Hoofdstuk
13:
Het
Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon
Mithila.

(9) Er afkerig van om
valselijk verenigd te zijn verlangen spirituele filosofen
[jnâni's] het noch om op die manier in
kontakt te staan noch om van de dienst te zijn van de
grote heiligen die aan de lotusvoeten verzonken zijn in
gedachten over de Heer [zie bhajan].

Hoofdstuk
14:
Koning
Purûravâ in de Ban van Urvasî

(44-45) Op weg naar
waar hij zijn sthâlî-vrouw had achtergelaten
zag hij dat een Asvattha was ontsproten uit het binnenste
van een Samî boom. Van hen twee maakte hij, in zijn
verlangen te geraken waar Urvas'î was, twee houtjes
[om vuur te maken] en mediteerde hij, de meester
van het rijk, met mantra's [*] op Urvas'î
als het liggend houtje, zichzelf als het bovenste houtje
en wat er tussen hen was als het kind dat hij verwekt
had.

Hoofdstuk
15:
Paras'urâma,
de Heer als Krijgsheer

(26) In zijn eigenwaan
moedigde hij zijn mannen aan de wijze zijn koe van
overvloed weg te stelen, die door hem werd meegevoerd
naar Mâhishmatî tezamen met het van het
geweld krijtende kalf.

Hoofdstuk
16:
Hoe
Heer Paras'urâma ertoe kwam de Heersende Klasse
Eenentwintig Keer te vernietigen

(17) Omdat er een
brahmaan was vermoord ging Paras'urâma naar
Mâhishmatî [de hoofdstad] om ze naar
de verdoemenis te helpen: hij hakte hun allemaal het
hoofd af, o Koning, en bouwde er midden in de stad een
grote stapel van op.

Hoofdstuk
17:
De
Dynastieën van de Zoons van
Purûravâ