(14) Op basis daarvan
worden deze bestaansvormen niet [werkelijk]
vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel
zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van
de schepping, Jou ook in zich hebben [als een
gelover, als caitanya, een nitya-mukta bewuste ziel of
jivâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8:
19].

(52) Aldus sprekend
namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug
naar Dvârâka en presenteerden Ze de zoons aan
hun moeder.

Hoofdstuk
86:
Arjuna
Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va
en S'rutadeva

(6)
Daar, met ogen
opbloeiend van geluk het wonderschone meisje ziend dat de
helden het hoofd op hol brengt, zette hij, hevig
verliefd, zijn zinnen op haar.

(52)
De beeltenissen,
bedevaartsoorden en heilige rivieren aanschouwd,
aangeraakt en aanbeden zuiveren geleidelijk aan, maar
door de blik van hem die het meest aanbiddelijk is wordt
dat alles in één keer bereikt [zie ook
4.30: 37, 7.9: 44, 10.9:21, 10.84: 11].

Hoofdstuk
87:
Het
Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Vedas in Eigen
Persoon

(14) De Veda's zeiden:
'Alle eer, alle eer aan U, alstUblieft o Onverwinnelijke
die de geaardheden aannam om het nadelige in het leven te
roepen, versla de eeuwige illusie; omdat U in Uw
oorspronkelijke status volkomen bent in de vormen van
weelde kunt U, bij tijden Uzelf bezig houdend met de uit
uw innerlijk voortspruitende energieën van de
bewegende en niet rond bewegende belichaamden, door ons,
de Veda's, worden gewaardeerd als de wortel
[**].

Hoofdstuk
88:
Heer
S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

(22) O zoon van
Bharata, toen Rudra dit hoorde, liet hij misnoegd
om weerklinken en willigde hij het met een
ironische glimlach in; het was als het geven van melk aan
een slang [see also 10.16: 37].

Hoofdstuk
89:
Vishnu
de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een
Brahmaan Terug

(2) Ernaar verlangend
dit te weten zonden ze Bhrigu, de zoon van Brahmâ
er op uit om dit uit te zoeken, o Koning, en zo begaf hij
zich naar het hof van Brahmâ.

(36) Hij, zuiver water
beroerend, bracht de grote beheerser [S'iva] zijn
eerbetuigingen, en spande met [de mantras van]
zijn wapens in gedachten, de boogpees van de
Gândiva.

(47) De zeven
continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens
langstrekkend stak hij de grens over die de werelden
scheidt van de buitenruimte en ging Hij de diepe
duisternis binnen [zie ook 5.1: 31- 33].

(51) Het pad van de
cakra volgend voorbij die duisternis aanschouwde Arjuna
het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende,
transcendentale licht, voor de pijn waarvan hij zijn
beide ogen sloot [zie ook 10.28: 14-15].

Hoofdstuk
90:
De
Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's
Heerlijkheid Samengevat

(11) Zoals Krishna met
op Zijn bloemenslinger de kunkuma van hun borsten, en de
schikking van Zijn haardos in de war door Zijn opgaan in
de sport, genoot van het natgespoten worden door en
natspuiten van de vrouwen, was Hij gelijk de koning der
olifanten omringd door de wijfjesolifanten.

(50) Bij iedere
offerplechtigheid horend, zingend en mediterend op de
schitterende onderwerpen aangaande Mukunda, begeeft een
sterveling zich van zijn huis naar Zijn hemelverblijf,
alwaar de onvermijdelijke gang van de dood tot staan
wordt gebracht; zelfs zij die de scepter zwaaiden over
het rijk [zoals Dhruva en Priyavrata] gingen voor
dit doel het bos in.