Hoofdstuk
1
Dharma
en Adharma: het Leven van Ajâmila

(31)
Op
het ogenblik dat de boodschappers van Yâma de
echtgenoot van de meid van binnenuit het hart aan het
wegsnaaien waren, riepen de Vishnudûta's met
welluidende stem dat een halt
toe.

(58-60)
Ooit
ging deze brahmaan, de orders van zijn vader opvolgend,
naar het bos om aldaar vruchten en bloemen te verzamelen
en samit en kusa [grassoorten]. Terugkerend, zag
hij een of andere sûdra zeer lustig tezamen met een
publieke vrouw die dronken van de maireya nectar [een
drank gemaakt van de somabloem] met haar ogen heen en
weer rolde van de bedwelming. Onder invloed was haar
kleed los gaan zitten en onbeschaamd vervallen in
wangedrag was hij dicht daarbij aan het lachen en zingen,
zich met haar vermakend.

Hoofdstuk
2: Ajâmila
Bevrijd door de Visnudûtas: de Motivatie voor de
Heilige Naam

(44) Op weg naar de
hemel waar de echtgenoot van de Geluksgodin
[Vishnu] verblijft, klom de man van kennis
tezamen met de dienaren van Vishnu aan boord van een
hemelvoertuig [vimâna] gemaakt van
goud.

Hoofdstuk
3:
Yamarâja
Instrueert Zijn Boodschappers

(3) S'rî S'uka
zei: 'De dienaren van de Dood, o Koning, wiens plannen
waren verijdeld door de mannen van de Allerhoogste Heer,
stelden hun meester Yamarâja, de heerser over de
stad Samyamanî, op de hoogte.

Hoofdstuk
4:
De
Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksa opgedragen
aan de Heer

(24) De vriend van
wiens vriendschap de persoon geen weet heeft precies
zoals de zinsobjecten geen weet hebben van het zintuig
dat hen waarneemt; die vriend waarmee men in dit lichaam
samenleeft, Hem bied ik mijn eerbetuigingen. (25) Dit
lichaam met zijn soorten van adem, zijn zinnen, zijn
begrip, zijn elementen en zinsobjecten, zij voor
zichzelf, naar elkaar toe en naar alles toe daarbuiten
worden gekend door het levend wezen; maar met al die
kwaliteiten bekend, kent hij niet de Onbegrensde die
allen kent; Hem aanbid ik.
(35-39) Srî Suka
zei: 'Na aldus te zijn geprezen door de opgedragen
gebeden verscheen Hij, de Allerhoogste Heer, de
zorgdrager der toegewijden, aldaar in Aghamarsana, o
beste onder de Kuru's. Met Zijn voeten op Garuda's
schouders hield Hij met Zijn acht lange en machtige
armen, de werpschijf, de schelphoorn, het zwaard, het
schild, de pijl, de boog, het touw en de knots omhoog.
Zijn intens zwart-blauwe gedaante was gehuld in gele
kledij, Zijn gezicht en blik waren zeer opgewekt en Zijn
hele lichaam was van top tot teen opgesierd; versierd met
het stralende kaustubha juweel, het srîvatsa
merkteken, een grote geronde helm, glitterende
haaien-oorhangers, een gordel, ringen om Zijn vingers,
armbanden om Zijn polsen en bovenarmen en met Zijn
enkelbelletjes, betoverde Zijn verschijning de drie
werelden. Als de schittering van de lagere, de hogere en
de tussenwerelden werd de Beheerser omringd door
Nârada, Nanda en andere eeuwige metgezellen zowel
als door de leiders der goddelijken en werd Hij
verheerlijkt door de volmaakten, de hemelse zangers, en
de eerbiedwaardigen van de Veda's die voor hem
zongen.

Hoofdstuk
5:
Nârada
Muni Vervloekt door Prajâpati Daksa

(10) Srî Suka
zei: 'Nadat de Haryasva's die raadselachtige woorden van
de Devarishi hadden gehoord, namen ze hen in overweging
met de volle inzet van hun intelligentie en ontwaakte hun
onderscheidingsvermogen.

(35) Hij in treurnis
over zijn kinderen werd zeer kwaad op Nârada. Toen
hij de devarishi zag sprak hij furieus met trillende
lippen, het bijna bezwijmend.

Hoofdstuk
6:
Het
Nageslacht van de Dochters van Daksa
(24-26)
Hem opnieuw tot vrede bewegend was Soma er met de tijd in
geslaagd het verval een halt toe te roepen [in de
donkere helft van de maand]. Hoor nu wat al de namen
zijn van de moeders, de vrouwen van Kasyapa, van wiens
plaatsen aldus recht gedaan, dit hele universum zijn
bestaan vond: Aditi, Diti, Danu, Kâsthâ,
Aristâ, Surasâ, Ilâ, Muni,
Krodhavasâ, Tâmrâ, Surabhi,
Saramâ en Timi. Uit Timi verschenen de waterdieren
terwijl de wilde dieren er waren als de kinderen van
Saramâ.