigen in de toewijding; maar hoe moeten wij vrouwen U dan in acht nemen?

Je daalt in eigen Persoon neer teneinde de bovenzinnelijke wetenschap der toegewijde dienst te onderwijzen aan de gevorderde transcendentalisten en spekulatieve denkers, die gelouterd zijn door hun vermogen om onderscheid te maken tussen stof en geest. Hoe kunnen wij, vrouwen, Je dan volmaakt kennen? (Vedabase)

 

Tekst 21

Daarom breng ik U mijn respectvolle eerbetuigingen, U de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, van Nanda en de koeherders van Vrindâvana, die de beschermer bent van de koeien en de zinnen.

Laat me daarom mijn eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de Heer, die de zoon van Vasudeva geworden is, de vreugde van Devakî, de jongen van Nanda en de andere koeherders van Vrindâvana en degeen die de koeien en de zinnen verkwikt. (Vedabase)

 

Tekst 22

Mijn eerbetoon is er voor U, die een lotusachtige welving in Zijn buik heeft, die altijd gesierd is met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is, en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt.

Ik breng mijn eerbiedige eerbetuigingen aan Jou, o Heer, wiens buik een lotusvormige instulping vertoont, die altijd getooid bent met een lotuskrans, wiens blik zo koel is als de lotus en wiens voeten de tekening van lotussen vertonen. (Vedabase)

 

Tekst 23

U bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een lange gevangenschap veroorzaakt door de afgunstige [oom] koning Kamsa, en, o Heer, U hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging.

O Hrishîkes'a, Meester der zinnen en Heer der heren, Je verloste Je moeder, Devakî, die zo lang door de afgunstige Koning Kamsa gevangen gehouden en in het nauw gebracht werd, en ook mij en mijn kinderen, van een reeks niet aflatende gevaren. (Vedabase)

 

Tekst 24

Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, hebt U ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona.

Lieve Krishna, Je hebt ons in Je Heerlijkheid gered uit een grote brand, van kannibalen, van het eten van vergiftigd gebak, van laag gespuis, van leed tijdens onze ballingschap in het woud en van de slag, waarin grote veldheren streden. En nu heb Je ons gered van het wapen van As'vatthâmâ. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we U keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want U ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven te zien.

Ik zou willen dat al deze rampen ons telkens weer treffen, zodat we Je telkens weer kunnen zien, want als we Je zien, zien we niet langer de herhaling van geboorte en dood. (Vedabase)

 

Tekst 26

Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot U te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn.

O Heer, Je bent makkelijk te benaderen, maar alleen door degenen die materieel uitgeput zijn. Iemand die het pad der [materiële] vooruitgang bewandelt en zijn situatie tracht te verbeteren - achtenswaardige familie, grote welstand, hoge ontwikkeling, lichamelijke schoonheid - kan niet in oprechtheid tot Je komen. (Vedabase)

 

Tekst 27

Alle eer aan U, de rijkdom van hen die in armoede leven; U die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; U als degene die in zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor U die de Meester der Zaligheid bent.

Ik breng mijn eerbetuigingen aan Jou, o eigendom der materieel verarmden. Je hebt niets van doen met de akties en reakties van de drieërlei aard der natuur. Je bent voldaan in Jezelf, en daarom ben Je de zachtaardigste van allen en meester der monisten. (Vedabase)

 

Tekst 28

Ik beschouw U als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en einde is, en als de alles doordringende Ene die Uw genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren.

O Heer, ik beschouw Je als de eeuwige tijd, de Opperbestuurder, die begin noch einde kent, de Aldoordringende. Bij het verdelen van Je genade betoon Je Je iedereen gelijkgezind. De tweedracht onder de levende wezens is het gevolg van hun maatschappelijke omgang met elkaar. (Vedabase)

 

Tekst 29

O Heer, niemand doorgrondt Uw spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat U partijdig bent, maar U begunstigt niemand en heeft ook aan niemand een hekel.

O Heer, niemand kan Je bovenzinnelijk spel en vermaak doorgronden, dat menselijk aandoet en zo iedereen begoochelt. Je bent niemand in het bijzonder gunstig gezind, noch ben Je afgunstig op wie dan ook. De mensen beelden zich slechts in dat Je Je voorkeuren hebt. (Vedabase)

 

Tekst 30

O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Uw geboorte nemend hoewel U ongeboren bent en handelend hoewel U inactief bent, bent U waarlijk verbijsterend in Uw Zich manifesteren met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water.

Het is uiteraard verbijsterend, o Ziel van het universum, dat Je werkt, hoewel Je inactief bent, en dat Je geboren wordt, hoewel Je de levenskracht en de ongeborene bent. Je daalt in eigen Persoon neer temidden van mensen, dieren, wijzen en waterwezens. Dit is werkelijk verbijsterend. (Vedabase)

 

Tekst 31

Het verwart me dat toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw oppakte om U vast te binden, U bang was en U de make-up van Uw ogen huilde, hoewel U gevreesd wordt door de Vrees in eigen persoon.

Mijn lieve Krishna, Yas'odâ pakte een touw om Je vast te binden toen Je zo lastig was, en uit Je schichtige ogen stroomden de tranen, die de oogschaduw van Je gezicht wasten. En Je was bang, hoewel de angst in eigen persoon bang voor Jou is. Dat tafereel brengt me in de war. (Vedabase)

 

Tekst 32

Sommigen zeggen dat U, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu.

Sommigen zeggen dat de Ongeborene geboren wordt ter verheerlijking van vrome vorsten, anderen zeggen dat Hij geboren wordt teneinde Koning Yadu, een van Je dierbaarste toegewijden, voldoening te schenken. Je verschijnt in zijn familie zoals sandelhout in de heuvels van Maleisië verschijnt. (Vedabase)

 

Tekst 33

Anderen zeggen dat U bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor U baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn.

Anderen zeggen dat aangezien Vasudeva en Devakî allebei om Je gebeden hebben, Je als hun zoon geboren bent. Je bent ongetwijfeld ongeboren, maar toch laat Je Jezelf geboren worden, terwille van hun welzijn en de dood van degenen die afgunstig op de halfgoden zijn. (Vedabase)

 

Tekst 34

Weer anderen beweren dat U, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat U Uw geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ.

Anderen zeggen dat de wereld, als een overladen schip op zee, ten zeerste benard is, en dat Brahmâ, die Je zoon is, om Je hulp gebeden heeft: vandaar dat Je verschenen bent om de ellende tegen te gaan. (Vedabase)

 

Tekst 35

En nog weer anderen zeggen dat U verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over U vernemen, het U in gedachten houden en met het U aanbidden.

En weer anderen zeggen dat Je verschenen bent teneinde de toegewijde dienst van het luisteren, heugen en aanbidden te verjongen, opdat de gebonden zielen die met hun bekneldheid in de stof te kampen hebben er hun voordeel mee zullen doen en verlost zullen worden. (Vedabase)

 

Tekst 36

Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Uw handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Uw lotusvoeten zien, die een eind maken aan de herhaling van wedergeboorten.

O Krishna, degenen die voortdurend luisteren naar de verhalen over Je bovenzinnelijk doen en laten en ze steeds weer bezingen of er behagen in scheppen wanneer anderen dat doen, zullen beslist Je lotusvoeten aanschouwen, waarbuiten niets bestaat dat een eind aan de herhaling van geboorte en dood kan maken. (Vedabase)

 

Tekst 37

O Heer, met alles wat U voor ons gedaan hebt, laat U, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter - wij Uw intieme vrienden die, enkel bij Uw genade, in afhankelijkheid van Uw lotusvoeten, hun leven hebben.

O mijn Heer, Je hebt alle plichten Zelf vervuld. Ga Je vandaag van ons heen, ook al zijn we geheel van Je genade afhankelijk en is er niemand anders die ons beschermt, nu alle vorsten ons vijandig gezind zijn? (Vedabase)

 

Tekst 38

Wij, zonder U, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken.

Zoals de naam van een bepaald lichaam ophoudt te bestaan met het heengaan van de levensgeest, zullen onze faam en daden, als Jij ons niet meer aanziet, samen met de Pândava's en Yadu's terstond hun einde vinden. (Vedabase)

 

Tekst 39

Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Uw voetsporen.

O Gadhâdara [Krishna], ons koninkrijk draagt thans de merktekens van de indrukken van Je voeten en ziet er daarom prachtig uit. Maar als Je weggaat zal dat niet meer zo zijn. (Vedabase)

 

Tekst 40

Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Uw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën.

Al deze dorpen en steden bloeien in alle opzichten, omdat graan en kruid welig tieren, de bomen wemelen van de vruchten, de rivieren stromen, de heuvels vol delfstoffen en de oceanen vol schatten zijn - en dat allemaal omdat Jij Je blik erover laat waren. (Vedabase)

 

Tekst 41

Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishni's.

O Heer van het universum, ziel van het universum, o persoon van de gedaante van het universum, wil daarom mijn liefdesband met mijn familie, de Pândava's en Vrishni's, doorsnijden. (Vedabase)

 

Tekst 42

Maak mijn aantrekking voor U zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt.

O Heer van Madhu, zoals de Ganges eeuwig onbelemmerd naar zee stroomt, wens ik dat mijn aandacht steeds zonder omwegen naar Jou toe wordt getrokken. (Vedabase)

 

Tekst 43

O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishni's, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Uw niet aflatende heldenmoed bevrijdt U de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, U biedt ik mijn eerbetuigingen."

O Krishna, o vriend van Arjuna, o leider onder de telgen van Vrsni, Jij bent het die de politieke groeperingen vernietigt die zo veel verwarring op aarde stichten. Je vermogen verslechtert nimmer. Je bent de eigenaar van de bovenzinnelijke woning en daalt neer om het leed van de koeien, de brâhmana's en de toegewijden te verlichten. Je bezit alle mystieke krachten en bent de geestelijk leraar van het ganse universum. Je bent de almachtige God en ik breng Je mijn eerbiedige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 44

Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn Mystiek vermogen.

Sûta Gosvâmî sprak: Toen de Heer de gebeden van Kuntîdevî, die tot Zijn eer in welgekozen woorden waren vervat, vernam, zond Hij haar een milde glimlach toe. Die lach was even betoverend als Zijn mystiek vermogen. (Vedabase)

 

Tekst 45

Dat alles op die wijze aanvaardend en na verder respectbetoon jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, werd de Heer, bij het vertrek naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira].

Nadat Hij op deze wijze de gebeden van S'rîmatî Kuntîdevî in ontvangst genomen had, ging de Heer het paleis van Hastinâpura binnen en bracht de andere dames van Zijn vertrek op de hoogte. Maar toen Hij Zich gereedmaakte om te gaan, werd Hij tegengehouden door Koning Yudhishthhira, die een liefdevolle smeekbede tot Hem richtte. (Vedabase)

 

Tekst 46

De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden hem, van streek als hij was, niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen.

Koning Yudhishthhira, die zeer bedroefd was, kon de situatie niet aan, hoewel grote wijzen onder leiding van Vyâsa en Heer S'rî Krishna Zelf, de wrochter van bovenmenselijke daden, hem erover hadden onderricht en hoewel de historiën alles zo duidelijk maakten. (Vedabase)

 

Tekst 47

Koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij sprak:

Door de dood van zijn vrienden overweldigd, raakte Koning Yudhishthhira, de zoon van Dharma als een gewone materialist door verdriet overmand. O wijzen, door zijn familieliefde begoocheld, sprak hij als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 48

'O, bezie mij in mijn onwetendheid van hart, diep gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders.

Koning Yudhishthhira zei: O wreed lot! Ik ben de grootste zondaar! Zie toch mijn hart, dat vol onwetendheid is! Dit lichaam, dat uiteindelijk voor anderen bestemd is, heeft slagorde na slagorde van mannen gedood. (Vedabase)

 

Tekst 49

Vele jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren gedood hebbend, zal ik voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, bevrijding vinden uit de hel.

Ik heb vele jongens, brâhmana's, weldoeners, vrienden, ouderen, leraren en broers gedood. Ook al leef ik miljoenen jaren, ik zal niet kunnen ontkomen aan de hel die me voor al deze zonden wacht. (Vedabase)

 

Tekst 50

Voor een koning vechtend voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing.

Er bestaat geen zonde voor een vorst die bij de instandhouding van zijn onderdanen mensen doodt terwille van de goede zaak. Maar deze uitspraak is niet op mij van toepassing. (Vedabase)

 

Tekst 51

Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hadden, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn.

Ik heb velen gedood die vriendschap met vrouwen onderhielden en heb daardoor zo veel vijandschap teweeggebracht, dat ik er geen materiële weldaden tegenover kan stellen om haar goed te maken. (Vedabase)

 

Tekst 52

Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "

Zoals het onmogelijk is modderwater door modder schoon te filteren, of een kom met wijnvlekken met wijn te reinigen, kan men het doden van mensen onmogelijk tegengaan door het offeren van dieren. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties