bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere links



Afbeeldingen Canto 6 - pagina 1-2-3

Hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 5, 6. 



Hoofdstuk 1  Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila

(31) Op het ogenblik dat de boodschappers van Yâma de echtgenoot van de meid van binnenuit het hart aan het wegsnaaien waren, riepen de Vishnudûta's met welluidende stem dat een halt toe.


(58-60) Ooit ging deze brahmaan, de orders van zijn vader opvolgend, naar het bos om aldaar vruchten en bloemen te verzamelen en samit en kusa [grassoorten]. Terugkerend, zag hij een of andere sûdra zeer lustig tezamen met een publieke vrouw die dronken van de maireya nectar [een drank gemaakt van de somabloem] met haar ogen heen en weer rolde van de bedwelming. Onder invloed was haar kleed los gaan zitten en onbeschaamd vervallen in wangedrag was hij dicht daarbij aan het lachen en zingen, zich met haar vermakend.


Hoofdstuk 2: Ajâmila Bevrijd door de Visnudûtas: de Motivatie voor de Heilige Naam

(44) Op weg naar de hemel waar de echtgenoot van de Geluksgodin [Vishnu] verblijft, klom de man van kennis tezamen met de dienaren van Vishnu aan boord van een hemelvoertuig [vimâna] gemaakt van goud.


Hoofdstuk 3: Yamarâja Instrueert Zijn Boodschappers

(3) S'rî S'uka zei: 'De dienaren van de Dood, o Koning, wiens plannen waren verijdeld door de mannen van de Allerhoogste Heer, stelden hun meester Yamarâja, de heerser over de stad Samyamanî, op de hoogte.


Hoofdstuk 4: De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksa opgedragen aan de Heer



(24) De vriend van wiens vriendschap de persoon geen weet heeft precies zoals de zinsobjecten geen weet hebben van het zintuig dat hen waarneemt; die vriend waarmee men in dit lichaam samenleeft, Hem bied ik mijn eerbetuigingen. (25) Dit lichaam met zijn soorten van adem, zijn zinnen, zijn begrip, zijn elementen en zinsobjecten, zij voor zichzelf, naar elkaar toe en naar alles toe daarbuiten worden gekend door het levend wezen; maar met al die kwaliteiten bekend, kent hij niet de Onbegrensde die allen kent; Hem aanbid ik.


(35-39) Srî Suka zei: 'Na aldus te zijn geprezen door de opgedragen gebeden verscheen Hij, de Allerhoogste Heer, de zorgdrager der toegewijden, aldaar in Aghamarsana, o beste onder de Kuru's. Met Zijn voeten op Garuda's schouders hield Hij met Zijn acht lange en machtige armen, de werpschijf, de schelphoorn, het zwaard, het schild, de pijl, de boog, het touw en de knots omhoog. Zijn intens zwart-blauwe gedaante was gehuld in gele kledij, Zijn gezicht en blik waren zeer opgewekt en Zijn hele lichaam was van top tot teen opgesierd; versierd met het stralende kaustubha juweel, het srîvatsa merkteken, een grote geronde helm, glitterende haaien-oorhangers, een gordel, ringen om Zijn vingers, armbanden om Zijn polsen en bovenarmen en met Zijn enkelbelletjes, betoverde Zijn verschijning de drie werelden. Als de schittering van de lagere, de hogere en de tussenwerelden werd de Beheerser omringd door Nârada, Nanda en andere eeuwige metgezellen zowel als door de leiders der goddelijken en werd Hij verheerlijkt door de volmaakten, de hemelse zangers, en de eerbiedwaardigen van de Veda's die voor hem zongen.


Hoofdstuk 5: Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksa

(10) Srî Suka zei: 'Nadat de Haryasva's die raadselachtige woorden van de Devarishi hadden gehoord, namen ze hen in overweging met de volle inzet van hun intelligentie en ontwaakte hun onderscheidingsvermogen.


(35) Hij in treurnis over zijn kinderen werd zeer kwaad op Nârada. Toen hij de devarishi zag sprak hij furieus met trillende lippen, het bijna bezwijmend.


Hoofdstuk 6: Het Nageslacht van de Dochters van Daksa

(24-26) Hem opnieuw tot vrede bewegend was Soma er met de tijd in geslaagd het verval een halt toe te roepen [in de donkere helft van de maand]. Hoor nu wat al de namen zijn van de moeders, de vrouwen van Kasyapa, van wiens plaatsen aldus recht gedaan, dit hele universum zijn bestaan vond: Aditi, Diti, Danu, Kâsthâ, Aristâ, Surasâ, Ilâ, Muni, Krodhavasâ, Tâmrâ, Surabhi, Saramâ en Timi. Uit Timi verschenen de waterdieren terwijl de wilde dieren er waren als de kinderen van Saramâ.



N.B. Als u een van deze afbeeldingen op uw eigen website wilt gebruiken,
plaats ze dan a.u.b. op uw eigen server. Steel geen bandbreedte.
 

 

volgende pagina