Hoofdstuk
27:
De
Aanval door Candavega op de Stad van Koning Puranjana;
het Karakter van Kâlakanyâ.

(19) Te dien tijde
bereisde de dochter van de Almachtige Tijd [genaamd
Kâlakanyâ, verwijzend naar Jarâ of de
ouderdom] de drie werelden naar iemand uitziend die
haar echtgenoot kon zijn, o Koning
Prâcînabarhi, maar er was nooit iemand die op
haar aanzoek inging.

Hoofdstuk
28: Puranjana
Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven

(23) Gebonden als
een dier werd Puranjana door de Yavana's naar hun eigen
verblijf meegesleept, gevolgd door de stroom van zijn
getrouwen die zeer van streek in tranen verzet waren.

Hoofdstuk
29:
De
Conversatie van Nârada en Koning
Prâcînabarhi

(29) Soms een man en
soms een vrouw en soms geen van beide; dan weer verblind
qua intelligentie, een menselijk wezen, dan weer een God
en dan weer een dier, existeert men door zijn handelen
naar de geaardheden der natuur, geboren al naar gelang
het karma.
Hoofdstuk
30:
De
Aktiviteiten van de Pracetâ's

(5) Zich bevindend op
de rug van de vogel waarmee Hij rondreist
[Garuda], zag Hij eruit als een wolk rond de top
van de berg Meru, alle duisternis in de omtrek
verdrijvend, met een geel gewaad aan en met het juweel om
Zijn nek.

(47) De resterende
bomen, die zeer bevreesd waren [zij of hun
godheid], leverden te dien tijde, op het advies van
Brahmâ, hun dochter uit aan de Pracetâ's
[zie tekst
13].
Hoofdstuk
31:
Nârada
Onderricht de Pracetâ's

(4)
Op
zijn verschijnen kwamen ze allen overeind en brachten ze
hun eerbetuigingen ter verwelkoming hem respekterend
zoals voorgeschreven was en nadat ze hem een comfortabele
zitplaats hadden gegeven richtten ze zich tot hem.

(23) Maitreya zei: 'O
Koning, de grote wijze, de zoon van Brahmâ aldus de
Pracetâ's op de hoogte stellend van de onderwerpen
over hoe men omgaat met de Heer, keerde toen terug naar
de verblijfplaats van het Absolute
[Brahmâ-loka].