Hoofdstuk
11:
Jada
Bharata Onderricht Koning Rahûgana

(10)
De
reuk, de vorm, de tast, de smaak, en het gehoor [de
kennende zinnen]; de uitscheiding, de
geslachtsgemeenschap, het zich bewegen, de spraak en de
handigheid [de zinnen van handelen] met het elfde
element van het aanvaarden van het idee van 'mijn', kent
aldus het 'ik' aan dit lichaam toe waarvan sommigen
beweerden dat dat het twaalfde element
is.

Hoofdstuk
12:
Het
Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en
Jada Bharata

(5-6) De
brahmaan zei: 'Deze persoon, die men ziet als zich
rondbewegend over de aarde en die een omvorming is van
die aarde, o aardse persoon - om welke reden zou uwe
Heerlijkheid, met deze voeten en daarboven deze enkels,
kuiten, knieën, dijen, middel, nek, schouders en op
die schouders de houten draagstoel waarop degene zit die
aldus gekend wordt als de Koning van Sauvîra, zo
hooghartige staan op een afdwingen met 'Ik, de Koning van
Sindhu' en aldus een gevangene van de valsheid
zijn?

Hoofdstuk
13 :
Vervolg
van het Gesprek tussen Mahârâja
Rahûgana en Jada Bharata

(5) Door het gerucht
van onzichtbare krekels in zijn oor geplaagd, door de
geluiden van uilen van streek in zijn geest en hart en
honger lijdend met het zich beroepen op bomen die geen
vruchten dragen, jaagt hij soms het water van een
luchtspiegeling na.
(25)
De
Koning van Sauvîra zeker van een verheven positie,
kwam tot een volledig begrip van de waarheid van de
opperziel; in zich zelf slaagde hij er volledig in het
begrip op te geven van een lichamelijk zelf dat hij
foutief in onwetendheid aan zijn persoon had
toegeschreven en aldus, o Koning, volgde hij na op het
pad der geestelijke erfopvolging naar de Heer. '

Hoofdstuk
14:
De
Materiële Wereld als het Grote Woud van
Genot.

(38)
Op
dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd
door de ellende van het bestaan, waarbij de
gekonditioneerde ziel zelf of iemand anders soms denkt
gewonnen te hebben en soms denkt het verloren te hebben,
verwanten opgevend en nieuw geborenen aanvaardend. Daarin
vindt men een hoop verdriet, illusie en vrees, waarover
men hardop huilt bij tijden en somtijds in vreugde aan
het zingen is. In gebondenheid zich verre van het heilige
leven ophoudend wordt zelfs tot op de dag van vandaag
geen zekerheid gevonden in het afgaan op hen door wie
deze wereld van het menselijk eigenbelang in het bestaan
werd geroepen, de materiële manier van doen waartoe
de verdedigers van de vrede altijd verwijzen naar gene
zijde.

Hoofdstuk
15:
De
Glorie van het Nageslacht van Koning
Priyavrata
Waarheidlievend
in zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn
onderdanen ze onderhoudend [posana]; hij maakte
hen in alle opzichten gelukkig [prînana] ze
behandelend als zijn kinderen [upalâlana],
bij tijden ze terecht wijzend als hun koning
[anusâsana]. Hij voerde in ieder opzicht al
de voorgeschreven religieuze ceremoniën uit voor de
Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en levensbron
van alle wezens, het Allerhoogste Brahman. Door zijn
overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten, door zijn
dienst aan de lotusvoeten der zelfgerealiseerden, bracht
hij het tot de toegewijde dienst aan de Opperheer daar
hij eveneens in het zuiverste bewustzijn voortdurend in
zichzelf verzonken, persoonlijk de beëindiging had
gerealiseerd van alle identificatie met zijn
materiële zelf. Ondanks dat hij zich de verhevenheid
van zijn spirituele positie bewust was, bleef hij zonder
enig vals prestige in zijn op deze manier strikt naar de
vedische beginselen heersen over de gehele
wereld.'