(41)
Krishna en Râma met ieder Zijn eigen specifieke
eerste klas uitdossing en fraaie sierselen zagen er zo
prachtig uit als jonge lichte en donkere olifanten
tijdens een festival.

(37) Hij aldus
koeionerend wekte de toorn op van de zoon van
Devakî die met de zijkant van zijn hand hem het
hoofd van zijn lichaam sloeg. (38) Toen al zijn
medewerkers in alle richtingen een veilig heenkomen
zochten en de bundels kleren achterlieten, nam Acyuta de
kledingstukken. (39) Verschillende ervan op de grond
weggooiend kleedden Krishna en Balarâma Zich met
een stel kleren naar Hun smaak en gaven Ze de rest aan de
gopa's.

(49) S'uka zei: 'Met
die overweging, o beste der koningen, bood
Sudâmâ vol van liefde bloemenslingers aan
gemaakt van verse en geurige bloemen.

(20)
Toen
Balarâma and Kes'ava hun kwade bedoelingen zagen
nam daarop ieder van Hen een stuk van de boog ter hand om
ze verwoed ze neer te sabelen.

Hoofdstuk
43:
Krishna
Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

(5)
Aldus
bedreigd stuurde de kwaad geworden olifantenhoeder de
kwade olifant in de richting van Krishna, van de tijd, de
dood en Yama de uitnemendheid zijnde.

Hoofdstuk
44:
De
Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

(2)
Hun
handen met hun handen beetgrijpend en hun benen met hun
benen blokkerend, duwden en trokken ze elkaar uit alle
macht om de overwinning te behalen.

(37) Hem bij het haar
beetgrijpend gleed zijn kroon eraf en slingerde Hij met
de Lotusnavel hem van het hoge platform [te
pletter] in de worstelring en wierp Hij, de
Onafhankelijke Steun van het Ganse Universum, zich op
hem.

Hoofdstuk
45:
Krishna
Redt de Zoon van Zijn Leraar

(30-31) Als de Heren
van het Universum die van allen de oorsprong zijn en in
de kennis alwetend, verborgen Zij door hun menselijke
handelingen de onberispelijke kennis die uit geen andere
bron word verkregen en verlangden Ze het om te leven in
de school van de goeroe geboren in Kas'i
[Benares] genaamd Sândipani die zich
ophield in de stad Avanti [Ujjain].