regelbalk    


 

Canto 1
Nrisimha Pranâma
 

Hoofdstuk 6: Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Na aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden te hebben vernomen, stelde de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem nog een vraag. (2) Vyâsa zei: 'Wat deed u nadat de bedelmonniken waren vertrokken die u instrueerden in de wijsheid voordat uw huidige leven een aanvang nam? (3) O zoon van Brahmâ, onder welke levensomstandigheden verkeerde u in uw leven na deze inwijding en hoe hebt u, nadat u in de loop van de tijd uw lichaam verliet, dit lichaam verworven? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit alles uit een voorgaande periode zo gedetailleerd herinneren, is het niet zo dat de tijd op den duur aan dit alles een einde maakt?'

(5) S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me in mijn voorgaande leven de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en toen ze waren vertrokken deed ik het volgende. (6) Ik was de enige zoon van mijn moeder die een eenvoudige vrouw was die werkte als dienstmaagd. Ze had niemand anders, zodat ik als haar nageslacht, volkomen werd bepaald door de emotionele band die ik met haar had. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, was ze daar niet toe in staat omdat ze, als iedereen, zo afhankelijk was als een pop aan een touwtje. (8) Toen ik nog maar vijf jaar oud was volgde ik het onderricht van de brahmanen en leefde ik afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, plaats en richting. (9) Op een avond ging ze naar buiten om een koe te melken en werd ze door een slang op het pad in haar been gebeten, en zo viel mijn arme moeder de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en met dat in gedachten ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was blij met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Geheel alleen, kwam ik door moeilijk begaanbaar struikgewas van bamboe, riet, scherp gras en onkruid, en bereikte ik diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik hongerig en dorstig een bad en dronk ik het water van een meer van een rivier zodat ik van mijn vermoeidheid herstelde. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en maakte ik mijn geest leeg, door me te concentreren op de Superziel in mezelf aanwezig, zoals ik het had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde. Ik was zo vol van ijver dat de tranen uit mijn ogen liepen toen ik de Heer langzaam in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer onderscheiden. (18) Niet langer de gedaante van de Heer ziend die alle strijdigheid uit de geest bant, stond ik verstoord opeens op als iemand die iets begeerlijks kwijt is. (19) Ik wilde dat opnieuw ervaren en richtte heel mijn geest op het hart, maar ondanks mijn geduldige wachten zag ik Hem niet meer verschijnen en raakte ik, gefrustreerd, erg in de put. (20) Op die eenzame plek het steeds maar weer proberend, hoorde ik hoe van gene zijde ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn pijn verzachtten. (21) 'Luister, zolang je leeft zal je Mij hier niet te zien krijgen, want voor iemand die niet volkomen in zijn vereniging is ben Ik vanwege de onzuiverheden moeilijk waar te nemen. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, want met het zich bij de toegewijde ontwikkelen van het verlangen naar Mij, wordt al de lust uit het hart verdreven. (23) Door slechts een paar dagen het Absolute van dienst te zijn geweest bereikte je een stabiele intelligentie jegens Mij. In je [aldus] verzaken van de onvolkomen materiële wereld ga je [van nu af aan dan] af op - en maak je deel uit van - Mijn gezelschap. (24) De intelligentie op Mij gericht zal niet falen; of het levende wezen zich nu ontwikkelt of uit beeld verdwijnt, door Mijn genade zal er heugenis zijn.'

(25) Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat verbazingwekkende en wonderbaarlijke geluid van de Ongeziene Heer. Dankbaar voor Zijn genade boog ik toen mijn hoofd in eerbetoon voor Hem, zo groots en heerlijk. (26) Vrij van verbijstering de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en mij steeds Zijn mysterieuze en goedgunstige handelingen herinnerend, reisde ik bevrijd van verlangens rond met een gelukkige geest en wachtte ik mijn tijd af zonder enige trots en jaloezie. (27) Zonder gehecht te zijn aldus verzonken in Krishna [*], o Vyâsadeva, kwam de dood me na verloop van tijd halen, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met een bovenzinnelijk lichaam gepast voor een metgezel van de Heer, verliet ik, ziend dat aan mijn verworven karma een einde was gekomen, het lichaam dat is samengesteld uit de vijf elementen. (29) Aan het einde van de wereldse periode [kalpa] nam de Heer, die zich had neergevleid in de wateren van de vernietiging, mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik opnieuw tezamen met rishi's als Marîci. (31) Me trouw houdend aan de gelofte [van de yoga] reis ik rond zowel in de drie werelden als erboven en ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan en te staan, daar en wanneer ik maar wil. (32) Ik beweeg me rond onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer, terwijl ik deze bovenzinnelijk geladen vînâ bespeel die de Godheid me heeft gegeven. (33) Als ik zo zing verschijnt al snel voor mijn geestesoog, als was Hij geroepen, het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten, over wiens handelingen men met genoegen verneemt. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor hen die vol van zorgen zijn in hun aanhoudend verlangen naar de voorwerpen van de zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk bezingen van de glorie van de Heer. (35) Het telkens weer met behulp van de yogadiscipline in zelfbeperking tegengaan van lust en verlangen, zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Op jouw verzoek beschreef ik je, vrij van zonden als je bent, alles over de geheimen van mijn geboorte en activiteiten, ter wille van zowel de voldoening van jouw ziel als die van mij.' "

(37) Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij, onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, waarheen hij ook wilde. (38) Alle glorie en succes aan de wijze van de goden die er behagen in schept de heerlijkheden van Hem met de S'ârnga [Zijn boog] in Zijn handen te bezingen en, met behulp van zijn instrument, het lijdende universum tot leven te wekken."


Lees de inspiratie bij dit hoofdstuk door Anand Aadhar.

                       

 

Derde herziene editie, geladen 3 februari 2016.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Sûta zei: "Na aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden te hebben vernomen, stelde de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem nog een vraag.

Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (Vedabase)

 

Tekst 2

'Vyâsa zei: 'Wat deed u nadat de bedelmonniken waren vertrokken die u instrueerden in de wijsheid voordat uw huidige leven een aanvang nam?

'Nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken, wat deed u voordat uw huidige leven een aanvang nam? (Vedabase)

 

Tekst 3

O zoon van Brahmâ, onder welke levensomstandigheden verkeerde u in uw leven na deze inwijding en hoe hebt u, nadat u in de loop van de tijd uw lichaam verliet, dit lichaam verworven?

Wat waren de omstandigheden waaronder u verkeerde, van het leven dat u doorbracht na deze inwijding en hoe bent u, na de nodige tijd, tot dit lichaam gekomen? (Vedabase)

 

Tekst 4

Hoe kon u, o grote wijze, zich dit alles uit een voorgaande periode zo gedetailleerd herinneren, is het niet zo dat de tijd op den duur aan dit alles een einde maakt?'

Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, aangezien de tijd op den duur aan alles een eind maakt.' (Vedabase)

 

Tekst 5

S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me in mijn voorgaande leven de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en toen ze waren vertrokken deed ik het volgende.

S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en in mijn voorgaande leven moest ik ernaar leven toen ze waren vertrokken. (Vedabase)

 

Tekst 6

Ik was de enige zoon van mijn moeder die een eenvoudige vrouw was die werkte als dienstmaagd. Ze had niemand anders, zodat ik als haar nageslacht, volkomen werd bepaald door de emotionele band die ik met haar had.

Mijn moeder, van wie ik de enige zoon was, was, als dienstmaagd een eenvoudige vrouw zijnd, aan mij, haar nageslacht, gebonden door haar affectie terwijl ze geen ander alternatief voor haar bescherming had. (Vedabase)

 

Tekst 7

Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, was ze daar niet toe in staat omdat ze, als iedereen, zo afhankelijk was als een pop aan een touwtje.

Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, kon ze, afhankelijk als een pop aan een touwtje als ze was, dat niet. (Vedabase)


Tekst 8

Toen ik nog maar vijf jaar oud was volgde ik het onderricht van de brahmanen en leefde ik afhankelijk van haar zonder een idee te hebben van de tijd, plaats en richting.

Toen ik het onderricht volgde van de geleerden, leefde ik, nog maar vijf jaar oud, in afhankelijkheid van haar, zonder ervaring te hebben met de bepaaldheid van de tijd of het land waarin we leefden. (Vedabase)

 

Tekst 9

Op een avond ging ze naar buiten om een koe te melken en werd ze door een slang op het pad in haar been gebeten, en zo viel mijn arme moeder de hoogmogende tijd ten offer.

Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (Vedabase)

 

Tekst 10

Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en met dat in gedachten ging ik op weg naar het noorden.

Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en op die manier denkend, ging ik op weg naar het noorden. (Vedabase)

 

Tekst 11

Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden.

Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (Vedabase)

 

Tekst 12

Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was blij met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen.

Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was verblijd met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (Vedabase)

 

Tekst 13

Geheel alleen, kwam ik door moeilijk begaanbaar struikgewas van bamboe, riet, scherp gras en onkruid, en bereikte ik diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden.

Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (Vedabase)

 

Tekst 14

Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik hongerig en dorstig een bad en dronk ik het water van een meer van een rivier zodat ik van mijn vermoeidheid herstelde.

Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik, hongerig en dorstig, een bad en dronk ik water, in het meer van een rivier daarmee van mijn vermoeidheid herstellend. (Vedabase)

 

Tekst 15

In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en maakte ik mijn geest leeg, door me te concentreren op de Superziel in mezelf aanwezig, zoals ik het had geleerd van de bevrijde zielen.

In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik, intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel van binnen, zoals ik had geleerd van de bevrijde zielen.  (Vedabase)

 

Tekst 16

Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde. Ik was zo vol van ijver dat de tranen uit mijn ogen liepen toen ik de Heer langzaam in mijn hart zag verschijnen.

Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde en zo vol van ijver, rolden de tranen uit mijn ogen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (Vedabase)

Tekst 17

Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer onderscheiden.

Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (Vedabase)

 

Tekst 18

Niet langer de gedaante van de Heer ziend die alle strijdigheid uit de geest bant, stond ik verstoord opeens op als iemand die iets begeerlijks kwijt is.

Zonder daarna nog langer de vorm van de Heer, die alle strijdigheid uit de geest wegneemt, te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als ik was als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (Vedabase)

 

Tekst 19

Ik wilde dat opnieuw ervaren en richtte heel mijn geest op het hart, maar ondanks mijn geduldige wachten zag ik Hem niet meer verschijnen en raakte ik, gefrustreerd, erg in de put.

Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik, met het denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en raakte ik zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (Vedabase)

 

Tekst 20

Op die eenzame plek het steeds maar weer proberend, hoorde ik hoe van gene zijde ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn pijn verzachtten.

Aldus op die eenzame plek pogend, hoorde ik dat van gene zijde, ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis deden afnemen: (Vedabase)

 

Tekst 21

'Luister, zolang je leeft zal je Mij hier niet te zien krijgen, want voor iemand die niet volkomen in zijn vereniging is ben Ik vanwege de onzuiverheden moeilijk waar te nemen.

'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (Vedabase)

 

Tekst 22

Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, want met het zich bij de toegewijde ontwikkelen van het verlangen naar Mij, wordt al de lust uit het hart verdreven.

Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde, het vastzitten in de slaperigheid weg zal vallen. (Vedabase)

 

Tekst 23

Door slechts een paar dagen het Absolute van dienst te zijn geweest bereikte je een stabiele intelligentie jegens Mij. In je [aldus] verzaken van de onvolkomen materiële wereld ga je [van nu af aan dan] af op - en maak je deel uit van - Mijn gezelschap.

Met het zelfs maar voor enkele dagen van dienst zijn aan het Absolute een gefixeerde intelligentie jegens Mij hebben bereikt, zal men, met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld, zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn metgezellen. (Vedabase)


Tekst 24

De intelligentie op Mij gericht zal niet falen; of het levende wezen zich nu ontwikkelt of uit beeld verdwijnt, door Mijn genade zal er heugenis zijn.'

Intelligentie op deze manier betrokken in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden daar, of levende wezens nu in wording zijn of aan het verdwijnen zijn, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.' (Vedabase)

 

Tekst 25

Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat verbazingwekkende en wonderbaarlijke geluid van de Ongeziene Heer. Dankbaar voor Zijn genade boog ik toen mijn hoofd in eerbetoon voor Hem, zo groots en heerlijk.

Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, begunstigd als ik was, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (Vedabase)

 

Tekst 26

Vrij van verbijstering de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en mij steeds Zijn mysterieuze en goedgunstige handelingen herinnerend, reisde ik bevrijd van verlangens rond met een gelukkige geest en wachtte ik mijn tijd af zonder enige trots en jaloezie.

Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik, bevrijd en tevreden de wereld, in alle bescheidenheid zonder afgunst mijn tijd afwachtend.  (Vedabase)


Tekst 27

Zonder gehecht te zijn aldus verzonken in Krishna [*], o Vyâsadeva, kwam de dood me na verloop van tijd halen, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits.

Op die manier verzonken in Krishna en vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld, o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood tot me, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits.(Vedabase)

 

Tekst 28

Beloond met een bovenzinnelijk lichaam gepast voor een metgezel van de Heer, verliet ik, ziend dat aan mijn verworven karma een einde was gekomen, het lichaam dat is samengesteld uit de vijf elementen.

Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (Vedabase)

 

Tekst 29

Aan het einde van de wereldse periode [kalpa] nam de Heer, die zich had neergevleid in de wateren van de vernietiging, mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling.

Na het einde van het tijdperk, nam de Heer die zich neer had gelegd in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (Vedabase)

 

Tekst 30

Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik opnieuw tezamen met rishi's als Marîci.

Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik weerom tezamen met alle andere rishi's zoals Marîci. (Vedabase)

 

Tekst 31

Me trouw houdend aan de gelofte [van de yoga] reis ik rond zowel in de drie werelden als erboven en ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan en te staan, daar en wanneer ik maar wil.

Trouw aan de gelofte zowel in de drie werelden als erboven rondreizend, ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan daar en wanneer ik maar wil. (Vedabase)

 

Tekst 32

Ik beweeg me rond onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer, terwijl ik deze bovenzinnelijk geladen vînâ bespeel die de Godheid me heeft gegeven.

Op deze manier beweeg ik me, onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer de bovenzinnelijk geladen vînâ bespelend waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (Vedabase)

 

Tekst 33

Als ik zo zing verschijnt al snel voor mijn geestesoog, als was Hij geroepen, het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten, over wiens handelingen men met genoegen verneemt.

Zo zingend verschijnt spoedig het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart alsof ik Hem zou kunnen gebieden. (Vedabase)

 

Tekst 34

Ik kwam tot het inzicht dat voor hen die vol van zorgen zijn in hun aanhoudend verlangen naar de voorwerpen van de zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk bezingen van de glorie van de Heer.

Ik kwam tot het inzicht dat voor diegenen die vol zorgen zijn in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk reciteren van de glorie van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 35

Het telkens weer met behulp van de yogadiscipline in zelfbeperking tegengaan van lust en verlangen, zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid van God.

Verlangen en lust telkens ondervangen door de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de dienst aan de Persoonlijkheid van God. (Vedabase)

 

Tekst 36

Op jouw verzoek beschreef ik je, vrij van zonden als je bent, alles over de geheimen van mijn geboorte en activiteiten, ter wille van zowel de voldoening van jouw ziel als die van mij.' "

Ik beschreef voor jou, die zonder zonden bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, voor de voldoening van zowel jouw als mijn eigen ziel'." (Vedabase)

 

Tekst 37

Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij, onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, waarheen hij ook wilde.

 Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken, nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (Vedabase)

 

Tekst 38

Alle glorie en succes aan de wijze van de goden die er behagen in schept de heerlijkheden van Hem met de S'ârnga [Zijn boog] in Zijn handen te bezingen en, met behulp van zijn instrument, het lijdende universum tot leven te wekken."

Alle glorie en succes zij de wijze der goden toegewenst die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken". (Vedabase)

*: Men kan zich afvragen hoe Krishna hier kan worden vermeld als degene die Nârada Muni leerde te aanbidden in zijn jeugd. Hij gebruikt de naam van Krishna hier niet enkel om te spreken over de manifestatie van Vishnu om het Vyâsa naar de zin te maken het overdenken van Zijn tijd van leven, maar vanwege  de alomtegenwoordigheid van Krishna als de Allerhoogste Heer van de Schepping gedurende alle tijden en tijdperken, ook in de kalpa toen Nârada werd geïnstrueerd door de brahmaanse zieners. Arjuna stelde een soortgelijke vraag in de Bhagavad Gîtâ 4: 4 waarop Hij antwoordde: "Er bestonden in het verleden vele geboorten van mijn karakter, net zoals van jou, mijn beste Arjuna; ik ken ze allemaal en identificeer mezelf ermee, maar jij doet dat kennelijk niet, o winnaar van de veldslag!"

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het copyright va
n de afbeeldingen verschilt afhankelijk van de bron.

De afbeelding is getiteld: "Elephant herd" en geschilderd door Kailash Raj.
©
Exoticindiaart.com gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties