(1) Srî
Prahlâda zei: 'Vanaf zijn kindertijd behoort een
persoon die van intelligentie is het dharma te
beoefenen van toegewijde dienst aan de Heer [zoals
beschreven in 7.5.23-24]; geboorte nemen in dit
menselijk bestaan is een tijdgebonden iets wat zelden
wordt bereikt en wat doortrokken is van betekenis.
(19) Het heeft
werkelijk niet veel om het lijf om de Onfeilbare
tevreden te stellen, o asura zonen, omdat in deze
wereld van alle wezens die zo dicht bij de ziel leven
ieder klein dingetje reeds vastligt. [vergelijk
B.G. 14: 3-4].

Hoofdstuk
7:
Wat
Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

(7) De Deva-rishi
die daar toevallig ter plekke arriveerde zag hoe ze op
straat weggevoerd in grote angst een keel opzette als
een kukari [een
havik].

Hoofdstuk
8:
Heer
Nrsimhadeva doodt de Koning der Demonen

(28) Toen hij
zo snel als een havik met zijn met maantjes
beschilderde schild en zwaard op en neer aan het
maneuvreren was om geen gelegenheid te bieden, maakte
de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat
dermate beangstigend was dat hij, met zijn ogen dicht,
werd gegrepen door de Kampioen van alle Snelheid.

(30) Door Zijn
grote woede was de aanblik onverdraaglijk hoe, met
angstaanjagende ogen, een wijd open mond waarvan hij
de randen en de manen met Zijn tong likte en een
gezicht rood besmeurd van bloedspetters, Hij de
ingewanden als een slinger om had, gelijk een leeuw
die zojuist een olifant gedood had.

Hoofdstuk
9:
Prahlâda
stemt Heer Nrsimhadeva gunstig met
Gebeden